Over tot de orde van de dag

Verhaal door René van DensenEn we wisten best dat een beetje langer nog misschien slimmer was. Maar het was verrassend hoe snel veel dingen weer bij het oude waren. Al snel was het thuiswerken in plaats van een frustrerende, onzekere toestand waarin je eigenlijk teveel uren maakt uit schuldgevoel voor een koffiepauze en waar al het contact met collega’s via prutserige videochats liep, een rap romantiserende herinnering. En ontdekten we terug aan onze bureaus dat sommige collega’s elke dag heel luid samen lachen en anderen blijkbaar een gezicht hebben in plaats van een grote letter. Aanvankelijk wezen we de asocialen in de trein nog op het terug opzetten van hun masker maar dat word je ook beu. En elke keer op café moeten verdedigen dat de mondmaskers weliswaar niet meer op MOETEN maar wel MOGEN word je ook zat.

Zelf draag ik nog alledag een masker. Met het snuitwerk van mijn kat erop. Ik kan eventueel doen alsof het elke dag Carnaval is. Of Halloween. Of Dierendag. Desnoods.

Er loopt een man over straat met een baard en droefzachte ogen. Zo eentje die je in een rampenfilm op zee terug zou zien, als de argeloze ongelukkige kapitein van een schip in woelig water. Zo een die best wil doen wat hij kan, maar direct de instructies van de held volgt. Een brave. Aan wal ondergaat hij de politieke incompetentie, de bureaucratische hellekrochten, en ontmaskerde onverlaten gelaten. Hij weet van de zee dat de boot soms toch recht blijft. Het hoeft niet altijd mis te gaan. Niet enkel wind vult de zeilen, hoop zit er ook voor wat bij. Goede hoop.

De insecten slaan ons gade. Ze waren hier al eerder. Vanonder het wateroppervlak naderen de vissen de insecten. Zij waren er nog eerder. In het Duits is een Zuchtperiode ook maar een woord voor het kweken van duiven. De man met de baard hoopt dat hij vlug weer weg mag. Hij mist zijn ruime sop. Maar het regent, dus dat is ook iets waard. En hij gaat over tot de orde van de dag.

Spannend

Verhaal door René van DensenIk doe niets belangrijks. Ik ben geen cruciale werker. Ik werk niet super hard. Ik verdien niet super veel. Mijn CV is niet super imposant. Mijn woorden zijn niet groots of van belang. Ik ben niet groots of van belang. Ik ben ook niet echt een goede vriend. Soms help ik eens iemand met iets, dus een slèchte ben ik ook niet. Zo’n middel-maat zeg maar. Wat meteen mijn weinig uitzonderlijke gevoel voor humor illustreert. Waren we allemaal glanzende prijsbekers, dan zou ik alvast niet uitblinken.

Ik werk niet aan mezelf. Ik wil geen beter mens worden. Ik vind mezelf niet goed, ook niet slecht, en om beter of slechter te worden kost me teveel werk. Ik beweeg alvast zeker te weinig en rook en drink te veel. Dat is niet erg, want ik ben niet uit op een recordpoging op-deze-planeet-verblijven. Voorlopig hou ik het vol zolang dat gaat en is het verhaal klaar, dan is het klaar.

Eigenlijk zou ik aan mijn boeken moeten werken. Of zo. Ik schrijf heel weinig en ben zo mogelijk nog luier in mijn creativiteit. Als ik lummel, kijk ik ook geen interessante programma’s of youtube-video’s maar vaak dingen die ik al eerder zag. Ik kijk met een half oog en soms doe ik een tukje tussendoor. Ik wil de wereld ook helemaal niet verbeteren. Als ik weer iets over oorlogen, misstanden, natuurrampen of het milieu hoor, knuffel ik mijn kat en rollen we ons beiden in een bolletje.

Maar ik nam wel de moeite om dit op te schrijven. Dat mag worden gezegd. Of dat nu een goede zaak was of niet, dat mag u dan weer zelf beslissen. Ik heb geen zin om daar iets van te vinden. Zet het maar hieronder of zo. Misschien dat iemand anders het roerend met u eens of juist oneens is. En dan ook reageert. Spannend hoor. Ik doe ondertussen iets anders. Doe elkaar maar de groeten van mij.

Struggle

Translated from Prozacstad: Je Bent Er

Verhaal door René van DensenEven from a great distance I saw exactly how it went wrong, how the man jogging put his foot wrong, bent his leg and fell. With a loud splash he fell into the water. For a moment everything waved and then his arms struggled above water. Wild panic. The man screamed for help – apparently he couldn’t swim. What kind of person goes jogging next to a canal when you can’t swim, I thought, while I walked towards the scene. I saw other people running who were closer, so I didn’t walk too fast. Energy has been a valuable commodity these days.

The boy and girl who arrived first, suddenly stopped. The boy started clapping and the girl shook her hips. It looked very bizarre, until I approached. Because it needs to be said, the cries for help from the man were catchy and melodious. The more desperate he cried, the more admiration he got from the embankment. This man rocks ! When he definately went under, there was some disillusionment in the crowd. Disappointment they walked away. I stared at the widening circles in the water where the man was just struggling. Ridiculous how nobody tried to save him.

I decided to write an angry opinion online at home. But first I needed to go get cigarettes.

Mogelijk, waarschijnlijk

Verhaal door René van DensenMogelijk zijn dit de laatste woorden die ik op dit laptopkeyboard typ. Waarschijnlijk niet. Je weet die dingen echter niet. Alles kan gebeuren. Morgen krijg ik een vaccin waar een piepklein percentage van de mensheid aan stierf wegens bloedproppen. Ik heb geen geschiedenis van bloedproppen maar dat had een groot aantal van hen ook niet. Ook neem ik het openbaar vervoer naar mijn injectie. Dan kan er ook vanalles gebeuren. Twee overstappen, tel uit die kansrekening. Maar waarschijnlijk gebeurt er niks. Mogelijk doet mijn arm zeer. Waarschijnlijk zelfs dat niet. Hoe dan ook, er is een vaccin, ik ben blij, en onder de indruk. Er zijn meer vaccins inmiddels dan vingers aan een hand. Dat is uniek in onze geschiedenis. En ik ben verheugd dat het mijn beurt is.

Maar ja, wat als. Wat schrijf je als er de kans dat dit je laatste woorden zijn, niet nul is ? Dezelfde nonsens als altijd natuurlijk, want elk woord kan je laatste zijn. Het woord appelmoes. Of belastingbrief. Mijn huidige medelanders zullen grappen dat iemand uit mijn geboorteland alvast niet als laatste woord tracteren zou zeggen. Of zelfs typen. Tracteren. Nee, het is niet de laatste. De laatste bestaat niet, ééntje is gééntje.

Heeft zo’n laatste woord betekenis ? Statistisch waarschijnlijk niet. Is je laatste betekenis niet belangrijker ? Mogelijk wel. Waarschijnlijk niet. Intentie ? Doelstelling ? Bedoeling ? Overtuiging ? Onstuimigheid ? Impuls ? Vermoeden ? Overweging ? Dagdroom ? Terugblik ? Afweging ? Overwicht ? Ontwrichting ? Opstandigheid ? Nederzetting ? Muurdecoratie ? Voorjaarskuis ? Banksaldo ? Genegenheid ? Spraakgebrek ? Incasseervermogen ? Incassobalans ? Onderzoek ? Valreep ? Volgzaamheid ? Verzekering ? Zappgedrag ? Gezapigheid ? Zopie ? Zuiptalent ? Zonnebad ? Zompigheid ? Heidvermogen ? Heidgebrek ? Hoofding ? Hartwicht ? Waarschijn ? Morgenstond ? Avondklok ? Mogelijk ?

De tijd door


Verhaal door René van DensenVroeger, als kind, zelfs als tiener, ja, toen nog wel. Inmiddels vraag ik me dat echter niet meer af. We weten nu zelf hoe het is, hoe de mensen zijn, hoe de mensheid zich tijdens een pandemie gedraagt. Dus dat zal ongeveer wel hetzelfde zijn geweest tijdens een tulpenbollenwinter, polioplaag of pakwegjarige oorlog.

Om maar te zeggen, dagelijkse beslommernissen, verveling, horkerigheid, maar ook verdwaalde vrolijkheidjes, spelletjes in de lentezon. Discussies dat men vroeger nog wél wist wat fatsoen was of zich wél aan de regels hield of dat alles nooit meer hetzelfde. Samen, met wijdopen ogen naar een sterrenhemel, je afvragen hoe hierna de wereld eruit gaat zien. En hoe het dag-in-dag-uitleven langzaam het besef van de situatie overneemt. Want er moet immers ook dit, en dat. Smeten ze afval op straat ? Deed de jeugd stiekem aan feestjes ? Spraken de ouwe lullen er schande van ?

Vrienden die zijn gaan samenwonen, vrienden die trouwen, een gezin stichten. Vrienden die boekjes uitbrengen. Vreemden die ook boekjes uitbrengen. Vreemden die vrienden worden. De kattebak moet verschoond, de baard moet geschoren. En er komt weer een generatie die zich af zal vragen hoe het voor ons was, om in angst in een pandemie te leven. Voordat het virus eindelijk verdreven was. Hoe we in eenzaamheid in onze woningen wegkwijnden, in angst, met maskers over straat schuifelden, tientallen meters van elkaar af. Nou, dat valt tegen, toekomstige generaties. Er zijn botte horken die geen masker willen dragen, geen afstand houden, en iedereen komt maar wat de tijd door. Of iedereen zich netjes aan de regels houdt, durf ik te betwijfelen. Maar met wat uitzonderingen wordt het ook niet al te bont. Ja, een honderdtal jongeren hier, een duizendtal daar. En hopelijk loopt dat niet uit de hand, maar zoveel kun je er ook weer niet aan doen. Je kunt ervoor, of er tegen zijn, en dat uitspreken of voor je houden. Dat zijn zo ongeveer je opties wel.

En je werkt wat, als dat kan. Vanuit huis, als dat kan. Of je probeert op uitkering te overleven, als dat lukt. We zijn heel blij dat het internet bestaat en dat er een boel series te bekijken zijn. Series vol bizarre realiteit. Of escapistische series die commentaar op de werkelijkheid geven. Het zijn gouden tijden om binnen te zitten. Sommige mensen, ook ik, hebben het geld dat we nu niet op café kunnen uitgeven – god, wat mis ik even lekker op café gaan met wat mensen die je niet per se wou spreken maar die er wel zijn – uitgegeven aan mondmaskers met ontwerpjes erop. In mijn geval, eigen ontwerpjes. Je moet je ergens mee amuseren.

Dat is het vooral, toekomstige lezer. We moeten de tijd door. We wachten maar wat. We kunnen niet veel meer dan dat. Vanavond zijn we aan het wachten in zonneschijn, deze eerdere middag nog in natte sneeuw. Ongenadig banaal leven we maar wat. Met je pandemie. Er wordt eens een maatregel besloten, dan weer een versoepeling beloofd (die natuurlijk alsnog niet blijkt te kunnen doorgaan, de cijfers zijn nog steeds niet goed). Ergens daar buiten waart het virus. Maar je doet er niets aan, ook het leven moet je door. Wij, de mensen die nog weten van ervóór, wachten tot het eindelijk erná is. En we leven ondertussen maar wat. Spannender is het bestaan momenteel echt niet.

Misschien als we wisten hoe lang dit nog duurde. Dat zou schelen. Maar dat weten jullie dan weer wél. Wij nog niet. Maar heb geduld, straks weten wij het ook.

Die dag, dus

Verhaal door René van DensenZo’n ochtend die je afschrijft. Die je gelaten ondergaat want alles maakt je kwaad. Zo’n ochtend dat je denkt, restart en retry after lunch. Zo’n ochtend dat je je beter had verslapen. Zo’n start van de dag dat je enkel botte mensen en technologische ellende op je pad vindt. Zo’n ochtend die in je weg loopt. Zo’n morgen die je liever gisteren had. Zo’n eerste halve dag die je liever van je afschreef in een koddig kort verhaaltje waar andere mensen om moeten lachen uit herkenning. Zo’n morgen dat je je lief niet wil aanspreken omdat je weet dat je iets lelijks of verkeerds gaat zeggen en dan zijn de rapen nog gaarder. Of de peren rijper. Zo’n ochtend dat het verschil tussen die twee uitdrukkingen je geen aubergine meer kan schelen.

Dat je passief-agressieve berichten naar vrienden stuurt. Om stiekem om een knuffel te vragen. Zo’n ochtend dat je denkt, als God deze ook geschapen heeft mocht hij op zich nog eens terug naar zijn blueprint. Dat er niets ècht groot mis gaat maar alles samen toch wel. Dat duizend kleine missingen maken dat je boem, ho, zegt. Dat je je afvraagt of leven de moeite nog is. Dat je je insignificant voelt, zo’n afrondcijfer van de natuurkundelessen vroeger. Die ene annotatie die niemand wil opzoeken want we snappen het wel. Die ochtend.

En je wil boos zijn op iemand maar eigenlijk deed niemand lelijk genoeg. Gewoon nèt lelijk genoeg. Net die halve seconde teveel in je weg. Net die halve nare blik. Net dat wachtwoord dat je wel maar blijkbaar toch niet wist. Net die ene zonreflex op dat raam in je ogen. Net al die andere politici tegen je, na zoveel jaren. Dat je die collega niet verstond maar je het niet redt met schaapachtig lachen. Net die ene flard muziek die je niet aanstond. Je weet welke dag ik bedoel; Die dag, dus. Ja: die dag, dus.

Dat kan ik dan wel


Verhaal door René van DensenIk wil eigenlijk schrijven dat niks goed gaat, maar dat is zo melodramatisch. Niks gaat goed voor niemand dezer dagen. Of toch: bij het bedrijf waar ik gisteren ging solliciteren, gaat het al sinds de uitbraak van het virus supergoed. Ze staan er zelf ook van te kijken. Dan nog zijn er meerdere sollicitatiegesprekken en zelfs een proefopdracht gepland voor er één van de kandidaten gekozen gaat worden. Je moet als bedrijf oppassen dat je niet te succesvol wordt. Ik begrijp dat goed en ben dan ook nog nooit succesvol geweest.

Een ambtenaar die betaald wordt om mijn sollicitaties te verstoren, plant ongevraagd een afspraak in. Ik moet er heen. De ambtenaar wil me aan een begeleider koppelen. Mogelijk zelfs een paar loopbaancoaches. Aan mijn werkeloosheid zit, verspreid over drie organisaties, een klein leger mensen in voltijds betaalde functies vast. Ik ben blij dat ik iets voor de maatschappij kan doen. Dat kan ik dan wel. Mijn baan raakte ik kwijt door de uitbraak van het virus, en mede door het virus zijn er weinig vacatures en veel kandidaten in hetzelfde schuitje. Hadden we maar een vaccin tegen werkeloosheid moeten bedenken. Of statiegeld op werknemers.

Door het virus kon ik geen getuige zijn op het huwelijk van een van mijn beste vrienden. Gelukkig nam iemand een vertikaal smartphonefilmpje op van het jawoord. En waren er foto’s. We hieven het glas op een feestje op Zoom. De volgende dag had ik een sollicitatie, daarna ging ik op de bank liggen en liet ik de machteloze zinloosheid even mijn ledematen ontspannen. Dat kan ik dan wel. Ik lig elke dag een paar uur zo. Als een wolf heel traag zou eten, zou ik me gelaten laten verslinden. Mijn eigen woorden smaken me niet meer.

Heel vorige maand ontving ik om onduidelijke redenen niet eens één cent uitkering. De dagen dreunen voort, het uitzicht is eindeloos, elke dag snurkt mijn kat exact hetzelfde als daarvoor. Pintjes komen en gaan. Dat kan ik dan wel. Het regent veel. En dan even niet. En dan weer veel. Het dak lekt nog steeds. Ooit ga ik daar iets aan doen. Maar dan moet het een paar dagen goed droog zijn geweest.

Adem. In. Even wachten. Uit. De klok geeft de maat aan. De ambtenaar mailt me dat er een workshop veerkrachtigheid gegeven wordt. Online. Ik klik op de link. Dat kan ik dan wel. Volzet. 11 mensen in de wachtrij. Ik klik de workshop weer weg en hoop op een andere manier veerkrachtigheid te vinden. Misschien dat het als een wonder door de brievenbus valt. Straks. Of morgen. Of overmorgen. En blijkbaar wil mijn computer een installatie doorvoeren. En hij doet er erg opdringerig over. Misschien dat ik dus maar beter deze tekst even opsl

Stuntman


Verhaal door René van DensenStil keek ik het TV-programma. In de achtergrond waren mijn ouders druk in discussie over een oplossing. Een oplossing voor de blauwe plekken, het gedroogde traanvocht. Misschien moesten ze me maar op een of andere zelfverdedigingssport doen, werd er geopperd. Er werd weer vanalles over me beslist en ik absorbeerde zwijgend het bewegend beeld.
Op de televisie was mijn favoriete serie van dat moment bezig. The Fall Guy, de spannende avonturen van een Hollywood stuntman die, omdat dat nu eenmaal maar tijdelijke inzetten zijn met grote intervallen van werkeloosheid, tussendoor bijverdiende als bounty hunter. Een stoere maar goedaardige man die met een namaakpistool de boeven angst ging aanjagen en nergens bang voor was, met een goede vriend en een mooie maar extreem vaardige vriendin aan zijn zijde. En auto’s, mensen en trucks vlogen in het rond. Alles leek mogelijk. En luid. Luid genoeg dat ik af en toe het gesprek in de achtergrond niet hoorde.
Gesprekken in de achtergrond zijn altijd mijn zwakte geweest. Ik luister. Als bijvoorbeeld mensen zeggen dat het een schande is met alle hondenpoep op straat overal. Dan luister ik. En ik denk dan, misschien kan ik er iets aan doen. Ik had een karretje dat ik achter me aan kon trekken. Ik had een schepje. Ik had buiten school om zeeën van tijd en kon me vrij verplaatsen. Dus ging ik hondenpoep rapen. Zodat de mensen er misschien niet meer zo boos om hoefden te zijn. Dat deed ik welgeteld één middag, want een aantal klasgenoten hadden het gezien en vonden zo kersvers voer om me mee te pesten. De volgende dagen, weken, feitelijk zelfs jaren kreeg ik steevast te horen dat ik een pindakaasfabriek had waar ik poep voor inzamelde. Het sloeg nergens op. Maar vertel een mens lang en consistent genoeg nonsens in zijn gezicht en hij verliest zijn geduld. En dan volgen de klappen. En wordt er weer gesproken of ik niet op zelfverdediging moet.

Ik heb een zondags pak aan voor het eerst in mijn leven. Het zit stom. Ik doe dit enkel omdat men beloofd had dat er cadeautjes zouden zijn, maar nu sta ik hier in een kerk, communie te doen, en ik vind er geen klap aan. Mijn geloof ben ik al kwijt dus is het een farce. En als rite is het ook maar een barbaars toneel. Ik sta in een rij met klasgenoten die één voor één drie dingen in een microfoon moeten verkondigen. In de kerk. Die gevuld is met zo ongeveer iedereen uit dit dorp. De kerk zit vol. Iedereen gaapt naar het podium terwijl jongens en meisjes netjes hun naam (1) verkondigen, hun leeftijd (2), en dat ze later verpleegster piloot pliessieagent brandweerman willen worden (3).
Ik heb het allemaal weer eens helemaal verkeerd begrepen, is me helder.
Toen mij verteld werd dat ik moest zeggen wat ik later wou worden, schrok ik me rot. Wat een vráág. Voor iemand die acht jaar is. Weet ik veel ! Spontaan wou ik eigenlijk al helemaal niets meer worden en dat is nooit meer goedgekomen. Maar ik deed een poging. Twee weken lang dacht ik elke dag intensief na over mijn carrière. Probeerde ik me per dag een beroep of vier, vijf, zo volledig mogelijk voor te stellen. Ik hou van dieren, dus stel: ik word dierenarts. En betaal me jarenlang kapot aan voorraad, personeel, praktijkhuur, wagen en benzine, dag en nacht zwoegen om vooral dieren te zien sterven in mijn machteloze, bebloede handen. En als geknakt man ga ik met pensioen en kan geen injectienaald meer zien. Oke. Dat beroep dus niet. Fietsenmaker dan. Enzovoorts. Ik maakte mezelf helemaal gek terwijl ik een honderdtal professionele levens leefde. En ik wist het niet, ik wist het echt niet. Wat een gruwelijke vraag om te stellen aan iemand die gisteren nog op een houten klimrek hing te zwaaien.
Het ene na het andere kind vóór mij weet het wél. Althans, ze hebben iets te zeggen in de microfoon. Het kind dat nu aan de beurt is wil later astronaut worden. Ik weet zeer zeker dat die dat niet wordt. Maar hij weet het wél, en ik niet. Fuk. Het is mijn beurt. De microfoon komt bijna magisch op mijn smoel af. Word ik geduwd of loop ik zonder het te beseffen ? Wat een menigte. Beeld ik het me in of stáárt echt iedereen ? Ik wil hier weg. Geen enkel cadeau is dit fokking waard.
Stap voor stap dan. Mijn naam. Die weet ik. “Ik ben René van Densen,” yes die is alvast in de pocket. Leeftijd, die weten we ook. “En ik ben acht jaar,” we zijn op tweederde en het gaat nog altijd perfect. Maar dan weet ik het écht niet meer. Ambtenaar Bevolking ? Banketbakker ? Postbode ? Priester ? Wereldreiziger ? Tranen wellen in mijn ooghoek om de oneerlijkheid van het blok waar ik voor gesteld ben. Ik kan maar één ding zeggen: “En later als ik groot ben word ik stuntman.”

De zaal is even muisstil. Zelfs de kuchers haperen even. En dan barst – in mijn herinnering toch – de hele kerk in lachen uit. Zelfs jaren later kom ik nog dorpsgenoten tegen die me op de schouder kloppen en vragen of ik al stuntman ben. En ik heb nog stééds geen antwoord. Ik ben 42 en vind het nog altijd oneerlijk dat je moet weten wat je wilt worden. En waar je jezelf over vijf jaar ziet. Het ligt vast allemaal aan mij want de andere kinderen weten het nog steeds wél. Voor hen is het allemaal prima. Ik echter, wil terugreizen en mezelf opnieuw voor die microfoon zetten. En dan simpel zeggen:

Ik ben René van Densen, ik ben acht jaar, en later als ik groot ben word ik mezelf.

Jij bestaat echt


Verhaal door René van DensenEen bevriend schrijver, laten we hem Poubert noemen, viert het verschijnen van zijn nieuwe boek. In de barruimte van zijn ateliercomplex staat het vol met jonge, hip geklede mensen die smerig Randstadbier sippen en diepinteressante gesprekken voeren met elkaar. Ik leun aan de bar en ben de enige die het biermerk uit het zuiden des lands drinkt. Het is niet vandaag. Het is, denk ik, zo’n tien jaar geleden. Ik ben zeer romantisch van aard maar op literair gebied verkies ik wél de tegenwoordige tijd boven de verleden tijd. En nu ben ik even de schrijver dus bemoei je met je eigen zaken.

Een opvallend gemiddelde man naast me pakt een biertje uit een krat, kijkt verbaasd naar het etiket – het bier dat ik drink – en zet het terug om een Randstadbier te pakken. Ik grinnik zacht. Ik zeg tegen hem dat ik hoop dat het boek even goed is als mijn vriend’s vorige. De man kijkt me verschrikt aan. “Daar heb ik geen verstand van, meneer. Ik ben advocaat,” spreekt hij stellig en loopt weg met zijn vies bier. Ik zucht en trek een nieuw bier open uit de krat die blijkbaar helemaal voor mij is.

Aan mijn andere naast blijkt aan de bar een prachtige jonge vrouw aan te schuiven. Wijntje. Toch beter dan vies bier. Mooie krullen, diepgroene ogen. Ik heb tijdens dit alles mijn huidige vriendin nog niet dus ze mag het me niet kwalijk nemen dat ik me op dat moment aangetrokken voel tot deze vrouw. Pas jaren later zou ik mijn huidig lief voor het eerst in dier ogen kijken. Op dit moment weten ik, mijn tegenwoordig lief, én de vrouw daar nog niets van. Om u even bij de les te houden. Met uw oordelen altijd. Blijf gewoon even in de scène, ja.

Ik raak wat aan de praat met de vrouw. Ze blijkt redactrice bij de uitgeverij te zijn en is erg tevreden over de opkomst. Ik laat na om cynisch te vragen waarom, haar zaak niet dat dit mijn doelgroep niet is. Ze zegt dat het boek ook prachtig is geworden, maar dat er veel werk aan was. Oh, vraag ik nieuwsgierig, wat moest ze er allemaal aan doen dan ? De jonge vrouw lacht charmant en zegt dat ik de schrijver toch ook wel ken, dat hij zijn boeken volpropt met verhalen over mensen die hij kent. “We hadden echt enorm veel werk om al die namen te anonymiseren, niet normaal,” verklapt ze. Zo zo, denk ik, die Poubert. Al die creatieve vondsten om vooral maar niet man en paard te noemen blijken ingrepen vanuit de uitgeverij. Humor.

Ze vraagt of ik ook in de verhalen voorkom. Ik haal mijn schouders op. Het boek zit nog ongelezen in de jaszak van mijn colbert dus ik geef toe dat ik het nog moet doorbladeren. Ze vraagt hoe ik heet en ik antwoord. De vrouw proest haar wijn over de bar in ongeloof, maar kijkt me daarna recht in de ogen. Ze trekt wit weg en flapt eruit: “Oh shit. Jij bestáát écht ???” Ik geloof dat ik op dat moment wel besta dus knik ik. Op dit moment geloof ik dat ook trouwens. Op het moment dat ik het schrijf hè. Geen idéé wanneer u dit leest. Dingen kunnen veranderen.

Ze verontschuldigt zich en maakt zich uit de voeten. Ik drink mijn biertje en vraag me niet eens af of ik enige kans maak. Poubert klopt me tevreden op de rug en zegt dat hij blij is dat ik er ben. Ik lieg dat het een mooi feestje is. Ik slaap straks bij Poubert thuis, de laatste trein naar mijn eigen bed is allang vertrokken. Hij mengt zich terug in het gezelschap, de hippe jongens en meisjes zijn heel blij met hem.

Ik zie de krullenvrouw praten met de advocaat. Dan wijst ze naar mij. Ik krijg er een droge keel van en hoop dat ik nu de kansen van Poubert bij de uitgeverij niet verpest heb. En ik moet toch echt dat boek straks eens lezen. (Ik geef het drie sterren.)

Zielig


Verhaal door René van DensenEen verzameling schuim aan de linkerwand van het bad reikt met tentakels naar het schuimloos midden. In het midden van dat midden zie ik mijn geslachtsorgaan een beetje deinen en wiegen. Alsof hij slaapt. Het is een slappig dingetje van niks in het badwater.
Het valt me op dat één van de schuimvormen er een beetje uitziet als een hoofd met een heel lange neus. En eronder een open mond. De schuimmmeneer probeert te niezen, lijkt het. De schuimmeneer doet ha – ha – haaaa – ha – ha – haaaa maar er komt niets. Hij blijft maar niesbewegingen maken. Ik vind het een beetje zielig voor de niesmeneer. Maar wat kan ik er aan doen ? Ik kan moeilijk een beetje voor de niesmeneer gaan zitten niezen. Daar is de niesmeneer ook niks mee opgeschoten.

Mijn kat waakt zoals altijd nabij mij. In dit geval staart ze me half slapend aan vanuit de wasmand. Bovenop de vuile was houdt ze me strak in de gaten. Ik lig nog steeds in bad, dus het zijn geen grote updates. Ze sluit haar ogen weer een beetje. Wanneer ik in bad ga, danst ze altijd wat miauwend op de badrand. Ze vindt het zielig dat ik in dat water moet gaan liggen. En ze houdt dus een oogje in het zeil tot ik weer afgedroogd ben en mijn handen weer naar haar ruiken.

In het boek wat ik probeer te lezen zonder afgeleid te raken door een starende kat, probeert de auteur ons te bewegen hem heel zielig te vinden. Ik ken de auteur toevallig en het gaat momenteel fantastisch met hem. Niet alles, natuurlijk, nooit gaat het met fijne mensen eens volledig goed. Maar zielig is hij nu zeker niet. Ik leg het boek weg, rek me uit, trek de stop eruit. Terwijl het badwater wegloopt, klampt schuim zich aan mijn been. Ik vraag me af of de niesmeneer tussen dat schuim zit of nu in het putje wegvloeit. En dan – HAAATSJOE – nies ik, glibber ik omver, vlucht de kat panisch weg, ligt de badkamer bezaaid met wasgoed. Op mijn rug in het resterend badwater lig ik hardop te lachen.