Mijn part.

Verhaal door René van DensenIk vraag het me al een week af. Hoe noem je een ex die voor je gevoel nog geen ex is, het is te pril, te vers, je zit nog in te veel verwarrende pijn ? Er is blijkbaar nog geen schrijver eerder uitgekomen. We hebben alles rondom liefde beschreven, het verkrijgen, het behouden, het verliezen, maar niet het punt net tijdens de hartbreuk.
En toen kwam het ter sprake in een misspraak. Op café. Iemand wou partner zeggen maar verslikte zich. En dat is juist. Een part. Een deel. Een stukje. Van jezelf, van het jullie dat er was. Er is een kleine bit weg. Een part. Een mandarijnschijfje. Een part. Een part, een part, een part. Het geraakt niet meer uit mijn hoofd.

Zij is mijn part.

Kreukel

Verhaal door René van DensenTerwijl de buurvrouw naar me schreeuwt kreukel ik. Niet in het minst omdat ik enkel vriendelijk goedemorgen zei voordat deze tirade startte. En ze heeft gelijk, het gezelschap in ons huis heeft tot schandalig laat en wellicht wat te hard muziek gespeeld. Ik sta daar met een zak koffiekoeken een lading boosheid te ondergaan, afgesaust met politiedreigementen, en kreukel. Want mijn vriendin houdt niet meer van me.

Gewoon, niet meer. Niets van gemerkt dus donderslag bij heldere hemel. Hoe het verder gaat weet ik niet. Of ik iets eraan kan doen weet ik niet. Ik weet nu enkel dat de buurvrouw razend op mijn kreukels brult. Dus ik stamel wat ja en ze heeft gelijk en hoop dat ze rap klaar is en dan doorloopt.

De rest van de dag breng ik door in bed met de kat tegen me aangekruld. Ik weet eigenlijk nooit wat ik met mijn leven moet maar nu zeker even niet meer. De kat spint. Ik neem me voor in ieder geval te leven zolang de kat dat ook nog doet. Zo hebben we samen een pact. Stil kreukel ik verder, onder de dekens.

Stopwatch

Verhaal door René van DensenDe wc op de verdieping waar ik mijn werk doe, is kapot. De dichtstbijzijnste wc is schuin tegenover het kantoor van de directeur. Ik vraag me af of de wc op onze verdieping gesaboteerd is zodat de baas onze wc-tijd kan monitoren. Misschien zit hij nu met een stopwatch in de hand en mijn beoordelingsformulier voor zich, achter zijn bureau. Achter ? Aan ? Tegen ? Onder je bureau snap ik nog. Daar verstop ik me wel eens. Alle andere voorzetsels klinken vreemd ten opzichte van een plank met vier pootjes. Maar ja, een wc-bril is ook maar een vreemd woord.

Ik moet straks niet vergeten deodorant te spuiten. De persoon voor mij had dit niet gedaan en ik ging bijna van mijn stokje. Maar nu eerst aan de arbeid. Op Twitter doe ik al een week alsof ik in een marathonvergadering zit die, als een echte nachtmerrie, maar niet ophoudt. Ik zit inmiddels ook heel lang op dit toilet. Zo lang dat ik me afvraag of ik in de werkelijkheid niet toevallig in mijn bed lig te kakken. Dus knijp ik mezelf om wakker te worden. Ik open mijn ogen en check. Geen kak. Oef. Ik knijp mezelf nog eens en schrik wakker op de wc. Misschien best even vegen en tussendoorspoelen.

Een vriend zei ooit dat alles wat je kunt verzinnen, al eens echt gebeurd is. Dus iemand heeft al eens ooit een week lang in een marathonvergadering gezeten. Raar dan dat niemand juist mij gelooft. Ik bedoel, het is die ander toch écht overkomen. Moet haast wel. Overkomen ? Achterkomen ? Tegenkomen ? Maar ja, diezelfde vriend was laatst ook samen met De Opperpater naar de wc gegaan. En schijnbaar heeft De Opperpater toen zijn penis even in de mond genomen. Mijn vriend maakt sowieso vanalles mee, bedoel ik dus. En De Opperpater vertelde er daarna maar wat trots in geuren, kleuren en smaken over. Het smaakte wat naar marshmellow of zacht fruit, vond hij.

Maar ja, weet u veel. Misschien verzin ik die hele De Opperpater wel. En die vriend ook. En bestaan ze dus echt, ergens. Op een toilet heb ik talloze willekeurige gedachten en nooit een pen bij de hand. En heb ik een pen, dan geen papier. Of ja, wel papier, maar voor heel ander gebruik. Misschien moet ik proberen deze gekke gedachten te onthouden en snel in te typen wanneer ik weer aan mijn bureau zit. Achter ? Onder ?

Bij het luide spoelgeluid is alles alweer kwijt. En vergeet ik ook nog deodorant te spuiten.

Koekjes

Verhaal door René van DensenEind elke ochtend staat mijn bejaarde overbuurvrouw met een dikke jas, haar in verse krullen en een verwachtingsvolle blik tegen de verplichte rijrichting in, op haar drempel te wachten. Soms kijkt ze wat naar de lucht, alsof de engelen eerder zullen komen dan haar lift. Uiteindelijk arriveert de auto en helpt steeds dezelfde man haar achterin. Het is nooit een taxi. Iemand draagt persoonlijke zorg. Hartverwarmend. De overbuurvrouw stapt haar drempel af, sluit haar deur, en sjokt richting auto. Ze wordt weggevoerd als een koningin naar wie weet waar, vermoedelijk een consumeerlocatie. Elk tijdperk krijgt de tempel die ze verdient.

Één van mijn beste vrienden die ik bijna nooit zie is al sinds hij live op een podium een spreekbeurt over mieren voordroeg de koning van de droogkomische humor. Ik probeer sindsdien dus niet meer grappig te zijn want er is geen beginnen aan. In een moment van zwakte stuur ik hem een reactie op een recent kortverhaal, dat gelezen kan worden als een poging tot droogkomische humor. Hij reageert met ‘Haha.’ en maakt er niet meer woorden aan vuil. En terecht. ik besluit de deur uit te gaan in de richting waar de overbuurvrouw heen verdween.

God stuurde één zoon, maar de Duivel is overal. Dat grinnikt de wijkgek me toe met bezwerende vinger, om daarna met een geïmproviseerd lied zijn slentering voort te zetten. Het is er de dag voor om met kraag omhoog in de andere richting te lopen. Er is ook een iftar in het wijkpark. Dat staat met krijt aangekondigd. Ik neem me voor thuis op te zoeken wat een iftar is. Maar nu even niet. Ik doe niet aan slimme telefoons die onmiddellijk antwoord geven met dubbel d en dubbel l. Ik doe aan in de schaduw van de zonneschijn genieten.

In de supermarkt verkopen ze een koekjestrommel die kan rijden. Ik ben direct verkocht. Onderweg terug duw ik het vierwielig vehikel over de straatstenen. Niemand die vermoed dat in de speelgoedauto koekjes zitten. Mensen bekommeren zich niet om de inhoud. Het kind in mij bekommert zich ook vooral om de wieltjes. De koekjes komen later wel. Misschien zijn ze wel vies.

Thuis wacht nog een prangende vraag op me, want ik weet nog altijd niet wat een iftar is.

Toillega

Verhaal door René van DensenIk zit juist wanneer ik een andere collega naar de andere wc hoor gaan. Dat is balen. Ik heb geen zin om me te haasten. Maar ik wil ook niet de wc uitlopen en de ander tegenkomen. Bovendien openen de deuren tegen elkaar, dus zitten we wellicht nog samen klem. Dan zal de collega zéker bekijken wie de andere toiletbezoeker was. Gênant.

Ik moest ook niet eens zo nodig. Wou gewoon even een klein wandelingetje. Even stilte. Even zitten. Paaseitje meegepakt. Ik eet het op. Probeer zo zacht mogelijk met het foliepapier te knisperen. De andere toiletganger is muisstil. Ik ben allang klaar. Is er een limiet aan hoe lang je stil kan zijn in de wc zonder enige verdenking ? Ik bedoel niet meteen dat men de deur intrapt uit angst dat ik dood ben. Gewoon: hoe lang kun je stilletjes op de wc zitten tot de ander het raar gaat vinden ?

De ander komt zijn hokje maar niet uit. Als ik er nu uit kom én niet mijn deur tegen de zijne aanklap – een toch zeer waarschijnlijke gang van zaken – kan ik de persoon nog tegen het lijf lopen bij het handen wassen, het handen drogen, er is nog een heel treffingstraject. Het zint me niet. Ik kwam hier om eventjes alleen te zijn. Stomme toillega. Schiet op. Hij moet eerst vertrekken. Dan kom ik er wel uit. Ik luister scherp. Geen geluid. Zélfs geen foliepapiertje.

Jaren later treffen archeologen twee skeletten vlak langs elkaar aan. Door de nabijheid en afwezigheid van botbeschadigingen vermoedt men dat het om twee geliefden gaat, die door een plotse ramp werden overvallen. Het zilverpapiertje blijkt nog steeds niet vergaan.

Ik amper.

Verhaal door René van DensenDe dag dat het niet sneeuwde, praatten de collega’s bij aankomst over het uitblijven van sneeuw. Nu over dat het sneeuwt. Het praten is vitaal voor hun werkdag. Één collega praat vanaf moment van aankomst tot vertrek, non-stop. Ik begin te vermoeden dat ze al pratend ademt. Als ze stopt met praten, valt ze wellicht dood neer. En dat geeft zo’n ongedierte in het kantoor dus dat willen we niet. Ik zit aan mijn bureau met maximaal volume op de koptelefoon en barstende koppijn.

Mijn dagelijks bestaan wordt bepaald door een echo van economisch nut. Mijn baan voegt niets toe aan de maatschappij, maar dat ik werk en consumeer wel. Zo ontspring ik de dans als volledig nutteloos beschouwd te worden. We zijn hard geworden tegen nutteloosheid: we sluiten het op, sluiten het buiten, sluiten het af, sluiten het uit. Nut bevindt zich binnen de sloten en is kwetsbaar en weerloos.

En dus dien ik het nut, door vroeg op te staan en in een trein vol tieners te zitten die zelden hun mondmasker dragen, net omdat het verplicht is. Dan fiets ik door weer en wind zo rap mogelijk om op tijd te kunnen inklokken. Vanaf daar maakt het niet uit wat ik met mijn dag doe, als het er maar nuttig uitziet. En ik mag zeker niet te vroeg weg want dat schaadt het nut van mijn aanwezigheid. Ga ik ’s avonds nog naar een optreden, film of gewoon een café, dan moet ik er vooral aan denken dat ik de volgende dag vroeg op moet. En zeker wel consumeer maar niet te veel want dan is morgen mijn collegakoppijn nog erger. De koffie is gratis. Dat gelukkig wel.

Het geluid zwelt aan met gelach om een ongetwijfeld hilarische opmerking. Mijn koppijn ook. Ik druk de koptelefoons hard tegen mijn oren en schrijf in de baas z’n tijd een kortverhaal over mijn zinloze dagbesteding. Met een zucht leun ik daarna achterover, leg de koptelefoon naast het toetsenbord en ga nog maar een gratis koffie halen. Bijna weekend. En ik ben in ieder geval geen vluchteling.

Maar ik amper. Dat wel.

Ik heb ongelijk, schat.

Verhaal door René van DensenDisclaimer: dit stukje bevat: een verontschuldiging, een ontboezeming, een hand in eigen boezem, een kenschets, een nuance, een handreiking en vermoedelijk teveel woorden.

Vandaag betreur ik te kortaf te zijn geweest met iemand. Iemand op Twitter. Een plek, gekend om toxische discussies, maar daar heb ik geen last van, want je kunt kiezen wie je volgt en wat je niet wil zien. Ik kom er om even te lachen, me te ontspannen, de dagelijkse werkelijkheid vult immers al het andere wel in. Deze middag viel mijn oog op een emotionele, wellicht wat gefrustreerd verwoorde tweet van een door mij bewonderde, zeer openhartige schrijfster. Ze waagde zich hiermee onherroepelijk in het grote coronadebat en sprak zich uit tegen avtivaxxers. Hierop stelde iemand de vraag wat ze daar precies mee bedoelde en (ietwat gebeten, ik hoop dat de persoon dat zelf ook kan inzien) of die persoon er zelf ook onder viel.

Van mijn moeder leerde ik hoe ik eindeloze discussies kon stoppen wanneer ik er genoeg van had. Ze zei zelf altijd “Je hebt gelijk, schat” en ging dan iets te drinken halen of roken (toen rookte ze nog). Inmiddels doe ik dat ook. Zeker bij discussies die ik niet begonnen ben. Als je bijvoorbeeld ergens binnenloopt met een masker op, ziet soms een ander daar een mening in. Het is echter een masker, geen mening. Dus al een jaar lang ga ik soms dat gesprek aan, soms lach ik het kort, maar af en toe kom je er niet vanaf. Dat ding op mijn gezicht is voor de ander een symbool dat alles omvat waar die persoon tegen is. Dus is die persoon tegen mij. En van die gesprekken kom je niet af. Ook niet met gelijk geven, of aangeven dat je genoeg van het gesprek hebt, of zelfs door te gaan roken. Ze volgen je gewoon en blijven dingen uitspreken. En in veel gevallen betekent dat: alleen zij hebben gelijk. Dus komen ze gelijk hálen, en met gelijk geven kom je er dan niet van af. Ze gaan spammen. Verbaal stalken.

Die mensen noem ik zelf antivaxxers. Ze zijn principieel niet enkel tegen een vaccinatie voor zichzelf – waar ik alle begrip voor kan opbrengen, dat moet iedereen zelf uitmaken – maar tegen het hele vaccin en tegen iedereen die het neemt. Terwijl het meerendeel van de mensen die het vaccin – ook uit eigen keuze – neemt, niks eist van de ander. (Ook de schrijfster in kwestie sprak zich niet uit voor een verplichte vaccinatie, om maar iets te noemen.)

Dat maakt een mens moe. Heel moe.

Ik ben zelf van huis uit vrij sceptisch, neem ook mijn kennis uit meerdere bronnen, en maak mijn eigen conclusies en beslissingen. Ik kwam op iets anders uit dan anderen, dat kan. Ik vind daar iets anders van dan anderen, dat kan ook. Ik dring mijn mening niet op aan anderen, maar wil eventueel best een open, kalm en redelijk gesprek met een ander voeren. Alle begrip voor sceptici, twijfelaars, zoekenden, wantrouwenden. Prima. Zo hoort het in een vrije maatschappij. Het woord ‘Anti’ – daar wringt het hem voor mij. Dat is volledig tégen. Boempats van de andere kant komen. En de eerder gekenschetste verbale stalkers, die zie ik dus als antivaxxers. Want anti. Zeer, zeer anti.

Maar terwijl ik in mijn antwoord op de persoon probeerde deze kenschetsing te maken, en dus in feite mee te gaan in diens nuancering, kreeg ik de nodige ongevraagde repliek van anderen op me af. (Niet dat ik gevraagd reageerde, dus: ongevraagd mág.) Met diverse aannames over mijn persoon, mijn kennis van zaken, mijn vermogen eigen beslissingen te nemen, mijn kennis van de tegenargumenten. Dan word ik moe. Dan ga ik blocken. Ik word er zo dwars van dat ik me er zelfs helemaal niet meer mee bezig wil houden. En dus doof word voor mogelijk belangrijke informatie. Het doet ook mijn empathie geen goed. Ik word zelf anti.

En dat wil ik niet. Ik werd kortaf, en dat was onjuist. Dus aan die persoon zeg ik welgemeend: sorry. Nuance is belangrijk. Zwart-wit is zelden een nuttig spectrum. Dus ga ik een stap verder dan mijn moeder:

Ik heb ongelijk, schat.

Over tot de orde van de dag

Verhaal door René van DensenEn we wisten best dat een beetje langer nog misschien slimmer was. Maar het was verrassend hoe snel veel dingen weer bij het oude waren. Al snel was het thuiswerken in plaats van een frustrerende, onzekere toestand waarin je eigenlijk teveel uren maakt uit schuldgevoel voor een koffiepauze en waar al het contact met collega’s via prutserige videochats liep, een rap romantiserende herinnering. En ontdekten we terug aan onze bureaus dat sommige collega’s elke dag heel luid samen lachen en anderen blijkbaar een gezicht hebben in plaats van een grote letter. Aanvankelijk wezen we de asocialen in de trein nog op het terug opzetten van hun masker maar dat word je ook beu. En elke keer op café moeten verdedigen dat de mondmaskers weliswaar niet meer op MOETEN maar wel MOGEN word je ook zat.

Zelf draag ik nog alledag een masker. Met het snuitwerk van mijn kat erop. Ik kan eventueel doen alsof het elke dag Carnaval is. Of Halloween. Of Dierendag. Desnoods.

Er loopt een man over straat met een baard en droefzachte ogen. Zo eentje die je in een rampenfilm op zee terug zou zien, als de argeloze ongelukkige kapitein van een schip in woelig water. Zo een die best wil doen wat hij kan, maar direct de instructies van de held volgt. Een brave. Aan wal ondergaat hij de politieke incompetentie, de bureaucratische hellekrochten, en ontmaskerde onverlaten gelaten. Hij weet van de zee dat de boot soms toch recht blijft. Het hoeft niet altijd mis te gaan. Niet enkel wind vult de zeilen, hoop zit er ook voor wat bij. Goede hoop.

De insecten slaan ons gade. Ze waren hier al eerder. Vanonder het wateroppervlak naderen de vissen de insecten. Zij waren er nog eerder. In het Duits is een Zuchtperiode ook maar een woord voor het kweken van duiven. De man met de baard hoopt dat hij vlug weer weg mag. Hij mist zijn ruime sop. Maar het regent, dus dat is ook iets waard. En hij gaat over tot de orde van de dag.

Spannend

Verhaal door René van DensenIk doe niets belangrijks. Ik ben geen cruciale werker. Ik werk niet super hard. Ik verdien niet super veel. Mijn CV is niet super imposant. Mijn woorden zijn niet groots of van belang. Ik ben niet groots of van belang. Ik ben ook niet echt een goede vriend. Soms help ik eens iemand met iets, dus een slèchte ben ik ook niet. Zo’n middel-maat zeg maar. Wat meteen mijn weinig uitzonderlijke gevoel voor humor illustreert. Waren we allemaal glanzende prijsbekers, dan zou ik alvast niet uitblinken.

Ik werk niet aan mezelf. Ik wil geen beter mens worden. Ik vind mezelf niet goed, ook niet slecht, en om beter of slechter te worden kost me teveel werk. Ik beweeg alvast zeker te weinig en rook en drink te veel. Dat is niet erg, want ik ben niet uit op een recordpoging op-deze-planeet-verblijven. Voorlopig hou ik het vol zolang dat gaat en is het verhaal klaar, dan is het klaar.

Eigenlijk zou ik aan mijn boeken moeten werken. Of zo. Ik schrijf heel weinig en ben zo mogelijk nog luier in mijn creativiteit. Als ik lummel, kijk ik ook geen interessante programma’s of youtube-video’s maar vaak dingen die ik al eerder zag. Ik kijk met een half oog en soms doe ik een tukje tussendoor. Ik wil de wereld ook helemaal niet verbeteren. Als ik weer iets over oorlogen, misstanden, natuurrampen of het milieu hoor, knuffel ik mijn kat en rollen we ons beiden in een bolletje.

Maar ik nam wel de moeite om dit op te schrijven. Dat mag worden gezegd. Of dat nu een goede zaak was of niet, dat mag u dan weer zelf beslissen. Ik heb geen zin om daar iets van te vinden. Zet het maar hieronder of zo. Misschien dat iemand anders het roerend met u eens of juist oneens is. En dan ook reageert. Spannend hoor. Ik doe ondertussen iets anders. Doe elkaar maar de groeten van mij.

Struggle

Translated from Prozacstad: Je Bent Er

Verhaal door René van DensenEven from a great distance I saw exactly how it went wrong, how the man jogging put his foot wrong, bent his leg and fell. With a loud splash he fell into the water. For a moment everything waved and then his arms struggled above water. Wild panic. The man screamed for help – apparently he couldn’t swim. What kind of person goes jogging next to a canal when you can’t swim, I thought, while I walked towards the scene. I saw other people running who were closer, so I didn’t walk too fast. Energy has been a valuable commodity these days.

The boy and girl who arrived first, suddenly stopped. The boy started clapping and the girl shook her hips. It looked very bizarre, until I approached. Because it needs to be said, the cries for help from the man were catchy and melodious. The more desperate he cried, the more admiration he got from the embankment. This man rocks ! When he definately went under, there was some disillusionment in the crowd. Disappointment they walked away. I stared at the widening circles in the water where the man was just struggling. Ridiculous how nobody tried to save him.

I decided to write an angry opinion online at home. But first I needed to go get cigarettes.