Interims


Verhaal door René van DensenIk maak al decennia aan de mensen wijs dat op 5 augustus mijn verjaardag valt. Inmiddels weten de meesten wel dat het maar mystificatie was. Sommigen wisten zelfs mijn echte verjaardag te achterhalen. Met die mensen kom ik op een geheime locatie bijeen die avond en drink ik ranja met single malt. Maar dat heeft u niet van mij vernomen.

Wie de grap niet doorhebben, zijn de interims. Vaste prik krijg ik op deze dag een mailbox vol felicitaties. Gefeliciteerd dit, fijne verjaardag dat. Vrolijke kleurtjes. Ik spreek de interims enkel wanneer ze een vacature hebben die mij aanspreekt. Meestal weten ze niets van mijn vakgebied en verloopt het gesprek stroef. Daarna hoor ik zelden nog van hen. Sommige interims sturen nog eens een smsje met een functie die totaal niet bij me past. In een slagerij, of productiewerk zeventienhonderd kilometer hier vandaan, enkel bereikbaar per auto. Ik heb geen auto.

Bij de deurbel hoop ik eerst op de postbode. Ik verwacht een pakketje, het is al een dag te laat zelfs. Bij het opendoen blijken daar alle interims voor de deur te staan. Elk met een eigen taart met spetterende kaarsjes erop. Ze dringen erop aan om binnen te komen. Ik sputter iets tegen over bubbels en virus maar voor ik het weet staat mijn woonkamer vol interims. Ze zingen vals in koor. Happy functie to me. Hartelijk gevacatureerd. Leuk hoor. Ik vraag of de interims weer weg willen gaan. De interims roepen dat ze er pas net zijn en het is toch gezellig, zo’n verjaardag.

Uiteindelijk blijven de interims veertig dagen en eenenveertig nachten. Ze hangen in de tuin en mijmeren over tijdelijkheid. Sommigen doen tussendoor eens de afwas, wanneer alle borden op zijn. Ik heb geen druppel drank meer in huis en verstop me al twee weken op zolder. De interims hebben niet eens gemerkt dat ik er niet meer bij ben. Ze zijn te druk met elkaar feliciteren. Ik wou dat er geen interims bestonden.

Dansles


Verhaal door René van DensenMijn lief en ik spelen sollicitatiegesprekje. Waren we kinderen, dan speelden we doktertje, maar we zijn werkzoekende volwassenen. Dus oefenen we gesprekken. Zij is onwennig aan de lokale cultuur in het land waar we beiden vreemdelingen zijn. Ik zie het als dansles. Je spreekt af met een ander en danst het gesprek. Soms zit er een onverwachte derde danspartner bij. Dans als jezelf, zeg ik haar. Je kunt natuurlijk enkel dansen als jezelf. Mijn lief is van de salsa, ik van de polonaise.

De mensen die haar tot zover begeleid hebben, raden haar aan de danspartners te googlen. Linkedin en alles. Ken je danspartner. De achtergrondmuziek die zij willen spelen. De moves die ze eventueel zelf beheersen. Ik haat dit deel van de arbeidsmarkt. Het dansen. Ik ben van het doen. Dansen is pronken. Kennismaken, op z’n best, maar vooral pronken. Ik ben van het realiseren. De dans kan me gestolen worden.

Wanneer ze met een hoofd vol zorgen naar bed gaat, ondanks mijn geruststellende poogwoorden, zit ik even op de zetel. Dan sta ik op en dans stilletjes wat in de woonkamer. Geen vooropgestelde stijl. Gewoon mezelf. Geen melodie. Mensen die me in het verleden als danspartner hebben aangenomen, kennen mijn stijl. Waren vrijwel altijd positief verrast. Maar privé dans ik niet. Privé vertel ik verhalen en gedichten. Privé ben ik echt mezelf. Ik ben een maker.

Ik dans de hamer-hamer en zaag-zaag. Ik dans de type type type. Ik dans de pakketten die naar de USA moeten op die pallet met strakke folie rondom en twee extra beschermers. Ik dans beschermlabels en de juiste verzenddocumenten. Ik dans de handtekening. Ik dans de vakantiedagen en foutetruifeestdag. Ik dans het beoordelingsgesprek. En ineens voel ik me moe.

Ik ga terug zitten, open mijn laptop en schrijf een dwaas verhaal over dansles en dansen. De kat miauwt wat. Ze heeft honger. Ik ook. Konden we allemaal maar gewoon dansen als onszelf.

Systeem


Verhaal door René van DensenIk hoor het mezelf nog zeggen, alsof het een verdienste is: ik ben eigenlijk nooit ziek. Fier, tijdens mijn sollicitatiegesprek. Een Unique Selling Point. Nu zit ik hier, met mijn USP. Het is stil op straat, stil op kantoor. De TL-verlichting zoemt.

De eerste die wegbleven, waren de collacha’s. Uit solidariteit met de anderen. Nu geen tijd voor feestjes. Teambuilding en mensen bijeen brengen, dat vindt nu geen pas. En aangezien dat toch een groot deel van hun werkdag in beslag nam, konden ze het niet-organiseren ook prima vanuit huis doen. Ze sturen nu grappige memes via de mail door. Om de sfeer er bij iedereen in te houden. Ik tel pakweg zeventienhonderd mailtjes met grappen over toiletpapier.

Mijn plant leeft nog. Een vorige werkgever zette de plant hier neer en hij kwijnde weg omdat ik het te druk had om ervoor te zorgen. Maar nu heb ik 8 uur per dag geen bal te doen. Dus de plant heeft water, een beetje extra voeding, en ik verplaats hem steeds naar een ander bureau waar het zonlicht op schijnt. Hij gedijt goed met alle aandacht. Zacht zing ik hem een beetje toe. Niet te hard, want ik schrik zelf steeds van de echo. Het pand heeft een griezelige akoestiek.

Ik vraag de plant of latere generaties, als die er nog zullen zijn, de verhalen zullen geloven. Hoe we massaal het café in doken voordat de verplichte sociale quarantaine in ging. Hoe er toch doodleuk talloze mensen naar hun werk moesten blijven gaan ondanks de dreiging van het virus, want oei oei de economie. Geen enkel land ter wereld functioneerde nog normaal maar desalniettemin moest de cijferwedloop blijven draaien. En zo gingen we dus door. Braaf luchten we op een meter afstand van elkaar, dat wel. Kuchen in de mouw. Handjes wassen. Met steeds minder verbazing praten over de TV-shows die ineens zonder op commando lachend publiek werden uitgezonden, en hoe surrealistisch en postapocalyptisch het allemaal begon te voelen. Niet meer lachen om de memes die de collacha’s onverdroten bleven doorsturen. En zo bleef de ene na de andere bureaustoel de dagen erop ineens leeg.

De vogeltjes zijn terug. Dat wel. Ze bouwen nesten in de bomen langs de weg nu de auto’s niet meer rijden.

Het systeem blijft ook gewoon werken. Mijn badge werkt ook nog gewoon. De software zal nog eeuwen blijven draaien vermoed ik. Er is niemand meer in het pand. Op heel het industrieterrein. Geen winkel is nog open, de straten zijn verlaten. Iedereen is thuis behalve ik. Maar ik moet door blijven gaan. De stilte werkt wat op mijn systeem. Maar het systeem werkt doordat ik werk. Niet dat ik iets doe. Ik heb niets te doen. Ik heb maar te doen alsof.

Voorzichtig geef ik mijn plant nog een beetje water.

Collacha’s


Verhaal door René van DensenOok bij dit bedrijf zijn ze er. De collacha’s. Die medewerkers die iedereen in gezelligheid bijeen brengen. Waar je al je professionele taken voor moet laten vallen omdat we nú even gezellig gaan doen. Van die typische bijeenkomsten waar iedereen een beetje bedremmeld bij staat omdat je nu eenmaal geen sfeer op afroep kunt scheppen.
Ze komen steeds met gezellige initiatieven, de collacha’s. Dan weer een borrel waar iedereen een bepaalde kleur trui aan moet hebben. Dan weer hapjes in allerlei kleuren van de regenboog. Iedereen moet mee doen want het zijn belangrijke ideeën die de collacha’s bedenken. Als nieuwe medewerker weet ik steeds te laat van de initiatieven. Dat vind ik niet enorm erg. Ik ben niet zo van het meedoen. De collacha’s verzekeren me dat er nog veel leuke dingen gaan komen waar ik aan mee kan doen.
De collacha’s stellen een kerstpop op een bureau. Elke twee minuten schelt er vanuit de pop een rock ’n roll fragment door een krakerige chip. De pop schijnt traditie te zijn. Elk jaar komt de pop boven. Een groot feest. De dode ogen van de pop staren mij wijdopen aan. Stilletjes bedenk ik me dat ik als werkzoekende geen collacha’s had. De pop zingt You know you make me wanna shout.
Verschillende collega’s zijn naar het grote eindejaarsevenement dat al in volle gang is. Wij nieuwelingen waren nog druk en schuchter achter onze bureaus aan het werk. Schijnbaar wordt van nieuwe medewerkers iets speciaals verwacht, wordt ons verteld in een spoedoverleg waar we weer al onze professionele taken voor lieten vallen. De collacha’s kirren en zeggen dat ze het nu al enig gaan vinden wat we gaan doen. Ze zijn benieuwd. Ik antwoord dat ik niet goed weet wat de bedoeling is. De collacha’s pogen me gerust te stellen dat het vanzelf helder wordt. Samen met de andere nieuwe medewerkers word ik een gang in geleid. Het begin van de gang is nog goed verlicht, tegen het eind tasten we volledig in het duister. We botsen tegen elkaar en klauwen per ongeluk in truien en haren. Dan vindt één van ons een deurklink en opent zich een uitgang. Schuchter lopen we een grote ruimte binnen. Even knipperen we met de ogen. Overal bewegende vormen, langzaam scherpen ze. Het zijn de verschillende collega’s uit het bedrijf. De collacha’s joelen het hardst.
Ik ben het snelst van begrip. Haastig gris ik een wapen van de muur en ren op mijn lotgenoten af. Ik heb deze job nodig. Het gejuich is oorverdovend. Bloed spat op mijn bril. Ik grijns van oor tot oor.

Niet bepaald een land


Verhaal door René van DensenDe vrouw zucht en spreekt tegen niemand in bijzonder: “Ik reis óveral ter wereld. Écht overal. Maar nergens, nérgens is het zo erg als hier in Nederland. Echt hoor. Het is verschrikkelijk. Ik heb de trein al gemist want die viel uit. Dus dan nam ik deze om de aansluiting zometeen te halen, maar die ga ik ook missen. Dus dan zit ik daar, een half uur. Op station Eindhoven. Alleen in Nederland kan dit. Ergste land ter wereld. Maar ja, lekker privatiseren he. Ik bedoel, twee centimetertjes sneeuw en alles gaat mis. Ze kunnen er niks van.” Haar stem is scherp en hakt luid in het rond. Hakt in op stille, berustende oren.

De man met de jas met het logo van een grote supermarktketen knikt weemoedig ja. Hij draagt veiligheidsschoenen en een broek die getuigt dat hij het meeste van de dag buiten moet werken. Maar het is een feit. De trein is tien hele minuten vertraagd. En we staan voor een rood sein nu. Het is een ramp. Niemand weet hoe dit nog ooit goed gaat komen. Dat het treinpersoneel een uitleg omroept, doet niets af aan het grove onrecht dat ons is aangedaan. We staan immers al in het tussenstuk van de coupé, klaar om uit de deur te stappen. Ik sta niet, ik ben gaan zitten. De vrouw staat. Ze knijpt woedend in de metalen paal. Ik zie het aan haar knokkels.

“Het is echt ongelofelijk. Alleen in Nederland kan dit. Kom, dat is toch zo ? In geen énkel ander land maken ze er zo’n prutsboel van. Schandalig, dit.”

Ik schraap mijn keel en spreek zachtjes. “Ik moet u toch tegenspreken, mevrouw. Ik woon in België en daar is het toch net wat vaker mis met de treinen dan hier.”

Ze kijkt me even verbaasd aan. “Ja. België. Ik moet toegeven, als ik het heb over andere landen, dan heb ik het niet over België, nee. Dat is nou niet bepaald een land waar ik zeg maar vrijwillig heen zou gaan.” Ze lacht schamper. Stil denk ik: België dankt u.
Ze keert zich naar de jaknikkende medepassagier: “Maar echt, óveral hoor. Zwitserland. Met twee meter sneeuw. Rusland, Noorwegen, noem maar op. Zelfs in Zuid-Amerika.” Ze snuift en grijpt het handvat van haar donkerroze rolkoffer steviger vast. Haar knokkels kleuren wit.

Na het uitstappen zie ik de vrouw exact nog éénmaal. Ze houdt de mensen met haast achter zich op door met haar rolkoffer middenop de roltrap stil te staan. Verstoord kijkt ze voor zich uit naar dat rotnederland.

Rol


Verhaal door René van DensenOp een gemiddelde werkdag, en ze zijn vrijwel nooit gemiddeld, komen veel collega’s met vragen naar me toe over hoe ze hun werk moeten doen. Ik vertel ze dan hoe ze hun werk moeten doen. Al het uitleggen hoe mensen hun werk moeten doen kost me makkelijk driekwart van mijn eigen werkdag.

Om tussen alle vragen door af en toe even mijn hoofd te legen, surf ik gekke dingetjes op Wikipedia. Zo heb ik inmiddels op een gemiddelde werkdag ontdekt wat een Tom Swifty is. Ik weet nu ook wat de Fermiparadox inhoudt, dat er ooit een lachepidemie was in Tanganyika, weet ik dat Mike de kip zonder kop achttien maanden doorleefde, weet ik wat Charles Martinet voor de kost doet, las ik met rode oortjes over de Mbielu-mbielu-mbielu, ontdekte ik het bestaan van de Dickin Medal en weet ik dat er botox-schandalen zijn bij beauty contests voor kamelen. Gemiddeld is het daarna tijd om vruchteloos huiswaarts te keren en me af te vragen wat mijn werk ook alweer inhield.

Er wordt een mail naar alle medewerkers gestuurd om de opleidingswensen, dus de behoefte om cursussen te volgen, in kaart te brengen. Ik loop de wc in. Aan de wand hangt een toiletrolhouder. Het simpelste model: een afdakje en een dun staafje waar je de rol om schuift. De rol is leeg. Op de grond ligt een nieuwe toiletrol waar al velletjes van afgescheurd zijn.

In de trein naar huis drink ik meestal een frisse halve liter bier.

Vaatwasser


Verhaal door René van DensenMijn baas staat aan mijn bureau en zegt dat ik al mijn werkzaamheden moet staken want er is een dringende kwestie. Hij zegt dat ik een handleiding moet schrijven. Sinds hij weet dat ik op internet verhaaltjes en gedichten schrijf komt elk regeltje tekst dat bij mijn werk geschreven moet worden, uit mijn toetsenbord. Mijn baas zegt dat ik mee moet komen. Hij neemt me de bedrijfskantine in en wijst naar het aanrecht. Boven de vaatwasser staat een berg vieze kopjes en bordjes. Plastic lepeltjes, broodmessen, longdrinkglazen met onbestemde substanties langs de randen. Ik kijk mijn baas aan. Hij opent de vaatwasser en wijst. Ik kijk. De vaatwasser bevat drie borden en één koffiekopje. Zichtbaar vies. Ik kijk opnieuw naar mijn baas. Hij zegt dat het personeel niet met de vaatwasser om kan gaan. Omdat hij altijd als laatste naar huis gaat moet hij steeds de vaatwasser inruimen. Hij wil dat ik een handleiding maak zodat iedereen weet dat de vuile vaat niet boven, maar in de vaatwasser moet.

Ik ga terug naar mijn bureau en schrijf dat de vuile vaat niet op, maar in de vaatwasser moet gezet worden. Ik schrijf meteen maar hoe het zeepvakje gevuld moet worden en hoe je de vaatwasser start: aanzetten en deur sluiten. Ik loop met een fotocamera naar de vaatwasser en maak illustrerende foto’s die ik in de handleiding plaats. Omdat ik wel eens wat boekjes maak, kan ik dus ook een afbeelding in een tekstdocument toevoegen. Ik loop over van veelzijdigheid. Zorgvuldig stuur ik het document naar alle collega’s. Ik print het bovendien uit en leg het bovenop de vaatwasser terwijl mijn baas mopperend het apparaat vult met vuile vaat.

Aan het eind van de volgende dag roept mijn baas me weer bij de vaatwasser. De berg vuile vaat is nog groter. Hij zegt dat dit zo niet kan. Hij zegt dat het niet aan mijn handleiding ligt. Dat hij een telefoontje heeft gepleegd en dat morgen iedereen verplicht een workshop vaatwasser vullen krijgt. Ik knik. Een verstandig besluit, zeg ik, en ik plaats mijn lege kopje koffie in de vaatwasser. De baas klopt me op de rug. Het komt goed, verzekert hij me. Het komt echt uiteindelijk wel goed. De mensen moeten het gewoon even zien.

De volgende dag zit iedere medewerker van het bedrijf bij de workshop. Een druk pratende en gebarende man in een kleurig pak praat over het belang van hygiëne in kantooromgevingen. Dat deze omgevingen doorgaans minder vaak schoongemaakt worden dan thuisomgevingen, ook wel woningen genoemd. De mensen lachen. Dat dat viezigheid en gevaar voor de volksgezondheid oplevert. De mensen knikken ernstig. De man toont de vaatwasser en trekt de korven naar voren. Hij wijst op welke plekken er allemaal koffiekopjes geplaatst kunnen worden en verzekert de mensen dat er echt genoeg plaats is. Ze knikken. Hij toont in het onderste rek hoe een bord in het rek kan. Ook het bestekmandje demonstreert hij. De mensen steken vingers op. Moet dat allemaal per se op die plaatsen, vraagt iemand. Nee, zegt de workshopmeneer, je mag als er genoeg ruimte is ook gerust koffiekopjes beneden stallen.

Hij demonstreert het vullen van het zeepbakje. De mensen kijken aandachtig toe. Hij toont het aanschakelen en geeft uitvoerige uitleg over de wasprogramma’s. Geknik en uhhuh. Hij verzekert ze dat het standaardprogramma genoeg is, dus aanzetten en – klik – de deur sluiten, dat is genoeg. Mensen knikken bewonderend elkaar aan wanneer ze het apparaat horen spoelen. Ze maken toch maar bijzondere dingen tegenwoordig he. De techniek staat voor niks. Ah, maar let op, zegt de workshopmeneer en wijst op de vloer. Er gaat zelfs een lampje op de grond schijnen, toont hij, als de vaatwasser aan staat. Dat is slim, zeggen de mensen. De workshopmeneer heeft een oefenvaatwasser meegenomen. Iedereen mag een kopje in het apparaat zetten en krijgt dan te horen dat ze het goed hebben gedaan. De mensen kirren van plezier om deze erkenning. Als afsluiter wordt er gedemonstreerd hoe de echte vaatwasser, die inmiddels zijn programma af heeft, geleegd moet worden.

Na afloop kletsen ze nog even met de workshopmeneer. Ze zeggen dat hij het heel, heel goed heeft uitgelegd. Hij schudt iedereen de hand en neemt dan afscheid. Langzaam gaat de ene na de andere persoon naar huis. Iedereen zet zijn vuile kopje op het aanrecht boven de geleegde vaatwasser.

Gefermenteerd


Verhaal door René van Densen“Ga je mee ? Wij gaan naar de supermarkt.”
“Oh, ja, nee kan niet. Ik moet naar de Albert Heijn.”
“Hoezo moet jij nou weer naar de Appie ? Loop gewoon mee man.”
“Nee, ik heb avondeten nodig.”
“Ja dat heeft de Em-Te toch ook gewoon ?”
“Nee want ik moet daar gefermenteerde sojabonen halen.”
“Gefermewattes ?”
“Ken je dat niet ? Gefermenteerde sojabonen. Is lékker jongen !”
“Okee jij moet weer moeilijk doen. Wat is er mis met gewoon een pizza ?”
“Ja, niks, maar daar heb ik vanavond zin in.”
“En die hebben ze niet bij de Em-Te ?”
“Nee, alleen bij de Appie.”
“Okee, ja mij is het best. Anders gaan wij ook naar de Appie.”
“Ja als jullie twee naar de Appie gaan, ga ik niet mee hoor.”
“Hoezo dat nou weer niet ?”
“Ja, die salades daar zijn keiduur, dan ga ik gewoon naar de Em-Te.”
“Ik zei al, mij is het om het even, maar hij moet naar de Appie voor die geëxplodeerde sojadinges.”
“Gefermenteerd.”
“Ja dat. Dus anders gaan we gewoon langs allebei ?”
“Gaan jullie naar de Em-Te ?”
“Ja daar zijn we dus nog niet over uit. De een wil naar de Em-Te maar hij moet weer specifiek geërodeerde sojabonen of zoiets.”
“Gefermenteerd. Superlekker, echt hoor.”
“Ja dat dus. Hoezo, wat moet je hebben van de Em-Te ?”
“Van die pastasoep. Weet je wel, die ik eerst ook altijd had ?”
“Ja hebben ze dat niet bij de Appie ?”
“Nee dus, daar heb ik van de week al gekeken.”
“Oh. Maar anders kijken we voor de zekerheid even ?”
“Nee, schijnbaar hebben ze die enkel bij de Em-Te.”
“Ja, hey, anders gaan jullie naar de Em-Te, ga ik wel in mijn eentje naar de Appie.”
“Voor je gesegmenteerde bonen ?”
“Ge-fer-men-teerd.”
“Ja whatever. Ik krijg wel honger van dit gesprek.”
“Gaan jullie naar de supermarkt ?”
“Ja, daar zitten we nog over te overleggen.”
“Gaan jullie naar de Plus ?”
“Nee, we gaan of naar de Em-Te voor pastasoep, of naar de AaHaa voor de geverteerde soja-”
“Gefermenteerd !”
“Geventileerde bonen.”
“Oh. Want bij de Plus hebben ze dat lekkere brood.”
“Laat maar hoor, zoeken jullie het uit. Ik bestel wel wat.”

Intercom


Verhaal door René van Densen“Dames en heren,” klinkt een krakkemikkig en verloren stemmetje door de intercom. “We komen zo aan. Op het station. Eindhoven.”

Er valt een pauze. “Bij aankomst op het station Eindhoven is het daar ter plaatse negen uur zesenveertig. Onze geplande aankomsttijd was negen uur dertig. We hebben kortom een vertraging -”

Nog een pauze. De intercom blijft aan staan. Even luister ik gespannen, om te horen of de man hardop zit te hoofdrekenen.

“- die écht heel erg lang is. Daarvoor bied ik u namens het treinpersoneel onze verontschuldigingen aan.”
Mooi opgelost. Maar de man is nog niet klaar. “Deze vertraging had allerlei oorzaken. Onder andere door de vertraagde sprinter die voor ons was. En door de hierdoor vertraagde goederentrein die eerst nog voor ging. Ook stonden we veel te vaak stil voor een rood sein. Hierdoor hebben we dan ook deze heel grote vertraging opgelopen.”

Ik verwacht nog een verontschuldigingetje en dat we op Eindhoven aankomen. Maar nee, de man is nog niet klaar.

“Zodra we zometeen aankomen op Eindhoven, is deze vertraging eigenlijk dan ook veel te groot geworden. Hierdoor zullen we met deze trein vanaf Eindhoven niet doorrijden, maar deze trein opheffen. Op die manier kan het overige treinverkeer weer hersteld raken. Helaas betekent dit dus wel dat u daar de dupe van bent.”

Gegrinnik alom. “Moet u dus doorreizen vanaf station Eindhoven, dan moet ik u helaas vragen de trein te verlaten. Als u een kwartier wacht op het perron, komt er een andere trein waarin u uw reis kunt vervolgen. Moet u echter bij station Eindhoven al uitstappen, dan heeft u een klein beetje minder pech. Op de eerder genoemde vertraging dan na, natuurlijk. En dat vinden wij zelf ook echt niet leuk, kan ik u zeggen.”

De trein staat stil. Zo te zien wacht de machinist tot het verhaal van de conducteur klaar is, voor we het station inrijden. Ik sta nog niet op uit mijn stoel.

“Als u zometeen op station Eindhoven de trein verlaat, en dat moet u dus helaas allemaal doen, vergeet u dan vooral niet uw eigendommetjes mee te nemen. Er is geen enkele reden om deze ochtend nog vervelender te maken dan deze vertraging het al maakt. Alvast bedankt, en nogmaals echt onze welgemeende verontschuldigingen voor eventueel ongemak dat deze schandelijke vertraging u oplevert.”

De intercom schakelt uit. Show over, denk ik. Maar amper dacht ik het, of hij schakelt nog één keer aan.

“Dames en heren, station Venlo.”

Glazig


Verhaal door René van DensenVanaf dat ik ’s ochtends binnenloop, doe ik alsof mijn aanwezigheid hier, ook in mijn eigen ogen, belangrijker is dan thuis op de bank naast de kat. Ik kan overtuigend doen alsof. Soms doe ik zo overtuigend alsof dat ik zelfs langer blijf dan de bedoeling is. En me drukker maak dan ik eigenlijk kan menen. Want welbeschouwd is al het werk dat ik ooit gedaan heb, ronduit belachelijk. Maar ja, als je eenmaal een rol speelt, verlies je je er zo makkelijk in.

Mijn collega’s trappen er erg goed in. Of misschien spelen die ook wel een rol. Misschien spelen ze wel dat ze geloven dat ik niet acteer. Misschien heb ik dat zelfs wel door en acteer ik dat ik niet weet of zij acteren dat zij niet weten dat ik acteer. Of misschien acteren we niet maar doen we allemaal maar wat. Met een pokerface.

Onderweg naar en van mijn werk kan ik niet acteren. Dan dans ik huppelpasjes op de muziek in mijn koptelefoon. Of ik haal een biertje in de supermarkt en slenter in de zon. Ik glimlach naar de medemensen en probeer hun schaduwen te vangen. Die bui krijg ik niet altijd bedwongen als ik achter mijn bureau zit te acteren. Soms maak ik dan een speelse grap. Of tien.

Als dan de collega’s me vermoeid aankijken, met glazige ogen. Dan weet ik het ineens weer. Ik ben de enige die doet alsof. Stil staar ik dan maar weer naar mijn scherm, vervuld van medelijden. En werp een snelle blik op de klok. Straks. Straks weer.