De tijd door


Verhaal door René van DensenVroeger, als kind, zelfs als tiener, ja, toen nog wel. Inmiddels vraag ik me dat echter niet meer af. We weten nu zelf hoe het is, hoe de mensen zijn, hoe de mensheid zich tijdens een pandemie gedraagt. Dus dat zal ongeveer wel hetzelfde zijn geweest tijdens een tulpenbollenwinter, polioplaag of pakwegjarige oorlog.

Om maar te zeggen, dagelijkse beslommernissen, verveling, horkerigheid, maar ook verdwaalde vrolijkheidjes, spelletjes in de lentezon. Discussies dat men vroeger nog wél wist wat fatsoen was of zich wél aan de regels hield of dat alles nooit meer hetzelfde. Samen, met wijdopen ogen naar een sterrenhemel, je afvragen hoe hierna de wereld eruit gaat zien. En hoe het dag-in-dag-uitleven langzaam het besef van de situatie overneemt. Want er moet immers ook dit, en dat. Smeten ze afval op straat ? Deed de jeugd stiekem aan feestjes ? Spraken de ouwe lullen er schande van ?

Vrienden die zijn gaan samenwonen, vrienden die trouwen, een gezin stichten. Vrienden die boekjes uitbrengen. Vreemden die ook boekjes uitbrengen. Vreemden die vrienden worden. De kattebak moet verschoond, de baard moet geschoren. En er komt weer een generatie die zich af zal vragen hoe het voor ons was, om in angst in een pandemie te leven. Voordat het virus eindelijk verdreven was. Hoe we in eenzaamheid in onze woningen wegkwijnden, in angst, met maskers over straat schuifelden, tientallen meters van elkaar af. Nou, dat valt tegen, toekomstige generaties. Er zijn botte horken die geen masker willen dragen, geen afstand houden, en iedereen komt maar wat de tijd door. Of iedereen zich netjes aan de regels houdt, durf ik te betwijfelen. Maar met wat uitzonderingen wordt het ook niet al te bont. Ja, een honderdtal jongeren hier, een duizendtal daar. En hopelijk loopt dat niet uit de hand, maar zoveel kun je er ook weer niet aan doen. Je kunt ervoor, of er tegen zijn, en dat uitspreken of voor je houden. Dat zijn zo ongeveer je opties wel.

En je werkt wat, als dat kan. Vanuit huis, als dat kan. Of je probeert op uitkering te overleven, als dat lukt. We zijn heel blij dat het internet bestaat en dat er een boel series te bekijken zijn. Series vol bizarre realiteit. Of escapistische series die commentaar op de werkelijkheid geven. Het zijn gouden tijden om binnen te zitten. Sommige mensen, ook ik, hebben het geld dat we nu niet op café kunnen uitgeven – god, wat mis ik even lekker op café gaan met wat mensen die je niet per se wou spreken maar die er wel zijn – uitgegeven aan mondmaskers met ontwerpjes erop. In mijn geval, eigen ontwerpjes. Je moet je ergens mee amuseren.

Dat is het vooral, toekomstige lezer. We moeten de tijd door. We wachten maar wat. We kunnen niet veel meer dan dat. Vanavond zijn we aan het wachten in zonneschijn, deze eerdere middag nog in natte sneeuw. Ongenadig banaal leven we maar wat. Met je pandemie. Er wordt eens een maatregel besloten, dan weer een versoepeling beloofd (die natuurlijk alsnog niet blijkt te kunnen doorgaan, de cijfers zijn nog steeds niet goed). Ergens daar buiten waart het virus. Maar je doet er niets aan, ook het leven moet je door. Wij, de mensen die nog weten van ervóór, wachten tot het eindelijk erná is. En we leven ondertussen maar wat. Spannender is het bestaan momenteel echt niet.

Misschien als we wisten hoe lang dit nog duurde. Dat zou schelen. Maar dat weten jullie dan weer wél. Wij nog niet. Maar heb geduld, straks weten wij het ook.

Die dag, dus

Verhaal door René van DensenZo’n ochtend die je afschrijft. Die je gelaten ondergaat want alles maakt je kwaad. Zo’n ochtend dat je denkt, restart en retry after lunch. Zo’n ochtend dat je je beter had verslapen. Zo’n start van de dag dat je enkel botte mensen en technologische ellende op je pad vindt. Zo’n ochtend die in je weg loopt. Zo’n morgen die je liever gisteren had. Zo’n eerste halve dag die je liever van je afschreef in een koddig kort verhaaltje waar andere mensen om moeten lachen uit herkenning. Zo’n morgen dat je je lief niet wil aanspreken omdat je weet dat je iets lelijks of verkeerds gaat zeggen en dan zijn de rapen nog gaarder. Of de peren rijper. Zo’n ochtend dat het verschil tussen die twee uitdrukkingen je geen aubergine meer kan schelen.

Dat je passief-agressieve berichten naar vrienden stuurt. Om stiekem om een knuffel te vragen. Zo’n ochtend dat je denkt, als God deze ook geschapen heeft mocht hij op zich nog eens terug naar zijn blueprint. Dat er niets ècht groot mis gaat maar alles samen toch wel. Dat duizend kleine missingen maken dat je boem, ho, zegt. Dat je je afvraagt of leven de moeite nog is. Dat je je insignificant voelt, zo’n afrondcijfer van de natuurkundelessen vroeger. Die ene annotatie die niemand wil opzoeken want we snappen het wel. Die ochtend.

En je wil boos zijn op iemand maar eigenlijk deed niemand lelijk genoeg. Gewoon nèt lelijk genoeg. Net die halve seconde teveel in je weg. Net die halve nare blik. Net dat wachtwoord dat je wel maar blijkbaar toch niet wist. Net die ene zonreflex op dat raam in je ogen. Net al die andere politici tegen je, na zoveel jaren. Dat je die collega niet verstond maar je het niet redt met schaapachtig lachen. Net die ene flard muziek die je niet aanstond. Je weet welke dag ik bedoel; Die dag, dus. Ja: die dag, dus.

Dat kan ik dan wel


Verhaal door René van DensenIk wil eigenlijk schrijven dat niks goed gaat, maar dat is zo melodramatisch. Niks gaat goed voor niemand dezer dagen. Of toch: bij het bedrijf waar ik gisteren ging solliciteren, gaat het al sinds de uitbraak van het virus supergoed. Ze staan er zelf ook van te kijken. Dan nog zijn er meerdere sollicitatiegesprekken en zelfs een proefopdracht gepland voor er één van de kandidaten gekozen gaat worden. Je moet als bedrijf oppassen dat je niet te succesvol wordt. Ik begrijp dat goed en ben dan ook nog nooit succesvol geweest.

Een ambtenaar die betaald wordt om mijn sollicitaties te verstoren, plant ongevraagd een afspraak in. Ik moet er heen. De ambtenaar wil me aan een begeleider koppelen. Mogelijk zelfs een paar loopbaancoaches. Aan mijn werkeloosheid zit, verspreid over drie organisaties, een klein leger mensen in voltijds betaalde functies vast. Ik ben blij dat ik iets voor de maatschappij kan doen. Dat kan ik dan wel. Mijn baan raakte ik kwijt door de uitbraak van het virus, en mede door het virus zijn er weinig vacatures en veel kandidaten in hetzelfde schuitje. Hadden we maar een vaccin tegen werkeloosheid moeten bedenken. Of statiegeld op werknemers.

Door het virus kon ik geen getuige zijn op het huwelijk van een van mijn beste vrienden. Gelukkig nam iemand een vertikaal smartphonefilmpje op van het jawoord. En waren er foto’s. We hieven het glas op een feestje op Zoom. De volgende dag had ik een sollicitatie, daarna ging ik op de bank liggen en liet ik de machteloze zinloosheid even mijn ledematen ontspannen. Dat kan ik dan wel. Ik lig elke dag een paar uur zo. Als een wolf heel traag zou eten, zou ik me gelaten laten verslinden. Mijn eigen woorden smaken me niet meer.

Heel vorige maand ontving ik om onduidelijke redenen niet eens één cent uitkering. De dagen dreunen voort, het uitzicht is eindeloos, elke dag snurkt mijn kat exact hetzelfde als daarvoor. Pintjes komen en gaan. Dat kan ik dan wel. Het regent veel. En dan even niet. En dan weer veel. Het dak lekt nog steeds. Ooit ga ik daar iets aan doen. Maar dan moet het een paar dagen goed droog zijn geweest.

Adem. In. Even wachten. Uit. De klok geeft de maat aan. De ambtenaar mailt me dat er een workshop veerkrachtigheid gegeven wordt. Online. Ik klik op de link. Dat kan ik dan wel. Volzet. 11 mensen in de wachtrij. Ik klik de workshop weer weg en hoop op een andere manier veerkrachtigheid te vinden. Misschien dat het als een wonder door de brievenbus valt. Straks. Of morgen. Of overmorgen. En blijkbaar wil mijn computer een installatie doorvoeren. En hij doet er erg opdringerig over. Misschien dat ik dus maar beter deze tekst even opsl

Stuntman


Verhaal door René van DensenStil keek ik het TV-programma. In de achtergrond waren mijn ouders druk in discussie over een oplossing. Een oplossing voor de blauwe plekken, het gedroogde traanvocht. Misschien moesten ze me maar op een of andere zelfverdedigingssport doen, werd er geopperd. Er werd weer vanalles over me beslist en ik absorbeerde zwijgend het bewegend beeld.
Op de televisie was mijn favoriete serie van dat moment bezig. The Fall Guy, de spannende avonturen van een Hollywood stuntman die, omdat dat nu eenmaal maar tijdelijke inzetten zijn met grote intervallen van werkeloosheid, tussendoor bijverdiende als bounty hunter. Een stoere maar goedaardige man die met een namaakpistool de boeven angst ging aanjagen en nergens bang voor was, met een goede vriend en een mooie maar extreem vaardige vriendin aan zijn zijde. En auto’s, mensen en trucks vlogen in het rond. Alles leek mogelijk. En luid. Luid genoeg dat ik af en toe het gesprek in de achtergrond niet hoorde.
Gesprekken in de achtergrond zijn altijd mijn zwakte geweest. Ik luister. Als bijvoorbeeld mensen zeggen dat het een schande is met alle hondenpoep op straat overal. Dan luister ik. En ik denk dan, misschien kan ik er iets aan doen. Ik had een karretje dat ik achter me aan kon trekken. Ik had een schepje. Ik had buiten school om zeeën van tijd en kon me vrij verplaatsen. Dus ging ik hondenpoep rapen. Zodat de mensen er misschien niet meer zo boos om hoefden te zijn. Dat deed ik welgeteld één middag, want een aantal klasgenoten hadden het gezien en vonden zo kersvers voer om me mee te pesten. De volgende dagen, weken, feitelijk zelfs jaren kreeg ik steevast te horen dat ik een pindakaasfabriek had waar ik poep voor inzamelde. Het sloeg nergens op. Maar vertel een mens lang en consistent genoeg nonsens in zijn gezicht en hij verliest zijn geduld. En dan volgen de klappen. En wordt er weer gesproken of ik niet op zelfverdediging moet.

Ik heb een zondags pak aan voor het eerst in mijn leven. Het zit stom. Ik doe dit enkel omdat men beloofd had dat er cadeautjes zouden zijn, maar nu sta ik hier in een kerk, communie te doen, en ik vind er geen klap aan. Mijn geloof ben ik al kwijt dus is het een farce. En als rite is het ook maar een barbaars toneel. Ik sta in een rij met klasgenoten die één voor één drie dingen in een microfoon moeten verkondigen. In de kerk. Die gevuld is met zo ongeveer iedereen uit dit dorp. De kerk zit vol. Iedereen gaapt naar het podium terwijl jongens en meisjes netjes hun naam (1) verkondigen, hun leeftijd (2), en dat ze later verpleegster piloot pliessieagent brandweerman willen worden (3).
Ik heb het allemaal weer eens helemaal verkeerd begrepen, is me helder.
Toen mij verteld werd dat ik moest zeggen wat ik later wou worden, schrok ik me rot. Wat een vráág. Voor iemand die acht jaar is. Weet ik veel ! Spontaan wou ik eigenlijk al helemaal niets meer worden en dat is nooit meer goedgekomen. Maar ik deed een poging. Twee weken lang dacht ik elke dag intensief na over mijn carrière. Probeerde ik me per dag een beroep of vier, vijf, zo volledig mogelijk voor te stellen. Ik hou van dieren, dus stel: ik word dierenarts. En betaal me jarenlang kapot aan voorraad, personeel, praktijkhuur, wagen en benzine, dag en nacht zwoegen om vooral dieren te zien sterven in mijn machteloze, bebloede handen. En als geknakt man ga ik met pensioen en kan geen injectienaald meer zien. Oke. Dat beroep dus niet. Fietsenmaker dan. Enzovoorts. Ik maakte mezelf helemaal gek terwijl ik een honderdtal professionele levens leefde. En ik wist het niet, ik wist het echt niet. Wat een gruwelijke vraag om te stellen aan iemand die gisteren nog op een houten klimrek hing te zwaaien.
Het ene na het andere kind vóór mij weet het wél. Althans, ze hebben iets te zeggen in de microfoon. Het kind dat nu aan de beurt is wil later astronaut worden. Ik weet zeer zeker dat die dat niet wordt. Maar hij weet het wél, en ik niet. Fuk. Het is mijn beurt. De microfoon komt bijna magisch op mijn smoel af. Word ik geduwd of loop ik zonder het te beseffen ? Wat een menigte. Beeld ik het me in of stáárt echt iedereen ? Ik wil hier weg. Geen enkel cadeau is dit fokking waard.
Stap voor stap dan. Mijn naam. Die weet ik. “Ik ben René van Densen,” yes die is alvast in de pocket. Leeftijd, die weten we ook. “En ik ben acht jaar,” we zijn op tweederde en het gaat nog altijd perfect. Maar dan weet ik het écht niet meer. Ambtenaar Bevolking ? Banketbakker ? Postbode ? Priester ? Wereldreiziger ? Tranen wellen in mijn ooghoek om de oneerlijkheid van het blok waar ik voor gesteld ben. Ik kan maar één ding zeggen: “En later als ik groot ben word ik stuntman.”

De zaal is even muisstil. Zelfs de kuchers haperen even. En dan barst – in mijn herinnering toch – de hele kerk in lachen uit. Zelfs jaren later kom ik nog dorpsgenoten tegen die me op de schouder kloppen en vragen of ik al stuntman ben. En ik heb nog stééds geen antwoord. Ik ben 42 en vind het nog altijd oneerlijk dat je moet weten wat je wilt worden. En waar je jezelf over vijf jaar ziet. Het ligt vast allemaal aan mij want de andere kinderen weten het nog steeds wél. Voor hen is het allemaal prima. Ik echter, wil terugreizen en mezelf opnieuw voor die microfoon zetten. En dan simpel zeggen:

Ik ben René van Densen, ik ben acht jaar, en later als ik groot ben word ik mezelf.

Jij bestaat echt


Verhaal door René van DensenEen bevriend schrijver, laten we hem Poubert noemen, viert het verschijnen van zijn nieuwe boek. In de barruimte van zijn ateliercomplex staat het vol met jonge, hip geklede mensen die smerig Randstadbier sippen en diepinteressante gesprekken voeren met elkaar. Ik leun aan de bar en ben de enige die het biermerk uit het zuiden des lands drinkt. Het is niet vandaag. Het is, denk ik, zo’n tien jaar geleden. Ik ben zeer romantisch van aard maar op literair gebied verkies ik wél de tegenwoordige tijd boven de verleden tijd. En nu ben ik even de schrijver dus bemoei je met je eigen zaken.

Een opvallend gemiddelde man naast me pakt een biertje uit een krat, kijkt verbaasd naar het etiket – het bier dat ik drink – en zet het terug om een Randstadbier te pakken. Ik grinnik zacht. Ik zeg tegen hem dat ik hoop dat het boek even goed is als mijn vriend’s vorige. De man kijkt me verschrikt aan. “Daar heb ik geen verstand van, meneer. Ik ben advocaat,” spreekt hij stellig en loopt weg met zijn vies bier. Ik zucht en trek een nieuw bier open uit de krat die blijkbaar helemaal voor mij is.

Aan mijn andere naast blijkt aan de bar een prachtige jonge vrouw aan te schuiven. Wijntje. Toch beter dan vies bier. Mooie krullen, diepgroene ogen. Ik heb tijdens dit alles mijn huidige vriendin nog niet dus ze mag het me niet kwalijk nemen dat ik me op dat moment aangetrokken voel tot deze vrouw. Pas jaren later zou ik mijn huidig lief voor het eerst in dier ogen kijken. Op dit moment weten ik, mijn tegenwoordig lief, én de vrouw daar nog niets van. Om u even bij de les te houden. Met uw oordelen altijd. Blijf gewoon even in de scène, ja.

Ik raak wat aan de praat met de vrouw. Ze blijkt redactrice bij de uitgeverij te zijn en is erg tevreden over de opkomst. Ik laat na om cynisch te vragen waarom, haar zaak niet dat dit mijn doelgroep niet is. Ze zegt dat het boek ook prachtig is geworden, maar dat er veel werk aan was. Oh, vraag ik nieuwsgierig, wat moest ze er allemaal aan doen dan ? De jonge vrouw lacht charmant en zegt dat ik de schrijver toch ook wel ken, dat hij zijn boeken volpropt met verhalen over mensen die hij kent. “We hadden echt enorm veel werk om al die namen te anonymiseren, niet normaal,” verklapt ze. Zo zo, denk ik, die Poubert. Al die creatieve vondsten om vooral maar niet man en paard te noemen blijken ingrepen vanuit de uitgeverij. Humor.

Ze vraagt of ik ook in de verhalen voorkom. Ik haal mijn schouders op. Het boek zit nog ongelezen in de jaszak van mijn colbert dus ik geef toe dat ik het nog moet doorbladeren. Ze vraagt hoe ik heet en ik antwoord. De vrouw proest haar wijn over de bar in ongeloof, maar kijkt me daarna recht in de ogen. Ze trekt wit weg en flapt eruit: “Oh shit. Jij bestáát écht ???” Ik geloof dat ik op dat moment wel besta dus knik ik. Op dit moment geloof ik dat ook trouwens. Op het moment dat ik het schrijf hè. Geen idéé wanneer u dit leest. Dingen kunnen veranderen.

Ze verontschuldigt zich en maakt zich uit de voeten. Ik drink mijn biertje en vraag me niet eens af of ik enige kans maak. Poubert klopt me tevreden op de rug en zegt dat hij blij is dat ik er ben. Ik lieg dat het een mooi feestje is. Ik slaap straks bij Poubert thuis, de laatste trein naar mijn eigen bed is allang vertrokken. Hij mengt zich terug in het gezelschap, de hippe jongens en meisjes zijn heel blij met hem.

Ik zie de krullenvrouw praten met de advocaat. Dan wijst ze naar mij. Ik krijg er een droge keel van en hoop dat ik nu de kansen van Poubert bij de uitgeverij niet verpest heb. En ik moet toch echt dat boek straks eens lezen. (Ik geef het drie sterren.)

Zielig


Verhaal door René van DensenEen verzameling schuim aan de linkerwand van het bad reikt met tentakels naar het schuimloos midden. In het midden van dat midden zie ik mijn geslachtsorgaan een beetje deinen en wiegen. Alsof hij slaapt. Het is een slappig dingetje van niks in het badwater.
Het valt me op dat één van de schuimvormen er een beetje uitziet als een hoofd met een heel lange neus. En eronder een open mond. De schuimmmeneer probeert te niezen, lijkt het. De schuimmeneer doet ha – ha – haaaa – ha – ha – haaaa maar er komt niets. Hij blijft maar niesbewegingen maken. Ik vind het een beetje zielig voor de niesmeneer. Maar wat kan ik er aan doen ? Ik kan moeilijk een beetje voor de niesmeneer gaan zitten niezen. Daar is de niesmeneer ook niks mee opgeschoten.

Mijn kat waakt zoals altijd nabij mij. In dit geval staart ze me half slapend aan vanuit de wasmand. Bovenop de vuile was houdt ze me strak in de gaten. Ik lig nog steeds in bad, dus het zijn geen grote updates. Ze sluit haar ogen weer een beetje. Wanneer ik in bad ga, danst ze altijd wat miauwend op de badrand. Ze vindt het zielig dat ik in dat water moet gaan liggen. En ze houdt dus een oogje in het zeil tot ik weer afgedroogd ben en mijn handen weer naar haar ruiken.

In het boek wat ik probeer te lezen zonder afgeleid te raken door een starende kat, probeert de auteur ons te bewegen hem heel zielig te vinden. Ik ken de auteur toevallig en het gaat momenteel fantastisch met hem. Niet alles, natuurlijk, nooit gaat het met fijne mensen eens volledig goed. Maar zielig is hij nu zeker niet. Ik leg het boek weg, rek me uit, trek de stop eruit. Terwijl het badwater wegloopt, klampt schuim zich aan mijn been. Ik vraag me af of de niesmeneer tussen dat schuim zit of nu in het putje wegvloeit. En dan – HAAATSJOE – nies ik, glibber ik omver, vlucht de kat panisch weg, ligt de badkamer bezaaid met wasgoed. Op mijn rug in het resterend badwater lig ik hardop te lachen.

Artist In residence


Verhaal door René van DensenMijn huis belt en feliciteert me. Ik ben net wakker en heb een kater. En een poes op schoot. Ik vraag voor wat het is. Mijn huis zegt dat ik verkozen ben als de komende Artist In Residence. Ik kijk even om me heen. Ik ben al in mijn huis. Maar als mijn huis een spelletje wil spelen, speel ik het mee. Ik antwoord: Goh. En: Leuk zeg. En: Wat houdt dat in ?

Mijn huis zegt dat ik voor een bepaalde tijd in mijn huis mag verblijven om er de inwonende kunstenaar te zijn. Ik knik, maar dat kan het huis natuurlijk niet horen. Ik vraag wat ik dan zoal moet doen. Mijn huis zegt dat ik alle ruimte krijg om verhalen en gedichten te schrijven, en slash of verhalen in audiovorm op te nemen, of wat ik maar wil doen als kunstenaar. Normaal gezien, zegt mijn huis, zou je ook enkele presentaties of lezingen van slash over je werk moeten geven maar wegens de huidige pandemie lockdown is er geen publiek voor, dus dat hoef je niet te doen. Ik zeg: Wat een meevaller. Ik hou niet zo van publiek in mijn huis.

Het valt me al mee dat het in mijn eigen huis is en ik dus niet naar een andere plek hoef. Toch probeer ik er stiekem wat biergeld uit te hengelen. Ik vraag of er ook een reisvergoeding voorzien is. Mijn huis is even stil. Dan zegt mijn huis dat daar geen budget voor is. Hij zegt dat het een beetje tegenvalt van mij. Mijn huis zegt dat als ik niet wil, er duizenden andere kunstenaars dolgraag een tijd in dit huis zouden verblijven en kunst maken. Haastig zeg ik dat ik het helemaal zie zitten, maak je niet ongerust. Ik zeg: Ik kon het maar vragen. Mijn huis snoeft nog een beetje, maar zegt opgelucht: Mooi. Ik knik, maar dat kan mijn huis natuurlijk niet horen. Dan zie ik je maandag, zegt mijn huis. Ik hang op en vraag me af wat ik met mijn vrije weekend ga doen.

Bezorgd


Verhaal door René van DensenVoor mijn huis stopt een bestelbus. Ik hoor een schuifdeur openen en neem nieuwsgierig een kijkje. De chauffeur vertelt een jonge vrouw, onwennig in haar nieuwe uniform, wat ze moet doen. Ze pakt enkele pakketjes, scant ze, en wacht even. Dan zegt de chauffeur licht verrast dat ze hier vandaag niet hoeven te zijn. Vandaag hoeven ze mijn bel niet te rinkelen. Vandaag niet. Gehannes met de scanner, bliep bliep bliep nee dan moet je dit en dan dat doen, en dan bliep, oh oke bliep bliep ja zo ja. Ze stappen in. Rijden weg.

Ik grap op Twitter dat ik misschien maar weer eens naar een echte winkel toe moet. Onmiddellijk neemt de postdienst contact met me op. Of ik meer informatie kan geven en wat ze voor me kunnen doen. Ik knipper even met mijn ogen maar maak dan duidelijk dat ik vandaag dus niets van ze verwacht. Chill out. Ik begrijp dat het wennen is. Morrend tweet de postdienst oke, maar dat als er wel iets is ik altijd contact op mag nemen. Dat snap ik. Ik ken de weg.

Dan belt de pakketdienst aan. Of het klopt dat ik vandaag geen bezorging verwacht. Ik knik. Binnenkort wellicht weer. De bezorger kijkt me verwonderd aan. Een andere bezorgdienst rijdt benieuwd langs en roept: “Niets voor hém vandaag ?” en de bezorger roept “Neen !” en haalt zijn schouders op. Opgelucht zwaait de andere chauffeur en rijdt direct door. Twee maaltijdbezorgers stoppen hun scooters voor mijn woning en kijken even goed op hun papiertje. Kijken dan naar mij, nog eens naar het papiertje, en rijden dan door.

Iedereen is zo bezorgd om mij vandaag.

En nee, ik heb dit dus niet verzonnen, zie deze tweet van Bpost

Interims


Verhaal door René van DensenIk maak al decennia aan de mensen wijs dat op 5 augustus mijn verjaardag valt. Inmiddels weten de meesten wel dat het maar mystificatie was. Sommigen wisten zelfs mijn echte verjaardag te achterhalen. Met die mensen kom ik op een geheime locatie bijeen die avond en drink ik ranja met single malt. Maar dat heeft u niet van mij vernomen.

Wie de grap niet doorhebben, zijn de interims. Vaste prik krijg ik op deze dag een mailbox vol felicitaties. Gefeliciteerd dit, fijne verjaardag dat. Vrolijke kleurtjes. Ik spreek de interims enkel wanneer ze een vacature hebben die mij aanspreekt. Meestal weten ze niets van mijn vakgebied en verloopt het gesprek stroef. Daarna hoor ik zelden nog van hen. Sommige interims sturen nog eens een smsje met een functie die totaal niet bij me past. In een slagerij, of productiewerk zeventienhonderd kilometer hier vandaan, enkel bereikbaar per auto. Ik heb geen auto.

Bij de deurbel hoop ik eerst op de postbode. Ik verwacht een pakketje, het is al een dag te laat zelfs. Bij het opendoen blijken daar alle interims voor de deur te staan. Elk met een eigen taart met spetterende kaarsjes erop. Ze dringen erop aan om binnen te komen. Ik sputter iets tegen over bubbels en virus maar voor ik het weet staat mijn woonkamer vol interims. Ze zingen vals in koor. Happy functie to me. Hartelijk gevacatureerd. Leuk hoor. Ik vraag of de interims weer weg willen gaan. De interims roepen dat ze er pas net zijn en het is toch gezellig, zo’n verjaardag.

Uiteindelijk blijven de interims veertig dagen en eenenveertig nachten. Ze hangen in de tuin en mijmeren over tijdelijkheid. Sommigen doen tussendoor eens de afwas, wanneer alle borden op zijn. Ik heb geen druppel drank meer in huis en verstop me al twee weken op zolder. De interims hebben niet eens gemerkt dat ik er niet meer bij ben. Ze zijn te druk met elkaar feliciteren. Ik wou dat er geen interims bestonden.

Dansles


Verhaal door René van DensenMijn lief en ik spelen sollicitatiegesprekje. Waren we kinderen, dan speelden we doktertje, maar we zijn werkzoekende volwassenen. Dus oefenen we gesprekken. Zij is onwennig aan de lokale cultuur in het land waar we beiden vreemdelingen zijn. Ik zie het als dansles. Je spreekt af met een ander en danst het gesprek. Soms zit er een onverwachte derde danspartner bij. Dans als jezelf, zeg ik haar. Je kunt natuurlijk enkel dansen als jezelf. Mijn lief is van de salsa, ik van de polonaise.

De mensen die haar tot zover begeleid hebben, raden haar aan de danspartners te googlen. Linkedin en alles. Ken je danspartner. De achtergrondmuziek die zij willen spelen. De moves die ze eventueel zelf beheersen. Ik haat dit deel van de arbeidsmarkt. Het dansen. Ik ben van het doen. Dansen is pronken. Kennismaken, op z’n best, maar vooral pronken. Ik ben van het realiseren. De dans kan me gestolen worden.

Wanneer ze met een hoofd vol zorgen naar bed gaat, ondanks mijn geruststellende poogwoorden, zit ik even op de zetel. Dan sta ik op en dans stilletjes wat in de woonkamer. Geen vooropgestelde stijl. Gewoon mezelf. Geen melodie. Mensen die me in het verleden als danspartner hebben aangenomen, kennen mijn stijl. Waren vrijwel altijd positief verrast. Maar privé dans ik niet. Privé vertel ik verhalen en gedichten. Privé ben ik echt mezelf. Ik ben een maker.

Ik dans de hamer-hamer en zaag-zaag. Ik dans de type type type. Ik dans de pakketten die naar de USA moeten op die pallet met strakke folie rondom en twee extra beschermers. Ik dans beschermlabels en de juiste verzenddocumenten. Ik dans de handtekening. Ik dans de vakantiedagen en foutetruifeestdag. Ik dans het beoordelingsgesprek. En ineens voel ik me moe.

Ik ga terug zitten, open mijn laptop en schrijf een dwaas verhaal over dansles en dansen. De kat miauwt wat. Ze heeft honger. Ik ook. Konden we allemaal maar gewoon dansen als onszelf.