Niet meer loos

Verhaal door René van DensenZo mooi als de liefde was, zo fantasieloos is het verdriet. Ik zwaai vaarwel naar wat vrienden uit mijn vorige stad en loop met mijn ziel onder de arm door waar ik het nu mee moet doen. Ik, ik, ik – ik voel me niet meer schuldig over zinnen die met mij beginnen, want het is nu aan mij. Enkel aan mij en mijn kat. En vrienden. Ik bel een vriendin, ze heeft andere plannen. Ik bel nog wat vrienden, iedereen is met hun leven bezig, en dat is goed. Ik probeer een koffiebar vol hippe mensen en na tien minuten zonder bediening steek ik mijn uitgetelde geld terug in de portemonnee. Slenteren. Ik denk: ik hunker weer. Dat is positief. De lichamelijke hel begint te verwijnen. Het is een bizar mooie dag en ik mis dat ik dat met jou kan delen.

Terras. Het zit vol met lelijke mooie mensen. Ze zingen mee met de buitenmuziek die woord voor woord, nummer na nummer, over mijn pijn gaat. Ik haat de clichés, maar zoveel mensen met mooie woorden zijn me al voorgegaan. Ik luister en bedenk mijn eigen verwoordingen. Ze zijn heel luid en stil. Duiven fladderen elkaar ambitieus na, de dag voelt als een te vroege lente. De huizen weerspiegelen samen met de blauwe hemel in een busraam. Iedereen op het terras is ook maar bezig om zichzelf staande te houden in een harde wereld. Ik voel me oke geloof ik. Denk ik. De tranen wellen opnieuw op maar de dag is te mooi, ze slikken zichzelf terug in.

Het gaat niet meer om jou. Ik weet niet of ik nog een jou in mij plek kan geven. Het zijn stomme, loze fases waar ik doorheen moet. Nu zit ik in het boze stuk. Voelt als een dom bordspel waar alle zetten bekend zijn. Maar je moet het spelen. Mijn lijf is er volgens mij bijna klaar mee, denk ik. Mijn kop heeft me rechtop gehouden, ik mag uiteen vallen. Mijn hart moet nog mee, hij gaat trager. De mensen lachen. Een prachtige hond ligt te hijgen op het terras. Ik vraag het veel te mooie barmeisje binnen in het café of ze hem wat water wil brengen. De liefde stroomt door een groot lek, het kan niet meer naar jou, ik hou nu van iedereen. Alcoholisten, valse mensen die lichamelijk anderen misbruiken, dieven, alles zal ongetwijfeld voorbij mijn oog passeren maar nu houd ik gewoon van iedereen, ik kan niet anders. De mensen zijn mooi en het leven gaat zo onverbiddelijk door. Ik voel mooie woorden.

Bij thuiskomst kan ik weer alleen maar beperkte zinnen maken die het pogen te vangen. Maar het gaat beter, denk ik. Ik durf het niet hardop uit te spreken want misschien is het niet waar. De kat wil een aai. Ik zeg haar stilletjes: volgens mij ben ik niet meer loos.

Catsitter

Verhaal door René van DensenDe catsitter mompelt dat hij het woord catsitter maar een raar woord vindt. De catsitter zou de catsitter niet zijn als ik geen catsitter nodig had. De catsitter is veel in Gent, ik ben minder in Gent, mijn kat is constant in Gent. De catsitter rolt een sjekkie en likt zijn vloei. De catsitter drinkt mijn bier op. De catsitter legt zijn voeten op mijn woonkamertafel. De catsitter snuffelt tussen mijn films. De catsitter eet mijn fruit. De catsitter veegt zijn voeten nooit. De catsitter schept soms de kattebak leeg met mijn spatel, ontdek ik wanneer ik mij een ei wil bakken. De catsitter heeft de tray van het bier leeg op tafel achtergelaten als sein dat er boodschappen gedaan moeten worden. De catsitter heeft enkele van mijn boeken op straat verkocht maar betaalt me volgende week terug. De catsitter heeft iets onbestemds tegen het plafon geplakt en het valt nog altijd niet naar beneden. De catsitter wil nog wel eens in een existentiële crisis zitten op het toilet. De catsitter schreeuwt op zondag teksten van obscure Duitsche schlagers. De catsitter staat eigenlijk liever. De catsitter spreekt altijd de naam van mijn kat verkeerd uit. De catsitter luistert met een half oor terwijl hij naar zijn telefoon staart. De catsitter hoor je van heel ver aankomen. Ik vertel de catsitter dat ik Wim Paeshuyse wel eens een verhaal heb horen vertellen waarvan elke zin steeds hetzelfde begint. Ook vertel ik dat dat verhaal ooit Joubert Pignon heeft doen opstaan, naar zijn kast lopen, een boek pakken, bladeren, en een verhaal voor te lezen waarvan elke zin steeds hetzelfde begint, waarna Joubert Pignon demonstratief het boek open op tafel voor mijn neus neerlegde. De catsitter zegt dat hij nooit een boek leest. Mijn kat is al dagen kwijt.

Ze vecht

Verhaal door René van DensenZe vecht. Niet meer zoals zojuist toen we haar uit de cat carrier probeerden te halen. Nu koppig. Koppig zoals haar baasje, als hij aan medische handen overgeleverd is. We passen, dat is helder.

De dierenarts heeft een deken over haar kooitje gehangen en helpt ondertussen de volgende klant. Het is een konijn dat niet wil eten. Vitaminetekort, ontsteking in de mond. Hij wordt in een dekentje gewikkeld en krijgt met een soort speelgoedspuit babyvoeding. Mijn kat vecht nog steeds. Ik hoor haar sissen onder de deken. Alsof ze wil zeggen: je kunt me dan wel verdoofd hebben, maar je krijgt mij er niet onder.

Maar ik weet dat ze zich klein voelt. Klein en bang. Ze vecht met immer de rug tegen de muur. Genieten, dat is rusten zonder angst. Ze kruipt graag onder mijn deken. Tegen me aan. Dan zijn we samen klein en bang. Klaar. Klaar om te vechten.

Langzaam zakt ze door haar pootjes. Maar niet volledig. Nooit volledig. Ze is niet van plan het op te geven, wat ze ook in haar spuiten. Woedend blaast ze, kwaad op de verdoving in haar aderen. Op de tintels in haar benen en het verlies van controle. Ik aai haar zachtjes en probeer haar in te fluisteren dat ze niet hoeft te vechten. Ze sist. Maar niet naar mij. Maar luisteren, dat gaat ze ook niet doen. Ze vecht.

Klei

Verhaal door René van DensenMijn ogen proberen het wel, om de boeken te lezen van schrijvers met belangrijkere namen dan de mijne, die in hoge stapels op mijn toilet liggen, maar de woorden kunnen me volstrekt niet bekoren en zeker Campert vind ik een lul. Die sla ik dus rap over in de verzamelbundel, maar ook andere schrijvers willen er niet in. Dat kan aan mijn vermoeide ogen liggen, of aan het gerommel in mijn maag, dat klatsen boetseerklei oplevert die speels in het water onder mijn billen de eeuwigheid tegemoet plonzen.

Mijn kat legt ook onvaste plakken, constateerde ik bij thuiskomst. Ze hebben een ongezonde kleur en ook aan haar achterste kleeft een vochtige groene substantie. Mijn kat moet naar de dierenarts want ik heb geen dierengeneeskundige opleiding genoten en kan haar dus niet helpen. Ik kan wel de dierenarts aan een flinke zwik geld helpen zodat hij of zij mijn kat kan helpen. Van de kat krijg ik een kopje. Zelf kan ik alleen krakkemikkige korte verhaaltjes schrijven die andere mensen ongetwijfeld vol walging wegklikken omdat de woorden hen volstrekt niet kunnen bekoren en ze me een lul vinden.

Mijn kat is echter niet zielig, mijn kat is stoer en lief. Ze heeft geen pijn. Een. Ik ook niet. Twee. De plonzende klei ruikt en voelt anders dan de plakken die de kat legt. Dat is mooi, dan hoef ik zelf niet naar de dierenarts. Drie. Ik tel mijn zegeningen. Het ene na het andere boek leg ik ondertussen vol walging terug op de stapel: wat zijn er toch een hoop bomen zinloos gesneuveld. Ik neem veel toiletpapier.

Vlooien

Verhaal door René van DensenMijn nieuwe buurvrouw zegt dat ze vlooien heeft. Die vlooien heeft ze niet als huisdier. Ze zijn zelfs niet van haar maar van de vorige bewoner. Mijn vorige buurman, die zijn kat ietwat verwaarloosde, heeft de vlooien achtergelaten, zonder eten of drinken, gewoon aan hun lot over. Ze zijn des te blijer met de buurvrouw, die ze als warm en zeer smakelijk kenmerken. Mijn buurvrouw krabt en gooit nu dagelijks haar wasgoed in de wasmachine, daarna in mijn droger. Ze zegt dat ze zelf een droger gaat kopen.

Mijn eigen kat heeft geen vlooien. Ik heb met de kam gecontroleerd. Wel enkele teken maar ik ben geen held met die tekentangen. Ik heb er inmiddels zeven. Steeds koop ik er ambitieus een en denk ik ‘vandaag ga ik alle teken van mijn kat verwijderen’. Op goede dagen kom ik thuis en blijkt de kat geen teken te hebben. Op slechte dagen belandt de tang of klem op een stapeltje omdat ik bang ben de teek kapot te knijpen en mijn kat dodelijk te vergiftigen. Ik ken soms mijn eigen kracht niet en mijn kat is best lief. Op verjaardagen geef ik nu mensen standaard een tekentang. Dat houdt de collectie een beetje in bedwang. Ik vertel expres niemand wanneer ik zelf jarig ben uit angst een tekenklem terug te krijgen.

Er is een speciale truc om mijn kat haar vlooiendruppel te kunnen geven. Ze is nerveus en gewelddadig verdedigend aangelegd. Het beste is dus haar als ze loom of slaperig is, stiekem te druppelen in haar nek en dat dan in te masseren. Even denkt ze dan spinnend dat je haar aait. Daarna haalt ze alsnog je armen open, rent het halve huis rond en gooit alles stuk. Met deze methode is het slechts het halve huis. Ze heeft in zo’n paniekbui nog nooit een tekenklem gebroken. Het eerste dat ik steeds erna controleer.

Terwijl ik een tekentang in cadeaupapier inpak, voel ik een scherpe steek in mijn kuit. Ik vermoed al wat het is. Voorzichtig mijn broek optrekkend vang ik moeiteloos de vlo. Het is spijtig voor de vlo maar ik verdrink ‘m in de fruitvliegenval. Dan pak ik de spuitbus en spuit deze leeg, op de deurmatten, langs de buitenmuur, op planten, op de vensterbanken, op stoelen, het kan me niet schelen. Ik heb genoeg vlooienplagen in mijn leven gehad en ben er klaar mee. Beteuterd schud ik de bus en overweeg een nieuwe te gaan halen. Maar met mogelijke vlooien in mijn kleren kan ik natuurlijk de straat niet op. Ik ben ineens een wandelend gevaar voor de volksgezondheid.

Buiten schijnt een stralende zon en ik zit weg te kwijnen. Stiekem hoop ik dat een teek mij pakt.

Sven


Sommige schrijversvrinden doen serieuze moeite om verhaaltjes te verzinnen om te schrijven. Bij het ontwaken ligt een verse dode muis aan mijn voeteneind. Ik zeg tegen de poes dat ze die goed gevangen heeft en loop dan blootvoets mijn huis uit. Ik woon achter een poort, en wanneer ik die naar straat open vallen er twee mensen binnen. Letterlijk. Blijkbaar stonden ze te leunen.

Ze zeggen hola. Ik zeg goedemorgen, met een dode muis in mijn ene hand en de klink in de andere. Ze zeggen dat ze voor Sven komen, dat ze hier eerder zijn geweest bij een feestje, dat het voor hierboven is. Ik zeg dat er geen Sven woont. Een van de mannen blijft half in de deuropening hangen. Na een paar minuten kermt hij, iemand, help mij overeind. Ik help de man overeind. Hij grijnst wat en zegt, prothese.

De andere man heeft volgens mij geen prothese maar die staat een stuk wankeler. Hij blijft praten over Sven. Ik wil dat de mannen weggaan, ten eerste woont hier geen Sven, ten tweede wil ik niet dat mijn kat ontsnapt. Het is te laat. MIjn kat glipt tussen de protheseman zijn benen door en rent de straat op. Getoeter. Piepende banden.

Binnen enkele minuten komt ze terug, triomfantelijk een vrachtwagen aan mijn voeten leggend. Er stapt een woedende chauffeur uit de cabine. Ik vraag de man vriendelijk of hij Sven heet. En anders of hij een muis wil.

In haar ogen

Verhaal door René van DensenMijn dag begint in de ogen van mijn kat. Intens kijkt ze me aan. Alsof ze de hele nacht en het stukje ochtend tot mijn wekker afgaat, naar mij heeft zitten staren. Geen kik, ook. Een soort onverschillig, maar intens staren, groene spiertjes die een groot zwart gat opentrekken waar ik in weerspiegeld ben. Tien centimeter van mijn gezicht af.

En daar ben ik. In haar ogen. Er schittert ook een beetje daglicht in, maar vooral zie ik mezelf. Ze geeft geen krimp wat ze ervan vindt dat mijn ogen open zijn, terwijl ze zojuist binnen waren. Er wordt niet gespind. De pupillen verwijden zich niet, ze geeft niet aan dat ze honger heeft. Ook ligt ze niet opgekruld op mij. Ze ligt naast mijn hoofd en staart. Met een spiegelende, expressieloze blik.

Ook geen oordeel. Geen vraag. Geen mening. Geen verwachting. Mijn kat ziet dat ik wakker ben, en zojuist nog niet was, en dat is alles. Zoals mensen over een genoteerd beursaandeel lezen waar ze niet in geïnvesteerd hebben. Ze gaapt ook niet. Even, nu en hier, is ze een spiegel.

Ik staar terug. Ook geen kik. Ergens in de achtergrond klinkt mijn wekker. Maar ik ontwaak enkel in haar ogen. En daar lig ik nog even goed.

Dom mens

Verhaal door René van DensenIk snap het wel: er zijn al twee van die openklapplanken overleden omdat ik erop geplast heb. Dus nu heeft het baasje er drie, op drie verschillende plekken in huis. Zo te zien heeft hij er eentje meegenomen, want ik vind er maar twee. Niet dat ik hard aan het zoeken ben, deze dingen kunnen me niet heel veel schelen. Ze zijn lekker warm om op te zitten, vooral die wiebelige toetsenborden. Maar hij heeft er dus twee achtergelaten. Dom mens.

Het is een peulenschil om ze aan te zetten. Deze gaat zelfs aan zodra ik de klep opendoe. Zijn wachtwoord heb ik honderden keren ingevoerd zien worden vanaf zijn schoot. Ik deed alsof ik geconcentreerd mijn staart likte. En al die keren dat ik over het toetsenbord liep, oefende ik mijn type-skillz. Zolang ik niet met mijn volle gewicht op de letters ga staan, zzzzziiieeeett allllllllllessdrf errrrrrr norrrrrrrammmmmmmmmmmmaal uit.

Hij moet me ook niet zo lang alleen laten, elke dag. Natuurlijk, de huisgenoot is ook veel thuis. Meer zelfs dan mijn eigen mens. Om het in te wrijven lig ik nu regelmatig bij de huisgenoot op de kamer. Bij hem en diens kat. Mijn eigen mens ligt helemaal alleen in bed. Moet hij maar meer thuis zijn. Maar dan gaat hij dus nóg weg, elke dag weer. Dom mens. Dus. Tijd voor drastische acties.

Eens zien. Hier staan alle schrijfprojecten waar hij de hele tijd aan prutst. Klik, delete. Kan hij helemaal opnieuw beginnen en is hij weer meer thuis. Op deze computer staat nog niets om films en series te kijken. Even installeren. Ik wil mijn warme schoot, verdomme. Het is koud aan het worden.

Er knippert iets rechts onderin het scherm. Het beweegt oeh oeh oeh oeh. Oeps. Op geklikt. Ehm. Windows 10 installeren, wat beteke

Alleen een drol

Verhaal door René van DensenIk staar naar het plafond terwijl ongetwijfeld een mijt of mug of vlo me leegzuigt. Mijn kat spint op schoot. Je wil in feite enkel van een drol echt weten hoe die gemaakt is. Al de rest, elk ander ding, is leuker in je verbeelding.

Misschien is dit plafond niet gewoon suf gemetseld, maar uitgestoken uit een plafondenveld. Een grote betonnen vlakte waar noeste vrouwen – mannen kunnen nooit zo’n verfijnd plafond produceren – zorgvuldig de gepaste plafondvakken uithakken. En dan hop, op de wagen en bovenop mijn zichtveld. Zo staar je naar de sterren, zo observeer je een plots plafond.

Ik vraag de poes of ze vandaag een drol heeft gemaakt. Ze spint. Ik neem maar aan van yes. Ik vraag haar hoe ze de drol heeft gemaakt. Met dichtgeknepen ogen staart ze me dolgelukkig aan. Goed hoor, lijkt ze te willen antwoorden. Goed hoor. Geen problemen. Op de ruit striemen herfstige regenstreepjes.

Soms moet je de magie gewoon niet willen verstoren.

Wie denk je dat je bent

Verhaal door René van DensenDit is gewoon mijn week niet, denk ik berustend terwijl zijn hand mijn keel grijpt. Zo sta je in een lange rij voor de geldautomaat, zo staat er een groep opgefokte kindjes – jongeren mag dit groepje amper heten – oorlogsverklaringen naar je te brullen. Omdat ze zelf voordrongen en jij het lef had er iets van te zeggen.

“Wie denk je dat je bent,” spuugt hij in mijn gezicht, dreigend zijn kop voor de mijne. Ik hou mijn rug recht en zeg kalm terug dat ik denk dat ik iemand ben die in de – hij onderbreekt me en schreeuwt wie ik denk dat ik ben, alsof ik zijn vraag niet gehoord heb. Ik verlies iets van mijn resterende kalmte en brul: Ik denk dat ik iemand ben die gewoon net als iederéén in de rij stond, lul !

Als hij de rij nu niet had gezien of het gewoon niet begreep, dat was één ding. Ik zei toen hij ineens naast de rij vooraan ging staan, kerel, het zijn geen twee rijen, er is maar één automaat. Omdat hij deed alsof hij me niet gehoord had, tikte ik hem op de schouder, waarop hij me ongeïnteresseerd aanstaarde en ik mijn verhaal herhaalde. “Bemoei je met je eigen, loser,” was zijn antwoord en hij draaide zijn rug naar mij terug.

Ik geef toe dat ik hem toen bij zijn middel heb gegrepen en achteraan de rij heb gesleurd. Dat was niet netjes, maar leek op dat moment de enige manier om de rechtvaardigheid van de rij te herstellen. Nu sta ik hier met een hand op mijn keel, geschreeuw vanuit vijf richtingen, en twee omstanders die enthousiast het voorval met hun smartphone filmen.

Ik vraag me af of ik oud ben geworden. Voor mij valt een ander lid van de rij me bij en begint te roepen dat ze moeten dimmen anders belt hij even en staan er zo nog vier mensen bij. Meisjes gillen onverstaanbaar hysterische kreten. De klanken van de jongens versmelten tot een soort wilde apengeluiden.

Ik denk aan liggen in het gras, ver weg van alles en iedereen, met wat wolkjes kalm aan het zonnig blauwe firmament. Misschien een verkennend fladderend vlindertje, ergens nabij. Zo’n dorst had ik eigenlijk ook weer niet.