Interims

Verhaal door René van DensenIk maak al decennia aan de mensen wijs dat op 5 augustus mijn verjaardag valt. Inmiddels weten de meesten wel dat het maar mystificatie was. Sommigen wisten zelfs mijn echte verjaardag te achterhalen. Met die mensen kom ik op een geheime locatie bijeen die avond en drink ik ranja met single malt. Maar dat heeft u niet van mij vernomen.

Wie de grap niet doorhebben, zijn de interims. Vaste prik krijg ik op deze dag een mailbox vol felicitaties. Gefeliciteerd dit, fijne verjaardag dat. Vrolijke kleurtjes. Ik spreek de interims enkel wanneer ze een vacature hebben die mij aanspreekt. Meestal weten ze niets van mijn vakgebied en verloopt het gesprek stroef. Daarna hoor ik zelden nog van hen. Sommige interims sturen nog eens een smsje met een functie die totaal niet bij me past. In een slagerij, of productiewerk zeventienhonderd kilometer hier vandaan, enkel bereikbaar per auto. Ik heb geen auto.

Bij de deurbel hoop ik eerst op de postbode. Ik verwacht een pakketje, het is al een dag te laat zelfs. Bij het opendoen blijken daar alle interims voor de deur te staan. Elk met een eigen taart met spetterende kaarsjes erop. Ze dringen erop aan om binnen te komen. Ik sputter iets tegen over bubbels en virus maar voor ik het weet staat mijn woonkamer vol interims. Ze zingen vals in koor. Happu functie to me. Hartelijk gevacatureerd. Leuk hoor. Ik vraag of de interims weer weg willen gaan. De interims roepen dat ze er pas net zijn en het is toch gezellig, zo’n verjaardag.

Uiteindelijk blijven de interims veertig dagen en eenenveertig nachten. Ze hangen in de tuin en mijmeren over tijdelijkheid. Sommigen doen tussendoor eens de afwas, wanneer alle borden op zijn. Ik heb geen druppel drank meer in huis en verstop me al twee weken op zolder. De interims hebben niet eens gemerkt dat ik er niet meer bij ben. Ze zijn te druk met elkaar feliciteren. Ik wou dat er geen interims bestonden.

Dansles

Verhaal door René van DensenMijn lief en ik spelen sollicitatiegesprekje. Waren we kinderen, dan speelden we doktertje, maar we zijn werkzoekende volwassenen. Dus oefenen we gesprekken. Zij is onwennig aan de lokale cultuur in het land waar we beiden vreemdelingen zijn. Ik zie het als dansles. Je spreekt af met een ander en danst het gesprek. Soms zit er een onverwachte derde danspartner bij. Dans als jezelf, zeg ik haar. Je kunt natuurlijk enkel dansen als jezelf. Mijn lief is van de salsa, ik van de polonaise.

De mensen die haar tot zover begeleid hebben, raden haar aan de danspartners te googlen. Linkedin en alles. Ken je danspartner. De achtergrondmuziek die zij willen spelen. De moves die ze eventueel zelf beheersen. Ik haat dit deel van de arbeidsmarkt. Het dansen. Ik ben van het doen. Dansen is pronken. Kennismaken, op z’n best, maar vooral pronken. Ik ben van het realiseren. De dans kan me gestolen worden.

Wanneer ze met een hoofd vol zorgen naar bed gaat, ondanks mijn geruststellende poogwoorden, zit ik even op de zetel. Dan sta ik op en dans stilletjes wat in de woonkamer. Geen vooropgestelde stijl. Gewoon mezelf. Geen melodie. Mensen die me in het verleden als danspartner hebben aangenomen, kennen mijn stijl. Waren vrijwel altijd positief verrast. Maar privé dans ik niet. Privé vertel ik verhalen en gedichten. Privé ben ik echt mezelf. Ik ben een maker.

Ik dans de hamer-hamer en zaag-zaag. Ik dans de type type type. Ik dans de pakketten die naar de USA moeten op die pallet met strakke folie rondom en twee extra beschermers. Ik dans beschermlabels en de juiste verzenddocumenten. Ik dans de handtekening. Ik dans de vakantiedagen en foutetruifeestdag. Ik dans het beoordelingsgesprek. En ineens voel ik me moe.

Ik ga terug zitten, open mijn laptop en schrijf een dwaas verhaal over dansles en dansen. De kat miauwt wat. Ze heeft honger. Ik ook. Konden we allemaal maar gewoon dansen als onszelf.

Groenten fruit frietzak en al

Verhaal door René van DensenIk ken weinig schaamte, maar in de winkel laad ik toch mijn mandje vol met groenten en fruit. Ik ga de groenten en fruit niet opeten. Ik eet geen groenten of fruit. Onder de groenten en fruit ligt een zak friet. Friet zijn geen groenten en zeker al geen fruit. Mensen vinden iets van anderen die geen groenten of fruit eten. Dus wekken de groenten en fruit de impressie dat ik vanavond gezond ga eten. Zeker geen friet.

Aan de kassa kijkt een kind in het kinderzitje van de winkelkar wantrouwig mijn mandje in. Ik staar hem recht in de ogen. Brutaal kijkt hij terug. Hij heeft me in de smiezen. Niks groenten. Niks fruit. Kleren, keizer. Ik schraap voorzichtig mijn keel wat. Het kind blijft me scherp aankijken. Met een scheef oog kijk ik in mijn mandje. Hij kan onmogelijk de zak friet zien. Er liggen komkommers, prei, vanalles overheen. Nog geen milimeter is zichtbaar. Allemaal in mijn kop. Het kind weet van niks.

Dan bedenk ik me plots dat alles het mandje uit moet. Op de lopende band. Waar iedereen zal kunnen zien. Wat er in de mand zat. Dat ik hen fopte. Ze zullen boos zijn. Ik voel plots toch schaamte. Stilletjes plaats ik het mandje, groenten fruit frietzak en al, in de stapel mandjes achter de kassa. Ik ahem even dat ik er langs wil, want ik heb immers geen boodschappen. Niet gevonden wat ik zocht. Kan gebeuren. De moeder excuseert zich en laat mij erlangs. Ik voel de ogen van het kind in mijn achterhoofd branden.

Buiten vraag ik me af wat ik nu moet doen. Ik zou naar de friettent kunnen gaan. Scheelt zelf bakken. En daar hoef ik er geen groenten op te leggen. Iedereen die daarbinnenloopt, geeft toe dat gezond niet per se meer hoeft. Gewoon lekker. Ik hoop dat het winkelkarkind vanavond spruitjes moet eten. Zelf ga ik voor grote friet met joppiesaus. En nog wat extra vette happen. Ik zoek wel wat fijns uit. Iets zonder fruit of groenten.

Binnen

Verhaal door René van DensenNiet elke, maar op de sommigedagen gooit de wereld een beetje buiten door de binnenbus. Verder beperken we ons contact. De buitenbeetjes zijn voornamelijk dwingende verzoeken in papiervorm om geld. Ik laat dan via mijn computer het getal van mijn banksaldo wat verlagen en dat van de ander wat verhogen. Ook zoiets dat we tegenwoordig perfect binnenshuis kunnen verrichten. Wie het mist om voor het betalen van rekeningen in een rij aan te schuiven, kan wellicht de huisgenoten inschakelen om tussen hem en de computer te gaan staan. Mijn huisgenoten zijn beperkt tot een kat en een lief. Beide zijn erg makkelijk verdraagbaar, ook als je er een tijdlang mee opgesloten zit, blijkbaar. Dit doet mij vermoeden dat ik zelf de moeilijke huisgenoot zal zijn. Statistisch toch.

Ik ben trouw aan het binnen. Ik bin me suf. De godganse dag bin ik op de bank, op de wc, op het bed, sleutelend aan mijn fiets, domme tekeningetjes makend op mijn laptop. Ik ga me enkel aan boodschappen te buiten. Die buit sleep ik in een rappe tocht binnen, en dat moet dan minstens een week voorraad inhouden. Ik kwam al niet graag onder de buitenmensen maar nu mogen we het eigenlijk niet eens, dus heb ik de wet als excuus. Het ligt niet aan mijn weerzin ten opzichte van de medemens, het ligt aan de letter van de wet. Het voelt goed om de wet aan mijn zij te hebben – op gepaste afstand. Niemand die me aandringt onder de mensen te komen. Er is een ziekte buiten, binnen is die er niet, dus bin er op los.

Ik kijk online filmpjes en lees zo wat nieuws. De wereld is onherkenbaar veranderd en iedereen, zelfs de televisiemensen en bioscoopacteurs, is aan de huisvlijt voor hun webcam. Het heeft wel wat. Ik probeer me voor te stellen dat dat zo blijft. Televisie gepresenteerd vanaf de Skype. Actiefilms via conference call. Met één klik heb je je achtergrond veranderd dus ach, waarom niet. Dat je een geluidsman steeds in beeld ziet floepen omdat hij piew, piew roept terwijl de acteurs schietbewegingen maken met hun vingers. Stiekem hoop ik dat we allemaal nog lang binnen blijven.

Mijn kat snapt er helemaal niets meer van. Dat we alle dagen niét weggaan. Ze ontloopt ons de halve dag. Het huis is groot dus dat geeft niet. Mijn lief belt met allerlei mensen. Mijn lief spreekt een andere taal dus ik luister half-half af. Ik vang hier en daar wat woorden op en volg ongeveer waar ze over babbelt. Ook dat heeft wel wat, een vreemde taal in huis. Ik leer stukje bij beetje meer van de vreemde taal. Onderling spreken we Engels. Ze leert nog niet zo lang Nederlands. Ik heb haar gewaarschuwd geen Nederlands te proberen te leren van mijn gedichten en verhaaltjes. Na enkele koppige pogingen erkent ze de wijsheid achter dat advies.

De toekomst is onzeker. Maar de toekomst was altijd al onzeker. Ik pruts wat aan en ontwerp designs voor gezichtsmaskertjes. Één maskertje heeft een zelfgetekende vlieg op de zijkant. Ik hoop dat als iemand het masker draagt, een ander probeert die vlieg dood te slaan. Zo komt er toch weer wat fysiek contact tussen de mensen terug. Ik draag mijn steentje bij. Van binnen. Ik heb er zelfs een binnenpretje om. Maar rijk zal ik er wel weer niet van worden.

Systeem

Verhaal door René van DensenIk hoor het mezelf nog zeggen, alsof het een verdienste is: ik ben eigenlijk nooit ziek. Fier, tijdens mijn sollicitatiegesprek. Een Unique Selling Point. Nu zit ik hier, met mijn USP. Het is stil op straat, stil op kantoor. De TL-verlichting zoemt.

De eerste die wegbleven, waren de collacha’s. Uit solidariteit met de anderen. Nu geen tijd voor feestjes. Teambuilding en mensen bijeen brengen, dat vindt nu geen pas. En aangezien dat toch een groot deel van hun werkdag in beslag nam, konden ze het niet-organiseren ook prima vanuit huis doen. Ze sturen nu grappige memes via de mail door. Om de sfeer er bij iedereen in te houden. Ik tel pakweg zeventienhonderd mailtjes met grappen over toiletpapier.

Mijn plant leeft nog. Een vorige werkgever zette de plant hier neer en hij kwijnde weg omdat ik het te druk had om ervoor te zorgen. Maar nu heb ik 8 uur per dag geen bal te doen. Dus de plant heeft water, een beetje extra voeding, en ik verplaats hem steeds naar een ander bureau waar het zonlicht op schijnt. Hij gedijt goed met alle aandacht. Zacht zing ik hem een beetje toe. Niet te hard, want ik schrik zelf steeds van de echo. Het pand heeft een griezelige akoestiek.

Ik vraag de plant of latere generaties, als die er nog zullen zijn, de verhalen zullen geloven. Hoe we massaal het café in doken voordat de verplichte sociale quarantaine in ging. Hoe er toch doodleuk talloze mensen naar hun werk moesten blijven gaan ondanks de dreiging van het virus, want oei oei de economie. Geen enkel land ter wereld functioneerde nog normaal maar desalniettemin moest de cijferwedloop blijven draaien. En zo gingen we dus door. Braaf luchten we op een meter afstand van elkaar, dat wel. Kuchen in de mouw. Handjes wassen. Met steeds minder verbazing praten over de TV-shows die ineens zonder op commando lachend publiek werden uitgezonden, en hoe surrealistisch en postapocalyptisch het allemaal begon te voelen. Niet meer lachen om de memes die de collacha’s onverdroten bleven doorsturen. En zo bleef de ene na de andere bureaustoel de dagen erop ineens leeg.

De vogeltjes zijn terug. Dat wel. Ze bouwen nesten in de bomen langs de weg nu de auto’s niet meer rijden.

Het systeem blijft ook gewoon werken. Mijn badge werkt ook nog gewoon. De software zal nog eeuwen blijven draaien vermoed ik. Er is niemand meer in het pand. Op heel het industrieterrein. Geen winkel is nog open, de straten zijn verlaten. Iedereen is thuis behalve ik. Maar ik moet door blijven gaan. De stilte werkt wat op mijn systeem. Maar het systeem werkt doordat ik werk. Niet dat ik iets doe. Ik heb niets te doen. Ik heb maar te doen alsof.

Voorzichtig geef ik mijn plant nog een beetje water.

Shutdown

Verhaal door René van DensenMijn lief kan het niet bevatten, maar ik zie elk moment. Een man betoogt tegen mij dat het overtrokken maatregelen zijn omdat hij toch elke dag in het ziekenhuis rondloopt. En de chinezen liegen. Ik werp wat nuances tegen maar na zijn gesputter zeg ik maar dat hij gelijk heeft.

We zijn in een café op de vooravond voor er geen cafés meer zijn. Ik sta op en rinkel de bel. Ik ken de eigenaar, hij werpt eerst tegen dat de helft voor hem is, ik wuif hem weg, we moeten nu de lastig getroffen ondernemers steunen. De mensen die de wijk leven geven, die samenkomst in een samenleving bevorderen. Het zijn maar centen en mensen drinken erdoor wat meer. Het verbaast me om te horen dat niemand anders dit vandaag heeft gedaan. Het café gaat drie weken dicht, wat is er mis met de mensen. Waarom steunen we niet de gangmakers ? Ik geef mijn lief wat extra geld om los te gaan en zij rinkelt voor het eerst in haar leven een bel. Ze geniet en iedereen in het café spreekt haar aan.

We zijn hier op de eerste grote dreiging in ons bestaan. Zonder elkaar in een maatschappij die draait om samenzijn. Om de vanzelfprekendheid van samenkomst. Drie weken zien we elkaar niet. We wisselen spontaan telefoonnummers uit die we anders niet zouden doen. Want wat de fuk, drie weken. Hoe moet onze maatschappij voort zonder onze oplossingen ?

Ik weet niet eens meer wat het nummer was dat draaide toen we de kroeg verlieten. Maar het was toepasselijk. Misschien leggen we ooit uit aan toekomstige generaties wat cafés waren en verzinnen we wat het toepasselijk nummer was. Maar ik ben het eerlijk gezegd nu al kwijt. Sorry toekomstige generaties. We hebben er een potje van gemaakt. Heel lang al. Maak er een nieuw potje van. En nodig ons dan uit.

Gratis voorwoord (4)

Verhaal door René van DensenAan het boek dat u zodirect gaat lezen is een heel verhaal vooráf aan gegaan. Nu heeft u het in uw handen, ja. Dat is het heden. Maar bedenk toch eens wat een traject het heeft afgelegd voor dat zo ver was. Het is geen sinecure.

Iemand is met dit boek van een bepaalde plek naar uw huidige locatie gereisd. Misschien was u het zelf en bent u een van die mensen die nog boeken zelf kopen en mee naar huis nemen. Een tikje ouderwets, maar het kan. Heeft u ook cash betaald ? Ik dacht het wel. Nee, natuurlijk heb ik daar geen mening over, er is hier en daar zeer esthetisch cash geld in de wereld en ik hoop dat het nog lang in circulatie blijft.

Maar naar die locatie moest het ook ergens vandaan komen. En uiteindelijk van een drukker af. Die de woorden die u hierna gaat lezen, maar ook de woorden die u nu leest, heeft zien drogen op dit vel papier. Om daarna zorgvuldig het boek samen te stellen. Daarvóór heeft iemand vanalles ingewikkeld in een apparaat staan in te stellen om precies dit exacte resultaat te verkrijgen.

Daar weer voor zat er een vormgever op te zweten, en nog eerder vond er vermoedelijk een over-en-weer plaats tussen de auteur en een of meerdere redacteurs en proeflezers. Aanpassingen, lange verveelde dagen waarin dat manuscript maar niet af kwam. Om nog te zwijgen van degene die het oorspronkelijke manuscript, die ongepolijste diamant, in handen kreeg en moest beslissen of dit uitgeefbaar was.

En dan die arme auteur. Noeste arbeid. Waar jarenlange studies aan vooraf zijn gegaan. Onder leraren en ouders die zich ongetwijfeld wel eens afvroegen of het nog ooit goed zou komen met dat stukje mens dat maar niet wou deugen in hun ogen. Wat zij op hun beurt weer bij anderen opgeroepen hebben. En die bij anderen ervoor, enzovoort.

En dan die industriële revolutie, die middeleeuwen, die oudheid, al die oermensen die druk aan het evolueren waren. Die muisachtigen die na de komeetinslag hun kans waar zagen. Die eerste vissen op het land. Dat gekrioel in de zee. En die oerknal. Pfff. Ik geef het u maar te doen, zo’n route afleggen voor er eindelijk een lezer en een boek bijeen gebracht zijn.

Het is een wonder dat er zoveel boeken uitgegeven worden. Koop meer boeken. En sta nog eens stil bij de route die ze afgelegd hebben. En nu hop, verderlezen.

Gratis voorwoord (3)

Verhaal door René van DensenSoms zit het hem in die eerste zin, helemaal aan het begin van de tekst, die openingszin die je direct bij de strot grijpt en niet meer loslaat, met stramme handen als een gerevaloriseerd lijk in een griezelprent, en niet enkel je strot maar ook je oogbollen, het klauwt je muurvast aan elk woord, elke lettergreep, je kunt zelfs niet verder lezen, zo krachtig is die zin, je durft zelfs niet verder te lezen want wat als de tweede zin puur stront is, na zo’n goede eerste zin, dat zou een gigantische tegenvaller zijn en je teleurstellen in de schrijver, hoewel, misschien is het de schrijver zijn – of haar, om niet seksistisch te doen, of is dat onderscheid juist seksistisch en moeten we het beroep van schrijver als onzijdig zien en spreken van het schrijver of hoe zit het allemaal tegenwoordig enfin we dwalen af – schuld niet eens, maar van de redacteur, die de opvolgzin misschien wel vermangeld heeft, want ervaring is ook niet alles, soms moet je zo’n schrijver gewoon zijn haar het zin laten doen, het gang laten gaan, vertrouwen dat alles goed komt, er worden immers al zo veel domme dingen in de wereld gezegd om nog niet te spreken van de slechte muziek die er gemaakt wordt maar enfin we dwalen af, dat zelfs één goede openingszin eigenlijk al heel wat is, knap hoor, en hoe oud is het schrijver eigenlijk, zo jong nog en dan al zo’n impressionante zin schrijven, daar gaan we nog veel van horen of nja lezen natuurlijk, dat ligt tenminste wel in de lijn der verwachting, al is dat ook meteen oneerlijk naar zo’n schrijver toe, die heeft immers al met die ene zin meer gepresteerd dan menig ander mens in heel zijn of haar of het leven zal doen, schrijf verdomme maar eens zo’n zin, toe maar, ik wacht wel, nee lukt niet he, dat valt tegen, je denkt veel te snel dat kan mijn neefje ook, maar doe het maar eens, een zin die zo prachtig is in al zijn eenvoud, in zijn bondigheid, die gewoon geen woord meer nodig had dan hij gebruikte, waar je geen naklank vanaf kunt poetsen, zo’n zin die gewoon áf is, die je in enkele rake woorden direct het boek in zuigt, kolkt bijna, je wil nog even naar de realiteit klauwen maar het is te laat, bij de eerste woorden wist je eigenlijk al, ik ben verloren, we moeten door dit ganse boek heen, door enkel die ene zin waarmee het start zit je vast, gevangen, is je lot besloten, dat is pas de kracht van zo’n zin, en dat is weinig zinnen gegeven, maar heel af en toe, heel soms, heb je zo’n zin uit duizenden dus, waarvan je eigenlijk niet wil dat hij eindigt, elke lettergreep op je tong proevend, als een geliefde in een verdwaalde zomernacht die zoet uit de hand loopt en waar je van weet dat bij het ontwaken deze spoorloos verdwenen zal zijn, zo’n zin waar je gewoon geen punt achter wil zien staan, ja heus, zo heel af en toe zit het hem in die eerste zin. Soms ook niet.

Gratis voorwoord (2)

Verhaal door René van DensenHet eerste wat ik deed, was het trots op café gaan vertellen. Aan iedereen die het maar wou horen. Nee, dat is niet helemaal waar. Eerste dat ik deed was mijn broek ophijsen. Want de uitgever had me gebeld toen ik net van de wc kwam. Ja, ik vind wel dat we eerlijk tegen elkaar moeten blijven. Zo ging het. Maar daarná, linea recta naar het café om het nieuws te delen.

Ongeloof he, dat allereerst. Een heleboel jaja, het zal wel. Drink je pint en zwijg, stoefer. Natuurlijk hebben ze jou daarvoor gebeld. Wie anders. Wacht, meen je dat nu ? Tja en wat kon ik laten zien aan hen. Een nummer. Dat me gebeld had. Een cijferreeks. Zegt zo lekker veel. Ik twijfelde nog even. Zal ik het nummer quasi nonchalant terugbellen en het gesprek op speaker zetten ? Maar het was erg rumoerig op café. Voetbal. Belangrijke match. Dat komt niet echt professioneel over.

Eigenlijk komt het sowieso niet professioneel over dat ik eerst mijn broek moest ophijsen en daarna me laveloos gezopen heb in een café. Als allereerste reactie op dat telefoontje. Nu ik die eerste alinea’s lees schaam ik me direct. Wat doe je, René. Dat schrijf je toch niet. Denk je dat de grote voorwoordschrijvers van weleer zoiets er zomaar uitflapten ? Je rammelt er weer zonder filter maar uit hoe het gegaan is, zonder erover na te denken.

Ja, in feite is het wel jammer. Dit boek verdient beter dan dergelijke bullshit. Nu heb ik spijt als haren op mijn hoofd van hoe ik dit voorwoord begonnen ben. Sta ik daar, pintjes te hakken in de kroeg, half naast het urinoir te zeiken, druppels op mijn schoenen, meelallend met een willekeurig muzieknummer dat uit de elektronische jukebox jammert. Omringd door mensen die in feite al onder de indruk waren geweest als ik het voorwoord voor een jaarverslag had mogen schrijven. Laat staan voor een boek als dit. Het is een spijtige start, maar we zijn wel vertrokken en we gaan het hiermee moeten doen.

Ik denk nu ook aan mijn moeder. Ze is zo trots op alles wat haar oudste zoon doet. Dus ook dit boek gaat ze kopen. Dat weet ik nu al zeker. Of ze het gaat lezen weet ik niet. Minstens het voorwoord. Want dat heeft haar lieve zoon geschreven he. En dat kan hij zo goed. Het komt vervolgens in de kast. Tussen de andere boeken. Ik weet eigenlijk niet goed of ze zelf ook boeken koopt. En leest. Ze heeft alles waar ik in sta. Op een rijtje. Dat wel. En dan nu ook dit boek. Waarin ik me op de eerste pagina’s strontlazarus zuip en op een wc-vloer plas. Ik denk niet dat de bridge-club het te lezen zal krijgen. Maar misschien lacht ze er heel even, stilletjes om. Dat haar oudste zo’n maf voorwoord schreef bij notabene zo’n goed boek. Dat kan ook alleen hij he.

Ja, daarom doe ik het dus. Voor mijn moeder. Voor alle moeders. Ze zijn trots op ons. Dat weet ik zeker. De moeder van de auteur van dit boek is ook trots. Su. Per. Trots. Op zo’n gigantisch goed boek. Op zo’n mooie uitgave. En vooruit, zelfs op dat voorwoord. Al had dat voor haar wellicht niet gehoeven. Zo’n dom stuk over in je broek plassen middenin een smerige kroeg met plakkerige vloer. Bah bah. Heeft die schrijver van dat voorwoord wellicht geen moeder ? Schaamt die zich niet ? Nee, die schaamt zich niet. Die is trots. En schrijft dit voorwoord onverstoord verder. Soms moet je gewoon, woord voor woord, die afgrond in waar je op afschrijft.

Maar vooral, mensen, wat een eer. Wat. Een. Eer. Dat ik bij een boek als dit het voorwoord mocht schrijven. Daar word je even stil van. Ik heb er écht geen woorden voor.

Gratis voorwoord (1)

Verhaal door René van DensenZo af en toe kan ik dat niet laten, door een boekwinkel dwalen en de kaften strelen. Ik stel me daarbij voor dat een camera mij volgt. Met messcherpe focus op mijn vingers, de miniemste huidlijntjes en oneffenheden cinematisch in beeld, de winkel onscherp in een pastelkleurige achtergrond. Al die veelkleurige kaften versmolten met elkaar in bonte vlekken.

Alleen dát beeld al. Eindelijk al dat kleurgeweld verzacht, onschadelijk gemaakt. Wie ooit een burn-out heeft gehad, weet hoe luid de visuele schreeuwen kunnen zijn. Als je geen filter meer hebt. En alles rechtstreeks op je netvlies, in je kop belandt. Vormgevers mogen zich daar best wat meer bewust van zijn. Boekverkopers trouwens ook. Wat is er mis met de boeken op kleur ordenen ? Het boek dat we zoeken, vinden, lukt toch zelden of nooit. Bijna altijd moet je alsnog even schuchter een medewerker benaderen met je storende en ongetwijfeld domme vraag.

Maar terug naar die vingertoppen en die kaften. Natuurlijk van de liggende boeken, op die vierkante tafels. Want deze boeken verdienen extra aandacht. Ze zijn op het moment extra geliefd. Deze boeken zijn populair. Ze zijn in TV-programma’s besproken, als er nog TV-programma’s bestaan die boeken bespreken. Als er nog TV-programma’s bestaan. Dan zijn deze boeken aan bod gekomen. Ik weet dat niet want ik kijk enkel kattenfilmpjes op Youtube. Maar mijn vingertoppen zijn zich ervan bewust. Dat ze in hooggeplaatst gezelschap zijn. Deze boeken, daar kun je mee thuiskomen.

Deze kaften zijn ook waarschijnlijk al duizend keer gestreeld. Door mensen die in neuzen peuteren of die net de luier van hun kind hebben verschoond of die de deurklink van een viruskliniek hebben vastgepakt. Maar daar denk ik niet aan, interesseert me ook niet. Dood gaan we toch een keer. Nee, mijn aandacht gaat naar deze kaften. Intens laat ik de ribbels van mijn vingerafdruk de structuur verkennen. Gouden letters blief ik trouwens niet. Een zeer kunstmatig gevoel, als versmolten stickers. Als ik het op tijd zie, streel ik die kaft niet.

En dan stoppen mijn vingers en stopt de camera. Want. Dit is het. Was dit het echt ? Ja, ja dit is het. Dit is dit boek. Je voelt een schok, ongeloof, in mijn verstarde vingerkootjes. Want waow. Dat dit boek hier ligt. Tussen al die andere boeken. En dat die andere boeken zich van niets bewust zijn. Het ligt hier. Gewoon. Alsof het gewoon is. Dat het hier ligt. Dit, dit, dit boek. Zo’n moment dat je even om je heen kijkt, want dit boek kan toch niet in zomaar een boekwinkel liggen ? Een boek als dit, dat hoor je smekend te moeten bestellen, en dan maandenlang dagelijks met de winkel bellen of hij al binnen is. Misschien komende woensdag, meneer. Maar nee. Het ligt hier echt, gewoon, zomaar. Ik kan het pákken. Openen. Inzien. Kópen. Het voelt als iets dat illegaal zou moeten zijn.

Stiekem en voorzichtig openen mijn vingers het boek. Niet te ver. Voorzichtig met de rug. Niet beschadigen. Wie weet wordt er iemand gigantisch boos. Teder sla ik de bladzijde om. En daar is het hoor. Het voorwoord. Dit voorwoord. Het juiste voorwoord voor dit boek. Dat bent u vast met me eens. Een boek als dit, verdient zo’n voorwoord. Het is maar goed dat de uitgever het heeft toegevoegd. Ja, dit voorwoord, dit is het. De kers op de taart. Dit voorwoord maakt het boek echt af.

Even later sta ik bij de kassa. Boek in mijn handen geklemd, als een schat, ook al is het nog niet voor mij. Ik kan haast niet wachten om het voorwoord nóg een keer te lezen.