Dag vrienden, dag vreugde

Verhaal door René van DensenMoet dit tegengeluid nu echt in deze tijd van narigheid ? Ja, het moet. Vrienden, vriendinnen, familieleden, ik moet aan jullie een ode brengen. Omdat het Europees Volkslied het zo zingt en omdat ik voel dat het moet. Verdomme, wat een kuttijden leven we toch.

Dus laat ons die ontvluchten. Ik hou van jullie. Jullie verbinden tot een fijne vleugel waaronder we samen kunnen verschuilen tegen de scherpe werkelijkheid. Met een glas geheven, met een knuffel, met een knipoog. Het kan zeker allemaal dwazer worden en laat dat zeker gebeuren. Niet de kant op van de harteloosheid, maar van de vriendschap. We zijn allemaal verbonden, en het meerstemmig koor van Beethoven schreeuwt dat door de laptopspeakers terwijl ik dit type. De toetsen slaan ritmisch met de pauken mee. Bam bam woord woord bam bam woord woord bam bam woord woord-woord. Bam, woord-woord.

Mijn kat kruipt onzeker op schoot, iets wat ze pas sinds afgelopen Kerst doet. Dan loopt ze er spinnend weer af en masseert de zetel, bijna paniekerig spinnend. Ga-niet-weg. Dat wil het zeggen als katten spinnen. Of het uit genot of doodsangst is. De speakers roepen FREUNE. Nog eens, FREUDE. Het klinkt als FREUNDE en ik denk terug aan iedereen die er voor mij was, niet alleen afgelopen jaar in mijn toenmalig dieptepunt maar in de eerdere dalen. Iedereen die me hielp, maar ook iedereen die ik zelf op wat voor manier dan ook kon helpen. FREUNDE. FREUDE. Ik hef een blik koelkastbier.

ACH VRIENDEN, NIET ZO. NIET DEZE TONEN. NIET DIT. EVEN GENIETEN. KOM OP. De violisten haasten zich, zoefzoef zoefzoef zoef zoef zoef zoef ZOEF. Een traan bolt in mijn ooghoek. Zeg van dit stom continent met millennia geschiedenis maar slechts decennia eenheid wat je wil, maar we proberen iets. Iets moois, iets waarbij iedereen aan tafel mag. Iedereen die identiteit probeert te behouden. Iedereen die zichzelf niet op orde heeft. Zelfs die ene trut die eigenlijk niet aan tafel wil. Iedereen mag aan tafel en meedrinken. Alle Menschen werden Brüder. Ik heb dit aan mijn nieuwe lief uit een ander continent proberen uit te leggen. Dat er een pas enkele decennia oud ideaal, dat echter al eeuwen gerealiseerd probeerde te worden, nu eindelijk iets wordt. Dat ik dat prachtig vindt. Dat ik bij het volkslied, gebaseerd op Beethovens’s muziek en deels Friedrich Schiller’s tekst (google daar de historie maar eens van) altijd mijn armen zwaai en ooghoeken dikke tranen laat vloeien. Als Harrison Bergeron in een belegerde bunker.

Want ik koester mijn vrienden. Iedereen die geluk had een vriend van een vriend te worden. Waar ze ook zijn op dit moment en wat ze ook belangrijk vinden. Wat hen ook aan mij bindt of juist vrij van mij houdt. Ik ben hun broeder. Net als die van mijn eigen broeder, waar ik bijna geen gesprek van meer dan drie uur kan voeren omdat we bijna geen gedeelde interesse hebben. Maar we zijn wel broers. We heffen het glas, we begrijpen elkaar, we horen bijeen. En we willen verbinding met de wereld. Alle mensen worden broeders. Of nu hun land brandt, of het door een idioot gebombadeerd wordt, of het gegijzeld wordt door een oudere garde die het roer wil omgooien. Onder de vleugel van Vreugde komen we bijeen. Ik zwaai nog meer met mijn armen, mijn kat kijkt spinnend toe. Ze kent mij onderhand bij deze muziek.

De muziek kalmeert. Nee, ze kalmeert niet. Ze siddert. Beethoven wist wat hij deed. De sequel stond open, we konden moeiteloos terug naar het oorverdovend refrein, zelfs vanaf het eind. Want alle mensen worden vrienden. Alle mensen houden van de vreugde. Geef het anders nog wat tijd. We komen er nog op terug.

Spinnetje

Verhaal door René van DensenIk staar wat voor me uit. Tussen twee werktaken op een drukke dag waarop alles superbelangrijk is en dus eigenlijk niets. Ik zit vol weethetniet deze dagen. Ik heb al heel lang weethetniet. Soms denk ik dat ik al heel mijn leven weethetniet heb, maar er moeten dagen zijn dat ik geen weethetniet had.
Er schimt iets. Ik denk even dat het symbolisch is, maar zo’n verhaal ben ik nu niet aan het schrijven. Dus zet ik mijn bril af en kijk naar de glazen. Op het glas zit een babyspinnetje. Ik was net buiten gaan roken. Terwijl ik daar stond te weethetnieten zal de babyspin aan een draadje tegen me aan gezweefd zijn. Het spinnetje stapt parmantig rond. Mijn bril is nu zijn bril. Maar zo gaat dat zomaar niet, spinnetje, brom ik zachtjes. Ik blaas de spin van mijn bril en probeer me terug op mijn superbelangrijke werk te richten.
Even later schimt er weer iets. De spin klautert terug aan zijn veiligheidsdraad naar mijn brilleglas. Het is zijn glas, immers. Ik voel bewondering voor zijn volhardende strijd. Iets zachter blaas ik opnieuw. De spin zakt wat omlaag maar klimt meteen weer omhoog. Mijn brilleglas is zijn nieuwe thuis.
Voorzichtig haal ik de spinnedraad langs het bureau. De spin is zeer klein en ik twijfel even of hij veilig is. Mijn brilleglas heeft een zacht in de lucht wuivende draad. Gebroken. Geen spin. Dan zie ik hem langs de rand van mijn bureau kruipen. Fijn. De spin maakt het goed.
Niemand rondom me heeft het in de gaten. Ik heb een klein huisdier. Het is ik en de spin. Als hij iets te dicht in de buurt van mijn muis of bureaustoel kruipt, probeer ik hem te ontmoedigen. Hij loopt weer de andere kant op. Het is mijn spin.
Ooit had ik een relatie met een vrouw die een hekel aan spinnen heeft. Ik hoop niet dat ze dit verhaal leest. Ze is in staat om naar mijn werk te komen en de spin af te maken. Veel van de spinnen die ik tijdens mijn relatie dood moest maken, heb ik stiekem gered en later buitengeplaatst.
Een collega komt aan mijn bureau staan. Gespannen houd ik de adem in. Hij merkt de spin niet op en leunt de spin gelukkig ook niet plat. Ik moet even mee in overleg. Als ik terug kom van het overleg zie ik de spin niet. Paniek.
Ik staar voor me uit. Ik wou dat de spin was gebleven. Ik houd van dieren.
Maar gelukkig, daar is de spin weer. De rest van de dag koester ik hem zachtjes. De spin loopt overal heen, maar gelukkig niet mijn bureau vast. Hij kruipt weg. Hij kruipt weer terug. Hij kruipt weg. De dag vliegt voorbij. Ik wil niet naar huis. Straks groeit hij op. Dan zal hij vliegen vangen. Ik doe een vlieg kwaad. Ik weet het.

Collacha’s

Verhaal door René van DensenOok bij dit bedrijf zijn ze er. De collacha’s. Die medewerkers die iedereen in gezelligheid bijeen brengen. Waar je al je professionele taken voor moet laten vallen omdat we nú even gezellig gaan doen. Van die typische bijeenkomsten waar iedereen een beetje bedremmeld bij staat omdat je nu eenmaal geen sfeer op afroep kunt scheppen.
Ze komen steeds met gezellige initiatieven, de collacha’s. Dan weer een borrel waar iedereen een bepaalde kleur trui aan moet hebben. Dan weer hapjes in allerlei kleuren van de regenboog. Iedereen moet mee doen want het zijn belangrijke ideeën die de collacha’s bedenken. Als nieuwe medewerker weet ik steeds te laat van de initiatieven. Dat vind ik niet enorm erg. Ik ben niet zo van het meedoen. De collacha’s verzekeren me dat er nog veel leuke dingen gaan komen waar ik aan mee kan doen.
De collacha’s stellen een kerstpop op een bureau. Elke twee minuten schelt er vanuit de pop een rock ’n roll fragment door een krakerige chip. De pop schijnt traditie te zijn. Elk jaar komt de pop boven. Een groot feest. De dode ogen van de pop staren mij wijdopen aan. Stilletjes bedenk ik me dat ik als werkzoekende geen collacha’s had. De pop zingt You know you make me wanna shout.
Verschillende collega’s zijn naar het grote eindejaarsevenement dat al in volle gang is. Wij nieuwelingen waren nog druk en schuchter achter onze bureaus aan het werk. Schijnbaar wordt van nieuwe medewerkers iets speciaals verwacht, wordt ons verteld in een spoedoverleg waar we weer al onze professionele taken voor lieten vallen. De collacha’s kirren en zeggen dat ze het nu al enig gaan vinden wat we gaan doen. Ze zijn benieuwd. Ik antwoord dat ik niet goed weet wat de bedoeling is. De collacha’s pogen me gerust te stellen dat het vanzelf helder wordt. Samen met de andere nieuwe medewerkers word ik een gang in geleid. Het begin van de gang is nog goed verlicht, tegen het eind tasten we volledig in het duister. We botsen tegen elkaar en klauwen per ongeluk in truien en haren. Dan vindt één van ons een deurklink en opent zich een uitgang. Schuchter lopen we een grote ruimte binnen. Even knipperen we met de ogen. Overal bewegende vormen, langzaam scherpen ze. Het zijn de verschillende collega’s uit het bedrijf. De collacha’s joelen het hardst.
Ik ben het snelst van begrip. Haastig gris ik een wapen van de muur en ren op mijn lotgenoten af. Ik heb deze job nodig. Het gejuich is oorverdovend. Bloed spat op mijn bril. Ik grijns van oor tot oor.

De stille luidernis

Verhaal door René van DensenMet mijn nagel kras ik over de laag. Hij is nog altijd hard. Ik wacht nog even en staar in de ogen van de man aan de andere zijde. Koud staart hij terug.
Hoe lang geleden heeft hij mij hier gevangen ? Ik ben gekmakend gewend geraakt aan mijn gevangenis. En altijd die kille staar aan de andere zijde. Zodra ik zelf kijk. Staart hij terug. Hoe weet hij het steeds ? Moet hij nooit eens naar de wc ? Op bezoek bij zijn moeder ? De was doen ?
Met een zucht plof ik ruggelings tegen de wand en staar naar mijn nagels. Ze zijn lang en smerig. Ze kartelrafelen. Ze slaagden er niet in grip op de tijd te houden. Ik kras nog eens over de laag. Hard.
De stille luidernis kruipt in mijn vel. Ik wil de man niet meer zien. Zijn kop misvormt tot iets grotesks, zijn lijf zwelt en kronkelt. Zijn ogen bloeden en branden. Ferm houdt hij zijn lippen bijeen. Ik kan wel schreeuwen om zijn stilte.
Ik probeer nog één keer. Zacht ! Eindelijk ! Een strookje van de laag pelt weg. Ik spring op en kijk demonstratief de man aan. Dit is mijn moment. Ik kras dwars door zijn ogen. Laag voor laag pel ik zijn tronie weg. De spiegelruit maakt plaats voor doorzichtig glas. Door zijn gruwelijk gelaat heen schijnt het buitenlicht binnen. Ik schraap en klauw, ik ruk en kras. Ik gil mezelf eruit, wil de ruit doen barsten. Even, heel even, zie ik de vrijheid in ruwe repen.
Dan begint tot mijn walging de laag terug te groeien en weer te verharden. Tot ik weer in die ogen staar. En daarna naar mijn monsterachtige klauwen. Het is wachten tot de laag weer zacht wordt. Zachtjes grijnst het spiegelbeeld.

Snack

Verhaal door René van DensenDe Poes en ik hebben een spelletje. Eigenlijk is het meer een soort afspraak. Ik kijk haar regelmatig eens diep in de ogen en vraag dan: Poes, welke dag is het vandaag ? Haar pupillen verwijden en haar staart gaat in milde verwachting omhoog. Ik zeg vervolgens: Is het vandaag… en vervolgens de dag van de week op een vragende manier. Al negen jaar spelen we dit spelletje. Noem ik een andere dag dan dinsdag of vrijdag dan zakt haar staart teleurgesteld. Ik weet het, het is een beetje gemeen. Maar mijn Poes kent hierdoor wel de dagen van de week. Kent jouw kat ze ? Dat bedoel ik.

Op de twee speciale dagen vervolg ik: Krijg jij iets speciaals op dinsdag/vrijdag? (Doorhalen wat niet van toepassing is. Nee, niet echt doen, dat is je beeldscherm gekkie. Eerst het verhaal uitprinten op papier en dan dáárop doorhalen wat niet van toepassing is. Oh, je leest dit te laat, ja daar hou ik me niet voor aansprakelijk.) Soms miauwt ze heel zachtjes – de Poes miauwt eigenlijk nooit. Hoe dan ook weet ze wat er gaat gebeuren. Ik dik het soms nog even theatraal aan: Echt waar, krijg jij zomaar wat lekkers op doorhalen wat niet van toepassing is ? (Leg die pen gewoon weg, je hebt al genoeg schade aangericht.)

Ons spelletje bereikt het hoogtepunt als ik vraag: Lust jij….. (jijjjjjjjjjjjj extra langgerekt) …… een snack ? Ja, dat lust ze duidelijk wel. Ik vraag het soms nog eens, maar ze staat al in de keuken met een blik van: We weten allebei hoe dit eindigt, schiet nu maar op. Dan pak ik uit de lade een zakje natvoer en babbel nog wat theatraals naar de Poes, maar die luistert allang niet meer. Ik open het zakje om de snack op een bordje te doen.

Er stroomt een grote hoeveelheid water uit en ik schrik. Water ? De kat schrikt ook terug en snapt het niet goed. Normaal zijn dit blokjes vlees en saus. Het valt me nu ook pas op dat dit een veel groter zakje is. Ik kijk op de zijkant. Kattenwater. Wat is dat nu voor onzin, mompel ik nors. Kattenwater. Hebben ze er zeker weer als promotie bij gedaan. Zoiets verkoopt toch nooit. Katten drinken gewoon water uit de kraan. Of zelfs nog liever, van dat vuile tuinwater vol muggenlarven en vuil. Kattenwater. De fabrikanten hebben weer iets bedacht. Wat een onzin. De halve keukenvloer is nat.

Ik schrik wakker. Donker. Oh ja. Het is donderdagnacht. Morgenavond krijgt ze pas weer snack. De Poes kijkt mij indringend aan. Heel, heel indringend. Een beetje boos, lijkt het. Ik probeer de gedachte dat ik haar gevraagd heb of ze een snack lust in mijn slaap, te verdringen en draai me nog eens om. De Poes scherpt haar nagels aan een krabpaal. Ik hoop dat ik de vrijdagavond nog red en sluit mijn ogen.

Kaarter

Verhaal door René van DensenPfoe, wanneer het begonnen is. Dat zal al een goede tien jaar geleden zijn. Wellicht langer. Ik schrijf dit dus ik mag het ook verzinnen, maar eerlijk gezegd weet ik het ook niet. Ze begonnen me gewoon ineens op te vallen. Speelkaarten. Gewoon, zomaar, op straat. En dan niet een heel deck dus hè, maar gewoon één losse speelkaart, helemaal uit context, zomaar, midden op het trottoir. Dat je denkt, huh. Of je denkt er even niets bij en loopt meerdere keren er langs, naar de supermarkt, terug, naar het café, en de kaart begint op te vallen. Op zo’n manier moet het begonnen zijn. Dat je er opeens tóch op gaat letten. En dan zie je ze ineens overal.

Nee, niet overal. Dat doet het klinken alsof ik geen straat in kon lopen, geen deur open kon doen, dat ik omsingeld was door massa’s speelkaarten. Welnee. Van die onverhoopte momenten. Eens in de zoveel weken of zo. Maar wel ongeacht welke wijk, welke stad, welk land zelfs. Ik kom ze tegen. Op een bepaald moment begon ik ze mee te pakken in mijn jaszak. Zomaar. Een vriend zag dat ik een zak vol speelkaarten had en vroeg waarom. Ik haalde mijn schouders op en antwoordde naar waarheid, gevonden. Hij vond het razend interessant en wist me te vertellen dat speelkaarten spirituele betekenissen hebben. Of ik die ook opzocht wellicht. Ik wist van niets. Onderweg naar huis liet ik de kaarten weer vrij. In allerlei straten. Het was een lange wandeling. Ik vond het te ingewikkeld worden.
Continue reading “Kaarter”

Verlopen

Verhaal door René van DensenAlles hier is verlopen. Dat verwoord ik verkeerd. Al het eten in mijn kasten dat ik expres kocht voor de lange houdbaarheid, blijkt verlopen te zijn. En niet weinig verlopen ook. De helft van de just-add-waters die ik achteruit de kast pluk was al verlopen voor jij besloot dat wij weer jij en ik zouden worden. Lusteloos gooi ik het meeste eten weg. De kindjes in Afrika hebben waarschijnlijk toch geen water om te just-adden.

Ik plof op de zetel met een kop soep die eigenlijk net voor kerst vorig jaar bereid had moeten worden. Ik vraag me af hoe dood je gaat van één kop verlopen soep. Misschien krijg ik er een verlopen kop van. Of een buikverloop. Hoe dan ook wil ik geen nieuwe soep halen, buiten. Ik heb geen schoenen aan en het is ver lopen. Dat laatste is een flauw grapje dat ik hardop uitspreek. Ik ben de enige die lacht. Dat is niet erg want ik vind mijn eigen grapjes heel leuk.

Het alleen zijn gaat prima, zeg ik hardop tegen de kat. De kat en één vervelende bromvlieg zijn samen met mij alleen. Ik zeg tegen de vlieg dat ik nog wat allener zou willen zijn. De vlieg snapt de hint niet en landt op de rand van mijn soepmok. Ik hoop dat de vlieg snel zal verlopen.

De kat kotst wat. De kat kakt wat. De kat krult wat tegen me aan. Ze vindt het best dat wij alleen zijn. Ik zucht wat. Ik aai wat. De dagen verlopen. Er hoeft niet eens meer water bij.

Kip

Verhaal door René van Densen“Zo,” blaast de bevriende acteur zijn sigarettenrook, “ik heb mijn goede daad voor vandaag weer gedaan. Heb zojuist iemand een kip gegeven.”
Ik, grappig bedoeld: “Een levende zeker ?” Maar de acteur knikt nog ja ook. Hola, wat ?
“Een levende kip, ja. Ik was daarmee aan het fietsen, en mensen zagen de kip en vonden hem schattig en wilden hem hebben. Dus heb ik hen de kip gegeven.”
Eigenlijk waren mijn terrasgezelschap en ik net middenin een volledig ander gesprek maar dit verhaal is nu al verwonderlijk genoeg dat we het gesprek direct vergeten zijn. Maar dan mag de acteur toch ook eerst even uitleggen waarom hij met een kip aan het fietsen was. “Ik heb die kip net een week gehad, maar dat kakt zoveel he, dat ging gewoon niet meer in mijn kleine tuintje. En dat staat zo steeds bij de trap te wachten tot ze naar binnen mag en wil de hele tijd bij mij zijn. Het zijn sociale beestjes he. Een kip alleen, dat gaat in feite niet.”
Oke, maar het is ons nog altijd niet helder: hoezo had hij een kip dan ?
“Ik had die gekocht. Dronken. Ik had gigantische goesting in eieren maar in alle nachtwinkels waren de eieren verkocht. Dus toen heb ik een kip gekocht.”
Mijn terrasgezelschap wordt het nu te gortig: “Wacht. In welk universum geraak je makkelijker aan een kip dan aan eieren ?”
Hij, lachend: “Ze hebben op zondag op de Oude Beestenmarkt altijd kraampjes waar je vogels kunt kopen en onderweg naar huis kwam ik daar langs juist toen ze begonnen met opbouwen. Dus ik had toen het briljante idee om een kip te kopen. Want dan had ik eieren. Dus ik word de volgende ochtend wakker en daar op de vloer liggen nog wat maten van mij te slapen, en ik zie zo die kip pikken op het hoofd van mijn beste maat, die zo wakker wordt van: ‘ah nee niet wéér he’.” Ik schiet hard in de lach en ben blij dat ik niet net een slok bier aan het drinken was.
“Maar zoals ik al zei, mijn tuintje is toch wat te klein en zo’n beest moet gezelschap hebben, maar ik nam haar dan overal maar mee naartoe op de fiets. Ze zat dan zo op mijn arm, lekker chill. Ik zat daarstraks nog met d’r op het terras, daar in dat hoekje. Het was verder zeer fijn gezelschap, maar één kip alleen, dat gaat eigenlijk niet. Dan moet je er twee hebben, en daar is het bij mij echt te klein voor.”
Mijn gezelschap oppert: “Of een kip en een haan, dan heb je altijd eieren én vanzelf nog meer kippen ?”
“Da’s waar, da’s waar. Maar neen. Die mensen waar ik haar aan meegegeven heb, hebben een veel grotere tuin, en eenden en vanalles daar, dus nu komt ze op een ideale plek terecht. Maar ik ga haar toch missen. Ze had al een naam en alles. Chickie Conchita.”
Hij kan gelukkig goed met ons meelachen want we liggen volledig dubbel. “Maar mijne maat binnen, achter de bar, die is nóg gekker, man. Die heeft een keer een haan gekocht, en geloof me, domste aanschaf ooit.”
Ik knik begrijpend: “Vermoedelijk waren in de nachtwinkels alle wekkers uitverkocht.”

Haat

Verhaal door René van DensenIk haat prachtige mensen en jullie zijn met zovelen. Vandaag zag ik een man een half uur worstelen met het ophangen van de vlaamse vlag en op het moment dat mijn ogen afgedekt werden achter mij door degeen waar ik op aan het wachten was, hing de vlag nog niet juist. Ik zag dezelfde persoon die mijn ogen afdekte vandaag kwetsbaar in de branding van de zee springen en dansen terwijl talloze mensen in uiteenlopende outfits en met allerlei andere honden slenterden en renden over het strand. Het leven is prachtig om te observeren. Ik liep later die avond door een straat vol hoerenlopers en niemand was hetzelfde. Daarna zat ik op een bankje aan het water en het was net of iedereen van een feest kwam. Hoe leven jullie zo uniek jullie levens en maken het een feest voor een observator ? Ik ontplof steeds in mijn borst dat ik weer een dag heb om te zien dat mensen elkaar ontmoeten, bespotten, haten, liefhebben, knuffelen, slaan, bestelen, herenigen, helen. Het is teveel op sommige dagen om te zien wat we met elkaar doen, het zwarte, het lichte, het alles. We dragen elkaars lasten of verlichten het andere. Hoe, hoe, hoé zijn mensen zo bijeen en tegelijkertijd zo afstandelijk van elkaar en ook soms zo hatelijk, zowel naar wie ze kennen als naar wildvreemden. Ik snap veel dagen niets van de mensheid omdat we allemaal samen in zo’n wilde dans met elkaar zijn in een vergetelheid en besef dat we niets zijn, dat in het bestaan van deze blauwe knikker we maar een voetnoot zijn. Ik lees jullie boeken, ik zie jullie instagrams, ik voel jullie knuffels en ik incasseer jullie haat. Wat een prachtig geheel zijn we toch. Ik haat prachtige mensen en jullie zijn met zovelen.

Rollen

Verhaal door René van Densen“Goh, het is echt verschrikkelijk met die tabak, ik heb nu nog maar een halve zak over, en ben ook al bijna door mijn blaadjes heen. Nee maar dat is grof se, ge neemt dan zo’n zak mee en dan komt de ene af he, zo van elaba, hoe ist ermee, zeg mag ik een keer ene van u rollen, je kent dat wel. En dan zeg je vanzelf, da’s geen probleem he, neem maar neem maar. En dan komt er een andere af, zeg, hedde gij tabak ? En dan komt een derde, en een vierde, zo gans den avond, en je gaat naar huis met een lege zak waar je zelf misschien twee sigaretjes van gerold hebt. Alé, op den duur ben je gewoon voor iedereen tabak aan het kopen behalve voor jezelf, kende da ?”

“Den andere avond ook, ik ben daar op zo’n feestje, je kent dat wel, gezellig en iedereen goed aan de cava, en daar komen ze alweer hoor, heb jij blaadjes wellicht, en misschien wat tabak. Ja, tuurlijk, geen probleem, rol maar, en meteen erachter alweer een. Dat je op den duur denkt, ma gasten, dáár is een nachtwinkel, haal zelf ook eens iets voor jezelf, ik heb ook maar voor mijn tien euro tabak mee, wat is dat nu. Maar echt, tis den een na de ander en voor je het weet is weer alles op, elke keer he. Ik kan daar zo furieus van worden.”

“Dan heb je dat zo de ganse avond, en maar roken allemaal he, maar wel op mijn kosten he, ik heb het ook niet zo breed. Dat op den duur Stefanie, en dat is mijn oudste en beste vriendin he, ook al zo af komt van heb jij toevallig tabak, en ik zo van NEEN, laat mij gerust met z’n allen, komaan, kbennik hier toch gene tabakswinkel, wat is dat nu hier. Maar echt hoor, telkens opnieuw, en ge kent Melanie ook wel, ach kom jawel, en die rookt al vijf jaar niet meer he, alé, ze rookt zélf niet, kende dat ? Telkens maar komen vragen achter tabak, en ik heb ook altijd blaadjes tekort, tis verschrikkelijk. Dat je op den duur denkt, ik kan beter stoppen met roken, of tabak halen, en misschien zelf maar gewoon van iedereen gaan lopen bedelen, dat verdomme iedereen zelf gewoon zorgt voor zijn tabak.”

“Moet je tabak hebben ? Ah ja, tis goed, rol er maar ene van mij hoor. Mag ik uw aansteker even ?”