HOEBELE BOEBELE

Hoebele boebele
Bom bom bom

Ik laat je praten
En maal er niet om

Hoebele boebele
Paa paa paa

Denk het maar te weten
Met je bla bla bla

Hoebele boebele
Rappappee

Vind lekker wat je vinden wil
Ik zit er echt niet mee

Hoebele boebele
Sjoebiedoe

En mocht je soms jaloers zijn
Doe dan maar na wat ik doe.

Ventilator


Verhaal door René van DensenIk wou alleen maar een ventilator. Een goedkope. Het wordt nog meer zomer deze zomer, en mijn vorige goedkope ventilator is op. Het eerste zomerslachtoffer. Dus ik loop de goedkopespullenwinkelketenwinkel binnen. Even, éven, een ventilator halen. Dat valt vies tegen. Sinds mijn zware concentratieproblemen vorig jaar begonnen, vind ik niet alles meer op dezelfde plek als waar ze horen te staan. Een beetje alsof het universum stukjes mist. Dat is natuurlijk niet zo: ik mis stukjes. Het universum is er nog best okee aan toe. Dat gaat mij wel overleven. Garantie afsluiten niet nodig.

Ik loop rond en rond in de winkel maar ik zie niet wat ik zoek. Geen ventilator. Geen ventilator ? Dat kan niet, beslis ik, en ik loop nog een rondje. De verschrikkelijke muziek schettert rechtstreeks mijn kop in. Een of andere Nederlandstalige rapper met een zoveelste gemakzuchtig, inhoudsloos liedje. Ik begin me er dusdanig aan te storen, dat de verkoopboodschap die het riedeltje onderbreekt, aanvankelijk welkom is. Maar dan zijn er plots ook jengelende kinderen. Een paar maar, maar ze zijn luid. Ze gillen en maken allemaal felle, onvoorspelbare geluiden. De hoek van de winkel waar ze niet zijn en waar ik heenvlucht, staat dan weer vol met mensen met een heel plat, lokaal accent. Ook erg.

Ik probeer me te concentreren. Ventilator, ventilator. Deze hoek van de winkel is de verkeerde. Nergens een ventilator. Maar de kindergeluiden worden luider. En talrijker. Ik durf niet te kijken. De accentmensen kijken wel. Hun ogen worden groter. Ik draai me om. De kinderen vormen inmiddels één grote, dreigende muur die op onze hoek van de winkel af komt. Hun onvoorspelbare geluiden vormen inmiddels een onheilspellende geluidenbrij. Hoog torent de kindermuur nu al boven ons uit. De kinderen kijken heel sinister. Voor hen uit blijkt de rapper te lopen. Hij brult zijn teksten agressief naar ons toe, in een microfoon die hij scheef ondersteboven houdt. Hij zwaait heel breed met zijn vrije arm.

Ik wou alleen maar een ventilator.

Smile….

Daar sta je danMijn mailbox zit er vol mee, met grappige reacties, maar vooral schrijven ze veel: Smile, je staat op Geenstijl. Het is zowaar ook zo. Okee. Het was een gek dagje gisteren. Zo schrijf je maandenlang teksten hier en op facebook – wat zeg ik, alweer ruim een jaar, elke dag – en zo slaan poterdorie je Marktplaats tekstjes aan. Marktplaatstekstjes. Ja echt. Schijnbaar zijn ze een hit. Vind ik niet erg, want zo verkoop ik zowaar die oude dvds nog een beetje (ik kan het geld verdomd goed gebruiken) maar wutfuk. Misschien dat ik vanaf nu gewoon alleen maar marktplaatstekstjes moet gaan schrijven. Ik kreeg zelfs aanbiedingen om hier of daar te gaan bloggen, ik kreeg fanmail, ik kreeg natuurlijk wat reaguurderstront over me heen (hoort erbij) en de analytics van deze website zijn ook heel erg grappig vandaag. Enfin, hopelijk gaat vandaag weer iedereen normaal doen. PS: deeveedeetje kopen ?

Wie ik ben


Verhaal door René van DensenVerstoord kijk ik de tankstationbediende aan. Ik heb nu al allures. Weet hij soms niet wie ik ben ? Nee, geeft hij toe, dat weet hij niet. Ik ben een fenomeen, help ik hem dan maar een beetje. O, zegt de bediende. Nee, natuurlijk heb ik geen interesse in zijn aanbieding, zeg ik. Okee, zegt de bediende, en fijne dag verder nog. Ik loop het winkeltje uit met mijn sigaretten, blij dat ik de man een beetje in zijn algemene kennis heb kunnen helpen. Dat er nog mensen zijn die me niét kennen, je snapt het soms niet.

Ik bel aan bij de Opperpater. Zijn stem bromt ‘Hallo ?’ door de intercom. Ik overweeg om niet te antwoorden. Hij weet dat ik kom. En sowieso ben ik nu beroemd. Dan hoef je toch je naam niet meer te noemen naar de mensen ? Maar de Opperpater is een echte vriend, dus zeg ik in de interkom dat de kerstman er is. Hij doet open. Het is eind juli, maar enfin. Hij bokst mijn hand. “Je bent laat, knikker.” Wat ? vraag ik verbaasd. “You’re late, knikker.” Ik antwoord dat het een gekke dag was en dat ik het daardoor wat druk had. De Opperpater vraagt niet verder.

Terwijl we film kijken en bier drinken, zegt de Opperpater dat ik hem ook wel Jimmy mag noemen. Ik kijk hem verbaasd aan. Big Jim, dat mag ook, zegt hij. Ik vraag hoezo dan. Hij vertelt dat hij vroeger actiefiguren had. “Een soort Ken van Barbie, maar dan met vechtkleding,” zegt hij. En dan speelde hij en zijn vrienden er mee. Hij was dan Big Jim. Hij had die pop nog ergens, bij zijn ouders. En allemaal andere oude dingen. Ik vraag door. Hij blijkt heel veel oude dingen misschien nog te hebben. Ik raad hem aan om die op Marktplaats te zetten. Wat is dat, Marktplaats, vraagt de Opperpater.

De fantasie


Verhaal door René van DensenAls de fantasie ’s ochtends een ommetje wil gaan maken, trekt hij zijn sjaal aan en zet hij zijn koddige petje op. Hij heeft er zin in. Welk onheil hem boven het hoofd hangt, kan hij nu nog niet vermoeden. De fantasie gooit een botersnoepje in zijn mond en loopt neuriënd de deur uit. Het is droog. Dat is al heel wat. Gisteren zwommen de mensen in de straten. De fantasie zou graag hebben gehad dat dit verzonnen was, maar het was echt. Het gaat slecht met de fantasie: de realiteit wint terrein. De realiteit is de aartsvijand van de fantasie. Volgens de vrouw van de fantasie kan hij niet zonder de realiteit, maar dat weet hij nog zo net niet.

Kijk dan, denkt hij, wanneer hij de woning van de realiteit passeert. Patser. Reusachtig paleis, enkel om te imponeren. Er is niks origineels of zelfs noodzakelijk aan, dit is puur schone schijn. De realiteit doet zich graag beter voor dan hij is. En hij heeft al zoveel. Er is steeds minder werk voor de fantasie. Maar het weinige dat er is, pikt de realiteit ook met liefde in. Tegen een bizar laag uurtarief. De realiteit hoeft niet veel te kosten. En waarvoor, dat is de fantasie niet duidelijk. De realiteit is alleen, heeft geen monden te voeden. De fantasie heeft thuis miljarden geestelijke kinderen. Wat zegt hij, miljarden – talloze. Ontelbare. Onvoorstelbaar vele.

En plots voelt hij een scherpe steek in zijn rug. In zijn nek ademt de realiteit. “Eindelijk,” sist de realiteit, “eindelijk heb ik je, smeerlap.” Hij trekt het mes uit de fantasie en steekt nog een keer, en nog eens. De fantasie hapt naar adem, proeft bloed. Alles draait en dwarrelt zwart. Als hij op de stoep ineenzijgt, draaien zijn ogen hun kassen in. De werkelijkheid is plotseling wel heel dichtbij, denkt hij. Even probeert hij te doen alsof hij het zich allemaal maar inbeeldt. Was zijn oude vriend, de droom nu maar hier.

Net als in de film


Verhaal door René van DensenIn een film is alles mooier. En ook alle vervelende dingen zijn uiteindelijk niet écht. Geloofwaardig, af en toe, maar niet echt. Daarom besloot ik van mijn leven maar een film te maken. Kijken of het daar leuker van wordt. Wie weet zou het nog wat opleveren ook. Aan een film valt geld te verdienen. Ja, hoe meer ik erover dacht, hoe meer ik het zag zitten. Dit kon niet misgaan. Natuurlijk kon het wel misgaan. Alles wat ik onderneem kan misgaan. Maar als dit misgaat, dan gaat het meteen ook niet helemaal echt mis. Net als in de film.

Maar ja, wordt maar eens een film. Ik begon, zoals dat bij mijn generatie hoort, met voornamelijk eerst heel hard een film te zitten te willen zijn. Als je iets maar hard genoeg wil, namelijk, zo is me altijd geleerd, dan gaat het wel lukken. En willen, dat kan mijn generatie wel. Ik heb er wat meer moeite mee, maar hier heb ik het wel voor over. Dus zit ik me kapot te willen op mijn bank. Van ’s ochtends tot ’s avonds wou ik er wild op los. Ik ging er eigenlijk wel van uit dat dat genoeg zou zijn. Maar ik werd geen film. Het was heel vreemd. Ik heb toch vooral keihard gewild. Net als in de film.

Misschien was ik postmodern of zo, anders. Of hoe die films ook heten waarin de dingen juist helemaal niet lukken. Waarin alles naar de verdoemenis gaat. Dat zijn stomme films. Het moet juist goed gaan. Mijn dagen moeten allemaal cliché-eindes krijgen. En dan, als ik in slaap val, bloepers en outteeks. Ik wil geen realisme. De echte wereld is helemaal niet leuk. De echte wereld is stom. Niemand wil zich met de echte wereld bezig hoeven houden. Ik wil een luchtig, vrolijk liedje zijn. Zo eentje die je neuriet. En niet meer uit je kop krijgt, de hele dag. Net als in de film.

Ooit, met wapperende gordijnen


Verhaal door René van DensenIk had niets en zij had schulden. Maar we hadden elkaar en de droom. Ergens haat ik het om zoiets privés als dit uit te schrijven, maar we droomden beiden van wapperende gordijnen en schrijven. En voor de rest, verzonken in elkander, naar de kloten gaan. Soms ontmoet je zo iemand en denk je enkel, ja, als mijn leven toch moet ophouden, dan maar zo. En even zag ik in haar prachtige ogen hetzelfde. Maar toen gebeurde wat altijd gebeurt: de realiteit. Wie ik ben, wat ik uiteindelijk doe, waar we uiteindelijk zijn. Voor mij is dat punt een verrrukkellijke, symfonische wake up call. Voor haar was het een schreeuwend, zeurend wekkergeluid.

En daar was ik weer. En natuurlijk ontmoette ik weer iemand. En die was nog erger. Alle clichés waren van toepassing. Ze wou me veranderen. Ze wou mij ketenen. Ze wou mij in andere kleding en met ander haar. Ze wou mij in een betere baan. Ze wou mij zoals ze altijd gedroomd had dat de, dé kerel was. En ik wou haar. Dat was mijn grootste fout. Ik wou haar meer dan de vrouw die me niét wou veranderen. Het is een liedje zoals een bluesschema: niks verandert.

En toen was er niks. Dat is niet waar. Toen was er een kat. Ze was ooit een kleine kitten. En toen was ze een dame. En zelfs katers in de buurt kwamen haar aanbidden, medische ingreep of niet. Allebei. Elke avond nog jankt hij aan mijn woonkamerraam. Ik wil hem zelfs een kans gunnen. Hij was zo schattig dat hij zelfs al meerdere dode muizen is komen brengen. Niet om mij, maar om mijn meisje. En zij moet hem niet. Ik zou haar haast willen slaan. En hem ook. Besef een keer waar je mee bezig bent, vertel ik haar elke ochtend.

En dan realiseer ik me weer wat ik allemaal aan het verknallen ben. Meestal begin ik daar de alcoholconsumptie van de dag. Want ik wil vergeten. Ik wil vergeten wat ik had, wat niet paste, wat misschien nooit meer op mijn pad komt. Ik wil vergeten hoe ik fout ben voor iedereen. En al drinkende, word ik fouter. Het is ook een manier van bestaan. Spreek me maar eens tegen. Ondertussen drink ik me dieper mijn dal in. Soms vraag ik me af wie harder gered moet worden: de prinsessen die wachten op hun prins, of de verloren kerels die hopen op één touw in het drijfzand. Het ergst zijn zij die hun drijfzand boven alles verkiezen. En dan durven klagen over het uitzicht. Waren er boven maar wapperende gordijnen. De inkleuring telt ook.

Elfde filmgedicht: Inland Empire (2006)

front-040414-videos-202x130Ik ben een man van mijn woord, maar soms wel van mijn eigen tijd. Daarom kom ik nu, ten lange leste, een afspraak na, en presenteer ik mijn elfde filmgedicht: Inland Empire.

Wacht even René, huhwat ? Filmgedicht ?

De trouwere volgers wisten dit al, maar al een paar jaar schrijf ik op onregelmatige basis gedichten om bij filmvertoningen voor te dragen. Dit doe ik vooral – althans, bijna exclusief, zie voetnoot – op speciaal verzoek van het sympathieke Gentse kunstenaars- en dichterscollectief De Wolven van La Mancha. In 2012 begonnen zij met een maandelijkse filmavond in café Los Perros Calientes, en ze vroegen de leden van het collectief (ik was toen ook officieel lid) om één film uit te kiezen, een gedicht erbij te schrijven, en dat te komen voordragen. Ik woonde echter niet meer in Gent maar opnieuw in Tilburg, en om even op de woensdagavond af te reizen en de volgende dag dus verlof te moeten nemen van mijn betaalde werk, was ingewikkeld. Ik stelde een compromis voor: wat als ik bij elke film een gedicht schreef, zolang zij konden zorgen dat iemand het voordroeg ? Dan kon er altijd, zo mogelijk, nóg een dichter zijn eigen interpretatie komen brengen, maar waren ze verzekerd van minimaal één gedicht. Het antwoord: Dat vinden wij een prachtig compromis.

Anderhalf seizoen

Aldus geschiedde. Het eerste seizoen blonk uit in prachtige filmkeuzes. Aangezien ik in Tilburg deze films van tevoren bekeek om er een gedicht bij te schrijven, smulde ik van mijn cinematisch dieet. De verantwoordelijke voor deze uitmuntende keuzes is Jan De Lille – ik noem gewoon even man en paard. Helaas trok, wie zal zeggen waaróm, deze reeks filmavonden maar beperkt publiek. Toch werd er nóg een seizoen aan geplakt het jaar erop. Met goede hoop dat de toeloop groter zou zijn. Toevallig kon ik ook één keer wel zelf mijn gedicht komen presenteren, en heb ik het met eigen ogen gezien: in het café was ruimte genoeg en alles was tot in de puntjes verzorgd, maar als er tien man zat te kijken, denk ik dat ik al mensen dubbel heb geteld. Enorm spijtig.

“Ik maak de hele reeks af !”

Er werd dan ook, ongeveer na anderhalf seizoen, besloten ermee te stoppen. Geen gratis film meer. Maar ik riep, overmoedig, dat ik de reeks af zou kijken en álle filmgedichten nog zou schrijven. Dat deed ik ook. Het onvertoonde PI (de eerste film die nog vertoond zou worden als er niet gestopt was) heeft een filmgedicht. Ik ben nog naarstig op zoek naar de film Skin, die daarna zou komen, dus die ben ik de mensen nog schuldig. Maar de film waarmee kijkseizoen 2 zou afgesloten worden, is de David Lynch film Inland Empire. En omdat, als ik iets beloof, ik het ook doe, is daar dus nu ook een filmgedicht bij geschreven.

Nog één te gaan…. Ik blijf zoeken naar de laatste film.

Kom dat eens bij mijn film doen René

Voetnoot: tijdens La Ville Perdu dit afgelopen voorjaar, presenteerde ik ook een filmgedicht in de Tuin van Heden, voor een heel ander collectief. Ik sta dan ook open voor elke filmvertoning die het wel ziet zitten om er poëzie aan te koppelen. Heb je interesse ? Stuur me gewoon even een berichtje.

Opblaasbal


Verhaal door René van DensenEr zit geen wending meer in mijn weken. Weekend bestaat niet meer. Heel lang heb ik gepoogd een weekpatroon vol te houden. Zelfverlakkerij, uiteraard. Als de dag geen reden heeft om een dinsdag te zijn, is het gewoon een dag. Een in een lange, schuifelende rij. Ik probeer nog steeds sommige dagen een eigen betekenis toe te kennen, zoals de dagen dat ik bij de Opperpater thuis, in Club P., mag langskomen. Maar zelfs die roepen eerder een ‘oh ja, dat is vandaag’ besef op wanneer het kalmpjes richting te laat kabbelt. De tijd is een uitdijende zee van onbenutte potentie. Ik ben een opblaasbal.

Mijn huid staat nog strak. Dat wel. Ik zie er zelfs, naar het schijnt, best goed uit. Voor een plastic opblaasbal dan toch. Je moet ervan houden, van zo’n opblaasbal, maar als je er toevallig van houdt, schijn ik best een goeie te zijn. Dat is me tenminste door opblaasblalliefhebbers verteld. Of die er eigenbelang bij hadden om te jokken of te overdrijven, betwijfel ik. Er valt niet veel te winnen aan een opblaasbal. Het oogt leuk hoor, maar als je uiteindelijk de bestanddelen optelt, heb je vooral veel lucht en een slap velletje plastic over. Ja, je kunt er leuk mee spelen. En het roept wellicht een koddig gevoel op. De aanblik van zo’n opblaasbal. Wellicht is het de goedheid. De nobele inborst van de liefhebbers. Zalvende woorden voor de lieve opblaasbal, die kwetsbaar onder de zon rondrolt en voortstuitert.

Je kunt er niet mee naar de winkel. En in praktisch opzicht heb je er ook niet veel aan. Ja, er is één heel helder voordeel: met de lucht eruit neemt hij vrijwel geen plek in. Zo’n bal. En blaas je hem wél weer vol trots, dan is er een veelvoud aan spellen die je ermee kunt spelen. Om de tijd te doden. Oneindige mogelijkheden ter berstrijding van die uitdijende zee. Oceaan. Oceuit. Oceaan. Oceuit. Ik voel de zon onder mijn vel. Het is dus dag. Ik weet niet zeker welke dag, maar het is er een. Dat is toch iets. Mijn inborst zet alweer uit. Oceaan, oceuit.

De dagen


Verhaal door René van DensenDagen dat je je poriën voelt jeuken. Dat elk woord stroperig uit je vingers druipt. Dat zelfs een kogel niet wil opschieten. De dagen dat de wereld bevolkt lijkt met trage mossels en andere bejaarden die allemaal tegelijkertijd in je weg gaan rijden of lopen. Dat je er niet aan zou moeten denken dat je ooit weer alcohol consumeert. De dagen dat de kat enthousiast miauwend binnen komt rennen en het je totale zelfbeheersing kost om haar geen aframmeling te geven. Ze merkt er natuurlijk niks van. Het is maar een gevoel, een gedachte. Geen daad.

Natuurlijk belijd je uiteindelijk zulke dagen in stilte. In lichte schaamte zelfs. Je hebt het helemaal zelf gedaan. Wéér. Weer ging je te ver. Sukkel. Weer dronk je ver voorbij je limiet. Je leert het nooit. Nee, kom niet aan met je ‘het was gezellig’. Je hebt weer je eigen grenzen niet erkend, herkend, je hebt ze grofweg gemist. Mijlenver gemist. Als je eigen limieten een verkiezing waren, was je nu Miss Universe. Nee, Miss Next Universe. Hoé je er telkens weer in slaagt jezelf zo de puinhoop in te zuipen, ik heb werkelijk geen idee. Maar het is een talentje hoor. Applaus.

En daar lig je nu. Je ontbijt piept in de magnetron. Het piept nog eens, even later. “Heb je me gehoord ? Het eten is klaar en zo. Ik zeg het maar.” En nog eens. “Hee, voor mij is het niet relevant he, maar dat eten van je is warm. Het wordt steeds minder warm.” En nog eens. “joehoe, kom je het nog halen ? Je mag het evenzogoed laten liggen hoor, kan mij echt niet schelen. Maar eh, waarom heb je me dan überhaupt dit laten opwarmen ?” En nog eens. “Pieperdepiep. Is daar iemand ? Is er nog iemand thuis ? Ben ik helemaal alleen ? Ik vind dit maar eng. HELP !” En nog eens.