Neuriënd loopt de economie over straat. Ik zwaai naar hem. Hij zwaait enthousiast terug. We kennen elkaar wel. Niet dat we heel veel met elkaar te maken hebben; laat ons elkaar goede kennissen noemen. De economie en ik zijn zwaai-kennissen. Lees meer
Revolutionair. Anders valt mijn concept niet te beschrijven. Alles wat u koestert. In een bubbel.
Fragiel maar beschermend. U weet meteen wat ik bedoel. Hoe het begon, dat is een ander verhaal. Want het begon met bubbeltjesappelsap waarbij iedereen ongedurig kéék. De directeur had een plan. We moesten allemaal samenkomen. Ja, typisch. Terwijl hij zich in een hoogwerker hees. Met zijn iPhone. Wij moesten bijeen. Voor het plastic zeil. De hal naast het bedrijf ging open. Anderhalf jaar gedoe. Maar nu toch de officiële opening. Iedereen verplicht aanwezig. Klik. Klikkerdeklik. Voor het nageslacht. Hal drie. Joepiedepoepie, rakkers. Een kleurloze hal met TL-buizen en industriële rekken. Maar wel een aanwinst. Voor het bedrijf. Natuurlijk wisten we dat het meer werk voor minder mensen betekende. Maar hee, bubbeltjesappelsap. In champagneglazen. Dus iedereen eentje. Lees meer
De schoonmakers van de treinen staken. Al een tijdje. Dat zegt de krant. De krant zegt ook dat het nu enorm smerig is in de treinen. Ik ben eigenlijk wel benieuwd. Gewoon omdat het kan stap ik dus in de trein. Ik heb zo’n privacybeschadigende treinkaart niet voor niets. Kom maar op, denk ik. Ik wil die smeerboel wel eens zien. De postapocalyptische toestanden wanneer er achter de moderne mens niet opgeruimd wordt. Ik heb een nieuwsgierig en licht masochistisch karakter. Lees meer
Ik was moe en had eigenlijk alleen nog maar zin om thuis om de bank te ploffen. Maar als Frank het stamcafé uitrent, mijn naam roepend, dan stop ik. Met zijn bier nog in de hand vraagt hij of ik nog even iets kom drinken in het café. Mijn voeten doen enorm zeer en ik ben moe, maar Frank kan ik niks weigeren. Even later zit ik met enkele mensen op het terras. Aan een biertje dat ik niet van plan was. Lees meer
Mijn ogen staren naar het plafond. Er staart een drietal vliegen terug. Ik kan me amper bewegen. Alles schreeuwt dat ik nog niet klaar ben voor de dag. Maar ik moet. Met mijn stomme kop heb ik weer eens ergens ja op gezegd. Waardoor ik uiteindelijk maar een paar uurtjes slaap heb gehad. Ik ben nog niet genoeg terug in vorm om zomaar een korte nacht aan te kunnen. Waarom heb ik dan ook geen nee gezegd… Bepaalde manieren van vragen zijn uiterst effectief. Er is ‘de crisis’. Waar iemand diens probleem aan me voorlegt en inspeelt op mijn sympathie, of op mijn wanhopigheid een bepaalde baan te behouden. In essentie maakt zo iemand dan van diens probleem mijn probleem. Er is ook ‘ de overval’. Wanneer ik echt hard en geconcentreer werk, overval me dan met je vraag en ik zal, verward en ontspoord, waarschijnlijk wel ja antwoorden. En zo zijn er nog meer vraagmanieren waar mensen dankbaar gebruik van maken. Wie de knoppen kent, krijgt veel bij me gedaan. Lees meer
“Ik heb nog iets voor je,” zegt de bewaker. Hij tovert uit zijn lade een toegangsbadge met mijn foto erop. En twee papiertjes. Hier en hier tekenen alstublieft. Opgewonden rolt mijn pen over het papier. Mijn eigen badge ! Terwijl ik ermee naar de kleedkamer loop, vraag ik me af hoeveel eigen badges ik eigenlijk gehad heb in mijn leven. Op die dozijnen aan plekken waar ik gewerkt heb. Nergens, in feite. Ja, wel ‘eigen’ badges, maar toch geen met eigen foto. Die ze dus niet terug in een lade kunnen gooien, later met één muisklik aan iemand anders kunnen toewijzen en die persoon twee krabbels voor kunnen laten zetten. Mijn eigen badge. Dat de foto niet mijn beste is – iemand kwam die ‘even snel’ maken middenin de werkzaamheden – zal vast pas later een ergernis worden. Lees meer
Soms ben ik net een man. Lang niet altijd. Maar soms wel. Meestal als ik koppig ben. Het is mijn hardnekkigste eigenschap. En daardoor is vaak ook wat me overkomt, gewoon mijn eigen schuld. Dikke bult. Dan kun je best tandenknarsen. En heel erg hard iemand anders de schuld willen geven. Maar het is gewoon de jouwe. Dombo. Wanneer ik dan weer eens ontdek dat het toch écht dikke bult is, draag ik die zo sportief mogelijk. Ik pronk niet met mijn dikke bult. Dat gaat te ver. Maar ik erken mijn dikke bult. Ik geef mijn dikke bult een biertje. Samen met mijn dikke bult zit ik in de zon. We zwijgen en denken na. Liever zaten we niet met elkaar opgescheept. Maar het zijn de aarden van de beestjes. Lees meer
Ik ben een wolk. Ik drijf. De zon schijnt op mijn rug. Ik besta maar wat. Een collectie flarden. De wind rukt aan me en ik laat me weer een beetje verwaaien. Wat mijn koers is, blijft onduidelijk. Maar komen zullen we er. Lees meer
“Dan zien jullie er nog goed uit,” was het dubieuze compliment dat ons ten deel viel. Halverwege. Halfweg, zoals de zuiderburen zeggen. En wat is er dan beter he, tja. Het gaat om hetzelfde woord, en ‘onze’ vervoeging klinkt enorm ouderwets. Lekker simpel en modern: halfweg. Half-weg. Nog niet helemaal, maar wel half. Wij waren wel halverwege, maar nog niet half weg, dat was ongeveer het compliment wel. Wat een mens toch kan nadenken over taal. Zeker als je ligt te bekomen. Of bij te komen ? Waarbij dan ? En is dat een terugkeer van gáán ? Lees meer
Ontegenzeglijk heb ik wel leuker gedroomd. Het huis krioelt ervan en ik kan me nergens veilig terugtrekken. Geen deur stopt ze. Doorheen het hele huis ben ik op vlucht voor zombies. Ze klauwen en grommen. Het is rete-irritant. Ik roep naar de zombies dat ze me even met rust moeten laten. Dat ik moe van ze word. Of ze niet even zichzelf kunnen vermaken of zo. Er staat bier in de koelkast, roep ik. Geen reactie. Lees meer