Smerig


Verhaal door René van DensenDe schoonmakers van de treinen staken. Al een tijdje. Dat zegt de krant. De krant zegt ook dat het nu enorm smerig is in de treinen. Ik ben eigenlijk wel benieuwd. Gewoon omdat het kan stap ik dus in de trein. Ik heb zo’n privacybeschadigende treinkaart niet voor niets. Kom maar op, denk ik. Ik wil die smeerboel wel eens zien. De postapocalyptische toestanden wanneer er achter de moderne mens niet opgeruimd wordt. Ik heb een nieuwsgierig en licht masochistisch karakter.

Hoge verwachtingen worden er gekoesterd. Kniehoog in smurrie. Rottend tuinafval, radioactieve vaten, en vergane lijken. Bij elk station moet de coupé klotsen om aan mijn beeld te voldoen. Maar bij het instappen zie ik enkel twee flardjes toiletpapier in de gang. Naast mijn treinzetel een McDonaldsbeker die lichtgevuld achtergelaten is. Rechts van mij wat kruimels.

In feite is het nog minder smerig dan wanneer er wél opgeruimd wordt. Opvallend, denk ik. Ik vraag me onwillekeurig af hoeveel van de prijs van een treinkaartje besteed wordt aan de schoonmaak van de treinen. Blijkt dus helemaal niet nodig. Ik zwijg erover want ik wil niet stoken. In de coupé zijn wel veel grauwe, vertrokken gezichten. Wellicht dat enkel de humeurs voorheen opgeruimd werden. De mensen kijken smerig. En ook als ik buiten het raam kijk. is het één tyfuszooi. Maar de coupé, nee. Die is zeker niet smerig. Zonde van mijn treinkaartje.

Om de volgende ramptoerist tevreden te stellen, laat ik zo onopvallend mogelijk mijn broek zakken. Ik hurk en pers. Warme damp kriebelt mijn billen. Ziezo. Als nu de volgende treinreiziger niks te instagrammen heeft, dan weet ik het ook niet meer.

Zitzak


Verhaal door René van DensenIk was moe en had eigenlijk alleen nog maar zin om thuis om de bank te ploffen. Maar als Frank het stamcafé uitrent, mijn naam roepend, dan stop ik. Met zijn bier nog in de hand vraagt hij of ik nog even iets kom drinken in het café. Mijn voeten doen enorm zeer en ik ben moe, maar Frank kan ik niks weigeren. Even later zit ik met enkele mensen op het terras. Aan een biertje dat ik niet van plan was.

We drinken, en praten over zuipen. Mijn schoenen heb ik uitgedaan. Ik vertel dat er een zitzak in mijn tuin is opgedoken. En dat zowel ik als mijn huisgenoot niet weten waar die vandaan kwam. Een vriend vertelt dat hij wil stoppen met drinken. Ik heb geen moeite met niet drinken. Wel heb ik moeite met ophouden. Althans, na een aantal biertjes kan ik niet meer ophouden. Als een ontspoorde trein zuip ik dan door. De verdoemenis tegemoet, met onverstaanbaar gemurmel.

Natuurlijk maak ik het te bont. Thuis aangekomen verlies ik mijn sleutels. Ik kom het huis niet meer in. Wanhopig probeer ik vanalles, maar het haalt niks uit. Mijn kat miauwt door het raam en snapt niet waarom ik niet binnenkom. Ik slaap mijn roes uit op de zitzak. Bij het ochtendgloren zie ik dat ik de sleutels gewoon naast mijn fiets heb laten vallen. Je zult maar zo’n typisch leven leiden.

Assertiviteit


Verhaal door René van DensenMijn ogen staren naar het plafond. Er staart een drietal vliegen terug. Ik kan me amper bewegen. Alles schreeuwt dat ik nog niet klaar ben voor de dag. Maar ik moet. Met mijn stomme kop heb ik weer eens ergens ja op gezegd. Waardoor ik uiteindelijk maar een paar uurtjes slaap heb gehad. Ik ben nog niet genoeg terug in vorm om zomaar een korte nacht aan te kunnen. Waarom heb ik dan ook geen nee gezegd… Bepaalde manieren van vragen zijn uiterst effectief. Er is ‘de crisis’. Waar iemand diens probleem aan me voorlegt en inspeelt op mijn sympathie, of op mijn wanhopigheid een bepaalde baan te behouden. In essentie maakt zo iemand dan van diens probleem mijn probleem. Er is ook ‘ de overval’. Wanneer ik echt hard en geconcentreer werk, overval me dan met je vraag en ik zal, verward en ontspoord, waarschijnlijk wel ja antwoorden. En zo zijn er nog meer vraagmanieren waar mensen dankbaar gebruik van maken. Wie de knoppen kent, krijgt veel bij me gedaan.

Op aanraden van de psycholoog – want mensen vroegen op een bepaald moment zoveel aan mij dat ik een lange tijd serieuze klachten aan heb overgehouden aan het nakomen van alles – meldde ik me aan bij een assertiviteitstraining. Ik ben eerst het gebouw zes keer aarzelend voorbij gefietst. Ik wist niet zeker of ik die mensen wel moest storen. Het gebouw zag er belangrijk en industrieel uit. Uiteindelijk reed ik dan toch de parkeerplaats op. Ik stalde mijn fiets zoveel mogelijk uit andermans weg. In de wachtkamer liet ik iemand, die na me binnen was gekomen, voorgaan. Maar die had helaas niet veel vragen en was snel weg. In een smorsig lokaaltje volgde mijn intake. Een spervuur aan vragen wordt verschoten. Ik probeer zo schamper mogelijk over mijn situatie te doen, want stoer. Dan vraagt de intakepersoon welke dag me het beste schikt, of welke juist het slechtste. Voor de training. Ik zeg alles behalve donderdag.

Een paar weken later ontvang ik een brief. Ik ben ingedeeld bij de assertiviteitstraining op donderdag. Na anderhalve dag twijfelen, met de brief op tafel, bel ik ze op. Ik zeg, wat is dit nou. Ik zeg, jullie plannen me in op de enige dag die ik aangaf dat niet kon. Ik zeg, dan snap ik niet waarom ik dat moest invullen. Ik zeg, vraag me dan niks. Ik zeg, stelletje koekenbakkers. Ik zeg dit natuurlijk allemaal niet, alleen de eerste twee dingen. Ze beamen na wat papiergeritsel dat er een fout gemaakt is. Ze gaan me in de ‘maandaggroep’ plaatsen. Ik ontvang vanzelf bericht wanneer die training start

Dit gesprek vond bijna driekwart jaar geleden plaats. Ik durf er nog steeds niet achteraan te bellen wanneer we nou beginnen. Ondertussen moet ik me nu haasten naar het werk. Ik ben benieuwd wat voor stomme dingen ik zoal nog meer niet zal kunnen weigeren vandaag.

Badge


Verhaal door René van Densen“Ik heb nog iets voor je,” zegt de bewaker. Hij tovert uit zijn lade een toegangsbadge met mijn foto erop. En twee papiertjes. Hier en hier tekenen alstublieft. Opgewonden rolt mijn pen over het papier. Mijn eigen badge ! Terwijl ik ermee naar de kleedkamer loop, vraag ik me af hoeveel eigen badges ik eigenlijk gehad heb in mijn leven. Op die dozijnen aan plekken waar ik gewerkt heb. Nergens, in feite. Ja, wel ‘eigen’ badges, maar toch geen met eigen foto. Die ze dus niet terug in een lade kunnen gooien, later met één muisklik aan iemand anders kunnen toewijzen en die persoon twee krabbels voor kunnen laten zetten. Mijn eigen badge. Dat de foto niet mijn beste is – iemand kwam die ‘even snel’ maken middenin de werkzaamheden – zal vast pas later een ergernis worden.

Ik kan zomaar de herenkleedkamer binnen zonder een sleutel te hoeven lenen bij de bewaking. Ook zal ik ’s ochtends niet meer hoeven aan te bellen. Ik kan óveral waar ik moet zijn, gewoon binnen. Badge, piep, klik, open. Ik hoor er bij, nu. Dat gevoel overweldigt me. Ik hoor er nu helemaal bij. Ik ben onderdeel, nee, ik bén het bedrijf. Ik ben de winstcijfers, de omzet, de vertrekkende eenheden. Ik ben de balanskolom links en rechts. Ik ben de stock count en de veiligheidsvoorschriften. Mijn badge bungelt trots en opstandig aan mijn riem terwijl ik dit alles bedenk.

Van de weerslag ga ik mijn collega’s aansporen harder te werken. Hun prestaties beïnvloeden immers het bedrijf en dus ook mij. Ik jaag ze op. Hop, hop, roep ik, tempo collega tempo tempo ! Ik klap er bij, ritmisch en fel. Als het niet werkt, spring ik op de band en roep in het rond dat het veel sneller kan allemaal. Ik ben hier zeker een half uur mee bezig zonder productief te zijn, wanneer plots een veeltal handen mij vastgrijpt. Als ze me later vinden, is mijn badge ver en diep in mij verdwenen. Ik ben mijn badge geworden.

Dikke bult


Verhaal door René van DensenSoms ben ik net een man. Lang niet altijd. Maar soms wel. Meestal als ik koppig ben. Het is mijn hardnekkigste eigenschap. En daardoor is vaak ook wat me overkomt, gewoon mijn eigen schuld. Dikke bult. Dan kun je best tandenknarsen. En heel erg hard iemand anders de schuld willen geven. Maar het is gewoon de jouwe. Dombo. Wanneer ik dan weer eens ontdek dat het toch écht dikke bult is, draag ik die zo sportief mogelijk. Ik pronk niet met mijn dikke bult. Dat gaat te ver. Maar ik erken mijn dikke bult. Ik geef mijn dikke bult een biertje. Samen met mijn dikke bult zit ik in de zon. We zwijgen en denken na. Liever zaten we niet met elkaar opgescheept. Maar het zijn de aarden van de beestjes.

Dus natuurlijk, als ik eindelijk zowaar werk heb, vertrek ik op mijn eerste dag eigenlijk maar nipt op tijd. Ik mag geen tegenvallers treffen op deze rit, bedenk ik me als ik op de klok kijk bij het verlaten van het huis. Zonder tegenvallers kom ik zelfs vroeg. Dat weet ik zeker. Niet schokkend vroeg, maar wel vroeg. Meteen mijn straat uit is het al mis. Mijn fiets kraakt, klaagt, ratelt, kortom, laat onmiskenbaar merken dat er iets niet naar zijn zin is. Ik krijg ook geen goede versnelling geschakeld. Ik vloek op het ding. De fiets is oud. Maar ik ben trots op de kwaliteit van de oude fiets. Ik wou deze fiets. De dikke bult zit nu al achterop.

Uiteraard weet ik mijn sluiproute. Scheelt zeker tien minuten. Kom ik ruim op tijd dus. Ja, natuurlijk ligt die route halverwege kilometers lang afgesloten. Met geen uitwijkmogelijkheid. Ik moet helemaal terug. En met een reusachtige omweg kom ik te laat. De dikke bult giechelt. Ik werk hard, mijn eerste werkdag. Compensatiedrang. Te laat gekomen, immers. Dus hoewel ik minder betaald krijg, zal ik toch de correcte hoeveelheid werk plegen. Aard, beestje. Als ik aan het eind van de werkdag gebroken op mijn fiets stap, zit de dikke bult een vrolijk liedje te zingen. Hárd. Hij geniet. Krakend en klagend rolt de fiets naar huis. Mijn voeten voelen als pijnlijke steenklompen. Thuis kijk ik mijn fiets na. Ik zie niks geks. Dan zie ik het plots. Die bidonhouder, die ik per se op de fiets wou hebben. Die knelt gewoon de versnellingskabel vast. Zo verdomd stom. De dikke bult heeft een vriendengroep uitgenodigd en ze dansen rondjes rond me. De dikkebultengroep speelt fanfare. Ik zucht en knik. En erken dat ze gelijk hebben. Ja.

Ik ben een wolk


Verhaal door René van DensenIk ben een wolk. Ik drijf. De zon schijnt op mijn rug. Ik besta maar wat. Een collectie flarden. De wind rukt aan me en ik laat me weer een beetje verwaaien. Wat mijn koers is, blijft onduidelijk. Maar komen zullen we er.

Het hemelsblauw heb ik mijn rug toegekeerd. Als ik al een blik werp, dan op aardse zaken. Beneden volgt mijn schaduw me. Je keert de hemel niet zomaar de rug toe zonder een schaduw te ontwikkelen. Niemand is ooit alleen. Als ik me op mijn zijde wentel, zwermen er vliegtuigen en meeuwen met me op. Voor hen ben ik zelfs maar een omgeving. Ik geef om. Ze hebben behoefte aan om, dus die krijgen ze ook.

Had ik een spiegel, dan zou ik vormen in mezelf pogen te ontwaren. Misschien een konijntje. Het schijnt Pasen te zijn. Ook dat gaat volledig aan me voorbij. Misschien zie ik er uit als een mandje, of een ei. Of een sigaret, of een kiezelsteen, of een krukas. Of een deurmat, een koffiemolen, een ontslagbrief. En spoedig verwaait de wereld me weer in een nieuwe vorm. Ik laat het gebeuren. Als ik twijfel had, zou ik twijfelen aan mijn koers. Maar ik ben een wolk. Ik drijf.

Halfweg


“Dan zien jullie er nog goed uit,” was het dubieuze compliment dat ons ten deel viel. Halverwege. Halfweg, zoals de zuiderburen zeggen. En wat is er dan beter he, tja. Het gaat om hetzelfde woord, en ‘onze’ vervoeging klinkt enorm ouderwets. Lekker simpel en modern: halfweg. Half-weg. Nog niet helemaal, maar wel half. Wij waren wel halverwege, maar nog niet half weg, dat was ongeveer het compliment wel. Wat een mens toch kan nadenken over taal. Zeker als je ligt te bekomen. Of bij te komen ? Waarbij dan ? En is dat een terugkeer van gáán ?

En ondanks dat we een route hadden uitgestippeld, hebben we geen volledig rechte weg gelopen. We zijn even van het pad geraakt. Verkeerde afslag. Story of my life. Het is makkelijk om de weg te weten en dan toch fout te gaan. Soms is het gewoon een vergissing. Links afgeslagen terwijl je hier rechts moest. Stom, maar menselijk. Nog menselijker is de andere reden. De moedwillige foute afslag. Je weet dat je de goede weg links (of rechts ?) laat liggen. Je weet dat dit pad naar onbekend gebied leidt. Of juist té bekend. En je doet het toch. Stap voor stap loop je verkeerd. En kan het verkeren. Keer op keer. Soms verkort zo’n gok je route, maar meestal niet. Een moedwillige dwaling.

En dan ben je ineens niet meer halverwege, maar halfweg. Je zat fout. Tóch fout. En natuurlijk denk je dan het liefst dat in ieder geval je bedoelingen goed waren. Maar waren ze dat wel ? Was het geen zelfsabotage ? Hoopte je eigenlijk niet dat deze foute afslag je niet halfweg, maar helemáál weg zou brengen ? Waar ging je ook alweer wél heen ? Heel de route, de plotlijn kwijt. En moeizaam de weg weer terug buigen. Terug op koers. En waar, of liever, hoe ver onderweg zijn we nu ?

Zombies


Verhaal door René van DensenOntegenzeglijk heb ik wel leuker gedroomd. Het huis krioelt ervan en ik kan me nergens veilig terugtrekken. Geen deur stopt ze. Doorheen het hele huis ben ik op vlucht voor zombies. Ze klauwen en grommen. Het is rete-irritant. Ik roep naar de zombies dat ze me even met rust moeten laten. Dat ik moe van ze word. Of ze niet even zichzelf kunnen vermaken of zo. Er staat bier in de koelkast, roep ik. Geen reactie.

Al snel zit ik op zolder. De zombies duwen tegen het luik. Ik heb geen idee wiens zolder dit moet voorstellen, want zelf heb ik geen zolder. Daardoor besef ik me dat dit misschien niet echt is. Dat maakt de stomme zombies nóg irritanter. Ik stamp op het luik en zeg dat de zombies een baan moeten gaan zoeken. Of een goede hobby. Dat ik hen toch ook niet thuis lastig kom vallen. De zombies luisteren niet. Het luik houdt het niet lang meer.

Ik stap van het luik af en loop naar een raam. Even sluit ik de ogen. Dan vliegt er een reusachtige, meergekleurde draak voor het raam. Hij heeft een toverstafje. Knipogend zwaait hij ermee terwijl de zombies door het luik bovenkomen. En weg zijn ze. De draak zwaait en vliegt weg. Ik vind dat de draak gelijk heeft met zijn actie. Iedereen weet immers dat zombies niet bestaan.

Schandvlek

De godganse dag lig ik op de bank mijn eigen schandvlek op de maatschappij te zijn. Dat vergt inspanning. Zowel dat vlek zijn als het liggen. Liggen is verdomd lastiger dan het klinkt, de hele dag. Zo moet je echt bijtijds verliggen in een andere houding. Anders gaat alles pijn doen. Nooit doorliggen. Ook probeert de natuur van tijd tot tijd je tot opstaan te manen. Niet naar luisteren. Je kunt het best nog een tijdje ophouden. Als je écht niet wil, kun je heel lang een pijnlijke blaas tolereren.

Continue reading “Schandvlek”