Waterkant


Verhaal door René van DensenAls het dan toch ergens moet, dan aan de waterkant. Dat was ik met hem eens. Althans, dat bedacht ik me toen ik in een bomvolle trein zat vol mensen die liever iets anders zouden doen. Hij deed tenminste wat hij moest én wou doen. Hij was in feite een kleine held.

Even terug. Als ik met de trein reis, dan gebeurt er wat. Het is niet dat het gebeurt omdat ik het wil, maar omdat ik wat meer oplet dan de meeste mensen. De gemiddelde treinreiziger ondergaat de treinreis in de hoop dat die snel voorbij is. Ik ben op avontuur: als ik toch een aantal dozijn minuten kwijt ben in een snelrazend koekblik, dan wil ik meemaken wat er zoal gebeurt. Ik luister gesprekken, observeer de mensen, en bekijk ook de trein zelf.

En zo borrelt er meestal wel iets boven. Zo zat er een etmaal geleden nog een Indiër in vloeiend trage beweging zichzelf boven de stoelen te heffen om iedereen te observeren, om meteen daarna weer te dalen. Dat deed hij pakweg elke minuut. Omhoog, kijken, omlaag. En nog eens. Toen zag hij ineens dat ik hem observeerde. Hij zakte traag terug en bleef zeker vijf minuten uit beeld. Mijn ogen dwaalden af. Toen ze terug zijn hoek in dwaalden, was hij net weer aan het Lange Jannen.

Deze ochtend was er bar weinig. En ik maar opscheppen dat elke treinreis iets oplevert. Mooi niet dus. Ik liep ontgoocheld het station uit. Het was gelukkig mooi weer en ik kon wat dingen bewonderen en me aan wat andere zaken ergeren, dus mijn tijd kwam ik wel door.

Zo kwam ik bij het brugje. En halverwege hoorde ik een zacht geluid. Een soort smakken. Een ander mens was doorgelopen, maar ik keek om. Vier meter naast de brug was een electriciteitskastje dat alles en iedereen uit het zicht verborg. Erachter zat een man.

De man had een aktentas en een zakenjas. En knieën. En een broek op de enkels. Hij zat gehurkt achter het kastje, verborgen van al het voetgangend en spitsjakkerend verkeer. Op z’n gemak zat hij een drol te draaien. De natuurlijkste zaak ter wereld. En hij smakte, met zijn lippen. Hij zag me, wellicht, of hij zag me niet. Ik deed er niet toe. Hij kakte en dat was het.

Ik wou bijna verder kijken. Het ding wat je doet als je schrijft. Maar ik voelde schroom en liep door. Terwijl ik de brug overstak, hoorde ik het smakken nog eens. Ik voelde een ontroerende bewondering. Deze man was vrij.

Dat was het enige dat ik me bedacht. Terwijl ik in een overvolle trein bevond. Vol mensen die alleen maar van punt A naar punt B wilden, en de trein werkte niet mee. Ik dacht, we zouden met z’n allen kunnen kakken. En smakken met onze lippen. Zien hoe de wereld daar nou eens op reageerde.

Meningen


Verhaal door René van DensenIedereen vindt er maar op los, in het dolle, dezer dagen. Verplichting van meningsuiting. Je moét wat vinden, tegenwoordig, van alles wat er maar in de wereld en dit en dat. De meeste mensen hebben dan ook geen enkel probleem ermee om over álles meningen te uiten. En toch waren er reclames dat je met je mening geld kunt verdienen. Ik heb die reclames zelf niet gezien want ik kijk geen televisie. Maar lieve mensen die meedogen hadden met mijn situatie afgelopen jaar hadden het me doorgestuurd. En dat leek me ergens wel wat.

Ik ben niet echt een rücksichtloze eroplosvinder. Maar een mening over iets geven, dat kan ik wel. Immers: een schrijver. Die zouden toch wel dingen moeten kunnen vinden. Zou je denken. Dus ik probeerde het een tijdje. Ging uiteraard om enquêtes invullen. En om aanbiedingen te bekijken. En meer van die dingen. Telkens werd een kleine vergoeding beloofd.

Dat van die aanbiedingen, dat heb ik een maand gedaan. Toen bleek dat ik in die maand wegeteld veertien cent had verdiend. Die harde euro’s van de enquêtes, waar die heen zijn, dat is mij ook onduidelijk. Het schoot alvast niet op. Ik had waardevolle marketing-informatie aan derden verstrekt die lekker niks terug verstrekten. Dat kon anders.

Vroeger zei mijn beste vriend: “Weet je wat ik vind ? Ik vind een sleutelhanger.” En hij had gelijk. Een sleutelhanger vond je makkelijk. Die lagen destijds met honderden tegelijk op straat. En je hoeft niet heel veel televisie te kijken om te weten: ook de meningen zijn tegenwoordig van de straat.

Dus ging ik de straat op. Eerst probeerde ik het op de straathoek. Met een groot kartonnen bord. Mening, 10 euro. Ik wou me niet te goedkoop prijzen, maar zeker ook niet te duur. Ik woon niet in een stad waar mensen veel te besteden hebben. Heel veel bewoners liepen me voorbij, sommigen zagen het bord. Men dacht dat ik een grapje maakte en lachte eens hoofdschuddend.

Ik besloot, nee, ik vónd – een prima oefening – dat mijn aanpak te passief was. Ik zou de hort op moeten. Dus liep ik door de straten en klampte ik iedereen aan die ik daar trof. En die gaf ik ongezouten mijn mening. Voor minder doe ik het niet, dacht ik nog: als ik de volle prijs vraag voor mijn mening, moet het wel een goéde zijn.

In de wachtkamer van de huisartsenpost snapte ik ineens waarom andere mensen hun mening vooral via het internet geven. Het is een mooie uitvinding, dat internet. Vind ik tenminste.

Veel / weinig


Verhaal door René van DensenIk ben op de terugweg van een sollicitatiegesprek. Het gesprek was ver weg. De trein wacht nog met vertrekken. Dit station is een van de eindpunten in Nederland. Vanzelfsprekend vraag ik me een beetje af: zou ik hier willen en kunnen werken ?

Het is de volgende dag en ik heb een kater. Van een kater word ik hitsig. Ik probeer me te beheersen. De zon schijnt. Dat helpt ook niet. De wereld spant tegen me samen. Ik krab op mijn schedel en kijk de wereld rond. Ziet er eigenlijk wel goed uit, vandaag. Ik heb nog maar een paar dagen over om me te misdragen. Benieuwd wat ik vandaag nog zal uitvreten. Ik heb nog heel veel dag.

De conducteur roept wat om en mijn telefoon gaat. Ik spreek een man die ik eerder deze week sprak. Één dag voor dit gesprek zelfs. Hij vraagt me hoe ik het gesprek vond gaan. Ik antwoord dat ik zijn bedrijf een fijn bedrijf vond, want dat vond ik ook. Leuke mensen, die er tevreden uit zagen. En een van de weinige bedrijven waar ik zelfs met de grootste fantasie ter wereld moreel niks tegenin kan brengen. Maar dat alles zeg ik natuurlijk niet. Enkel dat eerste.

Daar ligt mijn ene schoen. Daar mijn andere. Mijn rugzak zit onder het zand. Ik kan wel raden wat er gebeurd is. In de brandgang achter mijn woning word enkele dagen gegraven. En ik ben dronken naar huis gegaan. En in feite ga ik altijd langs mijn achtertuin mijn woning in. Vul het verhaal in en kleur de plaatjes.

Ja, hij vond het dus ook een leuk gesprek, zegt hij. En hij vraagt of ik maandag al wil beginnen. Even denk ik dat mijn telefoon niet goed werkt. Pardon ? Hij herhaalt zijn vraag. Het is echt. Ik zit al een jaar thuis, maar deze vraag is echt. Een eeuwigheid zoeft in een flits voorbij en ik zeg ja. De trein begint te vertrekken. Weg van mijn andere gesprek. Ik krijg sterk het vermoeden dat ik zo wakker zal worden en zal ontdekken dat ik me verslapen heb voor dit gesprek. En dat dit telefoongesprek niet heeft plaatsgevonden. Het voelt ineens alsof ik nog maar heel weinig dag heb.

De glazen klinken. We proosten. Iedereen is blij voor me. Ik heb een moeizaam jaar doorstaan en elke cent die ik kon besparen, bespaard. Ik heb er geen plezier en geen gekkigheden op bespaard. Ik heb mijn trots en mijn ruggegraat behouden. Het viel niet mee. Maar we leven nog. En we klinken. En we drinken. Hoe we ons morgen voelen, dat merken we dan wel weer. Wellicht zal de zon schijnen.

Kortjakje


Verhaal door René van DensenIk heb echt geen idéé wie Kortjakje was, maar zij moet wel de Bitch van het Dorp zijn geweest. Met haar altijd ziek zijn. En haar korte jas. En haar zilverwerk. Ik bedoel, voordat er een liedje de omloop en daarna cultuurgoed wordt, moet er een bepaalde mate van herkenbaarheid spelen. Iedereen wist wie Kortjakje was. Die éne trut, die zich aan alle maatschappelijke plicht onttrok door altijd ziek te zijn. Behalve zondag.

Zo gaan die dingen toch ? Eerst is er een kutwijf van jewelste dat echt alle dagen te ziek is om mee te doen met de rest van de maatschappij. “Nee, ik heb koppijn,” moet voor haar vanzelfsprekend zijn geweest. Was ze getrouwd, dan was haar man waarschijnlijk van wanhoop aan een touw beland. Maar het was breder dan dat. Want ze was te ziek voor álles, immers, ze was alle dagen ziek. Dus even met vriendinnen gaan zwemmen, vergeet het maar. Kortjakje kon niet hoor. Ziek.

En die naam ook. Waarschijnlijk heette ze gewoon Truus of Bertha, maar haar jas bepaalde haar naam. Schijnbaar liep ze altijd rond in een dusdanig opvallend korte jas dat iedereen er schande van zong. Want Kortjakje. Dat was meteen haar nieuwe naam. Zo gaan die dingen. Word bekend om één ding, en dat is je naam. Niemand luistert ooit meer naar nuance: jij bent verdomme Kortjakje. Trut, trek dan een langere jas aan. Met je ziek zijn.

En dan vervolgens maar ziektewet trekken. Want solidariteit en ziek en korte jas. Allemaal eigen schuld, natuurlijk. Dan vraag je ook om liedjes verzonnen door de jengelende buurtkinderen. Die volwassenen, ondanks hun fatsoen, overnemen. Je bent een fokking onfatsoenlijk geklede, altijd voor alles te ziek zijnde, hypocriete trut. Want zondag, blijkbaar elke zondag, pronk je met een boek vol zilverwerk.

Dat is ook weer zoiets. Een beetje boek vol zilverwerk is geen plakboek vol aluminimumfolie, nee, dat is een koffer met zilver bestek. Of erger, een zooi zilveren juwelen. En het hele dorp weet: daar ben je niet eerlijk aan gekomen. Anders zongen de kinderen niet over je. Kortjakje, je was een fokking hoer. Je neukte waarschijnlijk alle notabelen, onttrok je goedbetaald aan de maatschappelijke verplichtingen, maar liet je zondag, bekleed met blingbling, van je beste kant zien. En dan was je maandag weer ziek.

Het is een liedje om je te schamen voor je bijdrage aan de maatschappij, Kortjakje. Met je provocerende korte jas. En je Zilverwerk. Je weet donders goed wie je was. En wie je bent. En je kon niet stoppen dat je lied voorgoed doorgezongen werd. Generatie op generatie. Over de rijke uitvreters van onze maatschappij. Die, wanneer er een pronkgelegenheid was, even lekker duur gingen doen. En de hardwerkende mens maar werken. In de modder. En nooit mogelijkheid om ziek te zijn. Maar Kortjakje wel. Altijd. Behalve zondag. Zondag niet.

Welke kinderliedjes vond jij altijd al verdacht ?

  • Jan Huygen in de ton (19%, 3 Votes)
  • Ik heb mijn wagen volgeladen (13%, 2 Votes)
  • Er zaten zeven kikkertjes (13%, 2 Votes)
  • De mosselman (13%, 2 Votes)
  • Dag Sinterklaasje (6%, 1 Votes)
  • Op een grote paddestoel (6%, 1 Votes)
  • Lang zal ze leven (6%, 1 Votes)
  • Boer wat zeg je van mijn kippen (6%, 1 Votes)
  • Een, twee, drie, vier hoedje van papier (6%, 1 Votes)
  • Klein klein kleutertje (6%, 1 Votes)
  • Berend Botje (6%, 1 Votes)
  • Het regent, het regent (0%, 0 Votes)
  • Drie maal drie is negen (0%, 0 Votes)
  • Dat gaat naar Den Bosch toe (0%, 0 Votes)
  • Alle eendjes zwemmen in het water (0%, 0 Votes)

Total Voters: 4

Laden ... Laden ...

“Raak het nooit kwijt”


Verhaal door René van DensenPlop, ging de stiftdop. Dat, met name dat, zal me altijd bijblijven. Ben en een stift in zijn handen. Hij kon alles aan iedereen verkopen, zolang hij maar een stift in zijn handen had en een whiteboard aan de muur. Hoeveel vergaderingen heb ik hem niet vergezeld, waar geen enkele aanwezige van plan was om hem aan te horen, tot die stiftdop plopte ? En een duizelingwekkend verhaal vol pijlen en afkortingen later liep hij de vergaderruimte uit met een getekend contract op zak. Ik drommelde er beduusd achteraan. Ben was een natuurfenomeen.

Ik mocht hem. Beste baas die ik ooit gehad heb. Niet negatief bedoeld naar andere bazen, waar ook goeie tussen zaten, maar Ben was een klasse apart. Je kon geen afspraak met hem maken die accuraat nagekomen werd, zijn kantoor en kop waren een chaos, hij lag politiek altijd dusdanig dwars dat onze hele afdeling op zijn gedrag aangekeken werd, maar wát een man. Altijd interesse voor wat mensen deden búiten het werk om. Altijd ruimte voor een persoonlijker praatje, een blik uit het raam, een kwajongensachtige omweg naar een afspraak om ergens een frietje te eten. En ondertussen trok hij meer werk voor ons binnen dan we aan konden.

Hij sleepte me mee naar de kantoren waar de bobo’s zaten, in de hoop dat ik ‘het spel’ zou beginnen te zien. Dat er toekomst voor mij zou blijven in het bedrijf. Ben was een romanticus: zelfs had hij hoop dat ik kon doen wat ik toen het liefste deed, tekenen. Hij nam me mee op zakenreisjes naar het financiële hart van Londen. Stropdas verplicht. Ik weigerde, uiteraard, tot zijn frustratie én plezier. Ik werd een keer meegetrokken in de Business Lounge op Schiphol, en getrakteerd op een erg verfijnd glas whisky. Hij zat, bedenkelijk naar mij kijkend, tegenover me in een comfortabele zetel. Als hij nadacht, trok hij met zijn lippen. Ineens buigt hij voorover en lacht. “Jij bent een prachtig mens, wist je dat,” grinnikt hij. “Je doet me zoveel aan mezelf denken toen ik jouw leeftijd had. Ik was ook een nozem.”

Ben, een nozem. Ik kon me er niks bij voorstellen. Het was een excentrieke kerel, maar kom op: deze grijze, keurig geschoren en gecoiffeerde, in strak pak gestoken héér… Een nozem ? Alsof je hoort dat je moeder vroeger een astronaut was. Het bleek echt waar. Schouderlang haar, leren jas, motor tussen de benen. Lak aan de wereld en van zins nooit te conformeren. “Raak het nooit kwijt,” grijnsde hij, “blijf dwars zijn, blijf je verwonderen, blijf speels. En als je het wél kwijtraakt,” vervolgde hij terwijl zijn sigaar vervaarlijk gloeide, “begin dán aan kinderen.”

Toen ik het bedrijf verliet, wist ik zeker dat deze bijzondere man en ik nog wel het pad zouden kruisen. Geen twijfel mogelijk. Die zou ik nog wel tegenkomen. Ik was bezig met wilde avonturen en hij koerste op zijn pensioen af. Maar toch: die kwam ik nog wel tegen, die vaderlijke ex-nozem. Ik zou hem wat laten zien, dat ik het niet kwijtgeraakt was.

Inmiddels is Ben alweer bijna drie jaar dood. Kort voor zijn pensioen in het ziekenhuis beland. En daarna was het gedaan. Sindsdien merk ik, als ik in gedachten verzonken zit, dat ik met mijn mond trek. Waarschijnlijk raak ik dat nooit meer kwijt.

Zool


Verhaal door René van DensenDe lijm had het nog zó lang volgehouden, maar nu zijn ze er wel zoetjesaan aan: mijn schoenzolen. Ik vind het geen reusachtige ramp, want er kleven vervelende herinneringen aan de schoenen. Maar praktisch waren ze wel. Snel aan, snel uit. Ach, zo gaan die dingen. Ook aan de binnenkant ging alles niet helemaal fantastisch meer. De binnenzolen waren een gescheurd en half uitgedroogd hoopje ellende. Hoog tijd om ze weg te smijten dus.

Maar ja, dan moeten er weer nieuwe schoenen gekocht worden. Ik haat schoenen kopen. Allereerst omdat ik elke dag wat krapper bij kas kom te zitten. Daarnaast hebben ze natuurlijk nooit wat je éérst had. Ik ben geen winkelaar. Eigenlijk wil ik gewoon hetzelfde dat ik al had. En daar geen muzak, winkelpubliek, schreeuwerige logo’s, bedompte winkelgeuren, rekken vol foeilelijke schoenmodellen of opdringerig kanikuhelpen-personeel voor te hoeven trotseren.

Als iemand anders gaat winkelen, sta ik graag buiten. Sigaretje, mensen kijken. Kalmpjes wachten. Af en toe eens koekeloeren wat voor weer er in de lucht hangt. Ik kom mijn tijd wel door. Winkel maar wat. Het is niks voor mij, zo’n zaak binnen moeten. Het ergste zijn nog de ‘kom even kijken of het me staat’-berichtjes. Zuchten, sigaret uitwrijven onder je schoenzool.

Zó erg zie ik er nog tegenop, dat ik met lijm nog één keer probeer de zool te fixen. Het enige dat ik in huis heb is montagelijm. De smurrie kruipt uit alle gaten en kieren als ik het aandruk. Ik weet niet of dit zo’n succes is. Maar laat het ons hopen. Nog éventjes niet de winkel in. Als het kan een heleboel eventjes nog. Ook al loop ik er nu bij als een halve zool.

Lettergroothandel


Verhaal door René van DensenWegens het overweldigend succes van mijn internetverhaaltjes vind ik een aanbod. Zomaar, in mijn inbox. Van mijn e-mail. Van een grote landelijke lettergroothandel. Het alfabetwarenhuis stelt een samenwerking voor. Want wat zijn verhaaltjes nu zonder letters, stellen ze ludiek en vriendelijk in de elektronische brief. In eerste instantie moet ik het daar natuurlijk mee eens zijn.

Maar zoals altijd is de realiteit weer anders. Het blijkt dat ik, doelgroeptechnisch, vooral goed pas bij de letters J, Q, V, X en Y. Dus of ik vooral die letters in mijn woorden wil gebruiken. Dat is goed voor hun omzet, bewejren ze. Iq twyfel aanvankelyjx even. Enjerzijdq mqet de kachxel natuurlyk vel brqnden. Qnderzijdx, tjq, hey getujgt njet van qrote jntegryteit qm zomaav je zyel ye grabbej ye qooien.

Jk laat verder jn xet mjdden vat ix vqqr besljssinq qenomev xeb. Sommjqe djnqen hov je jmmerx prjvé.

Vroeg


Verhaal door René van DensenHet is zo’n dag waar niets echt speciaal aan is: het is gewoon vroég. Voor de rest is het eigenlijk voornamelijk een herhaling van vroegere zetten, in een iets andere volgorde. Althans, dat verwacht ik er zelf van. Is het cynisme of ben ik nu eindelijk volwassen ? Goed dat er koffie is.

Ik schuifel me wat door het gezelschap heen. Studenten, vooral. Stil prijs ik me gelukkig dat ik geen student ben. Je betaalt je blauw, houdt bijna geen tijd over voor leuke zaken en vier jaar lang vul je je kop met zaken waar je later van achter moet komen dat die goeddeels zinloos waren. Ondertussen zoek je je suf naar ‘flexibele’ banen als waar deze bijeenkost over gaat.

Ik kan gewoon full-time werken. Alleen valt dat werk zo moeilijk te vinden. Ik sip wat van de koffie. Uit solidariteit met de studenten zou ik gewoon weg moeten lopen. Ik ben tenslotte zelf ook even student geweest en weet nog hoe taai het leven toen was. Hoé je het allemaal moest redden: je had geen flauw idee. Ik loste het op door te stoppen met studeren: geen boetes, geen zorgen over latere schulden, en ik was ineens full-time beschikbaar voor werk.

Ik loop het kantoor echter niet uit. Elke káns op werk is er een meer dan ik dit jaar voorhanden had. Tientallen ogen branden in mijn rug. Wat doet die ouwe zak met zijn baard hier, hoor ik ze denken. Stilletjes hoop ik dat niemand van hen in de toekomst mijn baas zal worden. Het bekertje koffie is leeg. Ook dat nog.

Verloren dag


Verhaal door René van DensenMijn terrastafelgenoot denkt even na. “Ik noem het dan wel vakantie,” zegt hij, zijn woorden zorgvuldig wegend, “maar in feite heb ik die tijd ook niet verspild of zo.” Vervolgens weidt hij honderduit over cursussen die hij gevolgd heeft, boeken die hij gelezen heeft, onderwerpen waar hij zich gigantisch in verdiept heeft. En ik luister, en bedenk me dat ik met mijn ‘vakantie’ eigenlijk helemaal niet zoveel gedaan heb.

Ik heb mijn poes geaaid, korte onzinverhaaltjes geschreven, heel veel gesolliciteerd. Met vrienden bier gedronken. Een aantal weken lang dronk ik heel veel melk. Maar écht heel veel melk. Het was amper aan te slepen. Mijn tafelgenoot praat over maatschappelijk super relevante colleges die hij gevolgd heeft. Ik heb maanden naar de visjes in mijn vijver staan te kijken. Dat deed ik met mijn tijd.

Met dat confronterende inzicht besluit ik nóg een biertje te nemen. Even later spreek ik een vriend, die op zijn beurt weer een nieuwe CD heeft uitgebracht. “Dit is mijn beste werk,” stelt hij. Opnieuw ga ik ondertussen bij mezelf te rade: ik breng een jaar lang vooral oúd werk uit. Bier !

Zo gaat het een tijdje door tot ik het slechte gevoel over mezelf kwijt ben. Maar ook de hele dag, ineens. De rest van de avond is uit mijn vingers geglipt en ook de eerste helft van vandaag is ergens verloren. In totaal is het bijna een verloren dag, maar net niet. Gelukkig, want verloren dagen heb ik al genoeg.

Ik sta op en scheur een blaadje van de weekkalender. Zo. Dit is alvast geen verloren dag.

Sprieten


Verhaal door René van DensenDe ochtenden zijn het ergst. Vanuit een vredige droom word je gewekt door een dwars miauwende poes die iets wil. Wát, is niet eens direct helder. Ze duwt haar neus -boenk- in je gezicht en miauwt nog eens. Dan maakt ze een gravende beweging waar je deken en je lijf bijeen komen.

Je tilt de deken op om te zien of ze erbij wil kruipen. Dat was het. Eventjes toch. Ze gaat spinnend tegen je aan liggen maar is binnen een halve minuut weer weg. En dan weer terug. Natuurlijk is dit de dagelijkse dans: ze wil naar buiten. Maar je bent nog niet klaar voor buiten. Je zit nog binnen. Heel erg binnen. Met een wild uitwaaierende bos sprieten op je bol.

Voorzichtig tasten mijn sprietharen de werkelijkheid af. Verdomme. Zo hapklaar als alle waanzin in mijn droom was, zo stormachtig raast de werkelijkheid binnen. Niks aan te doen.

Ik kan wel koppig terug onder de deken kruipen. Dat wel. Maar mijn sprieten steken nog altijd uit. En daar zit nu, spinnend, ook nog een kattetong overheen te trekken. Verdomme. Wanhopig probeer ik naar mijn droom terug te keren.

Wat was hij ook alweer ? Het glipt door mijn vingers. Iets met een vliegtuigterminal. Ik was er verkeerd uitgelopen. Niet naar het vliegtuig, maar terug naar buiten. En kreeg toen de weg niet teruggevonden. Proberen je zoveel mogelijk te herinneren, nu.

Langzaam zak ik een beetje terug weg. En daar gaan we weer – boenk, een katteneus. Luid spinnend en miauwend. Niet akkoord. Niks slapen. Aandacht. Voer. Buitenlucht. Haar sprieten zijn er klaar voor, voor die werkelijkheid. Slapen kan altijd nog. Vindt het dier dat zestien uur per dag ligt te maffen.

Zucht. Bedrand. Pantoffels. Sjokken. Sprieten in de frisse ochtendlucht. Ik zal ze zo maar eens kammen.