Systeem

Verhaal door René van DensenIk hoor het mezelf nog zeggen, alsof het een verdienste is: ik ben eigenlijk nooit ziek. Fier, tijdens mijn sollicitatiegesprek. Een Unique Selling Point. Nu zit ik hier, met mijn USP. Het is stil op straat, stil op kantoor. De TL-verlichting zoemt.

De eerste die wegbleven, waren de collacha’s. Uit solidariteit met de anderen. Nu geen tijd voor feestjes. Teambuilding en mensen bijeen brengen, dat vindt nu geen pas. En aangezien dat toch een groot deel van hun werkdag in beslag nam, konden ze het niet-organiseren ook prima vanuit huis doen. Ze sturen nu grappige memes via de mail door. Om de sfeer er bij iedereen in te houden. Ik tel pakweg zeventienhonderd mailtjes met grappen over toiletpapier.

Mijn plant leeft nog. Een vorige werkgever zette de plant hier neer en hij kwijnde weg omdat ik het te druk had om ervoor te zorgen. Maar nu heb ik 8 uur per dag geen bal te doen. Dus de plant heeft water, een beetje extra voeding, en ik verplaats hem steeds naar een ander bureau waar het zonlicht op schijnt. Hij gedijt goed met alle aandacht. Zacht zing ik hem een beetje toe. Niet te hard, want ik schrik zelf steeds van de echo. Het pand heeft een griezelige akoestiek.

Ik vraag de plant of latere generaties, als die er nog zullen zijn, de verhalen zullen geloven. Hoe we massaal het café in doken voordat de verplichte sociale quarantaine in ging. Hoe er toch doodleuk talloze mensen naar hun werk moesten blijven gaan ondanks de dreiging van het virus, want oei oei de economie. Geen enkel land ter wereld functioneerde nog normaal maar desalniettemin moest de cijferwedloop blijven draaien. En zo gingen we dus door. Braaf luchten we op een meter afstand van elkaar, dat wel. Kuchen in de mouw. Handjes wassen. Met steeds minder verbazing praten over de TV-shows die ineens zonder op commando lachend publiek werden uitgezonden, en hoe surrealistisch en postapocalyptisch het allemaal begon te voelen. Niet meer lachen om de memes die de collacha’s onverdroten bleven doorsturen. En zo bleef de ene na de andere bureaustoel de dagen erop ineens leeg.

De vogeltjes zijn terug. Dat wel. Ze bouwen nesten in de bomen langs de weg nu de auto’s niet meer rijden.

Het systeem blijft ook gewoon werken. Mijn badge werkt ook nog gewoon. De software zal nog eeuwen blijven draaien vermoed ik. Er is niemand meer in het pand. Op heel het industrieterrein. Geen winkel is nog open, de straten zijn verlaten. Iedereen is thuis behalve ik. Maar ik moet door blijven gaan. De stilte werkt wat op mijn systeem. Maar het systeem werkt doordat ik werk. Niet dat ik iets doe. Ik heb niets te doen. Ik heb maar te doen alsof.

Voorzichtig geef ik mijn plant nog een beetje water.

Shutdown

Verhaal door René van DensenMijn lief kan het niet bevatten, maar ik zie elk moment. Een man betoogt tegen mij dat het overtrokken maatregelen zijn omdat hij toch elke dag in het ziekenhuis rondloopt. En de chinezen liegen. Ik werp wat nuances tegen maar na zijn gesputter zeg ik maar dat hij gelijk heeft.

We zijn in een café op de vooravond voor er geen cafés meer zijn. Ik sta op en rinkel de bel. Ik ken de eigenaar, hij werpt eerst tegen dat de helft voor hem is, ik wuif hem weg, we moeten nu de lastig getroffen ondernemers steunen. De mensen die de wijk leven geven, die samenkomst in een samenleving bevorderen. Het zijn maar centen en mensen drinken erdoor wat meer. Het verbaast me om te horen dat niemand anders dit vandaag heeft gedaan. Het café gaat drie weken dicht, wat is er mis met de mensen. Waarom steunen we niet de gangmakers ? Ik geef mijn lief wat extra geld om los te gaan en zij rinkelt voor het eerst in haar leven een bel. Ze geniet en iedereen in het café spreekt haar aan.

We zijn hier op de eerste grote dreiging in ons bestaan. Zonder elkaar in een maatschappij die draait om samenzijn. Om de vanzelfprekendheid van samenkomst. Drie weken zien we elkaar niet. We wisselen spontaan telefoonnummers uit die we anders niet zouden doen. Want wat de fuk, drie weken. Hoe moet onze maatschappij voort zonder onze oplossingen ?

Ik weet niet eens meer wat het nummer was dat draaide toen we de kroeg verlieten. Maar het was toepasselijk. Misschien leggen we ooit uit aan toekomstige generaties wat cafés waren en verzinnen we wat het toepasselijk nummer was. Maar ik ben het eerlijk gezegd nu al kwijt. Sorry toekomstige generaties. We hebben er een potje van gemaakt. Heel lang al. Maak er een nieuw potje van. En nodig ons dan uit.

Gratis voorwoord (4)

Verhaal door René van DensenAan het boek dat u zodirect gaat lezen is een heel verhaal vooráf aan gegaan. Nu heeft u het in uw handen, ja. Dat is het heden. Maar bedenk toch eens wat een traject het heeft afgelegd voor dat zo ver was. Het is geen sinecure.

Iemand is met dit boek van een bepaalde plek naar uw huidige locatie gereisd. Misschien was u het zelf en bent u een van die mensen die nog boeken zelf kopen en mee naar huis nemen. Een tikje ouderwets, maar het kan. Heeft u ook cash betaald ? Ik dacht het wel. Nee, natuurlijk heb ik daar geen mening over, er is hier en daar zeer esthetisch cash geld in de wereld en ik hoop dat het nog lang in circulatie blijft.

Maar naar die locatie moest het ook ergens vandaan komen. En uiteindelijk van een drukker af. Die de woorden die u hierna gaat lezen, maar ook de woorden die u nu leest, heeft zien drogen op dit vel papier. Om daarna zorgvuldig het boek samen te stellen. Daarvóór heeft iemand vanalles ingewikkeld in een apparaat staan in te stellen om precies dit exacte resultaat te verkrijgen.

Daar weer voor zat er een vormgever op te zweten, en nog eerder vond er vermoedelijk een over-en-weer plaats tussen de auteur en een of meerdere redacteurs en proeflezers. Aanpassingen, lange verveelde dagen waarin dat manuscript maar niet af kwam. Om nog te zwijgen van degene die het oorspronkelijke manuscript, die ongepolijste diamant, in handen kreeg en moest beslissen of dit uitgeefbaar was.

En dan die arme auteur. Noeste arbeid. Waar jarenlange studies aan vooraf zijn gegaan. Onder leraren en ouders die zich ongetwijfeld wel eens afvroegen of het nog ooit goed zou komen met dat stukje mens dat maar niet wou deugen in hun ogen. Wat zij op hun beurt weer bij anderen opgeroepen hebben. En die bij anderen ervoor, enzovoort.

En dan die industriële revolutie, die middeleeuwen, die oudheid, al die oermensen die druk aan het evolueren waren. Die muisachtigen die na de komeetinslag hun kans waar zagen. Die eerste vissen op het land. Dat gekrioel in de zee. En die oerknal. Pfff. Ik geef het u maar te doen, zo’n route afleggen voor er eindelijk een lezer en een boek bijeen gebracht zijn.

Het is een wonder dat er zoveel boeken uitgegeven worden. Koop meer boeken. En sta nog eens stil bij de route die ze afgelegd hebben. En nu hop, verderlezen.

Gratis voorwoord (3)

Verhaal door René van DensenSoms zit het hem in die eerste zin, helemaal aan het begin van de tekst, die openingszin die je direct bij de strot grijpt en niet meer loslaat, met stramme handen als een gerevaloriseerd lijk in een griezelprent, en niet enkel je strot maar ook je oogbollen, het klauwt je muurvast aan elk woord, elke lettergreep, je kunt zelfs niet verder lezen, zo krachtig is die zin, je durft zelfs niet verder te lezen want wat als de tweede zin puur stront is, na zo’n goede eerste zin, dat zou een gigantische tegenvaller zijn en je teleurstellen in de schrijver, hoewel, misschien is het de schrijver zijn – of haar, om niet seksistisch te doen, of is dat onderscheid juist seksistisch en moeten we het beroep van schrijver als onzijdig zien en spreken van het schrijver of hoe zit het allemaal tegenwoordig enfin we dwalen af – schuld niet eens, maar van de redacteur, die de opvolgzin misschien wel vermangeld heeft, want ervaring is ook niet alles, soms moet je zo’n schrijver gewoon zijn haar het zin laten doen, het gang laten gaan, vertrouwen dat alles goed komt, er worden immers al zo veel domme dingen in de wereld gezegd om nog niet te spreken van de slechte muziek die er gemaakt wordt maar enfin we dwalen af, dat zelfs één goede openingszin eigenlijk al heel wat is, knap hoor, en hoe oud is het schrijver eigenlijk, zo jong nog en dan al zo’n impressionante zin schrijven, daar gaan we nog veel van horen of nja lezen natuurlijk, dat ligt tenminste wel in de lijn der verwachting, al is dat ook meteen oneerlijk naar zo’n schrijver toe, die heeft immers al met die ene zin meer gepresteerd dan menig ander mens in heel zijn of haar of het leven zal doen, schrijf verdomme maar eens zo’n zin, toe maar, ik wacht wel, nee lukt niet he, dat valt tegen, je denkt veel te snel dat kan mijn neefje ook, maar doe het maar eens, een zin die zo prachtig is in al zijn eenvoud, in zijn bondigheid, die gewoon geen woord meer nodig had dan hij gebruikte, waar je geen naklank vanaf kunt poetsen, zo’n zin die gewoon áf is, die je in enkele rake woorden direct het boek in zuigt, kolkt bijna, je wil nog even naar de realiteit klauwen maar het is te laat, bij de eerste woorden wist je eigenlijk al, ik ben verloren, we moeten door dit ganse boek heen, door enkel die ene zin waarmee het start zit je vast, gevangen, is je lot besloten, dat is pas de kracht van zo’n zin, en dat is weinig zinnen gegeven, maar heel af en toe, heel soms, heb je zo’n zin uit duizenden dus, waarvan je eigenlijk niet wil dat hij eindigt, elke lettergreep op je tong proevend, als een geliefde in een verdwaalde zomernacht die zoet uit de hand loopt en waar je van weet dat bij het ontwaken deze spoorloos verdwenen zal zijn, zo’n zin waar je gewoon geen punt achter wil zien staan, ja heus, zo heel af en toe zit het hem in die eerste zin. Soms ook niet.

Gratis voorwoord (2)

Verhaal door René van DensenHet eerste wat ik deed, was het trots op café gaan vertellen. Aan iedereen die het maar wou horen. Nee, dat is niet helemaal waar. Eerste dat ik deed was mijn broek ophijsen. Want de uitgever had me gebeld toen ik net van de wc kwam. Ja, ik vind wel dat we eerlijk tegen elkaar moeten blijven. Zo ging het. Maar daarná, linea recta naar het café om het nieuws te delen.

Ongeloof he, dat allereerst. Een heleboel jaja, het zal wel. Drink je pint en zwijg, stoefer. Natuurlijk hebben ze jou daarvoor gebeld. Wie anders. Wacht, meen je dat nu ? Tja en wat kon ik laten zien aan hen. Een nummer. Dat me gebeld had. Een cijferreeks. Zegt zo lekker veel. Ik twijfelde nog even. Zal ik het nummer quasi nonchalant terugbellen en het gesprek op speaker zetten ? Maar het was erg rumoerig op café. Voetbal. Belangrijke match. Dat komt niet echt professioneel over.

Eigenlijk komt het sowieso niet professioneel over dat ik eerst mijn broek moest ophijsen en daarna me laveloos gezopen heb in een café. Als allereerste reactie op dat telefoontje. Nu ik die eerste alinea’s lees schaam ik me direct. Wat doe je, René. Dat schrijf je toch niet. Denk je dat de grote voorwoordschrijvers van weleer zoiets er zomaar uitflapten ? Je rammelt er weer zonder filter maar uit hoe het gegaan is, zonder erover na te denken.

Ja, in feite is het wel jammer. Dit boek verdient beter dan dergelijke bullshit. Nu heb ik spijt als haren op mijn hoofd van hoe ik dit voorwoord begonnen ben. Sta ik daar, pintjes te hakken in de kroeg, half naast het urinoir te zeiken, druppels op mijn schoenen, meelallend met een willekeurig muzieknummer dat uit de elektronische jukebox jammert. Omringd door mensen die in feite al onder de indruk waren geweest als ik het voorwoord voor een jaarverslag had mogen schrijven. Laat staan voor een boek als dit. Het is een spijtige start, maar we zijn wel vertrokken en we gaan het hiermee moeten doen.

Ik denk nu ook aan mijn moeder. Ze is zo trots op alles wat haar oudste zoon doet. Dus ook dit boek gaat ze kopen. Dat weet ik nu al zeker. Of ze het gaat lezen weet ik niet. Minstens het voorwoord. Want dat heeft haar lieve zoon geschreven he. En dat kan hij zo goed. Het komt vervolgens in de kast. Tussen de andere boeken. Ik weet eigenlijk niet goed of ze zelf ook boeken koopt. En leest. Ze heeft alles waar ik in sta. Op een rijtje. Dat wel. En dan nu ook dit boek. Waarin ik me op de eerste pagina’s strontlazarus zuip en op een wc-vloer plas. Ik denk niet dat de bridge-club het te lezen zal krijgen. Maar misschien lacht ze er heel even, stilletjes om. Dat haar oudste zo’n maf voorwoord schreef bij notabene zo’n goed boek. Dat kan ook alleen hij he.

Ja, daarom doe ik het dus. Voor mijn moeder. Voor alle moeders. Ze zijn trots op ons. Dat weet ik zeker. De moeder van de auteur van dit boek is ook trots. Su. Per. Trots. Op zo’n gigantisch goed boek. Op zo’n mooie uitgave. En vooruit, zelfs op dat voorwoord. Al had dat voor haar wellicht niet gehoeven. Zo’n dom stuk over in je broek plassen middenin een smerige kroeg met plakkerige vloer. Bah bah. Heeft die schrijver van dat voorwoord wellicht geen moeder ? Schaamt die zich niet ? Nee, die schaamt zich niet. Die is trots. En schrijft dit voorwoord onverstoord verder. Soms moet je gewoon, woord voor woord, die afgrond in waar je op afschrijft.

Maar vooral, mensen, wat een eer. Wat. Een. Eer. Dat ik bij een boek als dit het voorwoord mocht schrijven. Daar word je even stil van. Ik heb er écht geen woorden voor.

Gratis voorwoord (1)

Verhaal door René van DensenZo af en toe kan ik dat niet laten, door een boekwinkel dwalen en de kaften strelen. Ik stel me daarbij voor dat een camera mij volgt. Met messcherpe focus op mijn vingers, de miniemste huidlijntjes en oneffenheden cinematisch in beeld, de winkel onscherp in een pastelkleurige achtergrond. Al die veelkleurige kaften versmolten met elkaar in bonte vlekken.

Alleen dát beeld al. Eindelijk al dat kleurgeweld verzacht, onschadelijk gemaakt. Wie ooit een burn-out heeft gehad, weet hoe luid de visuele schreeuwen kunnen zijn. Als je geen filter meer hebt. En alles rechtstreeks op je netvlies, in je kop belandt. Vormgevers mogen zich daar best wat meer bewust van zijn. Boekverkopers trouwens ook. Wat is er mis met de boeken op kleur ordenen ? Het boek dat we zoeken, vinden, lukt toch zelden of nooit. Bijna altijd moet je alsnog even schuchter een medewerker benaderen met je storende en ongetwijfeld domme vraag.

Maar terug naar die vingertoppen en die kaften. Natuurlijk van de liggende boeken, op die vierkante tafels. Want deze boeken verdienen extra aandacht. Ze zijn op het moment extra geliefd. Deze boeken zijn populair. Ze zijn in TV-programma’s besproken, als er nog TV-programma’s bestaan die boeken bespreken. Als er nog TV-programma’s bestaan. Dan zijn deze boeken aan bod gekomen. Ik weet dat niet want ik kijk enkel kattenfilmpjes op Youtube. Maar mijn vingertoppen zijn zich ervan bewust. Dat ze in hooggeplaatst gezelschap zijn. Deze boeken, daar kun je mee thuiskomen.

Deze kaften zijn ook waarschijnlijk al duizend keer gestreeld. Door mensen die in neuzen peuteren of die net de luier van hun kind hebben verschoond of die de deurklink van een viruskliniek hebben vastgepakt. Maar daar denk ik niet aan, interesseert me ook niet. Dood gaan we toch een keer. Nee, mijn aandacht gaat naar deze kaften. Intens laat ik de ribbels van mijn vingerafdruk de structuur verkennen. Gouden letters blief ik trouwens niet. Een zeer kunstmatig gevoel, als versmolten stickers. Als ik het op tijd zie, streel ik die kaft niet.

En dan stoppen mijn vingers en stopt de camera. Want. Dit is het. Was dit het echt ? Ja, ja dit is het. Dit is dit boek. Je voelt een schok, ongeloof, in mijn verstarde vingerkootjes. Want waow. Dat dit boek hier ligt. Tussen al die andere boeken. En dat die andere boeken zich van niets bewust zijn. Het ligt hier. Gewoon. Alsof het gewoon is. Dat het hier ligt. Dit, dit, dit boek. Zo’n moment dat je even om je heen kijkt, want dit boek kan toch niet in zomaar een boekwinkel liggen ? Een boek als dit, dat hoor je smekend te moeten bestellen, en dan maandenlang dagelijks met de winkel bellen of hij al binnen is. Misschien komende woensdag, meneer. Maar nee. Het ligt hier echt, gewoon, zomaar. Ik kan het pákken. Openen. Inzien. Kópen. Het voelt als iets dat illegaal zou moeten zijn.

Stiekem en voorzichtig openen mijn vingers het boek. Niet te ver. Voorzichtig met de rug. Niet beschadigen. Wie weet wordt er iemand gigantisch boos. Teder sla ik de bladzijde om. En daar is het hoor. Het voorwoord. Dit voorwoord. Het juiste voorwoord voor dit boek. Dat bent u vast met me eens. Een boek als dit, verdient zo’n voorwoord. Het is maar goed dat de uitgever het heeft toegevoegd. Ja, dit voorwoord, dit is het. De kers op de taart. Dit voorwoord maakt het boek echt af.

Even later sta ik bij de kassa. Boek in mijn handen geklemd, als een schat, ook al is het nog niet voor mij. Ik kan haast niet wachten om het voorwoord nóg een keer te lezen.

Carnaval kraken is: zowel gang als paard benoemen

Verhaal door René van DensenJamaar hey, nog eventjes iets over dat paard dus he. Dat edele dier dat in die plompverloren gang stond. Dat blijkt ineens een jambische hexameter te zijn. En dat gang vol paard is een jambische heptameter. Ik snap er geen fuk van maar de Twitters zeiden zoiets. Google zegt dat jambisch vooral iets met kort en lang is. Gefundenes Fressen voor de lettergreepfetisjist.

Voor Plato stond het kwaadaardig paard symbool voor de lust. Daar lust echter menig paard haver noch gortigheid van. Gentse veulens draafden wel op een gang vol wit paard af. Ze gingen daar méér dan enkel een wit voetje halen. Maar de flikken kenden hen allang van haver tot gort. Ze hadden zich beter dartel aan carnaval gewaagd. Je weet wel, dat gewoel, dat je beleeft op je gevoel.

Voor Wittgenstein was een paard als woord eerst een simpel ding. Je wist wat het was, het stond als een paard boven water. Later bracht hij alles meer in contextuele gang. Je hangt dat paard vol met talloze betekenissen. Als een gang vol behang, je koninkrijk te rijk aan paard. Zelfs al kijk je in zijn bek, ken je zijn waarde nog niet. Sta je daar steeds weer, keer op keer, met je mond vol tanden.

Voor het paard zelf is het ook allemaal niet evident. De paardengangen kent-ie nog wel, stap, draf of galop. Maar een gangenpaard stapt meertaks in telgang of in tölt. En paarden kunnen indoor stappen in een riding hall. Met een slakkengang of een rotgang, het dak kan eraf. Een paard geeft dus bedaard binnen en buiten volop vaart. Daar hoef je geen heel gangenstelsel voor aan te leggen.

Ondertussen blijkt dat lied er niet één uit een dozijn. Aan een half woord had de schrijver alvast niet voldoende. Ritmisch schakelt hij steeds op en neer, van twaalf naar veertien. En die schrijftradities blijken zelfs stiekem eeuwenoud. Menig mens zou nog voor minder de tel plots verliezen. Je gaat straks nog spontaan veertienlettergrepig schrijven. En dan heb ik nog niets over buurvrouw Jansen gezegd.

Bruggetjes

Verhaal door René van Densen
“Op de scooter.”
“Ja, met de scooter.”
“Heel dat eind op de scooter.”
“Ja, tot in Rotterdam, vier uur doorrijden.”
“Je bent gek.”
“Ja dat was koud, ik zweer het je. Tegen de wind over de Willemsbrug. Ik stond koffie te drinken in een tankstation, te rillen van de kou, echt niet gezond, maar ik ben wel keiblij dat ik het gedaan heb.”
“Je bent echt gek zo laat ’s avonds.”
“Ja maar het is mijn broer, weet je.”
“En hoe was dat gekomen dan ?”
“Ja gewoon, daar lag een plaat. En hij aan het lopen met zo’n pan met vet waar hij de hele dag frietjes in had gebakken.”
“Ja dat interesseert me dus helemaal niet. Maar hoezo de Willemsbrug dan ?”
“Ja daar moet ik toch over naar Rotterdam gek.”
“Niet.”
“Jawel dude.”
“Echt niet. Je moet over de Erasmusbrug.”
“Nee man ik zweer je, over de Willemsbrug.”
“Hier. Zo ziet de Erasmusbrug eruit. Het is deze.”
“Ja hallo wie reed er hier nou met de scooter ?”
“Maar goed. Hij liep dus met een pan.”
“Ja, met vet, en met nog zo’n vat met water in zijn klauwen, en dan over zo’n plaat-”
“Dat moet echt de Erasmusbrug zijn geweest jonguh.”
“Nee ik zweer het je, het was-”
“Nja goed whatever dus ja, zo’n plaat.”
“Ja en hij glijdt dus uit, en natuurlijk niet voorover-”
“Oh shit, dus al dat kokend spul-”
“Ja zo over hem heen. Wel niet in zijn gezicht.”
“Daar heeft hij dan toch nog veel geluk mee gehad in feite.”
“Ja man, nu is hij enkel overal verbrand waar je het niet ziet.”
“Echt kei mazzel. Maar goed, waarom kwam niemand hem helpen dan ?”
“Ja hij was daar alleen, hij was aan het afsluiten.”
“En dan belt hij niet 112 of zo.”
“Nee, hij belde zijn baas, zo van, ejo, ik lig hier weet je, kom effe helpen.”
“Hij is echt gek.”
“Ja dat is mijn broer he, super loyaal.”
“Dat is echt niet over de Willemsbrug geweest, maar goed.”
“Nee dat was de Erasmusbrug niet, gek, echt niet.”
“Goed maar was hij dan buiten bewustzijn toen de ambulance kwam ?”
“Nee hij zag alles nog, echt supervet, zo van -”
“Ja dat wou ik ook zeggen, dat lijkt me echt supervet dat je zo in die ambulance meegaat en alles ziet, zo zjoef wiewoewiewoe.”
“Dat had hij dus ook jo, zo van waah keivet. Heel de weg erheen trippen.”
“Maar had hij dan veel pijn of zo ?”
“Nee hij was na een halve dag al met rolstoel door het ziekenhuis aan het stunten en overal grappen aan het maken op elke afdeling, wheelies en al.”
“Het is ook echt jouw broer he.”
“Eej zo zou je zelf ook zijn, ik ken jou.”
“Dat is waar. Maar dat van die brug snap ik echt niet hoor.”
“Are you okay my love ?”
“Yes. Shhh. I’m enjoying my favourite show.”
“What’s that ?”
“Other people on the train.”

Dag vrienden, dag vreugde

Verhaal door René van DensenMoet dit tegengeluid nu echt in deze tijd van narigheid ? Ja, het moet. Vrienden, vriendinnen, familieleden, ik moet aan jullie een ode brengen. Omdat het Europees Volkslied het zo zingt en omdat ik voel dat het moet. Verdomme, wat een kuttijden leven we toch.

Dus laat ons die ontvluchten. Ik hou van jullie. Jullie verbinden tot een fijne vleugel waaronder we samen kunnen verschuilen tegen de scherpe werkelijkheid. Met een glas geheven, met een knuffel, met een knipoog. Het kan zeker allemaal dwazer worden en laat dat zeker gebeuren. Niet de kant op van de harteloosheid, maar van de vriendschap. We zijn allemaal verbonden, en het meerstemmig koor van Beethoven schreeuwt dat door de laptopspeakers terwijl ik dit type. De toetsen slaan ritmisch met de pauken mee. Bam bam woord woord bam bam woord woord bam bam woord woord-woord. Bam, woord-woord.

Mijn kat kruipt onzeker op schoot, iets wat ze pas sinds afgelopen Kerst doet. Dan loopt ze er spinnend weer af en masseert de zetel, bijna paniekerig spinnend. Ga-niet-weg. Dat wil het zeggen als katten spinnen. Of het uit genot of doodsangst is. De speakers roepen FREUNE. Nog eens, FREUDE. Het klinkt als FREUNDE en ik denk terug aan iedereen die er voor mij was, niet alleen afgelopen jaar in mijn toenmalig dieptepunt maar in de eerdere dalen. Iedereen die me hielp, maar ook iedereen die ik zelf op wat voor manier dan ook kon helpen. FREUNDE. FREUDE. Ik hef een blik koelkastbier.

ACH VRIENDEN, NIET ZO. NIET DEZE TONEN. NIET DIT. EVEN GENIETEN. KOM OP. De violisten haasten zich, zoefzoef zoefzoef zoef zoef zoef zoef ZOEF. Een traan bolt in mijn ooghoek. Zeg van dit stom continent met millennia geschiedenis maar slechts decennia eenheid wat je wil, maar we proberen iets. Iets moois, iets waarbij iedereen aan tafel mag. Iedereen die identiteit probeert te behouden. Iedereen die zichzelf niet op orde heeft. Zelfs die ene trut die eigenlijk niet aan tafel wil. Iedereen mag aan tafel en meedrinken. Alle Menschen werden Brüder. Ik heb dit aan mijn nieuwe lief uit een ander continent proberen uit te leggen. Dat er een pas enkele decennia oud ideaal, dat echter al eeuwen gerealiseerd probeerde te worden, nu eindelijk iets wordt. Dat ik dat prachtig vindt. Dat ik bij het volkslied, gebaseerd op Beethovens’s muziek en deels Friedrich Schiller’s tekst (google daar de historie maar eens van) altijd mijn armen zwaai en ooghoeken dikke tranen laat vloeien. Als Harrison Bergeron in een belegerde bunker.

Want ik koester mijn vrienden. Iedereen die geluk had een vriend van een vriend te worden. Waar ze ook zijn op dit moment en wat ze ook belangrijk vinden. Wat hen ook aan mij bindt of juist vrij van mij houdt. Ik ben hun broeder. Net als die van mijn eigen broeder, waar ik bijna geen gesprek van meer dan drie uur kan voeren omdat we bijna geen gedeelde interesse hebben. Maar we zijn wel broers. We heffen het glas, we begrijpen elkaar, we horen bijeen. En we willen verbinding met de wereld. Alle mensen worden broeders. Of nu hun land brandt, of het door een idioot gebombadeerd wordt, of het gegijzeld wordt door een oudere garde die het roer wil omgooien. Onder de vleugel van Vreugde komen we bijeen. Ik zwaai nog meer met mijn armen, mijn kat kijkt spinnend toe. Ze kent mij onderhand bij deze muziek.

De muziek kalmeert. Nee, ze kalmeert niet. Ze siddert. Beethoven wist wat hij deed. De sequel stond open, we konden moeiteloos terug naar het oorverdovend refrein, zelfs vanaf het eind. Want alle mensen worden vrienden. Alle mensen houden van de vreugde. Geef het anders nog wat tijd. We komen er nog op terug.

Spinnetje

Verhaal door René van DensenIk staar wat voor me uit. Tussen twee werktaken op een drukke dag waarop alles superbelangrijk is en dus eigenlijk niets. Ik zit vol weethetniet deze dagen. Ik heb al heel lang weethetniet. Soms denk ik dat ik al heel mijn leven weethetniet heb, maar er moeten dagen zijn dat ik geen weethetniet had.
Er schimt iets. Ik denk even dat het symbolisch is, maar zo’n verhaal ben ik nu niet aan het schrijven. Dus zet ik mijn bril af en kijk naar de glazen. Op het glas zit een babyspinnetje. Ik was net buiten gaan roken. Terwijl ik daar stond te weethetnieten zal de babyspin aan een draadje tegen me aan gezweefd zijn. Het spinnetje stapt parmantig rond. Mijn bril is nu zijn bril. Maar zo gaat dat zomaar niet, spinnetje, brom ik zachtjes. Ik blaas de spin van mijn bril en probeer me terug op mijn superbelangrijke werk te richten.
Even later schimt er weer iets. De spin klautert terug aan zijn veiligheidsdraad naar mijn brilleglas. Het is zijn glas, immers. Ik voel bewondering voor zijn volhardende strijd. Iets zachter blaas ik opnieuw. De spin zakt wat omlaag maar klimt meteen weer omhoog. Mijn brilleglas is zijn nieuwe thuis.
Voorzichtig haal ik de spinnedraad langs het bureau. De spin is zeer klein en ik twijfel even of hij veilig is. Mijn brilleglas heeft een zacht in de lucht wuivende draad. Gebroken. Geen spin. Dan zie ik hem langs de rand van mijn bureau kruipen. Fijn. De spin maakt het goed.
Niemand rondom me heeft het in de gaten. Ik heb een klein huisdier. Het is ik en de spin. Als hij iets te dicht in de buurt van mijn muis of bureaustoel kruipt, probeer ik hem te ontmoedigen. Hij loopt weer de andere kant op. Het is mijn spin.
Ooit had ik een relatie met een vrouw die een hekel aan spinnen heeft. Ik hoop niet dat ze dit verhaal leest. Ze is in staat om naar mijn werk te komen en de spin af te maken. Veel van de spinnen die ik tijdens mijn relatie dood moest maken, heb ik stiekem gered en later buitengeplaatst.
Een collega komt aan mijn bureau staan. Gespannen houd ik de adem in. Hij merkt de spin niet op en leunt de spin gelukkig ook niet plat. Ik moet even mee in overleg. Als ik terug kom van het overleg zie ik de spin niet. Paniek.
Ik staar voor me uit. Ik wou dat de spin was gebleven. Ik houd van dieren.
Maar gelukkig, daar is de spin weer. De rest van de dag koester ik hem zachtjes. De spin loopt overal heen, maar gelukkig niet mijn bureau vast. Hij kruipt weg. Hij kruipt weer terug. Hij kruipt weg. De dag vliegt voorbij. Ik wil niet naar huis. Straks groeit hij op. Dan zal hij vliegen vangen. Ik doe een vlieg kwaad. Ik weet het.