Karel de Karige

Twee

“Dit is een bijzonder moment,” zei ze, maar Karel keek haar nog altijd niet aan. “Iedereen die je ooit gekend hebt,” vervolgde ze, “loopt op dit exacte moment ergens op deze aarde rond. Enkel jij zit.” Karel overwoog de woorden. Als ze waar waren, was dit inderdaad een vrij uniek moment. Het was sowieso bijzonder dat iedereen die hij ooit gekend had, blijkbaar nog tot rondlopen op deze planeet in staat was.

En toch, wat moest hij met deze informatie ? Dat zij lopen en hij zat, dat hield geen verband met elkander. Deze vrouw probeerde hem iets aan te praten, dat was duidelijk. Haar intonatie klonk verwijtingsvol. Dus Karel zit, so what ? Zij toch ook. Alsof zij ijverig rond loopt te lopen met al die duizenden anderen die hij ooit gekend heeft. Ze zit maar mooi naast hem, de hypocriete trut.
Lees meer

Vier

Na een stilte die wel twintig dagen leek te duren, keek hij toch in zijn ooghoek. Hoge hakken, donkere panty’s, strenge bril. En vier lonkende lokken, als wenkende tentakels. Groene, vurige ogen en lange, gelakte nagels. Een grijns. Karel voelde zich direct achtervolgd en plukte voort aan zijn tabak. Maar dat was geen blijvende oplossing. De tabak kruimelde op de tegels en waaide weg; ooit was de buidel leeg.
Lees meer

Krabben aan de magie

Het jeukt, elke dag opnieuw, die magie. Dat er zonnestralen door ramen binnenbarsten. Kleine bolle vogeltjes aan vetbollen kleven, met hun zenuwachtig zoevende kopjes. Eten, kijken, kijken, kijken, kijken, eten. Het jeukt, dat er mooie en lelijke stenen dwars door elkaar opgetrokken zijn. Dat er lange arceringen getrokken zijn door vers water en aangekoekt kalk.

Dat er lampen kunnen knipperen die regels stellen. Die de mensen vervolgens aan hun laarzen en banden lappen. Dat er planten de grond eten waar de dieren begraven zijn die hen weer hebben aangevreten. En maar draaien met de hele boel. Je krijgt er nog jeuk van. Dat iemand ineens je leven in kan stappen. Dat je die ook weer kwijt kan raken. Dat alles klauwt, krioelt, kronkelt, kreunt, kraait, kraant en keurt.
Lees meer

Bezinning

Een moment van bezinning, dat is het punt, zo dacht Karel. Hij ging niet zonder omhalen een verhaal met hem aan de haal laten gaan. Het was zaak te zoeken naar bezinning. Hoe meer bezinning over zingeving, hoe minder plotseling plot de boel om zou komen ploegen.

Bezinning, dat doe je niet zomaar overal. Dat weet iedereen die wel eens wat met zinnen geworsteld heeft. Je hebt allereerst je marges. Die laat je leeg. Geen gekrabbel in de kantlijnen, dat leidt tot een slordige rommel. Van rommel valt geen zinnige bezinning te bakken. Als je voetnoten wilt kraken, moet je ook de ruimte voor de schillen laten. Dat was er nog zo eentje. Je kon prima de schillen gebruiken om op te lopen – het loopt niet heel gelijkmatig maar de olie is goed voor de vloer. Maar toch moesten de schillen allereerst ook wel kunnen neerslaan.
Lees meer

Lange nagels

Misschien wou ze er slechts langs of gewoon even bestellen, maar toch. Karel had ineens lange nagels op zijn schouder en hij vond het maar niks. Lange nagels, daar komt ellende van. Nurksig schudde hij de hand van zijn schoudergewricht.

Een set gestifte dameslippen fluisterde in zijn oor: “En zo sta je ineens oog in oog met je eigen persoonlijke plottwist.” Daar gingen Karel’s nekharen helemaal van overeind staan. De nagels, dat was al te veel, volledig ongewenst, laat staan een stel gestifte lippen, een vrouwenstem, of wat ze net zei. Karel zat helemaal niet te wachten op een plottwist. Strak keek hij voor zich uit.
Lees meer

Niet meer

Eraan denken, dat deed Karel niet meer. Hij wist zelfs niet meer waaraan hij niet dacht. Zoveel maakte hij zichzelf toch elke dag wijs. Dat het hem niks meer deed, wat er gebeurd was. Welnee. Ver achter hem.

Nee, hij dacht er zeker niet meer aan. Sowieso al niet meer elke dag. De dagen waren sindsdien allemaal bijzonder geweest. En daarom was er geen enkele dag bijzonder. De dagen waren bijmet. Bijzonder bijmet. Een kluwen bijmettige dagen. Monter stapte hij op kasseien en dacht vooral heel erg niet aan toen. Hij was er elke dag beter in geworden.
Lees meer

Krijgen

Je kunt natuurlijk vangen, dat is eenvoudig – je hebt er hard voor gewerkt en de vangst is van jou. Maar niet iedereen kan de hele tijd maar vangen. Dus moet je af en toe ook ontvangen, besloot Karel. En ontvangen, daar moet je niet lichtzinnig over zijn. Krijgen, dat is oorlog.

Karel is een ervaren Krijger. Hij bleek niet geschikt voor het jachtige jagen, dus dan blijven er weinig alternatieven over. Dit overpeinst hij wanneer hij zijn biertje van de barman krijgt. Je moest wel klasse en karigheid vertonen, meende Karel. Hij was geen gretige graaier. Krijgen is de kunst van de karigheid.
Lees meer

Altijd te kort rood

Stoplichten, dat vond Karel ook zoiets. Ze stonden altijd te kort op rood. Met een dwingende gevaarkleur dwingen ze je gejaagde pas te stoppen en te wachten. Je weet nooit hoe lang. Ja, in sommige van die nieuwerwetserige steden hebben ze van die luxe krengen die op allerlei moderne manieren aangeven hoe lang het nog duurt. Daar moest Karel al helemaal niks van hebben.
Lees meer

Het leven als een dartpijl

Ach, wie maakt u wat wijs. U leeft uw leven als een dartpijl. Met een forse zwaai bent u erin geslingerd, met een rotvaart raust u er doorheen, en ferm en krachtig komt uw pad ten einde op een relatief willekeurig punt op het bord. U heeft vast veel belangwekkends gedaan, verzameld, gezien of gevoeld onderweg. Maar in de grotere schaal van Alles was u vooral een worp van Niets.
Lees meer