Aan / uit


Verhaal door René van DensenNog in het duister gaat de wekker aan. De hele dag door gaan er dingen doorlopend aan, en dan weer uit. De waterkoker klikt aan, en als het water klaar is voor koffie, klikt hij uit. Beschaafde mensen doen ’s ochtends hun kleren aan, en ’s avonds weer uit. De vuilnisbak moet deze ochtend aan de straat. Vanavond moet hij de straat weer uit. Structuur is een lastig euvel om mee te leren leven.

Mijn woning ligt vol oplaadbare batterijen en andere dingen die steeds weer aan het stroom moeten. Ik vergeet ze er altijd uit te halen. Hetzelfde met mijn telefoon en mijn laptop en zo kan ik er nog wel meer bedenken. Levensgevaarlijk, al die oplaadbare shit aan mijn huishoudelijke kwaliteiten overlaten. Zodra de vuilnisbak aan straat staat, ren ik terug in mijn woning. Ik ben mijn muziekspeelding vergeten. Dat had ik nochtans speciaal aan de kant gelegd. Ik weet niet meer waarom. Maakt niet uit.

Geld nodig. Prutsen bij de automaat. Ik neem mijn pas uit en mijn geld aan. Ook mijn treinpas moet ik eerst aanpiepen. Ik zie dat ik hem te vroeg aanpiep. Dus piep ik hem weer uit. Ik moet wachten. Op een bepaald tijdstip kost het me minder geld om aan te piepen. Dan nog maar een koffie. Ik loop bij mijn vaste koffieadres aan en even later loop ik er weer uit. We houden ons wel bezig, denk ik terwijl ik de koffiedampen koelblaas.

In de trein zie ik een conducteur aankomen. Direct breekt mij het zweet uit. Heb ik mijn pas wel aangepiept ? Ik kijk hem niet aan, maar voor me uit. Probeer niets te laten merken. Conducteurs kunnen angst ruiken. Hij loopt me voorbij. Op mijn bestemming rep ik me de trein uit.

De zon komt ondertussen onverstoorbaar op. Een of andere onverlaat laat dat kreng de hele dag aan. De zon gaat niet uit. Om er toch maar een structuur aan te geven, mag zij de aarde rond verlichten. Lekker rondjes maken, op, onder. Het is ook een soort aan en uit.

Mijn brein wil nog steeds niet aan. Muziek dus, dat is helder. Koptelefoontjes in mijn oren. Het muziekdingesding wil niet aan. Hij blijft uit. Niet opgeladen. Stom. Daarom lag hij aan de kant, natuurlijk.

Een man voor mij loopt aan de linkerkant van de stoep voor hem, rechts voor mij. Ik loop ook rechts. Hij wijkt niet, ik wijk ook niet. We belanden in stilstand tegenover elkaar. Gevangen in onze structuren. De man kijkt mij aan. Ik kijk hem uit. Uren later gaat de zon onbekommerd weer onder.

Halfuureerdermensen


Verhaal door René van DensenSlaperig en brak kijk ik om me heen. Dus dit zijn ze nou. Ik wist dat ze moesten bestaan, maar nu zie ik ze met mijn eigen ogen. De halfuureerdermensen. De mensen die al op hun bestemming aankomen wanneer ik normaal pas net in mijn trein stap.

Het zijn er veel. Veel halfuureerdermensen. Een aantal van hen kijkt alsof ze iets smerigs gegeten hebben. Anderen hebben een soort gelaten blik die uitstraalt dat ze dit tijdstip als een straf zien die ze uit moeten zitten. Maar waarvoor ze dan gestraft zijn, is me niet duidelijk. Behalve dat iedereen duidelijk een halfuureerderhumeur heeft.

Ik trek mijn hoofd wat dieper in mijn kraag en poog niet te opvallend te staren. De halfuureerdermensen hebben me nu nog niet opgemerkt. Ze denken dat ik ook een halfuureerdermens ben. Maar ik ben een toerist. De rest van de week stap ik gewoon weer in wanneer zij al hun eerste peuk voor de deur van het kantoor uitdrukken.

Ik moet niet deze trein hebben maar de volgende. Een forse meute halfuureerdermensen perst zich in de kleine trein. Ik ben blij want het scheelt enorm veel zure gezichten. Dahaaag, halfuureerdermensen, denk ik stilletjes bij mezelf. Goede reis he.

En dan zie ik een fris om zich heen kijkend, mooi meisje. Kekke hoed op en bambi-ogen waar je in wil verdrinken. Ze kijkt ook verbaasd rond naar de halfuureerdermensen. En dan naar mij, op het perron. Tussen ons schuiven de treindeuren dicht.

Rondjes


Verhaal door René van DensenSandra zit in haar bureaustoel en draait rondjes. Lusteloos plant ze haar hak in het zeil en zet nog eens af. De rondjes zijn net zo zinvol als haar werk. Dus nog maar een keer zwaaien. Net niet hard genoeg dat haar haardos aan de zwier zou gaan. Ongeïnteresseerd ratelt de stoel met haar mee.

Het beeldscherm passeert als een onscherpe blur haar zichtveld. Hét beeldscherm, niet het hare. Met hét werk erop, niet het hare. Ze zit op andermans tijd, niet de hare. En ze moet nog vele jaren. Zo’n prins vinden en dan zorgeloos leven, dat wil ook niet echt lukken. Al heeft ze daar ook al jaren geleden vanaf gezien. Allemaal gedoe, zo’n prins. En je wordt er ook geen beter mens van.

Of je dat van dit werk wel wordt, weet ze niet, maar het is toch iets van haar. Of zo. Ze schept toch altijd op dat ze goed werk heeft. Maar ja, dat is wanneer ze er niet is. Wanneer ze er wel is, wil ze eigenlijk alleen maar weg. Soms glipt ze weg om minstens een uur uit het raam te staren op de derde verdieping. Daar komt al anderhalf jaar niemand meer. Allemaal ontslagen. Heerlijk stil daar.

De wereld draait ook maar rondjes, besluit ze. Zou dat net zo ongeïnteresseerd gaan ? Zijn de mensen en de dieren ook maar werk ? Klokt de wereld ooit uit, dat een andere wereld het weer overneemt ? Haar hak plant zich een keer ferm in het zeil en ze zet zich één goede keer af. Zeker drie vollle rondes draait ze daar op.

Goed, zucht ze. En stelt zich weer voor het beeldscherm recht. Terug aan de slag. Nog zes uur en de dag is weer van mij.

Vergevingsgezinde dag


Verhaal door René van DensenIk zeg met een zucht dat ik toch maar geen verhaaltje schrijf. Dagje vrij. Onmiddellijk schiet mijn gezelschap in de lach en roept dat het me wel vergeven zal worden. Het is vandaag een Vergevingsgezinde Dag. Ik lach ook en hef het glas. We klinken. Op 1 januari mag alles, roept iemand een tafel verder. Of dat zo is, wil ik me niet eens afvragen. Vandaag heb ik in ieder geval een dagje vrij. Het mag.

Mórgen, zeg ik, morgen, dan moet ik wel weer aan de bak. Dan moet er geschreven worden. Ja, beaamt het gezelschap. Als je schrijver bent, moet je op 2 januari wel schrijven. 2 januari is géén vergevingsgezinde dag. Ongenadig gaat op die dag de zweep er weer over. Het jaar is dan echt begonnen. Ik staar naar mijn glas en weet niets om over te schrijven. Maar dat is van later zorg. Een zorg van morgenvroeg. Bij dampende koffie en met een afgepeigerde blik naar het beeldscherm. Morgen.

Ik zou zoveel doen vandaag. Allemaal niet gedaan. Het geeft niet. Vandaag is de Vergevingsgezinde Dag. De eerste van het jaar.

Verhuisdozen


Verhaal door René van DensenHet huis staat vol met verhuisdozen. Ze zijn leeg. De dozen die beneden staan, tenminste. Als ik een verhuisdoos vul, zet ik ‘m boven uit het zicht. Op de andere dozen die al vol zijn. Ik wil de volle dozen niet zien. Als er volle verhuisdozen staan, is het écht. Dan ga ik hier écht weg. Aangezien ik nog geen 100% zeker plan heb waarhéén ik ga verhuizen, wil ik me er niet onnodig druk over lopen maken.

Ondertussen reageer ik op beschikbare woningen. Dat gaat tegenwoordig makkelijker dan toen ik in deze stad kwam wonen. Internet was toen niet echt vanzelfsprekend. En e-mail. Maar zolang ik niets zeker weet, focus ik op andere dingen die eraan komen. De volgende werkdag. Nieuwjaar. Boodschappen. Of de kliko aan straat moet. Alles behalve volle verhuisdozen die geen bestemming hebben.

Het gaat goedkomen. Ik vertrouw erop. Althans, ik doe mijn best erop te vertrouwen. Uiteraard ben ik nerveus. Over een week of drie word ik uit dit huis gegooid. Krappe deadline. Maar als ik vertrouw op de flow, komt het goed. De flow heeft me ook net voor de deadline een nieuwe baan bezorgd. Zolang ik actief zoek, en erop vertrouw dat alles goed zal komen, is dat de uitkomst. Kalm blijven. Stap voor stap doorgaan.

De kat is blij met de verhuisdozen. Ze heeft al in elke doos geslapen, gespeeld, gesprongen. Ze heeft geen idee. Geen idee dat de verhuisdozen boodschappers zijn. Boodschappers van het einde van onze tijd hier. We moeten weer verder. Ze was net gewend geraakt. Terwijl ze zich opkrult in een verhuisdoos, kijk ik toe. En met een zucht klap ik de laptop open en kijk maar wéér naar het beschikbare aanbod. Het komt goed, echt, het komt echt goed.

Zometeen


Verhaal door René van DensenZometeen. Zometéén ga ik echt wat doen. Minstens een broek aan. Eerst nog een koffie. Ik sjok in mijn onderbroek de keuken in. Geen gedoe met filters en weet ik wat: oploskoffie. Waterkoker. Klak, en wachten tot het borrelt. Ik staar uit het raam. Het weer heeft er net zoveel zin in als ik, vandaag.

Terug op de bank ligt de kat op mijn plek. Lekker warm. Ik snap dat wel. Ik wil het beest niet verstoren. Ook omdat ik er te lui voor ben. Dus ga ik er wat omslachtig omheen liggen. Even mort de kat wat. Dan zakt die in slaap terug. Ik sip mijn koffie. Precies goed. Kan ik wel. Oploskoffie. Ik ben er een kei in. Jarenlange ervaring. Maar goed. Zometeen, he. Zometeen gaat er echt áctie komen. Man, man. Wat ga ik veel doen zodirect.

Natuurlijk zou ik nu ook wat dingen kunnen klaarleggen. Voorbereiden. Zodat het zometeen nóg harder gaat. Maar dat doe ik zo wel. Zo, dat is zeg maar net vóór zometeen. Je hebt nu, zo, zometeen, direct, straks, later, morgen, volgende week, komend jaar. En nu is geen zo. Je moet wel de planning respecteren. Niet nu doen wat je zo gaat doen. Dan raakt de chronologie in de war. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.

Ik strek me nog eens uit. De kat ook. We respecteren het nu. Zometeen zien we zometeen wel weer. Wanneer zometeen nu is geworden.

Als plots de wegen woningen worden


Verhaal door René van DensenAls plots de wegen woningen worden. Stel u voor. Het is niet vergezocht. Het aantal daklozen is enorm gestegen, en die leven zogezegd toch echt ‘op straat’. Dus zijn de wegen nu woningen. Dan kunt u niet meer rijden. Met uw vroemvroem. Ik ook niet hoor. Met mijn dringdring. We kunnen dan overal misschién nog door als we heel lief kijken. En als we als vervoersmiddel de stapstap kiezen.

Plots files aan het voetgangerslicht. Die stel ik me er als eerste bij voor. Er gaat vroeg of laat iemand een toeter uitvinden voor bij het voetgangerslicht. Om frustratie te toeteren. Toeterdetoet. En omdat zo’n ding onhandig is om mee te torsen, komt er vast wel een toeterarmband. Of een toeterpet. Of een toeter-app.

Schuifelen we dan, met z’n allen, over de stoep. En die daklozen glunderend op hun enorme weg. Zeeën van ruimte, maar ja, daar wonen zij nu. Hier moeten we het mee doen. Enkele nog niet onthaaste zakenmannen beginnen van onmacht aan de bakstenen van de lege huizen te rukken. De stenen laten niet los. De stenen zijn ommurwbaar. De leegstand dient te worden beschermd. Beschermd tegen al dat straat- en stoepgajes.

Ochtendplaneet


Verhaal door René van DensenVroeg opstaan is toch een beetje alsof je een soort ochtendplaneet bezoekt. De ochtendplaneet is een duistere, koude, onpersoonlijke wereld vol bedrukte gezichten. Ze zeggen niet veel en kijken strak, maar niet krachtig, voor zich uit. Een beetje zoals oorlogsgevangenen kijken in films.

Het is een curieus wereldje om te observeren. Zeker als je zelf niet van nature een ochtendplaneetmens bent. Al vraag je je af of de overige planeetzwalkers dat wel zijn. In mijn ervaring kijken mensen, die op de juiste plek zijn, vrolijker. Misschien zit de hele planeet vol toeristen. Die zich lopen te bedenken dat in de brochure alles er veel leuker uit zag.

Een échte ochtendbewoner jaagt geen dromen meer na. Een echte ochtendbewoner sjokt drommen na. Als een verwonderde buitenstaander schuifel je tussen de ochtendmensen door, achter hun drommen aan. Was het een zwerm, dan was er een doel waarneembaar. Was het een vloot, dan had het een koers. In de ochtendplaneet tref je doelloze drommen.

Neuriënd bezie ik het allemaal. Ik ben namelijk erg blij dat ik eindelijk weer een visum heb om deze wereld te bezoeken. En zoals een echte toerist: je kunt me wel uit mijn wereld halen, maar mijn wereld nooit helemaal uit mij.

Treinvriendjes


Verhaal door René van DensenIn de eerste baan die ik, op een onverstandig moment, ‘serieus’ noemde, had ik een collega die elke dag dezelfde man tegenkwam. Hij heen, de ander weer. Ze zwaaiden en zeiden hoi. Elke ochtend: “Hoi.” Meer niet. Ze wisten elkaars naam niet, waar de ander heen ging, niets. En ze groetten elkaar zo al ruim vijf jaar. Mijn collega legde eens uit: “Dat is mijn hoi-kennis.”

Ik werk inmiddels weer in dezelfde stad als waar dit plaatsvond. Ik wil ook een hoi-kennis. Maar daarvoor is alles nog te pril, blijkbaar. Wel heb ik twee treinvriendjes. Die moeten ook, op ongeveer dezelfde tijdstippen als ik, van dezelfde stad vertrekken en in dezelfde stad uitstappen.

Sommige dagen tref ik ze heen, andere dagen tref ik ze terug. Ik knik met mijn hoofd naar ze. Maar zij herkennen me nog niet. De vriendschap is nog eenzijdig. Wacht maar, denk ik bij mezelf. Vroeg of laat zijn jullie niet alleen mijn treinvriendjes, maar ben ik die van jullie. En dan zijn we vertrokken.

Ik verheug me er elke dag op. Op die dag. Dat de treinvriendschap wederzijds wordt. Misschien spréken we dan zelfs. En wie weet, meer dan ‘hoi’. Wie weet wisselen we gênante en lollige anekdotes uit. Of worden we nog heel hechte vrienden zelfs.

Als ze nu maar niet hun reden verliezen voor deze treinreis, vrees ik dan ineens. Voor hen, voor mezelf, voor onze toekomstige vriendschap. Ik hou nu mijn hart al vast voor de dag dat ze niet op het perron blijken te staan. Zelfs al zouden ze vakantie hebben. Dan nog.

Horoscoop


Verhaal door René van DensenOp een ochtend besloot de baas dat de functioneringsgesprekken feitelijk geen zin hadden. Ja, ze boden een legale stok achter de deur bij bezuinigingsronden. En ja, zo kon je besluiten een contractje daar niet te verlengen, een salarisverhoging hier niet door te voeren. Maar het was zo makkelijk. Op elk van zijn medewerkers kon hij wel wat aanmerken. Op zichzelf trouwens natuurlijk ook. Het was té makkelijk, om fouten in een ander te vinden.

Het is mijn bedrijf, bromde hij ’s ochtends achter het stuur. Ik doe verdomme wat ik wil. En dus stopte hij bij de krantenwinkel om de hoek. Hij haalde een forse stapel verschillende kranten en reed door naar de zaak. Daar stonden, koukleumend, enkele uitslovers al voor de deur te wachten. Zodra hij iedereen binnen had gelaten, repte hij zich naar zijn kantoor en deed de deur op slot.

De eerste kandidaat keek hem vreemd aan: “Pardon ?” Ze dacht dat ze het verkeerd verstaan had. “Pas vandaag maar goed op je centjes,” herhaalde de baas met een strak gezicht. Het zweet brak haar uit. “Elke teleurstelling bevat nieuwe kansen,” vulde de baas aan. “Maar.. bedoelt u dat ik geen bonus krijg ?” wijfelde ze. “Probeer vandaag geen dingen te verbergen of te verdraaien. Je weet toch dat iedereen de naakte feiten kent. Jij verliest je geloofwaardigheid als je ergens omheen draait,” bromde de baas.

“Ja maar ho,” sputterde de accountant tegen. “beschuldigt u me nu van iets ?” De baas schudde het hoofd en sprak kalm: “Alle contacten die jij vandaag legt zullen in harmonie verlopen.” Volledig in de war keek de conciërge hem aan. “Bedenk hoe kostbaar een goede relatie is,” doceerde de baas. Hij werkte hier verdomme al vijftien jaar ! Wat dacht die snuiter wel !

Iedereen verliet het kantoor zo overstuur dat niemand de stapel kranten had gezien. Allemaal opengevouwen op de horoscooppagina. En ook had niemand de woorden gelezen aan het eind van hun beoordeling. Die waren bij iedereen hetzelfde.

Jij maakt je veel te druk over een ontmoeting. Als je gewoon jezelf kunt zijn en je niet door zenuwen of verwachtingen laat leiden, zal deze ontmoeting jou veel goeds doen.