Geen maandag

Plotseling is er geen maandag. Althans, plotseling: dat klinkt iets teveel alsof dit plotmatig plaatsvindt. Het is meer deus ex machina onverwacht. Althans, deus ex: ook dat is teveel eer. Het is meer alsof iemand even vergeten is waar de maandagen opgeborgen zijn, of even deze dag vergeten is in de rij van komende dagen te plaatsen. Gewoonweg bam, geen maandag. Een rommelig begin van de week, al met al. Je zou hier toch een maandag verwachten, maar ho maar. In geen velden of wegen is er een maandag te bekennen.

Eerst wat bevreemd, maar daarna vrolijk, nemen de mensen dit voor kennisgeving aan. Hoera, geen maandag ! Er is aanvankelijk een feestvreugde in de straten. Slingers, confetti, zelfs vuurwerk. De politie weet niet of ze daar iets aan moeten doen, aangezien deze ontbrekende dag geen houvast aan hun juristrictie geeft. Uiteindelijk steken ze zelf maar wat vuurwerk mee af, om in ieder geval wat aan veiligheid te doen. Ook van, eh, daag, is zij uw beste vriend. Bekeuringen blijven ook even uit: geen man of vrouw in het blauw weet wat te schrijven bij de datum. Al snel staan de straten volgeparkeerd, maar dat maakt toch niemand uit. Het is volledig onduidelijk of iemand moet werken of niet. Iedereen zit met biertjes op schoot in de zon.

Maar dan begint de onzekerheid te knagen. Komt er wel een dinsdag ? Is de week gestart ? Krijgt men wel betaald ? En wie bevoorraadt het bier dat we opdrinken ? Van paniek beginnen mensen door elkaar heen te schreeuwen. De politie zwaait met gillende keukenmeiden en vuurpijlen maar krijgt de boel niet geluwd. Al snel vormt zich een meute. De protestborden steken zich razendvlug boven de menigte uit. Men eist hun maandag terug ! In grote stoet trekt men naar elk regeringsgebouw. Maandag, maandag, maandag, scanderen ze ! De overheidsmensen zweten het uit. Hoe herstellen we de maandag ? Enkele geleerden dienen zich aan en weten met een geheim apparaat de status quo te herstellen. Plotseling is er weer een maandag. Opgelucht leest iedereen dit verhaaltje. Lacherig wordt het onderling doorgestuurd: stel nou, dat er geen maandag was ! Pas rond middernacht wordt men weer voorzichtig. Wat nou als er geen dinsdag komt ?

Location, location

Verhaal door René van DensenDe echte vraag vandaag is: wáár ? Want natuurlijk ga ik voetbal kijken. Mijn huisgenoot kijkt alle wedstrijden en heeft mij daarmee aangestoken. Ondanks dat de vorige wedstrijd van een bepaald niet nader te noemen team meer op beukend straatvoetbal leek. Laatst was hij een dagje weg en liep ik onwennig door het huis. Ik kon er de vinger niet op leggen wat er miste, tot het kwartje viel: de televisie stond niet aan ! Van pure cold turkey heb ik toen zelf zitten kijken. Dus uiteraard wordt er vandaag ook naar het balspelletje gekoekerd. De locatie, dat is de kwestie. Location, location, location.

Tussen de massa is alvast geen optie. Te druk, te lawaaierig, en mochten ze winnen kom je er nooit meer weg. Zie bovendien maar eens een biertje te bestellen. Dan is er nog een festivalletje in Prozacstad dat toevallig dit jaar als thema het land van de tegenstander heeft. Hoewel me dat wel kietelt, vind ik toch het idee om entree te betalen voor een volkssport een beetje… nee. Gelukkig zijn er nog opties. In een nabijgelegen dorpje waar toch niemand me kent, kun je de wedstrijd in de kerk kijken. Dat vind ik dan nog wel lollig. Voor de zekerheid ben ik een veelvoud aan vloekwoorden aan het instuderen, want van zo’n gelegenheid maak je natuurlijk optimaal gebruik.

Maar ja, het opportunisme viert hoogtij, en dus kun je in feite overál kijken. Een beetje afhaalchinees of Grieks restaurant heeft nu ook een groot scherm hangen. Dat heeft nog wel iets moois pathetisch, zo met het verveeld personeel samen de wedstrijd kijken in een verder verlaten toko. Of wat te denken van de bejaardenhuizen ? Al wil je niet op het geweten hebben dat bij een enthousiasme opwekkende goal, de helft van de inwoners een hartverzakking krijgt. We hebben nog een stadsstrand, buurthuizen, ateliertuinen, iedereen heeft zo ongeveer wel een excuus gevonden om een scherm of projector op te hangen. Voetbal verdeelt, zoals u inmiddels wel opgemerkt mag hebben. Ik sta in ieder geval met twee handen vol dillemma’s.

Net voor de wedstrijd klop ik op een donker deurtje. Ik heb goed gekeken of niemand me gevolgd heeft. Er schuift een klein balkje open en twee norse ogen informeren naar het wachtwoord. Carpe Diem, antwoord ik. Door een opening die zich eerder als een kier laat omschrijven, mag ik binnen. En daar hangt het scherm. Iedereen om me is in het zwart gekleed. Ik ook. We zijn de ultieme hipsters: we kijken voetbal in het lijkenhuis. Overal om ons heen liggen lichamen. Gelukkig heeft toch ook iemand een schaaltje met zoutjes meegenomen. Stil volgen we de wedstrijd, en genieten.

Baard

Verhaal door René van DensenDe baard is weer aan de beurt. Hij is te lang, te vettig, de huid eronder wordt kriebelig. Dan gaat hij er altijd af. Gewoon, drastisch, hoppakee, alles eraf. Grote plukken haar in het putje, babyface in de spiegel. Ik doe dit opnieuw en opnieuw. De enige reden dat ik een baard heb, is omdat ik te lui ben om me te scheren. Ik verslijt op deze manier ongeveer één scheermesje in de drie jaar. Toen ik in slaap viel, twijfelde ik nog een beetje, maar nu ben ik er zeker van: de baard is weer aan de beurt.

Een volle baard scheren is een genot. Je kunt er alle kanten mee op. Waar begin je ? Wat gaat eerst weg ? Scheer je andere baardstijlen erin, tijdens het proces, of doen we het rechttoerechtaan ? Onvermijdelijk scheer ik uiteindelijk ook even een Charlie Chaplin-snor. Sinds een zekere Duitser deze snor iconisch aan hemzelf verbond, is deze stijl in de ban. Zonde, eigenlijk. Dus draag ik hem binnenshuis. Een paar minuten loop ik er dan mee rond, en dan gaat ook dat laatste plukje er af. Het is allemaal aanstellerij, maar zonder publiek, en dan zou je het speels zelfamusement mogen noemen.

Ooit spaarde ik mijn afgeschoren baardhaar op. Ik wou er een kussen mee vullen. Maar hoewel ik heel knutselig creatief kan zijn, naald en draad zijn niet mijn beste vrienden. Met textiel kan ik niet zoveel. Dus uiteindelijk is al dat haar weggegooid. Ik had nochtans een flink volle plastic zak. En hiermee beëindig ik graag mijn spreekbeurt over mijn baard.

Een hoog

Eerste verdieping

En weer stopt er eentje. Kijkt. Voor zijn gevoel kijken ze allemaal zomaar zijn woonkamer in. Het werkt enorm op zijn zenuwen. Knorrig rolt hij een sjekkie om op zijn balkonnetje te gaan roken. Als die eikel dan nog staat te koekeloeren, neemt hij zich voor, dan schreeuw ik hem weg. Met zijn gekijk. Ga ergens anders kijken, vent. Rot op. Ik wóón hier, ja. Zijn vloeitje scheurt. Inwendig vloekt hij. De koekeloerdert is alweer doorgefietst, maar toch. Allemaal zijn schuld. Agressief pulkt hij een nieuw vloeitje uit het pakje. Dan maar rollen op het balkon.

Kijk, daar komen er weer twee. Moeder en kind. En ja hoor. Stoppen en kijken. “Lees eens een boek !” roept hij kwaad vanaf het balkon. De moeder schrikt. Het kind ook. Snel fietsen ze door. Hij zit er maar mooi mee, de man op een hoog. Nergens om gevraagd. Maar toch uitgevoerd. Nu zit hij ermee, met die kleurige afbeelding op zijn zijmuur. Op iedereens zijmuur. Maar hij is de enige die het ding wanstaltig vindt. En dus is het des te erger wanneer iedereen die passeert, kijkt. Kijkt naar dat wangedrocht op zijn muur. Op de muur van Een hoog. Hij vond het beter toen het nog grijs en vuil was. Beter dan dit verschrikkelijke ‘kunstwerk’. Boos kauwt hij op het einde van zijn sjekkie.

Weer iemand die stopt. “Rot toch op !” gilt hij. “Nog nooit een muurschildering gezien soms ?” De gestopte man lacht. Iemand anders komt nieuwsgierig aanlopen. “Sodemieter allemaal op, stelletje cultuurbarbaren ! Dit is toch geen kúnst !” slaat zijn stem over van woede. Een meute begint zich te vormen. Woedend gooit hij balkonplanten in hun richting, maar zijn armen zijn oud en ze komen niet ver genoeg. De mensen lachen en applaudiseren. Moedeloos vlucht hij naar binnen. Maar de mensen zien hem nog altijd. Reusachtig geportretteerd in de muurschildering. Én door zijn woonkamerraam op een hoog. Tot overmaat van ramp landt er een vlindertje op de kleurige schildering. Ook de natuur is door en door verrot, zie je maar weer.

Renk

Verhaal door René van DensenIk lig op de bank. Alles beweegt om me heen. Mijn kat rent naar buiten, dan weer naar binnen. Ze heeft een vlinder gevangen en die gaat er nu aan. Want dat moet aan mijn voeten. Mijn huisgenoot heeft bezoek, vervolgens gaat het bezoek weer weg en zet de huisgenoot de teevee aan. Voetbal. De poes rent nu weer de achtertuin in. Ze komt terug met een veertje. De wind komt ook op bezoek. Hij waait enkele rondjes in de woonkamer en vlucht dan door de open deur. Ik blijf liggen waar ik lig. Soms moet je de wereld gewoon zijn ruimte geven en uit de weg gaan.

Langzaam smelt ik samen met de bank. Eerst is er een soort Renébank. Dan al een renank. Voor je het weet, staat er in de woonkamer een renk. Mijn kat en mijn huisgenoot zoeken me, maar ik ben er niet meer. Wel een of andere vreemde renk. De politie wordt gebeld. Zo was ik er, zo was ik er niet meer, immers. Ze komen onderzoeken. Hun oog valt op de renk. Wat is dat ? vraagt één nieuwsgierige agent. Mijn huisgenoot haalt zijn schouders op. Een renk, antwoordt hij. De agent kan de hele tijd zijn ogen niet van de renk afhouden. Waar hebben jullie die gehaald, vraagt hij. Kwenie, zegt mijn huisgenoot. Hij was er gewoon ineens. Ik wil er ook een, zegt de agent.

Een handige ondernemer springt er enkele dagen later op in en begint renken te produceren. Al snel heeft iedereen een renk. Ze vliegen de winkels uit. Je wordt ermee doodgegooid, met de renken. Alle woonwijken staan er vol mee. Al snel zijn de mensen de renken weer beu. Met bosjes staan ze bij het grofvuil. Iedereen is renkmoe. Ook ik. Langzaam strek ik mijn armen. Zo ga ik van renk naar renank naar René en bank terug. Mijn kat laat van schrik haar vers gevangen sprinkhaan ontsnappen. Heeft er toch iemand baat bij gehad.

Mot

Verhaal door René van Densen“Ik geef niet meer dan een tientje, knikker,” bromt de Opperpater. Hij wil mijn nog te verschijnen nieuwe boek wel, maar dan “tegen een vriendenprijsje”. Ik zeg dat iederéén een vriendenprijsje krijgt. Ik kom met mijn boekjes doorgaans amper uit de drukkosten. En dan leveren al mijn eigen geïnvesteerde uren dus nog niks op. “Ja, dat is niet slim, knikker,” zegt de Opperpater. Hij zegt dat ik wel een biertje “on the house” mag. Als hij terugkomt uit de keuken, is hij dat echter alweer vergeten en reikt hij een van mijn zelf meegebrachte biertjes aan.

Een mot fladdert in paniek rond in Club P. Het is een flinke mot en hij zwaait in grote paniekerige cirkels. We verschuilen ons beiden onder tafel. De mot beukt boeken van de plank, vazen om, foto’s uit hun lijst. Het is een kabaal van jewelste. De Opperpater vloekt dat hij zijn bier vergat mee te nemen onder tafel. Zijn sigaret heeft hij wel nog vast. We wachten tot de mot zichzelf verbrandt aan de staande lamp. Dat doen ze altijd. Ze kamikaze-cirkelen rond de lamp en uiteindelijk péts, mot dood. Deze mot blijft echter nog flink panikeren. Overal rondom ons klinken brekende voorwerpen.

De Opperpater zegt dat ik de mot moet vangen en er geld mee moet proberen te verdienen. Hij zegt dat hij nog nooit zo’n grote mot heeft gezien, knikker. Dát willen de mensen zien. En dan loop je helemaal binnen, zegt de Opperpater. Kun je die boekjes voor de grap blijven doen en voor een vriendenprijsje aan je vrienden verkopen, zoals de Opperpater, zegt de Opperpater. Hij neemt een stevige trek van zijn sigaret en duwt die uit in het tapijt. Je kunt echt steenrijk worden als je die mot vangt, dat geloof ik echt, herhaalt hij. Ik durf daar vijftigduizend euro om te wedden. Behalve als je er niet rijk van wordt he, voegt hij haastig toe. Ik zeg dat de Opperpater een opportunist is. Een rásopportunist, herhaalt hij trots wat tegenwoordig bijna al zijn vrienden over hem zeggen. Het siert hem wel.

Binnenkort: Strips ! Oúde strips zelfs !

cover-probeersel-boek1Lang, lang geleden en in een heel andere wereld… Er was een tijd vóórdat ik schreef. Ja, echt waar. Toen tekende ik. Strips. Ze verschenen ook op internet, en met een beetje zoeken kunt u er nog wel een aantal van terugvinden. Mijn belangrijkste en meest tijdrovende werk was een vijfdelige filosofisch getinte graphic novel reeks rondom een jongeman die na een stevige zuipronde zijn geheugen kwijtgeraakt is. De naam van deze strip was Probeersel.

Vandaag heb ik officieel de offerte aangevraagd voor boek 1 van deze quintologie. Ik beschouw deze vijf boeken als mijn allerbeste werk ooit ooit OOIT. Dus het moet ook maar eens gebundeld worden. Binnenkort verschijnt deel 1, in full-colour, in een kleine oplage. 90 pagina’s, en alle oorspronkelijke (gebrekkige) dialogen, kleurfouten, tenenkrommende tekenstijlen en -foutjes zijn, uit respect voor het oorspronkelijke werk, intact gehouden. Dus, lees eens een 17 jaar oude strip van mijn hand en bestel dit boek ! (Binnenkort dan dus.)

Vingers


Verhaal door René van Densen’s Ochtends blijken al mijn vingers weggelopen. Heb ik dat. Dat is niet erg eh, handig, zoals u zich kunt inbeelden. Ik pruts me wat door het huis heen, op zoek, maar nergens kan ik ze meer vinden. Foetsiekabloeb, die vingertjes van mij. De kat wil naar buiten, maar ik krijg mijn deursleutel niet goed vastgepakt. Dus die heeft pech. Mijn slaapkamerraam stond op doorluchtstand, dus ze krijgt nog een beetje frisse lucht, maar voorlopig geen buitenwereld voor de poes. Ondertussen zoek ik het huis nog een keertje af, maar geen vingers in zicht. Ten einde raad zet ik wat koffie en vraag ik me af hoe ik de dag doorkom.

Misschien staken ze wel, de vingers. Vinden ze dat ze ondergewaardeerd worden. Ik wil direct roepen dat ik ze heus wel waardeer, vingers, echt hoor. Ik ben altijd zo blij met jullie, wil ik gillen. Maar of ze het horen en er wijzer van worden, dat weet ik niet. Ondertussen krijg ik jeuk in mijn oor en op andere vervelende plekken. Krabben lukt niet. En wanneer ik een boterham met kaas probeer te maken, eindigt de hele keuken onder de boter. Het allervervelendste is dat het niet lukt om betweterig te zijn zonder vinger. Ik kan er niet mee zwaaien, wijzen of er eentje waarschuwend in de lucht steken. Wat ik niet zou doen voor één vinger.

De vingers blijken me een mailtje gestuurd te hebben, zie ik nadat mijn laptop ook helemaal onder de boter zit. Ze nemen even een dagje vrij. Altijd trouwe dienst, recht op, even uitwaaien, enzovoorts. Ja, dat is leuk, maar het schopt wel heel mijn planning in de war. Hoe moet ik nu schrijven ? Ik mopper wat en lik de boter van het scherm. Ze hebben een foto meegestuurd en liggen ergens op een naaktstrand. Ik zie de vrouwen in de achtergrond van de foto en grijns. Dan sluit ik de laptop. Ze hebben het verdiend, mijn vingers. Die gaan een mooie dag tegemoet. Dát zijn mijn vingers, geen twijfel mogelijk. Koffie, iemand ?

“Fuck the system !”


“Fuck the system !” Sinds die uitspraak kon hij al niet meer kapot. Het volkje waar hij dagelijks bij aan tafel mag schuiven, is de directe taal niet gewend. Dus leeft hij zich uit op zijn botte, harde uitspraken. Lekker erop los klagen. Verrukkelijke sound bites waar de kranten de volgende dag van smullen. Hij is in vorm. Zonder schroom noemt hij hun koningin een ‘wilde meid’, knalt hij erin dat hij ‘een Anderlecht icoon’ is, en wat al niet meer. ’s Avonds in het hotel kijkt hij uiteraard terug wat hij allemaal eruit geflapt heeft, en valt dan grinnikend in slaap. Ze lopen met hem weg. Als de opa op het barbecue-feest die net lollig genoeg moppert dat iedereen moet lachen. En, aangemoedigd door het gelach, moppert hij nog harder en enthousiaster. Want alles is kút en hij mag het roepen. Ja, hij zit lekker op zijn plek.

Maar dit had hij toch niet verwacht. Klop op de deur. Woest aantrekkelijk meisje in provocatieve kleding. Ondeugende oogopslag. Ze knipoogt en stelt zich voor. “Hallo – ik ben the system.” Ze giechelt. Hij nodigt haar binnen uit, want het schroomloze bloed stroomt nog lustig. Paar relativerende grapjes, alsof er ijs gebroken moet worden. En toch knaagt er iets in zijn kop. Hij had nog ooit een bijrol in een filmpje, met zo’n zelfde soort situatie. Toen moest hij spelen dat het hem toch niet lekker zat. Tegenover een betoverende tegenspeelster. Die leeftijd, de in zijn ogen misplaatste aanbidding. En nu zit hij hier potverdorie in het echie in dezelfde situatie. Paar glaasjes inschenken dan maar. Even uitstellen wat er staat te gebeuren zodat hij het kan beschouwen.

Want tja, is hij nog wel fit genoeg ? En dit is dan wel geen loopspelletje, maar vaart zal er toch wel in moeten zitten. Misschien zelfs enig balbezit. Uiteraard ook gevoel, passie. Een kwinkslag over een enthousiaste vorstin, dat is speels, uitdagend, plagend. Maar dan zit je plots in deze situatie. Hoe oud zou ze zijn ? Frisse huid, jonge ogen. Dit zijn van die dingen die je met rode oogjes in een vunzig boek leest, maar nu zit je er maar mooi mee. En er wordt natuurlijk wat verwacht. Daarnaast: morgen moet hij weer scherp zijn. Nee, dit is echt allemaal niet zo handig. Voor hij het weet, zit hij na te denken over de basisopstelling en zijn reserves. Hij neemt nog eens een slok. Was hij maar een Anderlecht icoon. Iconen hebben het zo makkelijk: die hoeven niks met de werkelijkheid.

The system kust hem. Gatverdarrie, ook dat nog. Wat doe je dan, tja, dan kus je maar terug. Met je barstige lippen en je stramme lijf. Je voelt je jaren opeens en wenste dat je een soepeler lichaam had. Haar lippen persen op de zijne en grappen maken is er nu niet bij. Zijn rimpelige vingertoppen strelen, maar ook dat voelt raar, verkeerd. Ze had zijn kleindochter kunnen zijn. Of zijn achterkleindochter. Ze kunnen wonderlijke dingen op medisch gebied, tegenwoordig. Verdomme, had hij nu maar een goeie coach achter zich. Die iets in zijn oortje zei.

Steigers


Verhaal door René van DensenIn Prozacstad is er weer eens een rel. Eigenbelangrijk vrijgevig heeft een steigerbouwer een stellage opgesteld zodat een kunstenares een huizenhoge illustratie kan aanbrengen op een flatgebouw. Vereerd door deze gulle voorziening, bovendien geïnspireerd door de kleurloze troosteloosheid van het stadje, en met een gezonde arbeidsethos, ging de kunstenares aan de vlijtige slag. Met als resultaat dat ze vroeger dan verwacht haar schildering voltooid heeft. En dat is dus tegen het zere been van de steigerman. Bij haar werken hangt namelijk, promotioneel, een vlag van zijn steigerbedrijf. Nu is ze eerder klaar en zeg maar dag met het handje tegen deze gratis reclame. De steiger moet afgebroken worden om het kunstwerk vrij te laten. Niks ervan, bromt de steigerman. Die steiger blijft staan. En de kunstenares moet langer blijven doorwerken. Afspraak is afspraak. Maar het kunstwerk is áf, werpt de kunstenares tegen. Het helpt niets. De steigerman dreigt met een rechtzaak. Boete wegens vervroegd voltooien van het kunststuk.

Als de kunstenares ’s ochtends arriveert om te bekijken wat ze eventueel nog kan toevoegen aan haar muurillustratie, wacht haar een grote schok. De hele muur is spierwit ! Voorzichtig voelt ze: ja, de verf is nog een beetje nat. Niemand in de omgeving heeft iets gezien, dus zie maar te bewijzen wie de dader was. Ze belt boos met de steigerman, die natuurlijk alles ontkent. Vervelend, erkent hij. Maar hij wil wel over zijn hart strijken en de steiger laten staan tot het kunstwerk opnieuw aangebracht is. Boos maar machteloos vangt de schilderes weer aan. Na twee weken ploeteren staat dan toch een nieuwe muurillustratie op de wand. Maar alsof de duivel ermee speelt: de volgende dag is alles weer spierwit. Ze kan wel janken.

Ondertussen levert de rel de steigerbouwer veel aandacht op. De zaken lopen fantastisch. Iedereen wil een steiger. In de tuinen, naast hun gebouwen, in hun woonkamers, zelfs op hun zolders: overal staan steigers. Ze zijn niet aan te slepen. Sterker, zijn voorraad is hard aan het opraken. Van pure noodzaak breekt de steigerman de stellage bij het kunstwerk af om die ook te kunnen verhuren. Wanhopig vraagt de kunstenares hoe ze nu haar artistieke hoogtepunt nog kan bereiken. Tja, zegt de steigerman. Hij kauwt op zijn bolknak. Bekijkt de kwestie, en dan de kunstenares. Van top tot teen. “Kun je een beetje springen ?” vraagt de steigerman. Ongelovig kijkt ze hem aan. Toch niet tot de vierde verdieping, roept ze kwaad uit. “Niet boos worden,” bromt de buizenman. Hij krabt eens op zijn buik. “Tja,” zegt hij. “Tja.” Dan haalt hij zijn schouders op. Hoe die kunstmensjes hun dingen oplossen, moeten ze zelf weten. Steigers, dat is zijn vak. En hij moet ook de kost verdienen. Hij schudt haar hand: “Sterkte ermee.” Dat haar handen nu ineens onder de witte verf zitten, merkt ze pas als hij alweer weggereden is.