Damnit, Bruce

Verhaal door René van DensenWe hebben er toch vaak om moeten lachen, om de gekke regels en wetten in de wereld. En we fantaseerden wat de mensen bezield moet hebben om zo ver te gaan dat anderen de regel moesten instellen. Dat er in Samoa een wet is tegen het vergeten van je vrouw’s verjaardag. Of het verbieden van seksspeeltjes in Reno, Nevada, het corrigeren van je kruis in Milan, het ‘verdacht’ vasthouden van een zalm in Engeland, bezitten van waterpistolen in Cambodia, of het vermoorden van Bigfoot, er moet iemand zijn geweest die het nodig maakte. Iémand was een goede reden voor de Britse koningin om altijd een gijzelaar te eisen als ze het Parlement gaat toespreken. We grinnikten er smakelijk om, zeker toen ik voorstelde dat het altijd dezelfde kerel zou zijn. Stel je voor. Elke rare wet ter wereld… komt door Bruce.

Natuurlijk heet die vent Bruce. Bruce is wel zo’n naam voor een onverlaat die de mensen het hoofd doet schudden dat ze alwéér nood aan een nieuwe stomme wet hebben om te zorgen dat die idioot dat nooit meer doet. Bruce liet natuurlijk con-stant zijn ezel in een badkuip slapen in Arizona. Bruce maakte in Alaska de beren steeds wakker om een foto te kunnen nemen. En Bruce nam steeds een leeuw mee naar de theatervoorstellingen in Baltimore. Steeds was het Bruce die kippen vervoerde in een luchtballon, die als straatmuzikant in Leuven steeds valse noten bleef spelen, maar in een vuile auto bleef rondrijden in Rusland, zijn oren volduwde met munten in Hawaii en meer dan vijf katten hield in zijn appartement in Lier. En in Florida weigerde hij parkeergeld te betalen voor een olifant die hij aan een parkeermeter had vastgebonden. De mensen knarsten hun tanden, gromden weer eens ‘Damnit, Bruce !‘ en schreven een nieuwe stomme wet.

Door Bruce is er een wet dat je de staatsgrenzen van Minnesota niet mag oversteken met een eend op je hoofd. Bruce maakte het nodig om de wiskundige omtrek van een cirkel bij wet vast te leggen in Indiana. Dankzij Bruce mag nu niemand meer ’s nachts zeewier sjouwen in New Hampshire en moeten je schoenen écht uit als je gaat slapen in North Dakota. In Zwitserland mag je dankzij Bruce na 22u als man niet meer rechtopstaand pissen. Bruce bleef ‘Arkansas’ verkeerd uitspreken waardoor het wettelijk verboden werd. In Ohio mag je geen vissen meer dronken maken dankzij Bruce. Dankzij Bruce zijn in heel Japan nu Vick’s inhalers niet meer toegestaan. In Thailand mag je wettelijk je huis niet meer uit als je geen ondergoed aanhebt. En in South Dakota mag je dankzij Bruce niet in slaap vallen in een kaasfabriek. Damnit, Bruce.

Nu is ze een andere weg gegaan en ik kan haar niet meer terug in mijn leven toelaten. We kunnen samen niet meer om Bruce lachen. Een vriend die dit jaar mijn steun en toeverlaat was is plots dood gevonden. De vader van een andere goede vriend is ongeneeslijk ziek en ik kan niets voor hem doen. Ik moet weer nieuw werk zoeken terwijl allerlei bureaucratie in orde gebracht moet worden. En elke dag sta ik op, worstel ik me door een blok pure zwarte eenzaamheid, om dan de dag te starten met een zucht. Ik zie het allemaal niet meer zitten, alweer opnieuw aan wat de mensen dan ‘een nieuw hoofdstuk’ noemen beginnen. Ik heb het wel een beetje gehad met die hoofdstukken. En dat is allemaal dan weer niet de schuld van Bruce. Was het maar zo. Damnit, Bruce.

Daten

Verhaal door René van DensenMensen hebben meningen over de hoeveelheid tijd die verstreken is na je relatiebreuk. Want we moeten wel met z’n allen door in deze wereld. Vooruit met de geit. Op een ronde planeet in diepzwart vacuüm. Dus of ik niet eens aan ontmoeten van nieuwe mensen zou willen denken onderhand. Vissen, zee. Hoppakee. Als ik per se een mening zou hebben zou ik er tegen zijn. Maar meningmensen zullen wel weer gelijk hebben. Ondanks dat ik al paniekaanvallen krijg als er één vrouw in de bus stapt.

Een bepaald soort vrouw ziet mij doorgaans zitten. Het soort vrouw dat het niet erg vindt dat ik ik ben. Niet alle vrouwen zien zich met mij gezien worden, maar dit soort vrouwen wel. Ik schijn onder alle baardhaar en vlassige lokken en brilleglazen en overdreven lagen kleding en wenkbrauwborstels een niet volstrekt onaantrekkelijke man te verstoppen. Zegt dit soort vrouwen. Het soort vrouwen dat mij naast zich ziet zitten beslist veel dingen zelf en laat zich niet zo leiden door normen en buitenwereldmeningen. Ik zie dat als een goede eigenschap. Bovenop dat ze mij wel zien zitten.

Iemand wil met mij wel wat gaan drinken. Ik ben geen ster in daten. In vroeger tijden had ik nog wel eens een tekening of gedicht in mijn hoofd middenin een gesprek, waarop ik opstond om pen en papier te zoeken, de boel aan een bar snel neerschreef, me naar huis haastte om het uit te werken, vaak een paar uur later tevreden achterover leunde bij het resultaat en me toen pas bedacht dat ik bij mijn date weg ben gelopen. De laatste tijd teken en schrijf ik niet veel meer. Dus misschien kan ik het me riskeren.

Voor de zekerheid spreken we af op een terras niet te ver lopen van mijn woning. Ik zie er geen enkel praktisch bezwaar in om voor vertrek mijn wasmachine aan te zetten. Ik begroet haar, geef een kus, we drinken wat. Na een paar uurtjes praten excuseer ik me en loop ik terug naar huis om de was in de droger te doen. Ik heb geleerd van mijn fouten in het verleden en leg het vooraf uit. De dame is weg als ik terugkeer, maar mijn was zit in de droger. Ik drink nog enkele drankjes en loop naar huis aangezien de droger nu ook uit moet.

Ik staar naar de profielpagina van een datingsite die een meningmens me aanraadde. De site wil dingen van mij weten zodat vrouwen die willen daten dan ook die dingen van mij weten. Ik zucht en wil eigenlijk helemaal niet meer aan een nieuwe liefde beginnen. Elke dag is al zwaar genoeg zonder een ander in je leven. Ik sluit de laptop, trek tevreden een biertje open en proost mezelf. Misschien moet ik maar gewoon mezelf daten vanaf nu. Zo interessant is het ook verder allemaal niet, die liefde.

Slaapzak (2)

Verhaal door René van DensenInmiddels bezit ik zevenentwintig slaapzakken. Ik heb in alle kamers van mijn huis er forten mee gebouwd en kruip van fort tot fort voort. Ergens miauwt mijn kat, ze zoekt me. Ik kruip weg in een minifort, ze gaat me er wel vinden. Gewoon op de geur afgaan. Ik ruik naar maandenlang ongewassen. Het geeft niet want het huis stinkt erger. Ik ben vergeten waar ik mijn avondeten van enkele dagen geleden ook alweer had achtergelaten, maar ik eet al wekenlang amper. Met al dat rondkruipen in het slaapzakdoolhof en het weinige eten is mijn summer body alweer bijna gereed.

Alweer klinkt ergens in de verte de deurbel. Zelfs al zou ik de deur kunnen vinden, ik wil niet naar buiten. Er is brandend hete zon buiten en mijn huid is wit. Het is fijn in het fort. Ik kom zo nog eens op plekken waar ik bijna nooit kom. En ik kom ook dingen tegen die ik kwijt was. Wel is alles stuk, ik vind enkel de onderdelen, verspreid in de slaapzakkenwereld. De kat vindt ondertussen mij en heeft een veer meegebracht. Ik gooi hem omhoog, de kat jaagt op de dwarrelveer. Ze brengt hem opnieuw naar mij. Ik staar naar de veer. De poes heeft heel de veer tot iets onherkenbaars ondergekwijld. Voorzichtig recht ik de haartjes. Het lijkt weer op een veer. Ik gooi, maar de dwarrel wordt niet meer wat het was.

Ik heb denk ik wel genoeg slaapzakken. Ze waren allemaal niet goed. Niet om onder te slapen. Maar ze vormen prima muren van mijn schuilforten. De deurbel rinkelt nog eens, dwingend. Ik zucht, kruip via de forten naar de voorste slaapkamer en kijk uit het raam. De postbode heeft een slaapzak in zijn handen. Snel ga ik dieper de slaapzakkencocon in. De kat geeft mij een kopje. Ik steek mijn vingers in mijn oren. Hopelijk vinden ze me hier nooit meer terug.

Slaapzak

Verhaal door René van DensenFranky Bordo lacht me uit: “Met je slaapzak.” Zijn vrienden zijn nieuwsgierig waar hij het over heeft. Franky elleboogt me aan: “Kom, vertel het verhaal nog eens. Over je slaapzak.” Hij lacht smakelijk. Met een blik smeek ik het niet te hoeven vertellen, maar “komaan, man, vertel het nog eens, van je slaapzak.”

Ik heb al jaren een slaapzak. Hij leek perfect. De ideale dikte, niet te warm, niet te koud. Ik sliep gelukkig en diep met de slaapzak. Maar een perfecte slaapzak gaat idealiter ook nooit kapot en dat deed deze wel. Eerst maar een klein beetje, maar uiteindelijk scheurde hij helemaal kapot. Alles ligt open, de vulling valt eruit. Ik moet afscheid nemen van de slaapzak. Dus keek ik of ik een nieuwe ergens kon vinden, maar niets stond me aan. Misschien ben ik nog niet klaar voor een nieuwe slaapzak. Toch bleef ik zoeken. Op een tweedehandssite bood ik op een slaapzak, maar de eigenaar wou ‘m niet opsturen en ik heb geen eigen vervoer. Uiteindelijk werd er zelfs op mijn berichtjes niet eens meer gereageerd. Wanhopig begon ik dan maar te bieden op verscheidene andere slaapzakken. Ik heb er nu een boel ontvangen. Allemaal lijken ze fijn en mooi en nieuw maar ze zijn het niet. Te dun, of ze ruiken te fris, of de kleur staat me dan toch niet aan. Een voor een verhuizen ze naar de logeerbedden in mijn woning, ik hoef ze zelf niet. Niets kan tippen aan de oude slaapzak, zelfs de oude slaapzak niet. De meest recent ontvangen slaapzak zit zelfs nog ingepakt. Ik heb er geen vertrouwen meer in, ook die zal niet goed zijn. Ik twijfel of ik nog ooit een goede slaapzak zal vinden.

Franky lacht me nog altijd uit. Ik zeg dat ik ook wel weet wat een metafoor is.

Badkuip

Verhaal door René van DensenAl sinds ik acht ben wil ik elke ochtend niet ontwaken. Ik wil dood. Ik moet door een kluwen van realiteit heen om mezelf uit bed te trekken. Daarna doorsta ik de dag op wilskracht. Weinig mensen weten dit. Als er uiteindelijk bedtijd aanbreekt wil ik niet slapen omdat er weer een worsteling om te leven op me wacht. Ik wil door op de kracht die ik heb en dan slapen en niet meer ontwaken. Dit is al mijn hele leven mijn strijd en ik word veertig dit jaar. Ongeveer maandelijks is er een week dat het extreem zwaar is. Mensen die geloven in de maan hebbben me ware dingen verteld over de flow van dingen en het merendeel van de tijd kan ik mijn leven daar inmiddels op inrichten.

Ik moet in een week dat ik verlof heb en bijna elke dag amper mijn bed uit kan komen naar een optreden van een vriend in een stad die ik haat. Ik zit in de trein erheen. De vriendin van een andere vriend zit mee in de trein. Ze praat opbeurend maar snapt de worsteling. Het is allemaal akkoord. Ik red dit. Ik kan dit. Ik weet dit omdat ik de hele week al mezelf zeg dat ik niks kan en waardeloos ben en er toch nog ben. Ik drink zo kalm ik kan een pintje uit blik. Ik probeer niet teveel te denken aan alles waar ik volstrekt waardeloos in ben. Want ik ben waardeloos in schrijven, waardeloos in mijn vriendschappen en relaties, ik zorg extreem slecht voor mijn kat waar anders niemand anders voor zorgt en laten we nooit spreken over hoe ik voor mezelf zorg.

Ik adem. Ik ben ergens heen onderweg. Ik ben aan het slagen daarheen te gaan. De trein doet het meeste werk maar ik ga toch maar mooi weer. Ik doe het toch maar mooi weer wel. Dat is mijn mantra als het niet gaat. Ik doe het toch maar mooi weer wel. Ik ben in mijn leven allang de tel kwijt hoevaak ik dat stilletjes in mezelf heb gezegd. Ik doe het toch maar mooi weer wel.

Mijn lief heeft mij nodig. Er zijn vrienden in beide steden waar ik verblijf die me nodig hebben. Mijn kat heeft zo’n verlatingsangst dat steeds als ik mijn jas aantrek. ze paniekerig op mij springt en springend en miauwend smeekt dat ik niet ga, zelfs al ga ik maar naar de supermarkt. Ik lig al de hele week minstens driekwart van de dag op bed, mezelf verwijtend dat ik er onvoldoende voor iedereen ben. Ik kan elke dag wel janken, maar na het janken trek ik me uit bed, zet koffie, en probeer nog iets van het laatste kwart van de dag te maken.

Ik zit in een stad die ik haat op een literaire avond. Ik haat dit soort avonden en het is zo karig bezocht dat als ik vertrek, ik een fors percentage van de opkomst uitmaak. Ik vertrek stilletjes naar het toilet. Er is een badkuip. Ik overweeg even om het bad te vullen en vanaf daar, kalmpjes tussen het badschuim, te luisteren naar het literaire interview. Maar ik weet dat elke schuimbubbel die popt me doet erkennen hoe weinig ik er toe doe. Als de bubbel zelf. Ik kijk in de spiegel bij het handenwassen. Til mijn shirt op. Ik word dik. Ik ben waardeloos en dik en zonde van alles wat er in mij geïnvesteerd is. Ik ben gewoon dik en stom. Boeie. Wie zou me missen.

Na de literaire avond die vooral draaide om een paar vrienden van me ga ik met hen naar een café. Het café heeft een draaitrap omlaag naar het toilet. Ik fantaseer alleen maar om eraf te storten. Maar dan denk ik aan alle shit die mijn vrienden zouden hebben als ze mij daar onderaan zouden vinden. Braaf doe ik mijn ding. Ik veeg mijn billen, was mijn handen, werk me de wenteltrap terug op.

Was het leven maar een badkuip. Of had ik het lef om daar in te liggen in mijn eigen vocht. Maar meestal lig ik er in in bubbels. Ik heb zelf een badkuip. De laatste keer dat ik er in lag, morste ik mijn koffie in het water en moest ik er uit. Dat was deze week. Ik ging er niet meteen uit. Vermoedelijk is er koffie in mijn huid getrokken. Ik ben nu vast veel zuiders dan ik was. In mijn huid. Niet moeilijk want ik ben een TL-albino. Witter kan ik toch niet meer worden. Mooi, dat white privilige.

Ik drink wat na met mijn vrienden. Ergens wil ik niet eens dat ze gaan. Maar na enige tijd ben ik thuis. Ik zie van verschillende mensen nare berichten. En spam over jobs en penisverlengingen. Even rook ik een sigaret. Roken, dat is het laffe zelfmoord plegen. Ik check. Ik heb een heel groot pak sigaretten gekocht. Over de sigarettenrook zeg ik het stilletjes. Ik doe het toch maar mooi weer wel.

Niet akkoord

Verhaal door René van DensenDe woorden die u nu gaat lezen, zijn ongeveer een jaar oud. Toen heb ik dit opgeschreven. Toen Gent, en de wereld, Vos kwijtraakte. Fokking Vos, dedju. Terwijl ik het schrijf, kan ik het nóg niet geloven. Ik verwacht de hele tijd dat het een bizar slechte grap is. Dat hij als een duveltje ergens tevoorschijn springt en roept dat het allemaal voor te lachen was.

Ik kan dit niet nu publiceren. Want hij is niet dood. Hij is niet weg. Het kan niet, het klopt niet. Does not compute. Gent zonder Vos, dat is alsof de Dulle Griet weg is, of het Belfort. Als bizar slechte science fiction. Ik krijg het niet in mijn voorstellingsvermogen gepast. Bij ieder artikel dat een vriend, collega of bewonderaar op dit moment publiceert, met terugblik naar de schalkse, melancholische kwajongen die hij was, denk ik bij mezelf: Weer eentje erin getrapt. Hij is niet dood, mensen ! Hoe meer jullie schrijven, hoe zieker deze grap wordt. Ophouden nu !

Natuurlijk kende ik hem niet persoonlijk. Zoals zovelen had ik hem wel eens gesproken. Ik betwijfel dat het lang genoeg was dat hij zich mij nog herinnerd heeft. Sommige vrienden van mij mailden met hem, of belden hem zelfs. Ik kan me hun verdriet al niet eens voorstellen. Omdat ik het verdomme zélf ook zo erg vind. Voor de wereld, voor de mensen, voor mezelf. Voor een wereld die zelf zo weinig troost en hoop biedt.

Ik was iemand. Niet Iemand, maar wel iemand. Rondom hem was iedereen iemand. Zijn ogen bekeken je zoals een kind naar een volwassene tuurt. Verwonderd, respectvol. Je deed er toe. Uiteraard was hij ook kritisch. Maar de liefde voor de mens, de natuur en de aarde hing om hem heen. Zoals de dranklucht om de andere aanwezigen hing.

Want het was, boven alles, een idioot lieve jongen. Zijn columns kwamen uit een teder en nieuwsgierig jongenshart. Alsof geen enkele klap van het leven écht raak was geweest. Alsof hij alles fris als een kind, en tegelijkertijd melancholisch verlangend naar een tijd die hij nooit gekend heeft, bezag. Zo’n man waarvan je je verwonderd afvraagt hoe hij het tot hier gered heeft. Een anomalie. Een sneeuwbal in de hel. Een man die je daardoor onmiddellijk wil beschermen tegen die wrede wereld. Het rondwandelend kind in onszelf.

Ik zal nooit meer een Zone09 openslaan en die ontroerend dwaze smoel zien. Naast een stukje waar hij uiteraard weer met Rocky op het terras zat. En waar Rocky natuurlijk relativeerde waar Vos zich zo druk om zat te maken. Of waar Vos een flinke dosis romantiek in de starre opvattingen van Rocky bij goot. Rocky, god, ja. Voor hem moet het verschrikkelijk zijn. Voor ons allemaal moet dit verschrikkelijk zijn. We zitten nu even allemáál in ons eentje op het terras. Te wachten tot Vos toch daar in de verte aankomt.

Tegen de dood, daar moest hij verdomme tegen beschermd worden. Zo iemand zou verplicht in de wereld moeten blijven. Iemand die zó onvervangbaar uniek is, mag niet weg. Simpel. In het café dronk ik gisteravond grote hoeveelheden bier op Vos, en brulde dat ik het niet accepteerde. Gewoon: nee. Nee, Vos. Niet akkoord. Jij hebt mijn toestemming niet om dood te zijn. Kom dus maar gewoon terug, verdomme. Kappen met die onzin. Luc De Vos is niet dood. Als we nu allemaal besluiten het niet te accepteren, dan heeft hij geen keus !

Ik kan, ik wil deze tekst een jaar niet zien. Ik ga hem herlezen wanneer hij automatisch op mijn site verschijnt. Als een tijdcapsule die geopend wordt. En dan hoop ik dat ik lach, om de dwaasheid. Want natuurlijk was het een grap, en was Luc De Vos niet dood. Haha, gekke René. Jij bent er ook al in getrapt. Sukkelaar.

Wereldvrede

Verhaal door René van DensenAchterin mijn keukenkastje vind ik nog een pakje oploswereldvrede. Ik was totaal vergeten dat ik oploswereldvrede in huis had, dus het verraste me nogal. Voorzichtig schud ik de verpakking. Het klinkt niet heel poederig meer. Ook als ik mijn vinger in het zakje prik, krijg ik het idee dat de wereldvrede er wat zompig aan toe is. Dat wordt geen wereldvrede vandaag, mompel ik wat voor me uit.

Nu ik de verpakking van de wereldvrede zo zie, word ik een beetje nostalgisch. Vroeger waren we nog dol op wereldvrede. Onder elk dak werd er wel enthousiast om geroepen. Het was wereldvrede dit, wereldvrede dat. Met stip was wereldvrede het populairste produkt in menig huishouden. Met vrolijk gebolde, rode konen droomden we als kleine snaken en boefjes van de wereldvrede die ongetwijfeld zou komen. We konden niet wachten.

Wat dat betreft was er met de wereldvrede als belofte niets mis. We hadden er zin an, met de marketing van de wereldvrede zat het wel snor. Rien à dire. Als je niét naar wereldvrede snakte, was er iets mis met je. Dan diende je natuurlijk ausgeradiert te worden. Raus ! Van die rare snuiters die niét reikhalzend naar de wereldvrede snakten, daar moesten we collectief niks van hebben. Dat kon je maar beter voor je houden, anders werd het oorlog.

En nu hebben we het dus. Al decennia. In elk keukenkastje. Beetje kokend water toevoegen en hoppakee. Wereldvrede. We zijn het helemaal tegengegeten. Het smaakt wat muf. Te weinig peper, dat is alvast zeker. Vers is het al zeker niet. En je weet nooit wat ze erbij doen he, in zo’n zakje. En zo laat je al snel een verpakking achterin de kast slingeren. Waar de wereldvrede langzaam beschimmelt. Ach. Ooit raakt het vast weer in zwang.

Met een zwaai werp ik de wereldvrede in de vuilnisbak. Morgen koop ik wel weer nieuwe. Mits ik het niet vergeet.

Bundels

Verhaal door René van DensenIk ben een frisse jonge meid, al zeg ik het zelf, zelfs na zeven wijn nog. Dat is niet iedereen gegeven. Toegegeven, vanavond vier ik alweer voor de vijftiende keer dat ik achtentwintig word. Al mijn vriendinnen zijn de tel kwijt, zowel van de wijn als van de jaren. Maar des te meer lol hebben we ! Terwijl ik de speciaal ingehuurde barman wenk om iedereen nog eens bij te vullen, beklim ik vlijtig het podium.

Het is hoog tijd om iets te declameren uit mijn eerste dichtbundel, Zat er maar bloed bij. Giebelend luisteren de vriendinnen naar mijn teergevoelige woorden, maar dat vergeef ik ze. Alles wat ik schrijf is natuurlijk onwijs ambigue en kun je ook als een enorme grap zien. Ik giechel ook maar wat, want ik wil erbij horen. Zo lees ik gniffelend voor waar mijn oom mij betastte. Hilariteit alom, zelfs wat traantjes in ooghoeken.

Ik buig me, toegegeven, ietwat oncharmant naar voren om mijn volle glas aan te pakken, waarbij mijn tieten net niet uit mijn hempie glippen. Ach, je wordt maar vijftien keer achtentwintig. Ik neem een diepe slok, hoest, veeg lachend mijn mondhoeken schoon en vervolg uit mijn recentere bundel, De biologische klok is getikt. Bewonderend luistert iedereen naar mijn thematisch brede oeuvre. Tussen de gedichten door drink ik mijn glas leeg, want de woorden moeten wel zwemmen in mijn mond.

’s Nachts sta ik, met wijnrode lippen, ontkleed voor de spiegel. Ik zie allang niet scherp meer, maar zelfs dan is het eigenlijk allemaal een mistroostige aanblik. Ik zie mijn eigen bundeltjes op het nachtkastje. Beduimeld, kapotgelezen. Er liggen nog hele stapels van in mijn kledingkast. Zelfs mijn bundels willen ze niet.

Ik kruip onder de dekens. Bundels van dekens. En denk aan bundels. Aan samen gebundeld. Nee, geen tranen vandaag. Ik ben potverdorie al achtentwintig. Koppig rol ik een paar keer om, net zolang tot ik mezelf ingebundeld heb.

Woord

Verhaal door René van DensenDat ze alles zonodig telkens moeten veranderen. Dat is nog het vreemdste. Nu ligt dit hier weer open en moet ik aan de overkant lopen. En daar rijden de auto’s nu weer de andere kant op. Ach. Als het ze lekker bezig houdt, wie ben ik om me er druk om te maken. Ik steek een sigaret op en stap voort.

Er liggen dode bladeren in de straat. Toch is het geen herfst. Alles is grauw, ondanks het flitsbezoek van de zonneschijn. Mensen lachen achter kroegruiten, om grappen die ze al gehoord hebben. Of mogelijk heb ik ze al gehoord. Vandaag sluit ik niks uit. Mijn schoenen verslijten aan mijn poten.

Een man zit op een letter van een woord. Het woord vormt de naam van het plein. Iemand vond dit een goed idee. De man zit verloren voor zich uit te staren, met gekromde rug en een blik buiten deze werkelijkheid. De draadjes van zijn koptelefoon bungelen slap. Hij oogt niet alsof hij ergens nog zin in heeft. Ik weet niet of hij zal stoppen met op het woord te zitten.

Met slappe banden rijd ik de letters van het woord voorbij. Ik lees niks. Op sommige dagen hoop je enkel dat je thuiskomt, en dat het daar wel allemaal mee zal vallen.

Tot ziens, hè

Verhaal door René van DensenIk draal, meer kan ik er niet van maken. Er zijn een boel mensen aanwezig die zich nuttig maken en ik wil niet in de weg lopen. Mijn koffiekopje is leeg, maar daar ik ga ook niet om een refill vragen. Mijn oma ligt ziek op haar bed met professionele verzorgers om haar heen, mijn dorst is van nul belang.

Iedereen danst en schuifelt onwennig door het appartement. De dokter was op tijd, maar toch. Heel lang gaat het ook na vandaag niet meer duren, en nu moet ze ook eerst uit haar shock komen. Ze babbelt al wat. Ik ga ook maar even kijken. Onderweg naar haar slaapkamer loop ik kalm en voorspelbaar, om de chaos zijn weg te gunnen.

Mijn oma zegt dat iedereen zo goed voor haar is, met een zachte snik van ontroering in haar stem. Ze zegt dat ze een mooi leven heeft gehad. En dat ze haar best heeft gedaan. Zo heeft ze meer zinnetjes, die ze blijft herhalen, in willekeurige volgorde. Duidelijk mikt ze erop dat één van die zinnen haar laatste wordt. Het is een mooie selectie. Elk van de zinnen is prachtig als allerlaatste zin. Dat iedereen zo goed voor haar is, staat met stip op plek één. In de paar uur dat ik er uiteindelijk ben, herhaalt ze die zeker achttien keer.

In niets herken je nog de kranige, goedlachse en zorgzame vrouw die ze was. Of toch het kranige even, wanneer ze probeert rechtop te gaan zitten. Ze wil per se met de rollator bij de rest van de familie aan gaan schuiven. Het gaat niet meer. De poging stokt op de rand van het bed. Zwartblauwe benen bungelen over de rand en ze weet: dit bed kom ik niet meer uit. Ze leunt en knijpt in de handvaten van de rollator.

Op de derde plek van de herhaalzinnen staat haar uitspraak dat ze hoopt dat men haar morgen vindt. Ze bedoelt: dood. Ze is er klaar mee. Dit is geen leven meer. Ze is op. En de hele familie, tot zelfs de achterkleinkinderen, is nog langsgeweest de afgelopen dagen. Iedereen heeft ze gezien.

Ze vraagt de verzorger om haar vriendinnen in de aangrenzende appartementen op de hoogte te brengen van hoe het met haar is. Ook als ze haar morgenvroeg zouden vinden. De verpleger springt hier warm maar verrassend routineus mee om. Geen bijzonder verzoek onder dit dak. Mijn oma wil weer liggen. Haar blauwzwarte voeten worden met een paar hulpzame handen terug op bed gelegd.

Ze mijmert wie er allemaal niet meer zijn. Vooral wijlen haar man, uiteraard. Veel te vroeg gegaan. En die en die. Veel te vroeg gegaan. Zij gaat niet te vroeg. Die gedachte komt niet eens in haar op. Ze vraagt of ze alsjeblieft de dokter niet meer willen bellen. Er hoeft niks meer gedaan te worden, zegt ze. Niemand wil ze nog tot last zijn. Achter mij rammelen zenuwachtig afgewaste koffiekopjes in de keuken. Ze zegt dat ze hoopt dat men haar morgen vindt.

Ze zegt enorm blij te zijn mij te zien. Ik moet niet alleen blijven, zegt ze. Dat is het verschrikkelijkste dat ik kan doen. Ze zegt dat ik zo goed voor haar ben. En dat ze een mooi leven heeft gehad. Dat ze hoopt dat ze haar morgen vinden. Ik knik en flap er ook enkele half inhoudsloze dooddoeners uit. We hebben elkaar nu even niets écht meer te zeggen. De Dood luistert mee.

Als ik met de jas in de hand wat later afscheid neem, zegt ze net tegen de verplegers dat ze zo goed voor haar zijn. Dan kijkt ze mij aan en zegt precies wat ik denk. Ze zegt dat ze hoopt dat ze me nog terug zal zien. Ze bedoelt niet in dit leven, is echter te horen in haar stem. Ik knik en zeg dat ik dat ook hoop. Dan zegt ze: Tot ziens, hè.

Ik verlaat het appartement, blij dat dit haar laatste woorden naar mij zijn. Ik haast me, voor ik kan opvangen hoe goed iedereen voor haar is.