Dat kan ik dan wel


Verhaal door René van DensenIk wil eigenlijk schrijven dat niks goed gaat, maar dat is zo melodramatisch. Niks gaat goed voor niemand dezer dagen. Of toch: bij het bedrijf waar ik gisteren ging solliciteren, gaat het al sinds de uitbraak van het virus supergoed. Ze staan er zelf ook van te kijken. Dan nog zijn er meerdere sollicitatiegesprekken en zelfs een proefopdracht gepland voor er één van de kandidaten gekozen gaat worden. Je moet als bedrijf oppassen dat je niet te succesvol wordt. Ik begrijp dat goed en ben dan ook nog nooit succesvol geweest.

Een ambtenaar die betaald wordt om mijn sollicitaties te verstoren, plant ongevraagd een afspraak in. Ik moet er heen. De ambtenaar wil me aan een begeleider koppelen. Mogelijk zelfs een paar loopbaancoaches. Aan mijn werkeloosheid zit, verspreid over drie organisaties, een klein leger mensen in voltijds betaalde functies vast. Ik ben blij dat ik iets voor de maatschappij kan doen. Dat kan ik dan wel. Mijn baan raakte ik kwijt door de uitbraak van het virus, en mede door het virus zijn er weinig vacatures en veel kandidaten in hetzelfde schuitje. Hadden we maar een vaccin tegen werkeloosheid moeten bedenken. Of statiegeld op werknemers.

Door het virus kon ik geen getuige zijn op het huwelijk van een van mijn beste vrienden. Gelukkig nam iemand een vertikaal smartphonefilmpje op van het jawoord. En waren er foto’s. We hieven het glas op een feestje op Zoom. De volgende dag had ik een sollicitatie, daarna ging ik op de bank liggen en liet ik de machteloze zinloosheid even mijn ledematen ontspannen. Dat kan ik dan wel. Ik lig elke dag een paar uur zo. Als een wolf heel traag zou eten, zou ik me gelaten laten verslinden. Mijn eigen woorden smaken me niet meer.

Heel vorige maand ontving ik om onduidelijke redenen niet eens één cent uitkering. De dagen dreunen voort, het uitzicht is eindeloos, elke dag snurkt mijn kat exact hetzelfde als daarvoor. Pintjes komen en gaan. Dat kan ik dan wel. Het regent veel. En dan even niet. En dan weer veel. Het dak lekt nog steeds. Ooit ga ik daar iets aan doen. Maar dan moet het een paar dagen goed droog zijn geweest.

Adem. In. Even wachten. Uit. De klok geeft de maat aan. De ambtenaar mailt me dat er een workshop veerkrachtigheid gegeven wordt. Online. Ik klik op de link. Dat kan ik dan wel. Volzet. 11 mensen in de wachtrij. Ik klik de workshop weer weg en hoop op een andere manier veerkrachtigheid te vinden. Misschien dat het als een wonder door de brievenbus valt. Straks. Of morgen. Of overmorgen. En blijkbaar wil mijn computer een installatie doorvoeren. En hij doet er erg opdringerig over. Misschien dat ik dus maar beter deze tekst even opsl

Stuntman


Verhaal door René van DensenStil keek ik het TV-programma. In de achtergrond waren mijn ouders druk in discussie over een oplossing. Een oplossing voor de blauwe plekken, het gedroogde traanvocht. Misschien moesten ze me maar op een of andere zelfverdedigingssport doen, werd er geopperd. Er werd weer vanalles over me beslist en ik absorbeerde zwijgend het bewegend beeld.
Op de televisie was mijn favoriete serie van dat moment bezig. The Fall Guy, de spannende avonturen van een Hollywood stuntman die, omdat dat nu eenmaal maar tijdelijke inzetten zijn met grote intervallen van werkeloosheid, tussendoor bijverdiende als bounty hunter. Een stoere maar goedaardige man die met een namaakpistool de boeven angst ging aanjagen en nergens bang voor was, met een goede vriend en een mooie maar extreem vaardige vriendin aan zijn zijde. En auto’s, mensen en trucks vlogen in het rond. Alles leek mogelijk. En luid. Luid genoeg dat ik af en toe het gesprek in de achtergrond niet hoorde.
Gesprekken in de achtergrond zijn altijd mijn zwakte geweest. Ik luister. Als bijvoorbeeld mensen zeggen dat het een schande is met alle hondenpoep op straat overal. Dan luister ik. En ik denk dan, misschien kan ik er iets aan doen. Ik had een karretje dat ik achter me aan kon trekken. Ik had een schepje. Ik had buiten school om zeeën van tijd en kon me vrij verplaatsen. Dus ging ik hondenpoep rapen. Zodat de mensen er misschien niet meer zo boos om hoefden te zijn. Dat deed ik welgeteld één middag, want een aantal klasgenoten hadden het gezien en vonden zo kersvers voer om me mee te pesten. De volgende dagen, weken, feitelijk zelfs jaren kreeg ik steevast te horen dat ik een pindakaasfabriek had waar ik poep voor inzamelde. Het sloeg nergens op. Maar vertel een mens lang en consistent genoeg nonsens in zijn gezicht en hij verliest zijn geduld. En dan volgen de klappen. En wordt er weer gesproken of ik niet op zelfverdediging moet.

Ik heb een zondags pak aan voor het eerst in mijn leven. Het zit stom. Ik doe dit enkel omdat men beloofd had dat er cadeautjes zouden zijn, maar nu sta ik hier in een kerk, communie te doen, en ik vind er geen klap aan. Mijn geloof ben ik al kwijt dus is het een farce. En als rite is het ook maar een barbaars toneel. Ik sta in een rij met klasgenoten die één voor één drie dingen in een microfoon moeten verkondigen. In de kerk. Die gevuld is met zo ongeveer iedereen uit dit dorp. De kerk zit vol. Iedereen gaapt naar het podium terwijl jongens en meisjes netjes hun naam (1) verkondigen, hun leeftijd (2), en dat ze later verpleegster piloot pliessieagent brandweerman willen worden (3).
Ik heb het allemaal weer eens helemaal verkeerd begrepen, is me helder.
Toen mij verteld werd dat ik moest zeggen wat ik later wou worden, schrok ik me rot. Wat een vráág. Voor iemand die acht jaar is. Weet ik veel ! Spontaan wou ik eigenlijk al helemaal niets meer worden en dat is nooit meer goedgekomen. Maar ik deed een poging. Twee weken lang dacht ik elke dag intensief na over mijn carrière. Probeerde ik me per dag een beroep of vier, vijf, zo volledig mogelijk voor te stellen. Ik hou van dieren, dus stel: ik word dierenarts. En betaal me jarenlang kapot aan voorraad, personeel, praktijkhuur, wagen en benzine, dag en nacht zwoegen om vooral dieren te zien sterven in mijn machteloze, bebloede handen. En als geknakt man ga ik met pensioen en kan geen injectienaald meer zien. Oke. Dat beroep dus niet. Fietsenmaker dan. Enzovoorts. Ik maakte mezelf helemaal gek terwijl ik een honderdtal professionele levens leefde. En ik wist het niet, ik wist het echt niet. Wat een gruwelijke vraag om te stellen aan iemand die gisteren nog op een houten klimrek hing te zwaaien.
Het ene na het andere kind vóór mij weet het wél. Althans, ze hebben iets te zeggen in de microfoon. Het kind dat nu aan de beurt is wil later astronaut worden. Ik weet zeer zeker dat die dat niet wordt. Maar hij weet het wél, en ik niet. Fuk. Het is mijn beurt. De microfoon komt bijna magisch op mijn smoel af. Word ik geduwd of loop ik zonder het te beseffen ? Wat een menigte. Beeld ik het me in of stáárt echt iedereen ? Ik wil hier weg. Geen enkel cadeau is dit fokking waard.
Stap voor stap dan. Mijn naam. Die weet ik. “Ik ben René van Densen,” yes die is alvast in de pocket. Leeftijd, die weten we ook. “En ik ben acht jaar,” we zijn op tweederde en het gaat nog altijd perfect. Maar dan weet ik het écht niet meer. Ambtenaar Bevolking ? Banketbakker ? Postbode ? Priester ? Wereldreiziger ? Tranen wellen in mijn ooghoek om de oneerlijkheid van het blok waar ik voor gesteld ben. Ik kan maar één ding zeggen: “En later als ik groot ben word ik stuntman.”

De zaal is even muisstil. Zelfs de kuchers haperen even. En dan barst – in mijn herinnering toch – de hele kerk in lachen uit. Zelfs jaren later kom ik nog dorpsgenoten tegen die me op de schouder kloppen en vragen of ik al stuntman ben. En ik heb nog stééds geen antwoord. Ik ben 42 en vind het nog altijd oneerlijk dat je moet weten wat je wilt worden. En waar je jezelf over vijf jaar ziet. Het ligt vast allemaal aan mij want de andere kinderen weten het nog steeds wél. Voor hen is het allemaal prima. Ik echter, wil terugreizen en mezelf opnieuw voor die microfoon zetten. En dan simpel zeggen:

Ik ben René van Densen, ik ben acht jaar, en later als ik groot ben word ik mezelf.

Jij bestaat echt


Verhaal door René van DensenEen bevriend schrijver, laten we hem Poubert noemen, viert het verschijnen van zijn nieuwe boek. In de barruimte van zijn ateliercomplex staat het vol met jonge, hip geklede mensen die smerig Randstadbier sippen en diepinteressante gesprekken voeren met elkaar. Ik leun aan de bar en ben de enige die het biermerk uit het zuiden des lands drinkt. Het is niet vandaag. Het is, denk ik, zo’n tien jaar geleden. Ik ben zeer romantisch van aard maar op literair gebied verkies ik wél de tegenwoordige tijd boven de verleden tijd. En nu ben ik even de schrijver dus bemoei je met je eigen zaken.

Een opvallend gemiddelde man naast me pakt een biertje uit een krat, kijkt verbaasd naar het etiket – het bier dat ik drink – en zet het terug om een Randstadbier te pakken. Ik grinnik zacht. Ik zeg tegen hem dat ik hoop dat het boek even goed is als mijn vriend’s vorige. De man kijkt me verschrikt aan. “Daar heb ik geen verstand van, meneer. Ik ben advocaat,” spreekt hij stellig en loopt weg met zijn vies bier. Ik zucht en trek een nieuw bier open uit de krat die blijkbaar helemaal voor mij is.

Aan mijn andere naast blijkt aan de bar een prachtige jonge vrouw aan te schuiven. Wijntje. Toch beter dan vies bier. Mooie krullen, diepgroene ogen. Ik heb tijdens dit alles mijn huidige vriendin nog niet dus ze mag het me niet kwalijk nemen dat ik me op dat moment aangetrokken voel tot deze vrouw. Pas jaren later zou ik mijn huidig lief voor het eerst in dier ogen kijken. Op dit moment weten ik, mijn tegenwoordig lief, én de vrouw daar nog niets van. Om u even bij de les te houden. Met uw oordelen altijd. Blijf gewoon even in de scène, ja.

Ik raak wat aan de praat met de vrouw. Ze blijkt redactrice bij de uitgeverij te zijn en is erg tevreden over de opkomst. Ik laat na om cynisch te vragen waarom, haar zaak niet dat dit mijn doelgroep niet is. Ze zegt dat het boek ook prachtig is geworden, maar dat er veel werk aan was. Oh, vraag ik nieuwsgierig, wat moest ze er allemaal aan doen dan ? De jonge vrouw lacht charmant en zegt dat ik de schrijver toch ook wel ken, dat hij zijn boeken volpropt met verhalen over mensen die hij kent. “We hadden echt enorm veel werk om al die namen te anonymiseren, niet normaal,” verklapt ze. Zo zo, denk ik, die Poubert. Al die creatieve vondsten om vooral maar niet man en paard te noemen blijken ingrepen vanuit de uitgeverij. Humor.

Ze vraagt of ik ook in de verhalen voorkom. Ik haal mijn schouders op. Het boek zit nog ongelezen in de jaszak van mijn colbert dus ik geef toe dat ik het nog moet doorbladeren. Ze vraagt hoe ik heet en ik antwoord. De vrouw proest haar wijn over de bar in ongeloof, maar kijkt me daarna recht in de ogen. Ze trekt wit weg en flapt eruit: “Oh shit. Jij bestáát écht ???” Ik geloof dat ik op dat moment wel besta dus knik ik. Op dit moment geloof ik dat ook trouwens. Op het moment dat ik het schrijf hè. Geen idéé wanneer u dit leest. Dingen kunnen veranderen.

Ze verontschuldigt zich en maakt zich uit de voeten. Ik drink mijn biertje en vraag me niet eens af of ik enige kans maak. Poubert klopt me tevreden op de rug en zegt dat hij blij is dat ik er ben. Ik lieg dat het een mooi feestje is. Ik slaap straks bij Poubert thuis, de laatste trein naar mijn eigen bed is allang vertrokken. Hij mengt zich terug in het gezelschap, de hippe jongens en meisjes zijn heel blij met hem.

Ik zie de krullenvrouw praten met de advocaat. Dan wijst ze naar mij. Ik krijg er een droge keel van en hoop dat ik nu de kansen van Poubert bij de uitgeverij niet verpest heb. En ik moet toch echt dat boek straks eens lezen. (Ik geef het drie sterren.)

Zielig


Verhaal door René van DensenEen verzameling schuim aan de linkerwand van het bad reikt met tentakels naar het schuimloos midden. In het midden van dat midden zie ik mijn geslachtsorgaan een beetje deinen en wiegen. Alsof hij slaapt. Het is een slappig dingetje van niks in het badwater.
Het valt me op dat één van de schuimvormen er een beetje uitziet als een hoofd met een heel lange neus. En eronder een open mond. De schuimmmeneer probeert te niezen, lijkt het. De schuimmeneer doet ha – ha – haaaa – ha – ha – haaaa maar er komt niets. Hij blijft maar niesbewegingen maken. Ik vind het een beetje zielig voor de niesmeneer. Maar wat kan ik er aan doen ? Ik kan moeilijk een beetje voor de niesmeneer gaan zitten niezen. Daar is de niesmeneer ook niks mee opgeschoten.

Mijn kat waakt zoals altijd nabij mij. In dit geval staart ze me half slapend aan vanuit de wasmand. Bovenop de vuile was houdt ze me strak in de gaten. Ik lig nog steeds in bad, dus het zijn geen grote updates. Ze sluit haar ogen weer een beetje. Wanneer ik in bad ga, danst ze altijd wat miauwend op de badrand. Ze vindt het zielig dat ik in dat water moet gaan liggen. En ze houdt dus een oogje in het zeil tot ik weer afgedroogd ben en mijn handen weer naar haar ruiken.

In het boek wat ik probeer te lezen zonder afgeleid te raken door een starende kat, probeert de auteur ons te bewegen hem heel zielig te vinden. Ik ken de auteur toevallig en het gaat momenteel fantastisch met hem. Niet alles, natuurlijk, nooit gaat het met fijne mensen eens volledig goed. Maar zielig is hij nu zeker niet. Ik leg het boek weg, rek me uit, trek de stop eruit. Terwijl het badwater wegloopt, klampt schuim zich aan mijn been. Ik vraag me af of de niesmeneer tussen dat schuim zit of nu in het putje wegvloeit. En dan – HAAATSJOE – nies ik, glibber ik omver, vlucht de kat panisch weg, ligt de badkamer bezaaid met wasgoed. Op mijn rug in het resterend badwater lig ik hardop te lachen.

Artist In residence


Verhaal door René van DensenMijn huis belt en feliciteert me. Ik ben net wakker en heb een kater. En een poes op schoot. Ik vraag voor wat het is. Mijn huis zegt dat ik verkozen ben als de komende Artist In Residence. Ik kijk even om me heen. Ik ben al in mijn huis. Maar als mijn huis een spelletje wil spelen, speel ik het mee. Ik antwoord: Goh. En: Leuk zeg. En: Wat houdt dat in ?

Mijn huis zegt dat ik voor een bepaalde tijd in mijn huis mag verblijven om er de inwonende kunstenaar te zijn. Ik knik, maar dat kan het huis natuurlijk niet horen. Ik vraag wat ik dan zoal moet doen. Mijn huis zegt dat ik alle ruimte krijg om verhalen en gedichten te schrijven, en slash of verhalen in audiovorm op te nemen, of wat ik maar wil doen als kunstenaar. Normaal gezien, zegt mijn huis, zou je ook enkele presentaties of lezingen van slash over je werk moeten geven maar wegens de huidige pandemie lockdown is er geen publiek voor, dus dat hoef je niet te doen. Ik zeg: Wat een meevaller. Ik hou niet zo van publiek in mijn huis.

Het valt me al mee dat het in mijn eigen huis is en ik dus niet naar een andere plek hoef. Toch probeer ik er stiekem wat biergeld uit te hengelen. Ik vraag of er ook een reisvergoeding voorzien is. Mijn huis is even stil. Dan zegt mijn huis dat daar geen budget voor is. Hij zegt dat het een beetje tegenvalt van mij. Mijn huis zegt dat als ik niet wil, er duizenden andere kunstenaars dolgraag een tijd in dit huis zouden verblijven en kunst maken. Haastig zeg ik dat ik het helemaal zie zitten, maak je niet ongerust. Ik zeg: Ik kon het maar vragen. Mijn huis snoeft nog een beetje, maar zegt opgelucht: Mooi. Ik knik, maar dat kan mijn huis natuurlijk niet horen. Dan zie ik je maandag, zegt mijn huis. Ik hang op en vraag me af wat ik met mijn vrije weekend ga doen.

Bezorgd


Verhaal door René van DensenVoor mijn huis stopt een bestelbus. Ik hoor een schuifdeur openen en neem nieuwsgierig een kijkje. De chauffeur vertelt een jonge vrouw, onwennig in haar nieuwe uniform, wat ze moet doen. Ze pakt enkele pakketjes, scant ze, en wacht even. Dan zegt de chauffeur licht verrast dat ze hier vandaag niet hoeven te zijn. Vandaag hoeven ze mijn bel niet te rinkelen. Vandaag niet. Gehannes met de scanner, bliep bliep bliep nee dan moet je dit en dan dat doen, en dan bliep, oh oke bliep bliep ja zo ja. Ze stappen in. Rijden weg.

Ik grap op Twitter dat ik misschien maar weer eens naar een echte winkel toe moet. Onmiddellijk neemt de postdienst contact met me op. Of ik meer informatie kan geven en wat ze voor me kunnen doen. Ik knipper even met mijn ogen maar maak dan duidelijk dat ik vandaag dus niets van ze verwacht. Chill out. Ik begrijp dat het wennen is. Morrend tweet de postdienst oke, maar dat als er wel iets is ik altijd contact op mag nemen. Dat snap ik. Ik ken de weg.

Dan belt de pakketdienst aan. Of het klopt dat ik vandaag geen bezorging verwacht. Ik knik. Binnenkort wellicht weer. De bezorger kijkt me verwonderd aan. Een andere bezorgdienst rijdt benieuwd langs en roept: “Niets voor hém vandaag ?” en de bezorger roept “Neen !” en haalt zijn schouders op. Opgelucht zwaait de andere chauffeur en rijdt direct door. Twee maaltijdbezorgers stoppen hun scooters voor mijn woning en kijken even goed op hun papiertje. Kijken dan naar mij, nog eens naar het papiertje, en rijden dan door.

Iedereen is zo bezorgd om mij vandaag.

En nee, ik heb dit dus niet verzonnen, zie deze tweet van Bpost

Interims


Verhaal door René van DensenIk maak al decennia aan de mensen wijs dat op 5 augustus mijn verjaardag valt. Inmiddels weten de meesten wel dat het maar mystificatie was. Sommigen wisten zelfs mijn echte verjaardag te achterhalen. Met die mensen kom ik op een geheime locatie bijeen die avond en drink ik ranja met single malt. Maar dat heeft u niet van mij vernomen.

Wie de grap niet doorhebben, zijn de interims. Vaste prik krijg ik op deze dag een mailbox vol felicitaties. Gefeliciteerd dit, fijne verjaardag dat. Vrolijke kleurtjes. Ik spreek de interims enkel wanneer ze een vacature hebben die mij aanspreekt. Meestal weten ze niets van mijn vakgebied en verloopt het gesprek stroef. Daarna hoor ik zelden nog van hen. Sommige interims sturen nog eens een smsje met een functie die totaal niet bij me past. In een slagerij, of productiewerk zeventienhonderd kilometer hier vandaan, enkel bereikbaar per auto. Ik heb geen auto.

Bij de deurbel hoop ik eerst op de postbode. Ik verwacht een pakketje, het is al een dag te laat zelfs. Bij het opendoen blijken daar alle interims voor de deur te staan. Elk met een eigen taart met spetterende kaarsjes erop. Ze dringen erop aan om binnen te komen. Ik sputter iets tegen over bubbels en virus maar voor ik het weet staat mijn woonkamer vol interims. Ze zingen vals in koor. Happy functie to me. Hartelijk gevacatureerd. Leuk hoor. Ik vraag of de interims weer weg willen gaan. De interims roepen dat ze er pas net zijn en het is toch gezellig, zo’n verjaardag.

Uiteindelijk blijven de interims veertig dagen en eenenveertig nachten. Ze hangen in de tuin en mijmeren over tijdelijkheid. Sommigen doen tussendoor eens de afwas, wanneer alle borden op zijn. Ik heb geen druppel drank meer in huis en verstop me al twee weken op zolder. De interims hebben niet eens gemerkt dat ik er niet meer bij ben. Ze zijn te druk met elkaar feliciteren. Ik wou dat er geen interims bestonden.

Dansles


Verhaal door René van DensenMijn lief en ik spelen sollicitatiegesprekje. Waren we kinderen, dan speelden we doktertje, maar we zijn werkzoekende volwassenen. Dus oefenen we gesprekken. Zij is onwennig aan de lokale cultuur in het land waar we beiden vreemdelingen zijn. Ik zie het als dansles. Je spreekt af met een ander en danst het gesprek. Soms zit er een onverwachte derde danspartner bij. Dans als jezelf, zeg ik haar. Je kunt natuurlijk enkel dansen als jezelf. Mijn lief is van de salsa, ik van de polonaise.

De mensen die haar tot zover begeleid hebben, raden haar aan de danspartners te googlen. Linkedin en alles. Ken je danspartner. De achtergrondmuziek die zij willen spelen. De moves die ze eventueel zelf beheersen. Ik haat dit deel van de arbeidsmarkt. Het dansen. Ik ben van het doen. Dansen is pronken. Kennismaken, op z’n best, maar vooral pronken. Ik ben van het realiseren. De dans kan me gestolen worden.

Wanneer ze met een hoofd vol zorgen naar bed gaat, ondanks mijn geruststellende poogwoorden, zit ik even op de zetel. Dan sta ik op en dans stilletjes wat in de woonkamer. Geen vooropgestelde stijl. Gewoon mezelf. Geen melodie. Mensen die me in het verleden als danspartner hebben aangenomen, kennen mijn stijl. Waren vrijwel altijd positief verrast. Maar privé dans ik niet. Privé vertel ik verhalen en gedichten. Privé ben ik echt mezelf. Ik ben een maker.

Ik dans de hamer-hamer en zaag-zaag. Ik dans de type type type. Ik dans de pakketten die naar de USA moeten op die pallet met strakke folie rondom en twee extra beschermers. Ik dans beschermlabels en de juiste verzenddocumenten. Ik dans de handtekening. Ik dans de vakantiedagen en foutetruifeestdag. Ik dans het beoordelingsgesprek. En ineens voel ik me moe.

Ik ga terug zitten, open mijn laptop en schrijf een dwaas verhaal over dansles en dansen. De kat miauwt wat. Ze heeft honger. Ik ook. Konden we allemaal maar gewoon dansen als onszelf.

Groenten fruit frietzak en al


Verhaal door René van DensenIk ken weinig schaamte, maar in de winkel laad ik toch mijn mandje vol met groenten en fruit. Ik ga de groenten en fruit niet opeten. Ik eet geen groenten of fruit. Onder de groenten en fruit ligt een zak friet. Friet zijn geen groenten en zeker al geen fruit. Mensen vinden iets van anderen die geen groenten of fruit eten. Dus wekken de groenten en fruit de impressie dat ik vanavond gezond ga eten. Zeker geen friet.

Aan de kassa kijkt een kind in het kinderzitje van de winkelkar wantrouwig mijn mandje in. Ik staar hem recht in de ogen. Brutaal kijkt hij terug. Hij heeft me in de smiezen. Niks groenten. Niks fruit. Kleren, keizer. Ik schraap voorzichtig mijn keel wat. Het kind blijft me scherp aankijken. Met een scheef oog kijk ik in mijn mandje. Hij kan onmogelijk de zak friet zien. Er liggen komkommers, prei, vanalles overheen. Nog geen milimeter is zichtbaar. Allemaal in mijn kop. Het kind weet van niks.

Dan bedenk ik me plots dat alles het mandje uit moet. Op de lopende band. Waar iedereen zal kunnen zien. Wat er in de mand zat. Dat ik hen fopte. Ze zullen boos zijn. Ik voel plots toch schaamte. Stilletjes plaats ik het mandje, groenten fruit frietzak en al, in de stapel mandjes achter de kassa. Ik ahem even dat ik er langs wil, want ik heb immers geen boodschappen. Niet gevonden wat ik zocht. Kan gebeuren. De moeder excuseert zich en laat mij erlangs. Ik voel de ogen van het kind in mijn achterhoofd branden.

Buiten vraag ik me af wat ik nu moet doen. Ik zou naar de friettent kunnen gaan. Scheelt zelf bakken. En daar hoef ik er geen groenten op te leggen. Iedereen die daarbinnenloopt, geeft toe dat gezond niet per se meer hoeft. Gewoon lekker. Ik hoop dat het winkelkarkind vanavond spruitjes moet eten. Zelf ga ik voor grote friet met joppiesaus. En nog wat extra vette happen. Ik zoek wel wat fijns uit. Iets zonder fruit of groenten.

Binnen


Verhaal door René van DensenNiet elke, maar op de sommigedagen gooit de wereld een beetje buiten door de binnenbus. Verder beperken we ons contact. De buitenbeetjes zijn voornamelijk dwingende verzoeken in papiervorm om geld. Ik laat dan via mijn computer het getal van mijn banksaldo wat verlagen en dat van de ander wat verhogen. Ook zoiets dat we tegenwoordig perfect binnenshuis kunnen verrichten. Wie het mist om voor het betalen van rekeningen in een rij aan te schuiven, kan wellicht de huisgenoten inschakelen om tussen hem en de computer te gaan staan. Mijn huisgenoten zijn beperkt tot een kat en een lief. Beide zijn erg makkelijk verdraagbaar, ook als je er een tijdlang mee opgesloten zit, blijkbaar. Dit doet mij vermoeden dat ik zelf de moeilijke huisgenoot zal zijn. Statistisch toch.

Ik ben trouw aan het binnen. Ik bin me suf. De godganse dag bin ik op de bank, op de wc, op het bed, sleutelend aan mijn fiets, domme tekeningetjes makend op mijn laptop. Ik ga me enkel aan boodschappen te buiten. Die buit sleep ik in een rappe tocht binnen, en dat moet dan minstens een week voorraad inhouden. Ik kwam al niet graag onder de buitenmensen maar nu mogen we het eigenlijk niet eens, dus heb ik de wet als excuus. Het ligt niet aan mijn weerzin ten opzichte van de medemens, het ligt aan de letter van de wet. Het voelt goed om de wet aan mijn zij te hebben – op gepaste afstand. Niemand die me aandringt onder de mensen te komen. Er is een ziekte buiten, binnen is die er niet, dus bin er op los.

Ik kijk online filmpjes en lees zo wat nieuws. De wereld is onherkenbaar veranderd en iedereen, zelfs de televisiemensen en bioscoopacteurs, is aan de huisvlijt voor hun webcam. Het heeft wel wat. Ik probeer me voor te stellen dat dat zo blijft. Televisie gepresenteerd vanaf de Skype. Actiefilms via conference call. Met één klik heb je je achtergrond veranderd dus ach, waarom niet. Dat je een geluidsman steeds in beeld ziet floepen omdat hij piew, piew roept terwijl de acteurs schietbewegingen maken met hun vingers. Stiekem hoop ik dat we allemaal nog lang binnen blijven.

Mijn kat snapt er helemaal niets meer van. Dat we alle dagen niét weggaan. Ze ontloopt ons de halve dag. Het huis is groot dus dat geeft niet. Mijn lief belt met allerlei mensen. Mijn lief spreekt een andere taal dus ik luister half-half af. Ik vang hier en daar wat woorden op en volg ongeveer waar ze over babbelt. Ook dat heeft wel wat, een vreemde taal in huis. Ik leer stukje bij beetje meer van de vreemde taal. Onderling spreken we Engels. Ze leert nog niet zo lang Nederlands. Ik heb haar gewaarschuwd geen Nederlands te proberen te leren van mijn gedichten en verhaaltjes. Na enkele koppige pogingen erkent ze de wijsheid achter dat advies.

De toekomst is onzeker. Maar de toekomst was altijd al onzeker. Ik pruts wat aan en ontwerp designs voor gezichtsmaskertjes. Één maskertje heeft een zelfgetekende vlieg op de zijkant. Ik hoop dat als iemand het masker draagt, een ander probeert die vlieg dood te slaan. Zo komt er toch weer wat fysiek contact tussen de mensen terug. Ik draag mijn steentje bij. Van binnen. Ik heb er zelfs een binnenpretje om. Maar rijk zal ik er wel weer niet van worden.