Genoeg aan hier


Verhaal door René van DensenDat het een droom is, dat heb ik ook wel door, dat hoeft u me niet te vertellen. Ik zeg dit maar vast voor u verderleest. Want u bent zo verdomd bemoeizuchtig altijd. Beetje de conclusies voor me lopen te trekken. Ik ben hier potverdorie de schrijver. Een beetje respect, als u het nog kan opbrengen. Kan het even, ja ? Okee, mooi. Waar was ik ? Oh ja, ik was nog niet eens begonnen en ik ging er al vanuit dat u me wel zou onderbreken. Met uw ‘het was maar een droom’. Verdorie, zit ik me weer helemaal opnieuw op te winden. Stop daarmee ! Lees gewoon even verder zonder de hele tijd die onderbrekingen. Gedraag je eens – je bent hier wel op mijn site, ja. En inderdaad, ik ben inmiddels aan het tutoyeren. Komt door al die onbeschofte onderbrekingen. Dan gooi ik de beleefdheidsvormen ook overboord, hoor.

U had het helemaal niet zo bedoeld ? Oh, wel, ja. Dat had u wel eerder mogen bedenken. Want nee, in de echte wereld word ik niet omsingeld door mensen die in koor, monotoon, me een opvatting proberen op te dringen. Dat snap ik ook wel. Moét wel een droom zijn. Zo gaan we immers niet met elkaar om, in de werkelijkheid. Enkel in dromen. En die boodschap ook. “Genoeg aan hier,” dreunden ze op. “Genoeg aan hier.” Ik moest blijkbaar genoegen nemen met waar ik ben en waar, wanneer en hoe ik sta. Nou daar bedank ik voor. Op deze plek en in deze situatie ga ik gewoon kapot, dus die moet op een gegeven ogenblik beter. Dat snapt u zelf toch ook wel. Dus zo’n droom, dat is natuurlijk maar een nare boel. Die vergeet ik liever.

In plaats daarvan probeer ik weer vol goede hoop plannen te maken. Okee, zonder inkomen, zonder uitzicht op een verbeterde situatie, en in een land waar je in rapper en rapper tempo vanalles maar moet vinden. Liefst wat de rest vind. En anders ga je maar weg. Maar als je wil weggaan, ho ho, daar steken we even een stokje voor. Dat bedoelden we natuurlijk niet zo. Hier blijven jij. En stop met dat dromen. Neem nu gewoon eens troost uit hoe goed je het hebt. Genoeg aan hier.

Sloopmeneren


Verhaal door René van DensenVoor mijn huis zijn sloopmeneren bezig. Nu al twee weken. Ze maken enorm veel lawaai. Alles trilt. Dat gaat zo van ’s ochtends vroeg tot het eind van de middag. Al twee weken verpesten ze zo elke dag. Ik word trillend gewekt, zit trillend te lunchen, probeer trillend een baan te zoeken. Het werkt allemaal danig op mijn zenuwen. En ze slopen maar door. Sloperdesloop. Trillerdetril. De sloopmeneren zijn het duidelijk zelf nog niet beu, dat sloopmeneer zijn. Ze lachen en roepen grappen en andere joviale opmerkingen naar elkaar. Er wordt met plezier gesloopmeneerd.

Wegens geldgebrek kom ik het huis vrijwel niet uit want alles buitenshuis kost geld. Als ik iets wil gaan eten, kost dat geld. Als ik iets wil gaan drinken, kost dat geld. Zelfs als ik gewoon maar een natuurwandeling zou willen doen, zal ik vroeg of laat iets moeten eten of drinken en dan komen we weer op hetzelfde punt. Normaal is dit geen probleem, want dan blijf ik lekker thuis. Een mooie voor- en achtertuin, veel boeken en films in huis, een toch meestal nog redelijk gevulde koelkast: ik heb die hele buitenwereld niet zó hard nodig. We vermaken ons wel. Behalve dus als er sloopmeneren de ruiten uit de sponningen aan het trillen zijn en olijke flauwigheden naar elkaar schreeuwen de ganse dag. Dan is het, zachtgezegd, iets minder leuk.

Waneer ik het beu ben, loop ik naar buiten. Ik zeg tegen de sloopmeneren dat ze veel te hard aan het sloperdeslopen zijn. Ze lachen en zeggen dank voor het compliment. Nee, zeg ik, daarmee bedoel ik te luid. Ze begrijpen het niet. Te luid, schreeuw ik over hun machines heen. Het mag niet baten. Met gebaren probeer ik ze duidelijk te maken dat ik er echt enorm veel last van heb. Eerst proberen ze me nog duidelijk te volgen, maar ik treed in steeds meer detail. Furieus zwaai ik in het rond en ik ga helemaal op in mijn gebaren. Zo merk ik niet dat de sloopmeneren inmiddels in een kringetje rond me zijn gaan staan. Ik krijg een duw. Verbaasd stop ik met gebaren. Ik krijg een klap, en nog een. De sloopmeneren beginnen efficiënt met mij te slopen. Zie je wel, denk ik, alles buitenshuis is een slecht idee.

Oeiii


Verhaal door René van Densen“Goedemiddag, René van Densen Producties,” neem ik de telefoon op. Even een verwarde stilte, dan klinkt er een schuchter meisjesstemmetje: “Eh, ja, dag meneer Van Densen. Goedemiddag. Ik bel over uw sollicitatie op onze vacature van tekstschrijver.” Ze probeert direct de controle terug te pakken. Vooruit, dat gun ik haar. Eventjes. Ik zet de pornofilm even op pauze. “Zegt u het maar.” Mijn telefoon is praktisch antiek: achtergrondgeluiden klinken als onherkenbare ruis. “Ja, nou, we hebben naar uw CV gekeken en willen u graag uitnodigen voor een gesprek.”

Ik steek een sigaret aan. “Dat kan, prima zelfs.” Ze giechelt stilletjes. “Zou komende woensdag u misschien schikken ?” Ik pak een tijdschrift van het tafeltje naast mijn bank en maak een bladerend geluid. “Momentje, ik moet even zien of dat past.” Ik blader zeker tien seconden door en zwijg dan een seconde of twee. “Oeiii. Aanstaande woensdag wordt moeilijk. Hoe zit u in uw tijd op donderdagmiddag ?” Ze is even van haar stuk gebracht en ik hoor klikgeluiden. “Ja hoor, dat zou kunnen. Misschien rond half vier ?” Ik zwijg nog een paar seconden en trek stilletjes wat van mijn sigaret. “Oeiii. Dan moet ik wel met wat dingen schuiven. Kan het echt niet anders ?” Het meisje zegt dat dat moeilijk wordt. “Dan moet het maar zo. Donderdagmiddag half vier. Is er een kleedkamer aanwezig ?”

Lange stilte. “Pardon, ik denk dat uw lijn niet goed werkt,” zegt het meisje. “Ik dacht even dat u vroeg of er een kleedkamer aanwezig is.” Stilletjes grinnik ik. “Ja, een kleedkamer is wel zo handig, anders moet ik hotelkosten doorberekenen. Ik neem aan dat uw bedrijf op de hoogte is van mijn uurtarief, daarnaast. Is het een publieke ruimte of is dit een persoonlijk consult ?” Ze snapt er helemaal niks van en zegt: “Eh ja, het is niet publiek natuurlijk, gewoon een persoonlijk gesprek.” Ik laat een lange “Oeiii…” klinken en blader nog wat in het tijdschrift. “Daar valt wel een mouw aan te passen, maar dan verwacht ik wel een ruime reisonkostenvergoeding en natuurlijk mijn verblijfkosten vergoed.”

Opstandig zegt het meisje: “Ja maar wacht even meneer, bedoelt u nu dat wij u moeten gaan betalen voor dit gesprek ?” Ik laat een schamper lachje klinken en zeg: “Ja natuurlijk mevrouw. Ik ben schrijver, en dat ga ik natuurlijk niet allemaal voor niks zitten doen. U boft al dat ik u niks reken voor dit telefonisch consult.” Er klinken al zenuwen in haar stem als ze vervolgt: “Maar…. u heeft bij ons gesolliciteerd.” Ik laat een lange stilte vallen. “En u verwacht, juffrouw,” zeg ik op hooghartige toon, “dat ik mijn werk, mijn bróódwinning, dan maar een beetje gratis ga zitten doen ? Wat denkt u nu zelf, dat ik op eigen kosten naar u toereis, een persoonlijk consult hou, terugreis en dat allemaal op eigen kosten ? Ik ben het stadium allang voorbij dat ik voor enkele bierbonnen kom opdraven, dat begrijpt u toch ook wel. U belt verdomme niet met een of andere amatéur. Uit uw vacature bleek dat u toch echt een professional zocht. Of heb ik dat verkeerd begrepen ?”

“Ja, nee, natuurlijk niet,” zegt het meisje haastig. “Mooi,” zeg ik kortaf, zonder haar kans te geven iets anders in te brengen. “Dan zie ik u donderdag, half vier. Mijn reis- en verblijfkosten komen neer op vierentachtig euro drieënnegentig ex beeteewee. Ik ga uit van een gesprek van een uur, wat neerkomt op vierhonderdzesendertig euro bruto, als we over de tijdslimiet heen gaan reken ik zestien procent overtijd. En bij afzegging hanteer ik een annuleringstarief van driehonderdvijftig euro netto. Tot donderdag !” En ik hang op. Zo, denk ik, mijn weekend begint nu al goed. Het mijne wel.

Klein


Verhaal door René van DensenDe Opperpater is onze kapitein en Club P. is zijn schip. Wij zijn maar passagiers. En hebben ons te schikken. Opperpater is wel een hele goede kapitein en zorgt dat we niks tekort komen. Zolang het tenminste om bier gaat, dat we zelf hebben meegenomen. De geluidsdempende muur is dicht en we praten zo zachtjes mogelijk. Tevreden beziet onze Opperpater het geheel en vindt dat de Club zo op dit moment af is. Te gast zijn Willem met de WK Trauma’s, en ik. Ik ben het stilste. Mijn geld raakt langzaam op en mijn meest kansrijke sollicitatie is ook op een afwijzing uitgekomen. Ik weet niet wat ik moet doen.

Willem met de WK Trauma’s zegt dat ik stom ben geweest, dat ik van het begin recht had op een uitkering en dat ik die had moeten nemen. Ik zeg dat ik er binnenkort aan moet geloven, maar misschien zelfs gestraft word omdat ik die niet direct heb aangevraagd. De realiteit is zelfs dat ik daardoor misschien een maand op die uitkering gekort word. Ik zeg dat dat absurd is. Dat is Willem met me eens. Ik verdien verdomme een beloning, grom ik, dat ik het eerst op eigen kracht en eigen centen heb geprobeerd. Ja, zegt Willem, maar dit is niet ons spelletje, het is hun spelletje. Speel het op hun manier, zegt Willem met de WK Trauma’s. Ik zucht en drink mijn bier.

Het lijkt net of het bierblik groter wordt. Verbaasd kijk ik ernaar, maar het blijkt echt waar te zijn. Al snel kan ik het niet meer in mijn hand klemmen. Dan pas merk ik dat mijn stoel ook groeit. Alles groeit, wacht, nee, ik krimp. De Opperpater en Willem kijken naar de film op TV en merken niks. Ik word kleiner en kleiner. In paniek grijp ik me aan vanalles vast, inmiddels aan de stofvezels van mijn stoelkussen. Dan bungel ik ineens tussen de vezels in, boven een snel wijder gapende afgrond. Mijn vingers verkrampen. Ik weet niet hoe lang ik het houd. Ik hoor de Opperpater verbaasd vragen waar ik heen ben. Willem weet het ook niet.

Brood


Verhaal door René van DensenNiet-begrijpend kijkt hij me aan. Ik herhaal mijn stelling dat ik niet het volledige bedrag voor het brood zal betalen. “Het is twee euro,” herhaalt hij opstandig. Ik zeg dat ik dat wel begrijp, maar dat ik een start-up ben. “Een wat ?” vraagt hij. Ik zeg dat ik als een gewoon mens functioneer maar verwacht veel minder te hoeven betalen voor alles dat ik nodig heb. Dus ik geef liever niet meer dan vijfenzeventig cent uit. “Daar krijg je niet eens een half brood voor,” zegt de bakker kwaad. Ik zeg dat ik later waarschijnlijk wél de volle twee euro kan betalen voor een brood. Hij moet er gewoon vooral in geloven. “Dus later betaal je me de rest van de prijs van dit brood ?” vraagt hij. Neenee, zeg ik. Nu betaal ik vijfenzeventig cent. Maar daardoor loopt de bakker de kans dat ik in de toekomst wél het volledige bedrag zal betalen. Voor een volledig brood. De bakker snoeft en pakt het brood weer van de toonbank.

Ik gooi het over een andere boeg. “We kunnen ook een stage overeenkomen,” opper ik. De bakker kijkt me weer wat moeilijk aan. Ik leg het geduldig uit. “Dat betekent dus dat je je allerbeste brood bakt, voor mij, dag in, dag uit, en dat ik niet betaal.” Ik zie hem ongelovig kijken. “Daarmee bouw je een dijk van een ervaring op met het broodbakken, die je van pas zal komen bij andere klanten ! Bovendien zal ik dan je broodbegeleider zijn, dus zal ik samen met je een formulier invullen hoe goed of slecht je brood is.” Duidelijk gaat de bakker er niet in mee. “De broodmarkt is drastisch veranderd, iedereen doet het tegenwoordig zo hoor,” stel ik.

Even later loop ik over straat. Geen brood. Acht maanden solliciteren word je dus ook niks wijzer van.

Morgen bier halen


Verhaal door René van DensenWaar anderen een can-do attitude hebben, heb ik een krachtig no way Jose. Elke taak lijkt me al snel torenhoog. Niet uit luiheid, maar omdat ik onmiddellijk bedenk wat er nog bij komt kijken als ik de taak écht goed wil doen. En wat erbij komt kijken om die extra taken écht goed te doen. Enzovoorts. Zo dijt een taak al snel uit in een zee van belangrijke bijzaken, en tja, dan moet je keuzes gaan maken. Plannen, dat is natuurlijk hoofdzaak 1. Stel bijvoorbeeld, er moet worden stofgezogen. Dan moet er ook een nieuwe zak gehaald worden, voor de zekerheid, want halverwege moeten stoppen is stom. Dan kun je er net zo goed niét aan beginnen. En als ik een nieuwe zak ga halen, kan ik dat net zo goed meteen combineren met andere boodschappen. Maar daarvoor moeten mijn banden eigenlijk dringend opgepompt worden en mijn ketting geolied. Ja ga zo maar door.

Niet zelden begint dat plannen met het proberen grip te krijgen op het totaal aan taken. Dat doe je het beste in een hangmat, is mijn ervaring. ’s Ochtends, in de zon, met een dampende koffie erbij. Beetje heen en weer zwaaien en vooral heel intens naar de blauwe lucht staren. Alles in de kop halen dat erbij komt kijken. Vermijd loops. Om de ketting bijvoorbeeld te oliën, moet er olie gehaald worden, maar om die te halen, moet de ketting geölied worden. Zo’n kringetje, daar kun je heel lang en gekmakend in rondrennen, bungelend in je hangmat. Het best blijf je daar dus ver bij weg.

Als je alles écht goed aanpakt, ben je ongeveer klaar met plannen rond de zonsondergang. Dan kun je nog even naar het avondrood kijken in je voortuin. Koud biertje erbij. De belangrijkste stap op dat moment is om alle planning die je gevormd hebt, weer te vergeten. Kop leeg. Alles wissen. Ja, serieus, gooi gewoon maar weer weg. Het landschap ligt er morgen toch weer volledig anders bij, en je zult zien dat je dingen vergeten bent. Morgen weer een dag. O ja, belangrijk: morgen bier halen.

Opblaasbal


Verhaal door René van DensenEr zit geen wending meer in mijn weken. Weekend bestaat niet meer. Heel lang heb ik gepoogd een weekpatroon vol te houden. Zelfverlakkerij, uiteraard. Als de dag geen reden heeft om een dinsdag te zijn, is het gewoon een dag. Een in een lange, schuifelende rij. Ik probeer nog steeds sommige dagen een eigen betekenis toe te kennen, zoals de dagen dat ik bij de Opperpater thuis, in Club P., mag langskomen. Maar zelfs die roepen eerder een ‘oh ja, dat is vandaag’ besef op wanneer het kalmpjes richting te laat kabbelt. De tijd is een uitdijende zee van onbenutte potentie. Ik ben een opblaasbal.

Mijn huid staat nog strak. Dat wel. Ik zie er zelfs, naar het schijnt, best goed uit. Voor een plastic opblaasbal dan toch. Je moet ervan houden, van zo’n opblaasbal, maar als je er toevallig van houdt, schijn ik best een goeie te zijn. Dat is me tenminste door opblaasblalliefhebbers verteld. Of die er eigenbelang bij hadden om te jokken of te overdrijven, betwijfel ik. Er valt niet veel te winnen aan een opblaasbal. Het oogt leuk hoor, maar als je uiteindelijk de bestanddelen optelt, heb je vooral veel lucht en een slap velletje plastic over. Ja, je kunt er leuk mee spelen. En het roept wellicht een koddig gevoel op. De aanblik van zo’n opblaasbal. Wellicht is het de goedheid. De nobele inborst van de liefhebbers. Zalvende woorden voor de lieve opblaasbal, die kwetsbaar onder de zon rondrolt en voortstuitert.

Je kunt er niet mee naar de winkel. En in praktisch opzicht heb je er ook niet veel aan. Ja, er is één heel helder voordeel: met de lucht eruit neemt hij vrijwel geen plek in. Zo’n bal. En blaas je hem wél weer vol trots, dan is er een veelvoud aan spellen die je ermee kunt spelen. Om de tijd te doden. Oneindige mogelijkheden ter berstrijding van die uitdijende zee. Oceaan. Oceuit. Oceaan. Oceuit. Ik voel de zon onder mijn vel. Het is dus dag. Ik weet niet zeker welke dag, maar het is er een. Dat is toch iets. Mijn inborst zet alweer uit. Oceaan, oceuit.

1 Nieuw

Verhaal door René van Densen“U hebt één nieuw bericht.” Als ik wakker word, is dat het eerste dat ik zie. Het is te vroeg voor nieuwe berichten. Eerst maar één nieuwe koffie. Ik sleep me naar mijn stoel, zet de waterkoker aan en klap de laptop open. Ook daar: 1 nieuwe e-mail. 1 nieuw privé-bericht. 1 nieuw bericht, overal waar ik klik. Ik besluit vandaag berichtenloos te blijven en klap de computer weer dicht.

Aangezien het prachtig weer is, besluit ik tot een ochtendwandeling. Ik loop de trap af. Bij de voordeur ligt een briefje. Ik grom. Rot op met je berichten ! Ik stap er geïrriteerd overheen en loop de buitenlucht in. In de zon geniet ik. Nergens denk ik meer aan. Zeker niet aan al die berichten. Ze zijn waarschijnlijk van mensen waar ik op moet wáchten als ik iets van hen nodig heb, maar die nu kwaad zullen zijn omdat ik hén negeer. Zo gaan die dingen. Zo zijn ze wel, die berichtmensen. Ik moet oppassen dat ik er geen tegen het lijf loop. Dan beginnen ze uiteraard meteen van ‘heb je mijn bericht al gelezen’ of wat voor onzin ook.

Zo loop ik al snel niet ontspannen meer rond. De kans dat er berichtmensen achter elke hoek verscholen kunnen zitten, haalt alle vrolijkheid uit mijn tred. Verdomme, denk ik. En draai me om. Thuis lees ik al die berichten dan maar. Als het per se zo dringend is. Één bericht is van een vreemde die me iets wil verkopen. Één bericht is een mopje. En één bericht is van iemand dat ik later vandaag nog een bericht kan verwachten. Ik zucht en leun achterover in mijn stoel. Daar gaat mijn dag. Opgeofferd aan de berichtmensen. De zon schijnt onverstoorbaar verder.

Luchtballon


Verhaal door René van DensenEr zijn van die dagen dat je als een luchtballon door het blauwwit zou willen dobberen. Alles liever dan wachten tot andere mensen de dingen die ze afspreken, nakomen. Jij bent er. Zoals afgesproken. De telefoon ligt binnen handbereik. En ook dat ene pakketje mag vandaag best afgeleverd worden. Maar er gebeurt mooi niks. En je hebt ook nog andere afspraken met jezelf na te komen, dus dat kan je best sjacherijnig stemmen. Dan is het prachtig als je naar dat blauwwit staart en denkt: was ik maar gewoon een ballon.

Die dromerige bui is snel voorbij als ik kokende koffie op mijn borstkas mors. Dat doen luchtballonnen immers niet. Ik kijk weer naar mijn scherm. De teksten moeten echt af. Ik heb vrijwel compleet wat ik aanstaande zaterdag voor live publiek ga doen. Ik ga uit van een kwartier. Dan krijg ik een mail. Ik ben één van twee dichters die avond. Dat is opvallend weinig. Ik kijk naar het schema. Ik en de andere dichter hebben samen een uur. Het zweet breekt me uit. Dit was zo niet afgesproken. Ik heb nog nooit een half uur moeten vullen. En weer, weer schiet kalmerend onmiddellijk door mijn kop: was ik maar een luchtballon.

Mijmerend dobber ik. Door warm en koud blauw. Met comfortabele warme lucht in mij geblazen. Er bungelt een mandje onder me, maar dat mag. Voor de rest hoef ik niet veel te doen. Door mijn pure zijn zweef ik. Ik kan stijgen en dalen, maar de mensen in het mandje beheersen dat. Ik hoef zelf niks te doen. Enkel warm van binnen te zijn. En te zweven.

Borstel


Verhaal door René van DensenOf anderen ze ook hebben, durf ik niet te zeggen. Ik heb ze, zoveel weet ik. De ochtenden dat ik mijn borstel zoek en niet zie. Hij moet liggen waar hij ligt. Maar er ligt chaos in de weg. De chaos kalmeert me op andere ochtenden, maar vandaag ligt ze er vervelend bij. Het zal er veel mee te maken hebben dat ik de borstel nodig heb. Ik moet me presentabel maken. Daar is de borstel op dit moment zo ongeveer onmisbaar bij. Mijn haar besluit namelijk net deze ochtend met een ‘creatieve’ uitstraling te starten. Met andere woorden: het is een chaos op mijn kop, in alle windrichtingen. En aangezien ik al pakweg een jaar geen kapper meer bezocht heb, is het bereik van de chaos groot. Dit zou niet erg zijn als ik nu een dichtvoordracht had. Lekker gek. Maar ik moet mijn Serieuze Arbeidsmarkt Talenten etaleren teneinde mijn schrijnend gebrek aan cashflow in zijn galop te storen. Ik eet ook komende maand nog graag wat brood.

Wel was het verrukkelijk om me een paar weken volledig op mijn schrijven en mijn boeken te storten. Maar nu moet er gepresenteerd worden, en dus geborsteld. De borstel is nergens te zien. Ik zet het even van me af. In mijn huis liggen, her en der, drie borstels. Vier, als ik bereid ben die van de kat te gebruiken. Een noodoplossing. Borstel één, mijn favoriet, heeft zich verstopt. C’est ça. Pal naast de plek waar die zou moeten liggen, ligt borstel twee. Zie je wel. Kalm blijven. Je bent, in al je chaos, op alles voorbereid. Het helpt ook niet dat ik me al maanden, en dan bedoel ik een fors aantal maanden, niet heb hoeven presenteren. Ik heb overleefd, min of meer, en ingeteerd, en heel veel dobbers in de vijvers gegooid. Eindelijk beet. Althans, er is aan de dobber getrokken. Ik poets mijn tanden en schrik bij het spugen. Zoveel koffie. Ik was vroeg op. Enorm slaperig. Ik wil niet terugtellen hoeveel koffie ik al gedronken heb deze vroege ochtend.

Overhemd. Dát jasje. Nee, toch dát. Kijken. Toch de eerste maar. Schoenen. Niet die. Die wel. Ik pak ze uit de kast en steek mijn voet erin. Duizenden prikkende naaldjes. Mijn borstel blijkt in mijn schoen te zitten. Even verdenk ik de kat van deze idiote actie. En dan weet ik het weer. Ik besloot gisteren dat ik niet mocht vergeten mijn haar te borstelen voor vertrek. Logischerwijs zou ik bij deze schoenen aankomen, vroeg of laat, en daar was mijn borstel. Ik grinnik. Ik kan niet verliezen met zo’n voorbereiding. Natuurlijk kan ik altijd verliezen, maar aan mij zal het niet liggen. Ik ben weer presentabel. Teder kus ik de chaos op mijn bureau. Zij zal op mij wachten. Vanavond stort ik me terug in de eigen waanzin. Bij het verlaten van het huis besef ik me plots dat ik mijn haar nog niet geborsteld heb.

Bad hair day ?

  • Ach meid, dat heb ik zo vaak. (100%, 2 Votes)
  • Ga er gewoon met de tondeuse over, aansteller. (0%, 0 Votes)

Total Voters: 2

Laden ... Laden ...