Schroefje

Verhaal door René van DensenIk ben een schroefje. Met vuur en kracht ben ik in deze vorm geperst. Ik heb een nuttige schroefdraad. Een tijdje dien ik een doel. Onvermijdelijk slijt ik eens. En dan moet er een ander schroefje komen. Mijn nut zit er dan op. Het is nog niet zover, maar die tijd komt. Ik kan breken. Mijn kop kan gaardraaien. Ik kan losslijten. Mijn schroefdraad, hoewel sterk, is niet onverwoestbaar. Ik zit nu nog krachtig op mijn plaats en dien mijn doel. Maar niets duurt voorgoed. Ik heb het al gezien bij andere schroeven in mijn buurt.

Wat gebeurt er met de gebroken schroeven ? Waar gaan de nuttelozen heen ? Ik weet het niet. In feite heeft het op dit moment geen zin voor mij om dat wel te weten. Het heeft geen invloed op mijn taak en functie. En waarschijnlijk is het iets waar ik me niet op kan voorbereiden. Ik ben een schroef, ik schroef. Wanneer ik geen schroef meer ben, ben ik iets anders. Of er dan nog een ander nut voor me in het verschiet ligt, dat weet ik niet. Ik kan er niet nu al voor omgeschoold worden. Ik dien nu dit doel. Je kunt jezelf niet half breken. Toch knaagt de vraag. Waar gaan ze heen, de nietmeerschroeven ?

Misschien worden ze opgelapt. Of gesmolten en weer tot een nieuwe schroef gegoten. Of een spijker. Of een scharnier. Een deurklink. Ik weet niet of ik in deze reïncarnaties geloof. Het is zo moeilijk in te beelden. Ik ben nu gewoon deze schroef. Déze, die ik ben. Er is wat ik ben, en er is wat ik niet ben. Wat ik niet ben, is buiten me. Ook wat ik nog kan worden, of ben geweest, is buiten me. Heel de dag schroef ik. Maar je blijft toch het gevoel houden, dat er meer in het leven is dan simpelweg een schroefje zijn. Of is dit echt alles ?

Geen maandag

Plotseling is er geen maandag. Althans, plotseling: dat klinkt iets teveel alsof dit plotmatig plaatsvindt. Het is meer deus ex machina onverwacht. Althans, deus ex: ook dat is teveel eer. Het is meer alsof iemand even vergeten is waar de maandagen opgeborgen zijn, of even deze dag vergeten is in de rij van komende dagen te plaatsen. Gewoonweg bam, geen maandag. Een rommelig begin van de week, al met al. Je zou hier toch een maandag verwachten, maar ho maar. In geen velden of wegen is er een maandag te bekennen.

Eerst wat bevreemd, maar daarna vrolijk, nemen de mensen dit voor kennisgeving aan. Hoera, geen maandag ! Er is aanvankelijk een feestvreugde in de straten. Slingers, confetti, zelfs vuurwerk. De politie weet niet of ze daar iets aan moeten doen, aangezien deze ontbrekende dag geen houvast aan hun juristrictie geeft. Uiteindelijk steken ze zelf maar wat vuurwerk mee af, om in ieder geval wat aan veiligheid te doen. Ook van, eh, daag, is zij uw beste vriend. Bekeuringen blijven ook even uit: geen man of vrouw in het blauw weet wat te schrijven bij de datum. Al snel staan de straten volgeparkeerd, maar dat maakt toch niemand uit. Het is volledig onduidelijk of iemand moet werken of niet. Iedereen zit met biertjes op schoot in de zon.

Maar dan begint de onzekerheid te knagen. Komt er wel een dinsdag ? Is de week gestart ? Krijgt men wel betaald ? En wie bevoorraadt het bier dat we opdrinken ? Van paniek beginnen mensen door elkaar heen te schreeuwen. De politie zwaait met gillende keukenmeiden en vuurpijlen maar krijgt de boel niet geluwd. Al snel vormt zich een meute. De protestborden steken zich razendvlug boven de menigte uit. Men eist hun maandag terug ! In grote stoet trekt men naar elk regeringsgebouw. Maandag, maandag, maandag, scanderen ze ! De overheidsmensen zweten het uit. Hoe herstellen we de maandag ? Enkele geleerden dienen zich aan en weten met een geheim apparaat de status quo te herstellen. Plotseling is er weer een maandag. Opgelucht leest iedereen dit verhaaltje. Lacherig wordt het onderling doorgestuurd: stel nou, dat er geen maandag was ! Pas rond middernacht wordt men weer voorzichtig. Wat nou als er geen dinsdag komt ?

Toets

Verhaal door René van DensenIn mijn droom sjok ik door de gangen. Alles lijkt kleiner dan toen ik hier eerst was. Wat ik hier kom doen, weet ik niet goed. De conciërge groet me. Hij zegt dat hij met een boek bezig is. Ik groet terug en zeg dat hij na al die decennia vast veel te vertellen heeft. Eindelijk ben ik bij het klaslokaal. De leraar geeft me een mapje en een afstandsbediening. Daarna verlaat hij het lokaal. Ik ga maar aan een tafeltje zitten, die herinner ik me nog van mijn schooltijd. Ik sla het mapje open. Een gelijnd, leeg papier, waar ik datum en naam en nog wat dingen op kan invullen. Verder niks. Het ziet eruit als het antwoordvel van een toets. Jamaarho, ik kwam hier toch voor les ? Verbaasd kijk ik om me heen, maar geen schoolbord, niks. Enkel die afstandsbediening. Ik druk op een knop en in een muur schiet er plots beeld aan. Een stem én een reeks woorden leggen uit dat ik op het papier telkens twee dingen moet invullen op basis van de toets: een woord en een soort definitie of omschrijving.

Zonder te wachten start de toets. Haastig zoek ik een pen in mijn binnenzak. Het beeld toont zo te zien fragmenten uit films of muziekclips. Ik ken er niks van. Verdwaasd kijk ik naar het papier. Ik vul maar wat in, en zelfs dan nog laat ik de helft van het papier leeg. Dit gaat niet echt lekker. Ik dacht deze lessen even te volgen om het een en ander op te frissen, maar de wereld is volledig veranderd. Ik voel me heel dom. Tijdens de toets krab ik meermalen op mijn achterhoofd. De video is uiteindelijk afgelopen en ik krijg de vraag of ik die marteling nog een keer door wil zitten. Nee dank je, klik ik het beeld uit. Verschrikkelijk, wat een afgang dit. Met schroom in de poten zoek ik de leraar op om het vel papier aan te geven. Hij hmm-hmt wat terwijl hij vooral naar alle lege antwoorden kijkt. Hij draait het vel om en fronst. Hmm-hm. Ik dremmel wat.

Hij zegt dat er heus nog wel hoop voor me is. Maar er is veel werk te doen. Gelukkig heeft hij net een boek uitgebracht over precies mijn soort gevallen. Hij blijkt een expert op het gebied. Met intensieve begeleiding word ik uiteindelijk wel weer een relatief waardevol mens, verzekert hij me. Ik voel me niet enorm opgelucht en vraag me af waarom ik deze lessen wilde volgen. Moest ik soms, van iets of iemand ? Hij slaat me amicaal op mijn schouder en zegt dat we morgen gaan beginnen. Hij heeft het weliswaar druk, maar voor mij maakt hij wel wat tijd in zijn schema. Hij is bezig met een nieuw boek, moet ik weten. Zijn wenkbrauwen trekken er een heel geheimzinnige blik bij. Ik vraag me af wie er in deze droom niét met een nieuw boek bezig is, behalve ik dan.

Eenmaal andermaal en hoe alles verdwijnt


Voor een hoop dingen in deze wereld ben ik eigenlijk niet helemaal goed in elkaar gestoken. Zo begrijp ik heel veel niet, door mijn onhebbelijke eigenschap ze niet klakkeloos aan te nemen. Over andere zaken wil ik dan weer niet nadenken omdat ze me domweg niet interesseren. Als ik niet kan werken, vreet de frustratie aan me, maar feitelijk vind ik alle arbeid vreselijk. En praat me niet van de vele systemen die andere mensen accepteren als hoe het nu eenmaal werkt. Ja, eenmaal andermaal, denk ik dan. Verkocht.

Als ze me nu aan het begin gewoon gezegd hadden dat alles verdwijnt, verrot en verzuurt. Elke dag iets meer. Met af en toe een dag dat het meevalt. Of dat iets even je gedachten verzet. Dan was ik voorbereid. Misschien wilden ze dat een teer kinderzieltje niet aandoen. Alsof je ziel als volwassene minder teer wordt. Wat een onzin. Eenmaal, andermaal verdomme ! Daarom ga ik met een houten hamer op de stoep zitten. Het is hoog tijd voor de afrekening. Ik sla. Eenmaal. Poef, daar verdwijnt een toevallige voorbijganger met een hond aan zijn riem. Ik sla. Andermaal. Poef, daar verdwijnt een vaalrood rijtjeshuis met versgemaaid gras.

Ik hamer door. Eenmaal, bam. Weg hypotheekaftrek. Andermaal, knal. Weg wegenbelasting. Eenmaal, pats. De gepatenteerde groente- en fruitzaden de wereld uit. Andermaal, kablam. Alle social media marketing gurus poefweg. Eenmaal, hatseflats knallerdeboem. Andermaal, hopperdekrak. Mijn hamer breekt. Maar de verdwijning is op gang gekomen en zet goed door. Er valt niks meer aan te stoppen. Alles vervaagt. Er resteert enkel wit, en ik. Ik groet het wit. Het wit groet terug. Het ziet er schoon en opgelucht uit. Na alle groezel die er was.

Goede moed


Verhaal door René van DensenOmdat er verder niets meer aan mij te plukken valt, besluit de regering mijn goede moed extra te belasten. Elke dag dat ik goede moed erin houd, is het weer kassa. Ze vinden altijd iets. Het is de goede moed die me door de week heensleept, maar dat kan zo’n regering niet schelen. Als ze het netjes betalen van belasting zouden kunnen belasten, zouden ze het nog doen. Licht morrend betaal ik dan ook braaf. Ironisch genoeg kan ik de rotbuien die ik voel tijdens deze belastingpuzzel, dan wel weer aftrekken. Het doel zal wel het nivelleren van de ellendigheidsbeleving onder de burgers zijn. Iedereen moet immers participeren in het zuur, en zonder hoop op zoet. Het komt nooit meer zoet. Dat weet u ook best.

Mijn solidariteitsgevoel is groot. Ik zie het gewoon anders. In plaats van dat ik mee moet miezeren, deel ik mijn goede moed graag met een ander. Dus doe ik mijn best om te stralen op straat. Naar alle voorbijgangers toe. Heel effectief blijkt dat evenwel niet. Mensen kijken me vooral meewarig aan. Gebukt gaand onder oranjehysterie, crisisleugens en het gewicht van zonneschijn. Het is natuurlijk allemaal ook heel zwaar. Toch geef ik niet op. Ik straal en straal. Als ik genoeg straal, gaan anderen vanzelf meestralen. Het kan nu elke dag gebeuren.

Voor mijn belastingen hou ik bij hoeveel goede moed ik zoal in een week heb. Het wordt elke dag meer. Dat betekent wel steeds meer betalen, maar dat is dan maar zo. Op het werk klap ik enthousiast in mijn handen als het nóg drukker blijkt dan de dag ervoor. Ik roep: “Party, party !” en lach. De mensen kijken steeds zwarter, al kan dat ook verhoudingsgewijs zijn: misschien kijk ik steeds zonniger. Superzonnig zie ik ze niet aankomen, achter mijn rug. Ik had ook niet meer goede moed moeten hebben dan bij mijn stand hoort. Eigen schuld.

Doosjes


Verhaal door René van DensenIk werk de ganse dag met doosjes. Ik stapel ze op. Dan moet ik de doosjes verplaatsen. Iemand anders stapelt ze dan weer af. Vervolgens stapelt weer iemand anders ze weer op. Zelf stapel ik de doosjes ook weer van andere stapels af. We houden elkaar zo de hele dag goed bezig. Overal in het pand vind je dan ook doosjes. Opgestapeld en afgestapeld. Je krijgt er sterke armen van, al hebben veel medewerkers ook inmiddels een tennisarm. Ik vooralsnog niet. Dus stapel ik lustig -op en -af. Ik wil ook een tennisarm. Zonder ooit één keer getennist te hebben.

Af en toe mag ik de doosjes rondrijden. Op een elektronisch karretje. De doosjes kirren dan van plezier. Hun flappen wapperen in de wind. Ik rijd altijd wat extra rondjes. Expres. Meer plezier voor de doosjes. De rest van de tijd worden die alleen maar op- en af-. Zelf zou ik er tureluurs van worden. De doosjes blijven er enorm laconiek onder. Zo te zien vinden ze het wel best, dat gestapel. Wellicht weten ze niet beter. Als je heel je leven enkel maar gestapeld wordt, en heel af en toe rondgereden, dan begrijp ik dat je niet naar meer verlangt.

Aan het eind van de dag snijden we alle dozen kapot. Dat was ik nog vergeten te zeggen. Met messen. Alles gaat eraan. Geen doos wordt gespaard. Alle medewerkers keuvelen gezellig wat terwijl ze met hun messen de dozen fileren. De dozen gillen het uit. Het gebeurt allemaal zonder verdoving. De eerste dagen had ik er enorm moeite mee. Maar inmiddels snijdt ook mijn mes fluks door het kartonnenvlees. De schreeuwen deren me niet meer. Wel merk ik de laatste nachten dat ik in mijn kop de dozen mee naar huis neem. Mijn slaapkamer staat inmiddels vol met ingebeelde dozen. Langs alle wanden staan ze opgestapeld en de stapels komen steeds dichter bij het bed. Sinds gisteren slaap ik op de bank. Kijken hoe lang dat goed gaat.

Krouwt of klauwt of weetikhet


Verhaal door René van DensenDe collega praat met volle mond en zijn woorden schieten kruimels over de tafel. Het is een vurig betoog. Dus wordt er ook fors wat afgekruimeld. Hoe slim ik ben dat ik in deze tijd mijn verhaaltjes op internet schrijf. Dat heeft de toekomst, kruimelt hij. Ik moet in de klauwt, zegt hij. De klauwt heeft de toekomst. Tussen de medeklinkers door zie ik zijn lunch in brokken rond zijn mond tuimelen. Een tikje bedremmeld kijk ik naar mijn nagels. Ze zijn vies. Ik doe weer eens werk waar je nagels vies van worden. Van alle werk worden mijn nagels vies. Behalve als ik schrijf. Dan zijn mijn nagels schoon. Geen idee hoe dat komt. Een kruimel spat op mijn nagel en ik kijk weg, naar de muur.

De kracht zit hem in de krouwt, spettert de collega. Ik moet de krouwt mobileren. Werken met maaikroowpeejmunts. De collega praat niet alsof hij weet waar hij het over heeft. Ooit wist ik dit allemaal wel. Het trok me echter nooit aan. Geld verdienen. Sowieso niet echt. Anders waren mijn nagels nu niet vies. En geld verdienen aan stomme korte verhaaltjes die ik op internet zet, lijkt me ook niks. Dan blijf ik thuis, de hele dag. Maak ik niks meer mee. En ben ik snel uitverteld. Zwarte nagels horen er wel bij, kortom. Ik zou me de vinketering vervelen als ik alleen maar schreef. Maar dat zeg ik niet. Mijn collega droomt het namelijk al helemaal voor zich. Dat ik vanaf een klauwt, gesteund door de krouwt, de godganse dag maaikroowpeejmunts binnenhark of weetikhet.

Ik schraap mijn keel en mompel iets van jaja en dat het mooie tijden zijn. Dat levert een nog enthousiaster spervuur aan kruimels op. Ik ben het nu praktisch verplicht, geloof ik, dat ik voor de krouwt ga werken. Hopende dat de collega erover ophoudt, pulk ik wat aan het nagelzwart. Verbaasd trek ik het onder mijn nagel uit. Het is een lange zwarte kleverige zooi. Ik trek het verder uit. De smurrie is nu al twintig centimeter lang. Ik trek en trek aan het zwart. Net of al het zwart dat ik in mijn leven onder mijn nagels heb gehad, een reünie houdt. Het zwart heeft een grote sociale cohesie. De kleverige draad wordt langer en langer. Overmoedig proberen de kruimels gaten in de smurrie te slaan, maar ze blijven machteloos hangen. Er komt geen einde aan het zwart. Mijn collega valt stil. Of zijn brood is op. Of weetikhet.

De goedheid van de mensen


Verhaal door René van DensenDe strip van mijn pijnstillers klinkt als een plastic melkkuipje. Mijn kat is op veel dingen geconditioneerd. Melkkuipjes mag ze normaal gezien uitlikken, dus komt ze toegesneld. Oh. Het zijn pilletjes. Toch even ruiken. Nee, geen koffiemelk. Dan huppelt ze weer springerig de tuin in. Ik heb nog nooit een kat met rugpijn gezien, bedenk ik me. Misschien had ik beter in de gaten moeten houden hoe die dat flikken. Ik zit in de grote leren schrijversstoel en kan me amper bewegen. Als ik wil schrijven, moet ik voorover leunen en strak in die houding blijven zitten. Dan lukt het. Daar wacht ik nog even mee. Ik moet iets te vertellen hebben. De steken in mijn rug leiden af. Geduldig wacht ik tot de pijnstillers werken.

Ik probeer me bevoorrecht te voelen. Ik héb werk. De krant, radio en teevee zeggen me dat lang niet iedereen zoveel geluk heeft. Ik ben weer zelfstandig aan het participeren in onze maatschappij. Op mijn sterke schouders rust het lot van de zwakkeren. Gelukkig niet op mijn rug, denk ik. Met forse steken voel ik de goedheid van de mensen waar ik aan bijdraag. Voorzichtig ademen, dan gaat het wel. Een blik op de klok. Joepie, nog vijf uur en dan mag ik weer participeren. Stom dat ik al bijna drie uur wakker ben door die rug, maar ja, dan heb je tenminste wel een christelijk tijdstip dat je opstaat. Zo heb je nog eens wat aan de dag. De morgenstond heeft, naar het schijnt, goud in de mond. En meer van dat moois dat je jezelf dan maar voorhoudt.

Als ik niet ga, vertel ik mezelf, is het weer gedaan met mijn zelfstandige deelname aan de samenleving. Dan dupeer ik de medemens. Met mijn nood aan eten en een dak boven mijn kop. En erger nog, dan krijg je weer al dat wantrouwen van de goedheid van de mensen op je dak. Een werkende mens die crepeert, die is een actieve en gewaardeerde deelnemer aan de wereld. Als die mens ook nog eens een fors deel van zijn inkomen spendeert, nog beter. Daar worden we allemaal sterker van. Ik schaam me voor mijn geweeklaag. Misschien dat ik nog best een dag doorkom met deze rug. Gewoon nog een pijnstiller extra. En een paar meenemen naar het werk. Doorbijten. Je bent een vént. Bij het geknisper van de pillenstrook komt mijn kat wederom aangesneld. Wij zijn allebei netjes geconditioneerd.

De economie en ik


Verhaal door René van DensenNeuriënd loopt de economie over straat. Ik zwaai naar hem. Hij zwaait enthousiast terug. We kennen elkaar wel. Niet dat we heel veel met elkaar te maken hebben; laat ons elkaar goede kennissen noemen. De economie en ik zijn zwaai-kennissen.

Ooit vertelde een collega van vroeger mij dat hij een hoi-kennis had. Elke dag kwam hij dezelfde man tegen, onderweg naar het werk. De andere man waarschijnlijk ook, maar dat wist mijn collega dus niet zeker. En dan zeiden ze even hoi. De collega had geen idee of de man kinderen of kopzorgen had. Wat zijn lievelingskleur of zelfs zijn naam was. Waar de man woonde. Hij wist maar één ding: komen we elkaar tegen, dan zeggen we hoi. En dat deed hij. En de andere man ook. Misschien zijn ze ooit meer dan hoi-kennissen geworden. De economie en ik kennen elkaar wel beter dan dat. We zwaaien de zwaai van ons kent ons.

Ik steek de straat over en vraag hem hoe het gaat. Goed hoor, zegt hij monter. Het ging even wat minder, maar ik ben er weer helemaal bovenop. Goed man, zeg ik. Hij knikt en zegt dat alles goed komt. Hij heeft een plan, zegt hij. Oh, vraag ik ? Ja, zegt hij glunderend: mijn nieuwe plan gaat uit van dat mensen heel veel dingen willen kopen. Dat willen ze al decennia, dus dat is een goede aanname. Weet je dat wel heel zeker, vraag ik. Ja hoor ! roept de economie enthousiast. Er zit veel leven in de economie. Toch meer dan de vorige keer dat ik mijn zwaai-kennis tegenkwam.

Wat nou, opper ik voorzichtig, als de mensen niet zo graag meer heel veel dingen willen kopen. Heb je daar ook rekening mee gehouden ? Nou… nee, zegt de economie. Maar waarom zouden ze niét graag heel veel dingen willen kopen ?? Iedereen wil toch kopen, kopen, kopen ? Gekkie, zegt hij, en geeft mij een speels stompje tegen mijn schouder. Maar stel he, zeg ik nogmaals. Beeld het je eens in, wat blijft er dan nog van je plan over ? De economie valt even stil en denkt na. Dan trekt hij wit weg. Voor mijn ogen stort de economie op straat in. Zul je zien dat het nou weer mijn schuld is.

Ik bubbel jou


I Bubble You - the orign
Revolutionair. Anders valt mijn concept niet te beschrijven. Alles wat u koestert. In een bubbel.
Fragiel maar beschermend. U weet meteen wat ik bedoel. Hoe het begon, dat is een ander verhaal. Want het begon met bubbeltjesappelsap waarbij iedereen ongedurig kéék. De directeur had een plan. We moesten allemaal samenkomen. Ja, typisch. Terwijl hij zich in een hoogwerker hees. Met zijn iPhone. Wij moesten bijeen. Voor het plastic zeil. De hal naast het bedrijf ging open. Anderhalf jaar gedoe. Maar nu toch de officiële opening. Iedereen verplicht aanwezig. Klik. Klikkerdeklik.  Voor het nageslacht. Hal drie. Joepiedepoepie, rakkers. Een kleurloze hal met TL-buizen en industriële rekken. Maar wel een aanwinst. Voor het bedrijf. Natuurlijk wisten we dat het meer werk voor minder mensen betekende. Maar hee, bubbeltjesappelsap. In champagneglazen. Dus iedereen eentje.

Na de onthulling kwam de ontknoping. Natuurlijk was de opening duur geweest. Een investering. En dus moesten er mensen uit. De rest moest anderhalf keer zo hard werken, minstens. Uiteraard méér, maar niemand kon rekenenen. Bubbeltjesappelsap doet dat met de mens. En een feestmuziekje. Wij het glas heffen. Klikkerdeklik. Voor het bedrijfsblaadje. Vervolgens allemaal naar het begin van de dag plekje. Alleen stond daar ineens de bewaking. Met blaasapparaten. Iedereen blazen. Alcoholmeters. Geen afstanden, wel afvallers. Het bleek een sluw plot. Van de zeven flessen was er één met alcohol. De willekeurige medewerkers die zo’n glas gedronken hadden, mochten voor de CAO niet meer in het bedrijf blijven. Spullen pakken. Tabee. Fijn weekend. Bezuiginingen. Dure hal, immers. Doei doei.

Ik fietste naar huis. Ondanks dat ik niet één van die glazen op had, had ik sowieso alcohol op de adem. Ik drink in mijn eigen tijd. Het gebeurt, en houdt het leven houdbaar. Op sterk water, zeg ik altijd. Maar wat een herinnering. Dat moment, met appeltjesbubbels. Ik bedenk me plots wat een mooie wens dat is: Ik bubbel jou. Ja, ik bubbel jou. Ik plaats jou in een bubbel. Jij bent zo belangrijk dat ik jou koester, als een fragiele bubbel. En tegelijkertijd bewaar je. Blijf je. In mijn bubbel. Ik bubbel jou. Voor ik het doorhad, had ik een Valentijnskaart ontworpen. En een zwikje e-Cards. En toen werd het een hit. Iedereen bubbelde iedereen. Het was veilig, en toch teder. Het was speels en liefdevol. De hele wereld bubbelde ineens de hele wereld. Iedereen in zacht glanzend, regenboogkleurig glas. Ik bubbel jou. Ik bubbel jou, lezer. Bubbel jij mij ook ?