Slaapzak

Verhaal door René van DensenFranky Bordo lacht me uit: “Met je slaapzak.” Zijn vrienden zijn nieuwsgierig waar hij het over heeft. Franky elleboogt me aan: “Kom, vertel het verhaal nog eens. Over je slaapzak.” Hij lacht smakelijk. Met een blik smeek ik het niet te hoeven vertellen, maar “komaan, man, vertel het nog eens, van je slaapzak.”

Ik heb al jaren een slaapzak. Hij leek perfect. De ideale dikte, niet te warm, niet te koud. Ik sliep gelukkig en diep met de slaapzak. Maar een perfecte slaapzak gaat idealiter ook nooit kapot en dat deed deze wel. Eerst maar een klein beetje, maar uiteindelijk scheurde hij helemaal kapot. Alles ligt open, de vulling valt eruit. Ik moet afscheid nemen van de slaapzak. Dus keek ik of ik een nieuwe ergens kon vinden, maar niets stond me aan. Misschien ben ik nog niet klaar voor een nieuwe slaapzak. Toch bleef ik zoeken. Op een tweedehandssite bood ik op een slaapzak, maar de eigenaar wou ‘m niet opsturen en ik heb geen eigen vervoer. Uiteindelijk werd er zelfs op mijn berichtjes niet eens meer gereageerd. Wanhopig begon ik dan maar te bieden op verscheidene andere slaapzakken. Ik heb er nu een boel ontvangen. Allemaal lijken ze fijn en mooi en nieuw maar ze zijn het niet. Te dun, of ze ruiken te fris, of de kleur staat me dan toch niet aan. Een voor een verhuizen ze naar de logeerbedden in mijn woning, ik hoef ze zelf niet. Niets kan tippen aan de oude slaapzak, zelfs de oude slaapzak niet. De meest recent ontvangen slaapzak zit zelfs nog ingepakt. Ik heb er geen vertrouwen meer in, ook die zal niet goed zijn. Ik twijfel of ik nog ooit een goede slaapzak zal vinden.

Franky lacht me nog altijd uit. Ik zeg dat ik ook wel weet wat een metafoor is.

Niet meer loos

Verhaal door René van DensenZo mooi als de liefde was, zo fantasieloos is het verdriet. Ik zwaai vaarwel naar wat vrienden uit mijn vorige stad en loop met mijn ziel onder de arm door waar ik het nu mee moet doen. Ik, ik, ik – ik voel me niet meer schuldig over zinnen die met mij beginnen, want het is nu aan mij. Enkel aan mij en mijn kat. En vrienden. Ik bel een vriendin, ze heeft andere plannen. Ik bel nog wat vrienden, iedereen is met hun leven bezig, en dat is goed. Ik probeer een koffiebar vol hippe mensen en na tien minuten zonder bediening steek ik mijn uitgetelde geld terug in de portemonnee. Slenteren. Ik denk: ik hunker weer. Dat is positief. De lichamelijke hel begint te verwijnen. Het is een bizar mooie dag en ik mis dat ik dat met jou kan delen.

Terras. Het zit vol met lelijke mooie mensen. Ze zingen mee met de buitenmuziek die woord voor woord, nummer na nummer, over mijn pijn gaat. Ik haat de clichés, maar zoveel mensen met mooie woorden zijn me al voorgegaan. Ik luister en bedenk mijn eigen verwoordingen. Ze zijn heel luid en stil. Duiven fladderen elkaar ambitieus na, de dag voelt als een te vroege lente. De huizen weerspiegelen samen met de blauwe hemel in een busraam. Iedereen op het terras is ook maar bezig om zichzelf staande te houden in een harde wereld. Ik voel me oke geloof ik. Denk ik. De tranen wellen opnieuw op maar de dag is te mooi, ze slikken zichzelf terug in.

Het gaat niet meer om jou. Ik weet niet of ik nog een jou in mij plek kan geven. Het zijn stomme, loze fases waar ik doorheen moet. Nu zit ik in het boze stuk. Voelt als een dom bordspel waar alle zetten bekend zijn. Maar je moet het spelen. Mijn lijf is er volgens mij bijna klaar mee, denk ik. Mijn kop heeft me rechtop gehouden, ik mag uiteen vallen. Mijn hart moet nog mee, hij gaat trager. De mensen lachen. Een prachtige hond ligt te hijgen op het terras. Ik vraag het veel te mooie barmeisje binnen in het café of ze hem wat water wil brengen. De liefde stroomt door een groot lek, het kan niet meer naar jou, ik hou nu van iedereen. Alcoholisten, valse mensen die lichamelijk anderen misbruiken, dieven, alles zal ongetwijfeld voorbij mijn oog passeren maar nu houd ik gewoon van iedereen, ik kan niet anders. De mensen zijn mooi en het leven gaat zo onverbiddelijk door. Ik voel mooie woorden.

Bij thuiskomst kan ik weer alleen maar beperkte zinnen maken die het pogen te vangen. Maar het gaat beter, denk ik. Ik durf het niet hardop uit te spreken want misschien is het niet waar. De kat wil een aai. Ik zeg haar stilletjes: volgens mij ben ik niet meer loos.

Water is

Verhaal door René van DensenIk ben hier lang niet meer geweest. Maar ik was hier al vaker. Nu is het in een nieuw huis. In deze woonkamer ben ik hier nog niet geweest. Alles is onwerkelijk. Nieuw. Op een slechte manier. Reset. Ik zet een nieuwe waterkraan aan waar nochtans mijn vingerafdrukken op staan. Ik trek mijn kleren uit en zwaai ze in de wasmand. Dit zijn de eerste kleren na. Eronder liggen nog de kleren voor. Straks gaan ze allemaal bij elkaar in de wasmachine. Niet meer uit elkaar te houden.

De bedoeling was dat het bad zou helpen. Maar het is maar stom zitten in warm water. Schuim. Ik plons wat met mijn vingers. Kringetjes. De kat loopt op de rand en likt druppels van mijn schouders af. Ze miauwt. Ze klinkt bezorgd. Ik staar wat voor me uit. Dan klim ik weer uit het bad. Ook dit werkt niet. Mijn spiegelbeeld. Het lijkt wel op mij, geloof ik. Ik sjok nog wat in het huis rond. Nieuwe kleren aan. Ook weer kleren ná. Twee. Hoe lang voor ik de tel kwijtraak ?

Het was wel de juiste dag. Al de hele dag regent het pijpenstelen buiten. Het regent ook een beetje binnen. Lek. Alles is verkeerd. Zinloos. Eten is maar kauwen. Drinken gaat zonder smaak. Er is water op de grond. Natte voetstappen, regendruppels. Water is. Water is niet meer dan water. Het gaat blijven stromen. Ooit houdt het op. Tot die tijd zal het lopen, kringelen, druppelen, ruisen. Het zal wassen in de trommel en cirkelen rond het badputje. En morgen maakt het de koffie.

Ook zonder haar.

Niet bepaald een land

Verhaal door René van DensenDe vrouw zucht en spreekt tegen niemand in bijzonder: “Ik reis óveral ter wereld. Écht overal. Maar nergens, nérgens is het zo erg als hier in Nederland. Echt hoor. Het is verschrikkelijk. Ik heb de trein al gemist want die viel uit. Dus dan nam ik deze om de aansluiting zometeen te halen, maar die ga ik ook missen. Dus dan zit ik daar, een half uur. Op station Eindhoven. Alleen in Nederland kan dit. Ergste land ter wereld. Maar ja, lekker privatiseren he. Ik bedoel, twee centimetertjes sneeuw en alles gaat mis. Ze kunnen er niks van.” Haar stem is scherp en hakt luid in het rond. Hakt in op stille, berustende oren.

De man met de jas met het logo van een grote supermarktketen knikt weemoedig ja. Hij draagt veiligheidsschoenen en een broek die getuigt dat hij het meeste van de dag buiten moet werken. Maar het is een feit. De trein is tien hele minuten vertraagd. En we staan voor een rood sein nu. Het is een ramp. Niemand weet hoe dit nog ooit goed gaat komen. Dat het treinpersoneel een uitleg omroept, doet niets af aan het grove onrecht dat ons is aangedaan. We staan immers al in het tussenstuk van de coupé, klaar om uit de deur te stappen. Ik sta niet, ik ben gaan zitten. De vrouw staat. Ze knijpt woedend in de metalen paal. Ik zie het aan haar knokkels.

“Het is echt ongelofelijk. Alleen in Nederland kan dit. Kom, dat is toch zo ? In geen énkel ander land maken ze er zo’n prutsboel van. Schandalig, dit.”

Ik schraap mijn keel en spreek zachtjes. “Ik moet u toch tegenspreken, mevrouw. Ik woon in België en daar is het toch net wat vaker mis met de treinen dan hier.”

Ze kijkt me even verbaasd aan. “Ja. België. Ik moet toegeven, als ik het heb over andere landen, dan heb ik het niet over België, nee. Dat is nou niet bepaald een land waar ik zeg maar vrijwillig heen zou gaan.” Ze lacht schamper. Stil denk ik: België dankt u.
Ze keert zich naar de jaknikkende medepassagier: “Maar echt, óveral hoor. Zwitserland. Met twee meter sneeuw. Rusland, Noorwegen, noem maar op. Zelfs in Zuid-Amerika.” Ze snuift en grijpt het handvat van haar donkerroze rolkoffer steviger vast. Haar knokkels kleuren wit.

Na het uitstappen zie ik de vrouw exact nog éénmaal. Ze houdt de mensen met haast achter zich op door met haar rolkoffer middenop de roltrap stil te staan. Verstoord kijkt ze voor zich uit naar dat rotnederland.

Artiesten

Verhaal door René van DensenIk woon in een wijk waar veel artiesten zeggen graag te wonen. Net als hen woon ik hier vooral omdat mijn woning in deze wijk wel betaalbaar is. De artiesten in mijn wijk zeggen de wijk de leukste wijk van de stad te vinden. Wanneer de artiesten hun huis moeten verlaten en in een andere wijk gaan wonen, is dat de leukste wijk van de stad. Ik durf ’s avonds in bijna heel mijn wijk alleen over straat te lopen en dat is ook al heel wat.

De artiesten bellen aan mijn deur. Wanneer ik niet opendoe omdat ik eigenlijk heel fijn lig op mijn bank kloppen ze hard op de ruiten. Omdat ik bang ben dat de ruiten breken en ik vannacht in de kou moet slapen, doe ik open. De artiesten zeggen dat ik meer van de wijk moet houden, ik haal in antwoord mijn schouders op. De artiesten zeggen dat ik mezelf ook artiest moet noemen om te zorgen dat er meer artiesten in de wijk zijn. Ik vraag of er niet genoeg artiesten in de wijk zijn, wat de artiesten niet op prijs stellen. Het is hier een artiestenwijk, zeggen de artiesten.

Even later ben ik artiest en zit ik terug op mijn bank, nu een artiestenbank. Mijn kat, eveneens vanaf nu artiest, kijkt me aan. Ik vraag de artiestkat of we een artiestenduo zijn. Mijn kat artiest een miauw en besluit wat artiestenbrokjes te gaan eten. Ik artiestenkrab wat aan mijn artiestenbuik. Ik vraag me af of ik artiest moet blijven en hoe lang. Misschien moet ik nog eens gaan kijken waar ik de verhuisdozen had opgeborgen. Maar eerst een artiestenbiertje.

Catsitter

Verhaal door René van DensenDe catsitter mompelt dat hij het woord catsitter maar een raar woord vindt. De catsitter zou de catsitter niet zijn als ik geen catsitter nodig had. De catsitter is veel in Gent, ik ben minder in Gent, mijn kat is constant in Gent. De catsitter rolt een sjekkie en likt zijn vloei. De catsitter drinkt mijn bier op. De catsitter legt zijn voeten op mijn woonkamertafel. De catsitter snuffelt tussen mijn films. De catsitter eet mijn fruit. De catsitter veegt zijn voeten nooit. De catsitter schept soms de kattebak leeg met mijn spatel, ontdek ik wanneer ik mij een ei wil bakken. De catsitter heeft de tray van het bier leeg op tafel achtergelaten als sein dat er boodschappen gedaan moeten worden. De catsitter heeft enkele van mijn boeken op straat verkocht maar betaalt me volgende week terug. De catsitter heeft iets onbestemds tegen het plafon geplakt en het valt nog altijd niet naar beneden. De catsitter wil nog wel eens in een existentiële crisis zitten op het toilet. De catsitter schreeuwt op zondag teksten van obscure Duitsche schlagers. De catsitter staat eigenlijk liever. De catsitter spreekt altijd de naam van mijn kat verkeerd uit. De catsitter luistert met een half oor terwijl hij naar zijn telefoon staart. De catsitter hoor je van heel ver aankomen. Ik vertel de catsitter dat ik Wim Paeshuyse wel eens een verhaal heb horen vertellen waarvan elke zin steeds hetzelfde begint. Ook vertel ik dat dat verhaal ooit Joubert Pignon heeft doen opstaan, naar zijn kast lopen, een boek pakken, bladeren, en een verhaal voor te lezen waarvan elke zin steeds hetzelfde begint, waarna Joubert Pignon demonstratief het boek open op tafel voor mijn neus neerlegde. De catsitter zegt dat hij nooit een boek leest. Mijn kat is al dagen kwijt.

Sneller

Verhaal door René van DensenHaar ooghoeken zijn licht met roervocht aan het glinsteren wanneer ze mij haar collectie toont. “Deze is van zomer 2003,” herinnert ze zich nog goed. “Het was nipt, zelfs bijna niet gered, maar ik wist toch nog net vóór die man in de rij te belanden. En hij me toch een partij boos in de handvaten van zijn rollator knijpen, joh ! Ja, een mooie dag was dat.” Ze blaast er voorzichtig een dun laagje stof af. “Let alsjeblieft niet op de rotzooi hier, ik kom te weinig aan schoonmaken toe.”

De collectie is duidelijk geordend, maar volgens welke logica is wat onduidelijker. Ze ziet mijn verwarring. “Grootte,” verduidelijkt ze. “Kijk: deze plank bevat enkel momenten tussen de drie en vier minuten, die erboven van vier tot vijf, enzovoort.” Ik knik, een begrijpelijke beslissing. “Daaraan herken je ook de verzamelaar natuurlijk: alleen een amateur kent dezelfde waarde aan een moment van enkele seconden en een moment van drie minuten.” Empathisch schud ik het hoofd van onbegrip om de domheid van de amateurs.

Haar favoriet ? Daar hoeft ze niet lang over na te denken. Teder streelt ze over een moment van relevante grootte. “Zes minuut tweeënvijftig.” Nog meer roervocht in haar ogen. “Negen december tweeduizendveertien,” mijmert ze. “Ik sprong in de coupé van de eerste klasse en glipte zo binnendoor naar de tweede klasse. Direct de stopwatch gezet en het bleek echt waar, ik zat al zes minuut tweeënvijftig comfortabel in de treincoupé voor de rest van de mensen in kon stappen. De sukkels bleven gewoon buiten wachten tot iedereen uitgestapt was, onbegrijpelijk. Ik kan je zeggen, dat was een onvergetelijk moment, puur genieten. De zeven minuten ? Nee, dat is maar voor weinigen weggelegd, daar kan ik enkel van dromen.”

Ze zucht. “Zéker op mijn leeftijd. Tijd winnen is voor jongere mensen. Je moet er een bepaalde hoeveelheid schijt aan anderen aan hebben, en als je zo hulpbehoevend bent als ik tegenwoordig ben, kom je daar niet goed mee weg. Maar heel af en toe zet ik mijn schoen al op het zebrapad vóór het rode licht groen wordt.” Ze straalt, melancholisch zonnig. “Dan voel ik me weer even een jong meisje, met een wereld aan momenten te stelen. Maar dat is zeldzaam wanneer je ouder wordt. Nu kan ik enkel terugkijken. Op al die momentjes dat ik net wat sneller was dan een ander. Die tijd komt nooit meer terug.”

Ze vecht

Verhaal door René van DensenZe vecht. Niet meer zoals zojuist toen we haar uit de cat carrier probeerden te halen. Nu koppig. Koppig zoals haar baasje, als hij aan medische handen overgeleverd is. We passen, dat is helder.

De dierenarts heeft een deken over haar kooitje gehangen en helpt ondertussen de volgende klant. Het is een konijn dat niet wil eten. Vitaminetekort, ontsteking in de mond. Hij wordt in een dekentje gewikkeld en krijgt met een soort speelgoedspuit babyvoeding. Mijn kat vecht nog steeds. Ik hoor haar sissen onder de deken. Alsof ze wil zeggen: je kunt me dan wel verdoofd hebben, maar je krijgt mij er niet onder.

Maar ik weet dat ze zich klein voelt. Klein en bang. Ze vecht met immer de rug tegen de muur. Genieten, dat is rusten zonder angst. Ze kruipt graag onder mijn deken. Tegen me aan. Dan zijn we samen klein en bang. Klaar. Klaar om te vechten.

Langzaam zakt ze door haar pootjes. Maar niet volledig. Nooit volledig. Ze is niet van plan het op te geven, wat ze ook in haar spuiten. Woedend blaast ze, kwaad op de verdoving in haar aderen. Op de tintels in haar benen en het verlies van controle. Ik aai haar zachtjes en probeer haar in te fluisteren dat ze niet hoeft te vechten. Ze sist. Maar niet naar mij. Maar luisteren, dat gaat ze ook niet doen. Ze vecht.

Klei

Verhaal door René van DensenMijn ogen proberen het wel, om de boeken te lezen van schrijvers met belangrijkere namen dan de mijne, die in hoge stapels op mijn toilet liggen, maar de woorden kunnen me volstrekt niet bekoren en zeker Campert vind ik een lul. Die sla ik dus rap over in de verzamelbundel, maar ook andere schrijvers willen er niet in. Dat kan aan mijn vermoeide ogen liggen, of aan het gerommel in mijn maag, dat klatsen boetseerklei oplevert die speels in het water onder mijn billen de eeuwigheid tegemoet plonzen.

Mijn kat legt ook onvaste plakken, constateerde ik bij thuiskomst. Ze hebben een ongezonde kleur en ook aan haar achterste kleeft een vochtige groene substantie. Mijn kat moet naar de dierenarts want ik heb geen dierengeneeskundige opleiding genoten en kan haar dus niet helpen. Ik kan wel de dierenarts aan een flinke zwik geld helpen zodat hij of zij mijn kat kan helpen. Van de kat krijg ik een kopje. Zelf kan ik alleen krakkemikkige korte verhaaltjes schrijven die andere mensen ongetwijfeld vol walging wegklikken omdat de woorden hen volstrekt niet kunnen bekoren en ze me een lul vinden.

Mijn kat is echter niet zielig, mijn kat is stoer en lief. Ze heeft geen pijn. Een. Ik ook niet. Twee. De plonzende klei ruikt en voelt anders dan de plakken die de kat legt. Dat is mooi, dan hoef ik zelf niet naar de dierenarts. Drie. Ik tel mijn zegeningen. Het ene na het andere boek leg ik ondertussen vol walging terug op de stapel: wat zijn er toch een hoop bomen zinloos gesneuveld. Ik neem veel toiletpapier.

Geiten

Verhaal door René van DensenHet is feest in Prozacstad en dat mag gevierd worden vinden de mensen. Ze staan in een dikke drom voor het doorkniplint de burgemeester aan te gapen. De burgemeester praat lang en vooral onverstaanbaar. De reusachtige dure speakers aan zijn weerszijden galmen dwars door elkaar heen. De mensen trappelen stilletjes en hopen dat hij snel de ceremoniële schaar zal pakken. Zodra het lint officiëel twee linten is gemaakt, stroomt de drom mensen toe. Ze moeten de winkel binnen.

In de reusachtige winkel verkoopt men vlees, in alle soorten en maten die je in de andere grotere steden ook vindt. Eindelijk, nu ook thuis verkrijgbaar, verzucht de drom. Een oudere man met droevig gelaat staat achterin de drom maar houdt zijn mond. Hij heeft geleerd enkel in stilte nog aan zijn winkeltje te denken dat tegen de vlakte moest. Hij verkocht ambachtelijke lariekoek. De laatste lariekoekbakker van het land. Maar de tijden zijn veranderd en de mensen kopen geen lariekoek meer. Zijn droom is verkruimeld en overwalst.

Blij verandert de drom in een rij voor de balie waar de welbekende worst verkocht wordt. Deze exclusieve worst wordt steeds, stuk voor stuk, uit één gehele geit vervaardigd. In elke worst zit vlees dat maar uit één geit tegelijk komt. Er wordt uit veilig- en gezondheidsoverwegingen geen vlees gemengd. Niet een beetje van die of een beetje van die. Het mag wat kosten. Maar dan heb je worst waar je het tenminste écht van weet.

En er wordt niets verspild: het beenmerg, de hoeven, de hoorns, alles wordt er op heerlijk smakelijke wijze doorheen gemalen. Lekker groffe portie zout en kruiden erbij en een strak worstenhuidje erom. Op de seconde nauwkeurig afgebakken in hypermoderne geautomatiseerde massaproductie. Zodat hij hetzelfde smaakt als in alle andere steden. Elke keer weer.

Speciaal voor de opening wordt een heel festival georganiseerd. Worsten overal. Broodje worst, worst uit het vuistje, worstentaartjes, worstensoep, worstensmoothies. De mensen in Prozacstad laten het zich allemaal goed smaken. Het oude mannetje ook. Na enkele happen al geeft hij toe, dit was wat de stad nodig had. Meer eengeitsworst.

In een ver land klinkt jammerlijk mekkerend geitengeschrei. Maar dat kun je in Prozacstad gelukkig boven het feestgewoel niet horen.