Americana First

Verhaal door René van DensenHet was de voetbalwedstrijd, vreemd genoeg. Want toen ik de saloon binnenliep, was er niets te doen. Één van de serveersters onderhandelde met de ander wie er naar huis mocht. Maar de kok kwam steeds enthousiast uit de keuken om de match te volgen en hoopte vol passie op penalty’s. Amusant genoeg om er toch maar een cider te drinken. Ik hoefde nog niet naar huis, dus och. Niet dat de wedstrijd spannend was. Penalties, inderdaad. Maar de kok kwam er speciaal levendig naar kijken en we vermaakten ons wel. In het soort dive bar waar je zou willen dat Christophe Vekeman was meegereisd. Er was zelfs een band bezig met de opbouw.

Ik schatte de dame die naast me buiten kwam roken op een onschatbare leeftijd. Ze verontschuldigde zich dat ze normaal gezien niet rookte. Ik zei dat ik normaal gezien wel rookte. Ze sprak van de road trip die ze de afgelopen week met een roker had gemaakt. Dat had haar terug aan de saffies gebracht. Maar ook een epiphany. Als singer-songwriter – mijn goede vriendin zou later bij het verhaal schimpen dat hier iedereen singer-songwriter is – had ze honderd-, nee, vijfduizend-, nee, zei ze, het aantal was uiteindelijk niet belangrijk, liedjes geschreven, en nu zag ze een groot totaalverhaal voor zich door de reis dat alles met elkaar verbond. Ze ging alles aan elkaar schrijven als een film, of een miniserie. En die zou ze wel even aan Netflix gaan verkopen en ze zou miljoenen gaan verdienen, dat wist ze zeker. De tekenen waren er, let maar op. Ze stak nog een sigaret aan en ik vermaakte me genoeg om er ook nog een op te steken.

Alles in de directe omgeving ging naar de kloten, wist ze. Het is hier niet zoals in Europa, stelde ze, sowieso terecht. Ze hebben hier geen oude gebouwen, geen echte wortels, dus ze halen alles steeds maar weer plat om er andere dingen neer te zetten. Er waren teveel tech companies en hipsters en zo verdween alles wat echt was. Alles werd maar Americana. Maar genoeg daarover. Haar film of miniserie. Die zou niet gericht zijn op volwassenen maar the kids. Want het zou zo te horen over álles gaan, autisme, trauma, verkrachting, zelfmoord, ze zou the kids duidelijk maken dat all that shit happens in life en hoe je ermee om zou kunnen gaan. En van de miljoenen die ze ermee zou verdienen zou ze al haar deadbeat artist music friends in elke stad waar ze er kende, een paar duizend dollar geven en hen opdragen iets voor een veteraan te doen. Ik vond het een nobel verhaal.

Ondertussen was de band binnen klaar met soudchecken en begon te spelen. Ik maakte mijn derde sigaret uit en gaf aan dat ik naar mijn biertje terug wou. Ze schudde mijn hand, so nice to meet you en informeerde wat mijn naam ook alweer was die ik nog niet had genoemd. Ik zei mijn naam, ze verschoot. Well, very nice to meet you, René, my name is Renée, lachte ze. Om eraan toe te voegen: Renée First. Remember that name !

Saniteren

Verhaal door René van DensenIk ben ergens waar ik normaal niet ben. De mensen hier doen dingen heel anders. Zo hebben ze rubber handschoenen aan om je geld aan te nemen en wisselgeld terug te geven. De mensen die een belegd broodje voor je bereiden moeten eerst de handschoenen van het vorige broodje weggooien. Overal staan pompflesjes met watervrije saniteerzeep die je dient te gebruiken. En het bestek bij een maaltijd komt in een speciale papieren zak die meldt dat het bestek gesaniteerd is voor jouw veiligheid. Ook voor jouw veiligheid staan achterop de gebeden van verschillende geloven vermeld. Ik zie het nut er wel van in. Als je in gelovig gezelschap bent en de eer krijgt om het gebed voor te gaan kun je op je bestek spieken. Ideaal.

De straten zijn hier ook opvallend schoon. Op de plek waar ik normaal wel ben liggen de bermen en straten vol met zwerfvuil. Hier bijna niets. Er rijden overal auto’s af en die moeten toch af en toe vast wel eens asociaal iets uit hun raam gooien. Maar bijna niets. Ik slenter over straat en kijk goed rond. Op elke straat staan bordjes dat mensen de straten kunnen adopteren. Dat zal het zijn. Dat adopteren zal wel betekenen dat ze actief die straat schoonhouden. Er rijden ook veel elektrische auto’s. Ze maken een namaakgeluid alsof ze een benzinemotor hebben, zodat je ze hoort aankomen. Het amuseert me wel.

Het is bewolkt en een beetje benauwd. Ik zweet heel erg en veeg even mijn voorhoofd. Druppels vallen op het voetpad. Ineens word ik in mijn zij vastgegrepen en opgetild. Voor ik het weet ben ik in een donkere ruimte gezwaaid. Een motor start en de ruimte trilt. Ik kijk verbaasd om me heen maar zie niet veel. Dan kijk ik omhoog. Er hangt een enorme handpomp met watervrije saniteerzeep boven me. Terwijl de blauwige, onnatuurlijk geurende derrie me bedekt denk ik, ik snap het wel. Soms kun je mij ook beter even saniteren.

Daten

Verhaal door René van DensenMensen hebben meningen over de hoeveelheid tijd die verstreken is na je relatiebreuk. Want we moeten wel met z’n allen door in deze wereld. Vooruit met de geit. Op een ronde planeet in diepzwart vacuüm. Dus of ik niet eens aan ontmoeten van nieuwe mensen zou willen denken onderhand. Vissen, zee. Hoppakee. Als ik per se een mening zou hebben zou ik er tegen zijn. Maar meningmensen zullen wel weer gelijk hebben. Ondanks dat ik al paniekaanvallen krijg als er één vrouw in de bus stapt.

Een bepaald soort vrouw ziet mij doorgaans zitten. Het soort vrouw dat het niet erg vindt dat ik ik ben. Niet alle vrouwen zien zich met mij gezien worden, maar dit soort vrouwen wel. Ik schijn onder alle baardhaar en vlassige lokken en brilleglazen en overdreven lagen kleding en wenkbrauwborstels een niet volstrekt onaantrekkelijke man te verstoppen. Zegt dit soort vrouwen. Het soort vrouwen dat mij naast zich ziet zitten beslist veel dingen zelf en laat zich niet zo leiden door normen en buitenwereldmeningen. Ik zie dat als een goede eigenschap. Bovenop dat ze mij wel zien zitten.

Iemand wil met mij wel wat gaan drinken. Ik ben geen ster in daten. In vroeger tijden had ik nog wel eens een tekening of gedicht in mijn hoofd middenin een gesprek, waarop ik opstond om pen en papier te zoeken, de boel aan een bar snel neerschreef, me naar huis haastte om het uit te werken, vaak een paar uur later tevreden achterover leunde bij het resultaat en me toen pas bedacht dat ik bij mijn date weg ben gelopen. De laatste tijd teken en schrijf ik niet veel meer. Dus misschien kan ik het me riskeren.

Voor de zekerheid spreken we af op een terras niet te ver lopen van mijn woning. Ik zie er geen enkel praktisch bezwaar in om voor vertrek mijn wasmachine aan te zetten. Ik begroet haar, geef een kus, we drinken wat. Na een paar uurtjes praten excuseer ik me en loop ik terug naar huis om de was in de droger te doen. Ik heb geleerd van mijn fouten in het verleden en leg het vooraf uit. De dame is weg als ik terugkeer, maar mijn was zit in de droger. Ik drink nog enkele drankjes en loop naar huis aangezien de droger nu ook uit moet.

Ik staar naar de profielpagina van een datingsite die een meningmens me aanraadde. De site wil dingen van mij weten zodat vrouwen die willen daten dan ook die dingen van mij weten. Ik zucht en wil eigenlijk helemaal niet meer aan een nieuwe liefde beginnen. Elke dag is al zwaar genoeg zonder een ander in je leven. Ik sluit de laptop, trek tevreden een biertje open en proost mezelf. Misschien moet ik maar gewoon mezelf daten vanaf nu. Zo interessant is het ook verder allemaal niet, die liefde.

Slaapzak (2)

Verhaal door René van DensenInmiddels bezit ik zevenentwintig slaapzakken. Ik heb in alle kamers van mijn huis er forten mee gebouwd en kruip van fort tot fort voort. Ergens miauwt mijn kat, ze zoekt me. Ik kruip weg in een minifort, ze gaat me er wel vinden. Gewoon op de geur afgaan. Ik ruik naar maandenlang ongewassen. Het geeft niet want het huis stinkt erger. Ik ben vergeten waar ik mijn avondeten van enkele dagen geleden ook alweer had achtergelaten, maar ik eet al wekenlang amper. Met al dat rondkruipen in het slaapzakdoolhof en het weinige eten is mijn summer body alweer bijna gereed.

Alweer klinkt ergens in de verte de deurbel. Zelfs al zou ik de deur kunnen vinden, ik wil niet naar buiten. Er is brandend hete zon buiten en mijn huid is wit. Het is fijn in het fort. Ik kom zo nog eens op plekken waar ik bijna nooit kom. En ik kom ook dingen tegen die ik kwijt was. Wel is alles stuk, ik vind enkel de onderdelen, verspreid in de slaapzakkenwereld. De kat vindt ondertussen mij en heeft een veer meegebracht. Ik gooi hem omhoog, de kat jaagt op de dwarrelveer. Ze brengt hem opnieuw naar mij. Ik staar naar de veer. De poes heeft heel de veer tot iets onherkenbaars ondergekwijld. Voorzichtig recht ik de haartjes. Het lijkt weer op een veer. Ik gooi, maar de dwarrel wordt niet meer wat het was.

Ik heb denk ik wel genoeg slaapzakken. Ze waren allemaal niet goed. Niet om onder te slapen. Maar ze vormen prima muren van mijn schuilforten. De deurbel rinkelt nog eens, dwingend. Ik zucht, kruip via de forten naar de voorste slaapkamer en kijk uit het raam. De postbode heeft een slaapzak in zijn handen. Snel ga ik dieper de slaapzakkencocon in. De kat geeft mij een kopje. Ik steek mijn vingers in mijn oren. Hopelijk vinden ze me hier nooit meer terug.

Slaapzak

Verhaal door René van DensenFranky Bordo lacht me uit: “Met je slaapzak.” Zijn vrienden zijn nieuwsgierig waar hij het over heeft. Franky elleboogt me aan: “Kom, vertel het verhaal nog eens. Over je slaapzak.” Hij lacht smakelijk. Met een blik smeek ik het niet te hoeven vertellen, maar “komaan, man, vertel het nog eens, van je slaapzak.”

Ik heb al jaren een slaapzak. Hij leek perfect. De ideale dikte, niet te warm, niet te koud. Ik sliep gelukkig en diep met de slaapzak. Maar een perfecte slaapzak gaat idealiter ook nooit kapot en dat deed deze wel. Eerst maar een klein beetje, maar uiteindelijk scheurde hij helemaal kapot. Alles ligt open, de vulling valt eruit. Ik moet afscheid nemen van de slaapzak. Dus keek ik of ik een nieuwe ergens kon vinden, maar niets stond me aan. Misschien ben ik nog niet klaar voor een nieuwe slaapzak. Toch bleef ik zoeken. Op een tweedehandssite bood ik op een slaapzak, maar de eigenaar wou ‘m niet opsturen en ik heb geen eigen vervoer. Uiteindelijk werd er zelfs op mijn berichtjes niet eens meer gereageerd. Wanhopig begon ik dan maar te bieden op verscheidene andere slaapzakken. Ik heb er nu een boel ontvangen. Allemaal lijken ze fijn en mooi en nieuw maar ze zijn het niet. Te dun, of ze ruiken te fris, of de kleur staat me dan toch niet aan. Een voor een verhuizen ze naar de logeerbedden in mijn woning, ik hoef ze zelf niet. Niets kan tippen aan de oude slaapzak, zelfs de oude slaapzak niet. De meest recent ontvangen slaapzak zit zelfs nog ingepakt. Ik heb er geen vertrouwen meer in, ook die zal niet goed zijn. Ik twijfel of ik nog ooit een goede slaapzak zal vinden.

Franky lacht me nog altijd uit. Ik zeg dat ik ook wel weet wat een metafoor is.

Niet meer loos

Verhaal door René van DensenZo mooi als de liefde was, zo fantasieloos is het verdriet. Ik zwaai vaarwel naar wat vrienden uit mijn vorige stad en loop met mijn ziel onder de arm door waar ik het nu mee moet doen. Ik, ik, ik – ik voel me niet meer schuldig over zinnen die met mij beginnen, want het is nu aan mij. Enkel aan mij en mijn kat. En vrienden. Ik bel een vriendin, ze heeft andere plannen. Ik bel nog wat vrienden, iedereen is met hun leven bezig, en dat is goed. Ik probeer een koffiebar vol hippe mensen en na tien minuten zonder bediening steek ik mijn uitgetelde geld terug in de portemonnee. Slenteren. Ik denk: ik hunker weer. Dat is positief. De lichamelijke hel begint te verwijnen. Het is een bizar mooie dag en ik mis dat ik dat met jou kan delen.

Terras. Het zit vol met lelijke mooie mensen. Ze zingen mee met de buitenmuziek die woord voor woord, nummer na nummer, over mijn pijn gaat. Ik haat de clichés, maar zoveel mensen met mooie woorden zijn me al voorgegaan. Ik luister en bedenk mijn eigen verwoordingen. Ze zijn heel luid en stil. Duiven fladderen elkaar ambitieus na, de dag voelt als een te vroege lente. De huizen weerspiegelen samen met de blauwe hemel in een busraam. Iedereen op het terras is ook maar bezig om zichzelf staande te houden in een harde wereld. Ik voel me oke geloof ik. Denk ik. De tranen wellen opnieuw op maar de dag is te mooi, ze slikken zichzelf terug in.

Het gaat niet meer om jou. Ik weet niet of ik nog een jou in mij plek kan geven. Het zijn stomme, loze fases waar ik doorheen moet. Nu zit ik in het boze stuk. Voelt als een dom bordspel waar alle zetten bekend zijn. Maar je moet het spelen. Mijn lijf is er volgens mij bijna klaar mee, denk ik. Mijn kop heeft me rechtop gehouden, ik mag uiteen vallen. Mijn hart moet nog mee, hij gaat trager. De mensen lachen. Een prachtige hond ligt te hijgen op het terras. Ik vraag het veel te mooie barmeisje binnen in het café of ze hem wat water wil brengen. De liefde stroomt door een groot lek, het kan niet meer naar jou, ik hou nu van iedereen. Alcoholisten, valse mensen die lichamelijk anderen misbruiken, dieven, alles zal ongetwijfeld voorbij mijn oog passeren maar nu houd ik gewoon van iedereen, ik kan niet anders. De mensen zijn mooi en het leven gaat zo onverbiddelijk door. Ik voel mooie woorden.

Bij thuiskomst kan ik weer alleen maar beperkte zinnen maken die het pogen te vangen. Maar het gaat beter, denk ik. Ik durf het niet hardop uit te spreken want misschien is het niet waar. De kat wil een aai. Ik zeg haar stilletjes: volgens mij ben ik niet meer loos.

Water is

Verhaal door René van DensenIk ben hier lang niet meer geweest. Maar ik was hier al vaker. Nu is het in een nieuw huis. In deze woonkamer ben ik hier nog niet geweest. Alles is onwerkelijk. Nieuw. Op een slechte manier. Reset. Ik zet een nieuwe waterkraan aan waar nochtans mijn vingerafdrukken op staan. Ik trek mijn kleren uit en zwaai ze in de wasmand. Dit zijn de eerste kleren na. Eronder liggen nog de kleren voor. Straks gaan ze allemaal bij elkaar in de wasmachine. Niet meer uit elkaar te houden.

De bedoeling was dat het bad zou helpen. Maar het is maar stom zitten in warm water. Schuim. Ik plons wat met mijn vingers. Kringetjes. De kat loopt op de rand en likt druppels van mijn schouders af. Ze miauwt. Ze klinkt bezorgd. Ik staar wat voor me uit. Dan klim ik weer uit het bad. Ook dit werkt niet. Mijn spiegelbeeld. Het lijkt wel op mij, geloof ik. Ik sjok nog wat in het huis rond. Nieuwe kleren aan. Ook weer kleren ná. Twee. Hoe lang voor ik de tel kwijtraak ?

Het was wel de juiste dag. Al de hele dag regent het pijpenstelen buiten. Het regent ook een beetje binnen. Lek. Alles is verkeerd. Zinloos. Eten is maar kauwen. Drinken gaat zonder smaak. Er is water op de grond. Natte voetstappen, regendruppels. Water is. Water is niet meer dan water. Het gaat blijven stromen. Ooit houdt het op. Tot die tijd zal het lopen, kringelen, druppelen, ruisen. Het zal wassen in de trommel en cirkelen rond het badputje. En morgen maakt het de koffie.

Ook zonder haar.

Niet bepaald een land

Verhaal door René van DensenDe vrouw zucht en spreekt tegen niemand in bijzonder: “Ik reis óveral ter wereld. Écht overal. Maar nergens, nérgens is het zo erg als hier in Nederland. Echt hoor. Het is verschrikkelijk. Ik heb de trein al gemist want die viel uit. Dus dan nam ik deze om de aansluiting zometeen te halen, maar die ga ik ook missen. Dus dan zit ik daar, een half uur. Op station Eindhoven. Alleen in Nederland kan dit. Ergste land ter wereld. Maar ja, lekker privatiseren he. Ik bedoel, twee centimetertjes sneeuw en alles gaat mis. Ze kunnen er niks van.” Haar stem is scherp en hakt luid in het rond. Hakt in op stille, berustende oren.

De man met de jas met het logo van een grote supermarktketen knikt weemoedig ja. Hij draagt veiligheidsschoenen en een broek die getuigt dat hij het meeste van de dag buiten moet werken. Maar het is een feit. De trein is tien hele minuten vertraagd. En we staan voor een rood sein nu. Het is een ramp. Niemand weet hoe dit nog ooit goed gaat komen. Dat het treinpersoneel een uitleg omroept, doet niets af aan het grove onrecht dat ons is aangedaan. We staan immers al in het tussenstuk van de coupé, klaar om uit de deur te stappen. Ik sta niet, ik ben gaan zitten. De vrouw staat. Ze knijpt woedend in de metalen paal. Ik zie het aan haar knokkels.

“Het is echt ongelofelijk. Alleen in Nederland kan dit. Kom, dat is toch zo ? In geen énkel ander land maken ze er zo’n prutsboel van. Schandalig, dit.”

Ik schraap mijn keel en spreek zachtjes. “Ik moet u toch tegenspreken, mevrouw. Ik woon in België en daar is het toch net wat vaker mis met de treinen dan hier.”

Ze kijkt me even verbaasd aan. “Ja. België. Ik moet toegeven, als ik het heb over andere landen, dan heb ik het niet over België, nee. Dat is nou niet bepaald een land waar ik zeg maar vrijwillig heen zou gaan.” Ze lacht schamper. Stil denk ik: België dankt u.
Ze keert zich naar de jaknikkende medepassagier: “Maar echt, óveral hoor. Zwitserland. Met twee meter sneeuw. Rusland, Noorwegen, noem maar op. Zelfs in Zuid-Amerika.” Ze snuift en grijpt het handvat van haar donkerroze rolkoffer steviger vast. Haar knokkels kleuren wit.

Na het uitstappen zie ik de vrouw exact nog éénmaal. Ze houdt de mensen met haast achter zich op door met haar rolkoffer middenop de roltrap stil te staan. Verstoord kijkt ze voor zich uit naar dat rotnederland.

Artiesten

Verhaal door René van DensenIk woon in een wijk waar veel artiesten zeggen graag te wonen. Net als hen woon ik hier vooral omdat mijn woning in deze wijk wel betaalbaar is. De artiesten in mijn wijk zeggen de wijk de leukste wijk van de stad te vinden. Wanneer de artiesten hun huis moeten verlaten en in een andere wijk gaan wonen, is dat de leukste wijk van de stad. Ik durf ’s avonds in bijna heel mijn wijk alleen over straat te lopen en dat is ook al heel wat.

De artiesten bellen aan mijn deur. Wanneer ik niet opendoe omdat ik eigenlijk heel fijn lig op mijn bank kloppen ze hard op de ruiten. Omdat ik bang ben dat de ruiten breken en ik vannacht in de kou moet slapen, doe ik open. De artiesten zeggen dat ik meer van de wijk moet houden, ik haal in antwoord mijn schouders op. De artiesten zeggen dat ik mezelf ook artiest moet noemen om te zorgen dat er meer artiesten in de wijk zijn. Ik vraag of er niet genoeg artiesten in de wijk zijn, wat de artiesten niet op prijs stellen. Het is hier een artiestenwijk, zeggen de artiesten.

Even later ben ik artiest en zit ik terug op mijn bank, nu een artiestenbank. Mijn kat, eveneens vanaf nu artiest, kijkt me aan. Ik vraag de artiestkat of we een artiestenduo zijn. Mijn kat artiest een miauw en besluit wat artiestenbrokjes te gaan eten. Ik artiestenkrab wat aan mijn artiestenbuik. Ik vraag me af of ik artiest moet blijven en hoe lang. Misschien moet ik nog eens gaan kijken waar ik de verhuisdozen had opgeborgen. Maar eerst een artiestenbiertje.

Catsitter

Verhaal door René van DensenDe catsitter mompelt dat hij het woord catsitter maar een raar woord vindt. De catsitter zou de catsitter niet zijn als ik geen catsitter nodig had. De catsitter is veel in Gent, ik ben minder in Gent, mijn kat is constant in Gent. De catsitter rolt een sjekkie en likt zijn vloei. De catsitter drinkt mijn bier op. De catsitter legt zijn voeten op mijn woonkamertafel. De catsitter snuffelt tussen mijn films. De catsitter eet mijn fruit. De catsitter veegt zijn voeten nooit. De catsitter schept soms de kattebak leeg met mijn spatel, ontdek ik wanneer ik mij een ei wil bakken. De catsitter heeft de tray van het bier leeg op tafel achtergelaten als sein dat er boodschappen gedaan moeten worden. De catsitter heeft enkele van mijn boeken op straat verkocht maar betaalt me volgende week terug. De catsitter heeft iets onbestemds tegen het plafon geplakt en het valt nog altijd niet naar beneden. De catsitter wil nog wel eens in een existentiële crisis zitten op het toilet. De catsitter schreeuwt op zondag teksten van obscure Duitsche schlagers. De catsitter staat eigenlijk liever. De catsitter spreekt altijd de naam van mijn kat verkeerd uit. De catsitter luistert met een half oor terwijl hij naar zijn telefoon staart. De catsitter hoor je van heel ver aankomen. Ik vertel de catsitter dat ik Wim Paeshuyse wel eens een verhaal heb horen vertellen waarvan elke zin steeds hetzelfde begint. Ook vertel ik dat dat verhaal ooit Joubert Pignon heeft doen opstaan, naar zijn kast lopen, een boek pakken, bladeren, en een verhaal voor te lezen waarvan elke zin steeds hetzelfde begint, waarna Joubert Pignon demonstratief het boek open op tafel voor mijn neus neerlegde. De catsitter zegt dat hij nooit een boek leest. Mijn kat is al dagen kwijt.