Heden ben ik nuchter


Verhaal door René van DensenIk kijk om me heen. Ik voel de airco. Alles en iedereen is stom. Ze krioelen door elkaar in het station en lopen voor mijn voeten op de stoep. De mensen lachen niet. Iedereen heeft een doel dat ze liever niet nastreven voor ogen. Alsof ze grimmig het ravijn in razen, willens en wetens. Ik vind er geen fuk aan zo.

Heden ben ik nuchter.

Reizen


Verhaal door René van DensenReizen, ook al zoiets dat ik niet graag maar wel te veel doe. Ik ben liever ergens, dan ergens naar onderweg. Maar doorlopend moet ik reizen. Soms is het gelukkig maar naar de supermarkt. Dwars door verschillende wijken, dialecten, levensovertuigingen en paspoorten heen. Bij de winkel waar ik het liefst kom, lopen Polen, creatievelingen en pinnige volksbuurtbewoners dwars door elkander binnen en buiten. Ik sjok. Liever was ik op mijn bank blijven liggen. Met mijn kat naast mij.

Op de bank, daar reis ik pas. Ik staar uit het raam en drijf met de wolken voort. Een andere keer neem ik een verfrissende duik de diepte van een glas in. Mijn neus leeft op bij de exotische geuren van een oud boek dat op mijn schoot uit elkaar valt. Het eten valt nooit tegen, en ik kan me moeiteloos inbeelden dat ik als een toerist door mijn tuin zwerf. De tuin is niet groot, maar mijn fantasie wel.

Maar dan moet ik weer naar mijn werk. Of naar een fietsenmaker. De meeste van mijn reizen zijn strontvervelend. En al het reizen vind ik strontvervelend, zelfs als de bestemming wél interessant is. Een beetje onderweg zijn. Wel heb ik een talent voor gelatenheid ontwikkeld. Moeiteloos onderga ik een reis. Ik sluit me van alles af. De passagiers bestaan alleen als ik het wil. Ik kan nieuwsgierig al hun kleine gedragingen observeren, of volledig alleen in een coupé zitten. Met een klein beetje concentratie is iedereen weg.

Buiten de lege coupé vindt te veel leven plaats. Vogels vliegen, auto’s toeteren, massa’s kleine en grote drama’s voltrekken zich. Ik heb zin in een sigaret. Thuis zou ik die gewoon nu op kunnen steken. Echt, welke idioot heeft ooit dat reizen bedacht ? Ik moet er niks van hebben. Met een bonk leun ik tegen het treinraam en staar naar de wolken. Ik vraag ze zacht of ze straks weer mee naar huis gaan. Dan kunnen we weer samen spelen.

Een


Verhaal door René van DensenEen lange, maar écht verdomd lange dag. Een kantoor waar het veel te warm is geweest en waar het nu muf en zweterig ruikt. Een verrukkelijke klik van het slot. Een straal in de ogen van de ondergaande zon. Een plaagwindje – toch maar de jas dicht. Een vermoeide tred naar het station.

Een groep lachende toeristen. Een frons. Een setje oortelefoontjes en een prettig muziekje. Een veel te vol hoofd om er ook nog buitenwereld in te laten. Een weerspiegeling in een winkelruit – ben ik dat écht ? Een zucht. Een kromme rug en een ferme vervolgpas.

Een graai in de binnenzak wanneer het incheckpaaltje bereikt is. Een leegte. Een verschrikte leegte. Een koude hand om het hart. Een voorzichtige controle van de andere zakken. Een vloek. Een vertwijfelde blik in het rond. Een luidere vloek. Een sjacherijnige tocht over de zojuist betreden paden terug.

Een grimas wanneer weer het station terug opdoemt. Een lege jaszak, nog steeds. Een loket. Een stel mensen met veel te langdurige vragen. Een blik op de stationsklok, maar ja. Een vrij loket, een bediende, een vertwijfelde vraag. Een vrolijke lach en een triomfantelijk gepresenteerde treinkaart met mijn naam erop. Een mededeling dat mijn naam ook nog omgeroepen was terwijl ik vertwijfeld langs de weg aan het zoeken was.

Een opgeluchtte tocht de fietsenstalling uit. Een terras in de ondergaande zon, en een goede vriend. Een tussenhalte, een koud bier. Een heel koud bier. Een welverdiende slok. Een klok, in de verte, als verdrongen waarschuwing.

Een kater. Een vroege zonnestraal. Een in alle windrichtingen piekende puinhoop op mijn kop en een klotsende stroop vanbinnen. Een diepe zucht, en daar gaan we maar weer.

Zeven


Verhaal door René van DensenAls ik een kater heb, ga ik ervaringen zeven. Mij amuseert dat wel, maar de lijn is ver te zoeken. Ik proef de wijn nog. De extreem galante gastheer bood mij een uitmuntende wijn aan, die zelfs lekker rook, wat wijn zelden doet. Ik wou per se de vieze. Dat ik een kater zou hebben de volgende dag, stond immers al vast, en daar wil ik geen goede wijn aan verspillen. Dan liever met een vieze nasmaak de afgrond in.

Daar loop je dan, vent. Iets rustiger dan de rest, en beduidend onbekommerder. Onbekommerder ? Ik laat het schieten. Je staat op een roltrap en drie kindjes voor je gillen enthousiast want de roltrap is spannend. Achter mij staat hun moeder en ze zegt: “Tschüß !” Vertwijfeld herhalen de kindjes: “Tschüß”. Het gespeelde vaarwel ontoert me stilletjes.

Bovenaan de roltrap zit ik ineens tegenover twee mensen. Ik zeg sorry. De mensen zijn onhollands gekleed en praten zacht Engels tegen elkaar. Door de stroop in mijn hoofd twijfel ik even of een Engels sprekend mens wel ‘sorry’ verstaat. Ik zeg het nog eens, harder: “Sorry !” Ze lachen en knikken.

Als ik uit het raam kijk, sta ik daar met iemand te zoenen. Ik proef het op mijn lippen. Sterker, ik sta in innige omhelzing. Haar lijf voelt fijn tegen het mijne. Als ik mijn ogen open zit ik echter aan de waterkant, in de zon. Ik vraag me af hoe laat mijn trein rijdt.

Er vliegt een meeuw laag over en hij verliest een veer. De veer landt zacht op het water, lichte rimpelingen, en laat zich dan door water en wind vervoeren. Hij is los uit de meute en hoeft niet meer terug. De reis heeft een onbekende bestemming. Ik dobber met hem mee, trappel wat met mijn flippers en kwaak. Dan schep ik wat water en schud het van mijn snavel.

Vanaf een wolk zie ik wat ik allemaal doe. Van hier af is het grappig om mezelf te zien strompelen tussen de meutes op het perron. Iedereen heeft een koers, ik heb ontwijking. Een mooi meisje loopt me voorbij, zij weet waar ze moet zijn. Als ze de trein instapt, sta ik bij de wc te wachten tot we gaan rijden, zodat ik kan kakken. Ze geeft mij een verwonderde blik. Ik hoop niet dat ze zich gaat afvragen wat ik op het toilet ga doen. Zo goed kennen we elkaar nog niet, om nu al die ideeën bij me te krijgen. Ik vind haar erg onbeschoft.

Ik stap een trein uit en een andere in. Ik kom allicht ergens. En als je een serie kijkt die opgenomen is in een stad die je goed kent, kloppen de locaties ook niet. Dus wat geeft het. Gewoon lekker doorzeven, jongen, hoor ik mijn moeder zeggen.

Langszij


Verhaal door René van DensenBijna alle mooie meisjes zijn best stom, en deze twee dus ook. Ze hebben viesvettig ruikend eten bij zich en keuvelen boven mijn muziek uit. Ik prik het volume omhoog maar weiger te vluchten. Ik zat eerder in deze coupé dan zij. Als je niet kunt vluchten, dan kijk je maar uit het raam. Ik zie mezelf gespiegeld. En ik zie een trein langszij.

De trein rijdt iets trager dan de onze en dus passeren er, traag, raampjes met mensen. Ik zie iemand met een kleurige spreadsheet op zijn laptopscherm. Een man kijkt heel uitgeblust. Een jong meisje met een bril en haar haar in een vlecht kijkt naar onze treinraampjes. Een olijke man bijna vooraan in de trein, in de eerste klasse, heft een halveliterpul bier naar ons. En dan zijn we bijna vooraan.

Maar onze trein vertraagt. Of de ander versnelt. Wie zal het zeggen. En ineens trekt dezelfde stoet in omgekeerde volgorde voorbij. Bierpul, vlechtmeisje, blusman, kleurtjes. En dan kijk ik ineens pontificaal de staart van de trein in. Daar zit een machinist. Hij rijdt niet. Uiteraard niet, want dan zou de trein de andere kant op gaan. De machinist kijkt langszij naar mij omdat hij ziet dat ik kijk. Even voel ik de neiging om te zwaaien.

De meisjes stinken en kletsen vast nog, maar ik ben gefascineerd naar de niet-machinist aan het kijken. Hij zit lui achterover te niksen. En dan trekt de trein ineens weer achteruit. Komen ze weer hoor. Spreadsheet, blus, bril. De bierman zit in gedachten verzonken. Of op een mobieltje te lezen, dat kan ik zo niet zien. En weer gaat de boel terug. Tot ik opnieuw de staart zie.

Ik kan net de luierende machinist niet meer zien. Mijn raam hangt nog net te schuin er langs. En dan schuift hij weer terug naar links. Maar ik krijg niet de hele zwik meer te zien, de treinen rijden ongeveer gelijk op. Ik vraag me af of de machinist klaar is voor vandaag en nu in feite de trein naar huis neemt. Je weet het niet. Alleen van de bierman heb ik het vermoeden dat zijn werkdag er wel op zit. Tenzij proosten naar treinen langszij zijn werk is.

En dan versnelt de trein, koerst omlaag en rijdt onder mijn spoor door. De mensen gaan naar Amsterdam. Toch een aantal mensen in de trein gaan naar Amsterdam. Er gaan vast ook mensen in de trein niet naar Amsterdam. Ik ben blij dat ik niet naar Amsterdam ga. Maar als ik er toch zou moeten zijn, zou ik een bier willen drinken. Met biermans en de machinist.

Naartoe


Verhaal door René van DensenOp de ochtenden dat de koffie klotst en duister in mijn kleding trekt, stel ik u toch de vraag der vragen: waar gaat u eigenlijk naartoe ?

Gaat u ergens vandaan ? Gaat u ergens op een bepaald moment niet meer naartoe ? Of wil u op termijn samen met iemand ergens heen ? Meerdere iemanden ? En komt u terug ? Het zijn wat veel vragen voor de maandagochtend, maar u staat daar te staan op zo’n perron en ik zie u. En ik vraag het me toch af.

Uw haren wapperen in de wind. Stug werkt u door. Maar werkt u echt ergens naartoe ? Wat ligt er aan die horizon ? Waardoor houdt u het vol, houdt u vast, zet u door ? Wat gaat het worden of zijn ? Of bent u juist iets kwijt en moet het terug ? Of moeten uw kinderen iets terug ? Of iets meer dan u ?

U staat er toch maar mooi. Niet ziekgemeld. Onderweg. Naar ergens. En vanavond waarschijnlijk weer terug. We doen het samen, goed ? Even diep inademen. Voor de geest halen waar we naartoe gaan. En dan zult u zien: daar komt de trein al aan.

Als een waas


Verhaal door René van DensenAls een waas, zo verloopt mijn maandag. Ik vloei mezelf de dag door maar het glipt door mijn vingers alsof ik beter in bed was gebleven. Verhalen. Verhalen bij de koffieautomaat. Hoe iedereens weekend was. Ik blaas stilletjes mijn koffie koud en grinnik onopvallend mee. Wanneer mensen vragen naar mijn weekend, doe ik vaag. En zo waas ik mijn dag door.

Als een waas, zo eet en drink ik dingen. Koffie. Brood. Een appel. Allemaal prima. Iets van pasta ’s avonds. We wazen de dag wel weer door. Melk. Water. Hoeveel glazen water zou ik gedronken hebben in mijn leven ? Ik staar naar de blauwe lucht buiten. Wat ik hier doe. Waarom ik niet lekker buiten. In de zon. En ik blik weer terug naar mijn beeldscherm.

’s Avonds trein ik naar huis. Niemand aanspreken. Oortjes in. Muziekje op. Blik vooruit. Als er gekke dingen gebeuren: negeren. Vandaag is geen dag voor belevenissen. Treinconducteur vraagt om mijn kaartje. Uitstappen. Uitchecken. Naar huis.

Thuis kijkt mijn kat me in mijn ogen. Ik kijk terug. Ze heeft prachtige ogen. En ze miauwt want ze wil iets. Even, heel even, leef ik niet als een waas.

Typisch


Verhaal door René van DensenAlsof het bestaat, een typische ochtend, zo typisch gedroeg deze zich. Natuurlijk werd cliché na cliché afgevinkt. Half net-wel-net-niet verslapen. In ondergoed, met één sok aan en een klotsende mok koffie, door het huis hoppen. Een minimum van één kat die halverwege de trap plots stilstaat, de trede over de lengte blokkeert en mij, al struikelend, verwachtingsvol en half bedelend aankijkt om wat aandacht. Het viel me nog reuze mee dat ik geen lekke band had.

Rennen door de regen met gevaarlijke glibbergang. Net op het fluitsignaal tussen treindeuren doorglippen. Tegenover een knul zitten met een hoog voorhoofd, omlijstende wenkbrauwen en witte draadjes naar zijn oren, die naar buiten kijkt alsof hij meer geleden heeft dan Jezus. Een jengelend kind dat haar poppetje wil – bijzonder: het poppetje heeft bruin haar. En natuurlijk minimaal één persoon die geïrriteerd kijkt omdat mijn vingers zo luidruchtig op het toetsenbord ratelen.

Ik heb geen koffie op mezelf gemorst. Dat mag ik zien als atypisch. Ik ben niet omgereden door een even haastige automobilist. Ik ben wél tussen de sluitende treindeuren door geglipt. Er stonden geen beppende Beppen het stoplicht te blokkeren. Ik werd ook alleen wakker, dus hoefde me geen zorgen te maken of ik wel gastvrij genoeg was naar iemand die mee tussen mijn lakens was beland. En geen van de dingen die mijn lezers mij toewensen – geef het maar toe – kwam uit. Maar het allerbelangrijkste: ik heb geen koffie op mezelf gemorst. Het is dus toch geen typische ochtend. Maar het kan nog. Alles kan nog.

Nieuwe vriendjes


Verhaal door René van DensenOmdat het veel goedkoper reist en omdat ik geen ochtendmens ben, reis ik inmiddels met de Latere Trein. Mijn Treinvriendjes van gisteren zijn nu de Halfuureerdermensen geworden. Of, zoals iemand fijntjes opmerkte: ik reis nu met de Directeurstrein.

Er is weinig van te merken. Ook op dit tijdstip kijken de perronbevolkers niet blij. Met als verschil dat er studentjongeren bij zijn. Die waren er op de eerdere tijdstippen niet. Of misschien waren ze er wel, maar niet vocaal. Deze kwetteren er lustig op los. Ik luister een beetje mee, of ik tegen beter weten in iets interessants hoor.

Ondertussen mis ik mijn Treinvriendjes. Het was toch wel fijn een paar bekende gezichten te zien voordat de reis aanving. Voorzichtig gluur ik om me heen of ik misschien geen nieuwe vriendjes kan opdoen. Dit is voor langere tijd mijn vertrektijdstip dus als ik er niet in slaag Treinvriendjes te maken, ben ik verstoken van bekende gezichten. Dan worden de treinreisjes toch wat vervelender. Voor een sociale einzelganger als ik, toch.

Misschien dat mooie meisje daar wel. Ach nee, haal je niks in je kop. Die gaat eenmalig met deze trein en zie je nooit meer terug. En zelfs al stond ze hier elke dag, ze is veel mooier dan jij. Bij gebrek aan bekenden moet je het toch meer in je eigen klasse zoeken. Alleen iedereen in mijn klasse is grauw, bedrukt en stil. Het zijn wachtende standbeelden, murw geslagen door het onderweg zijn.

Met een onderdrukte zucht kijk ik omhoog. Er zweven wolken in het prille blauw. Ik vraag de wolken of ze mijn vrienden willen zijn. De wolken zeggen dat ze niet weten waar ze morgen zullen zijn, maar dat ze nu mijn vrienden wel willen zijn. Blij met mijn nieuwe vrienden zie ik de trein aankomen. Maar zodra ik ingestapt ben en goed en wel zit, merk ik dat de wolken in het blauw zijn achtergebleven. Terwijl de trein het station verlaat, zwaaien ze nog een keer en drijven dan verder.

In het raam kijkt mijn spiegelbeeld terug. Hij ziet er een tikje grauw uit.

Vinden


Verhaal door René van DensenUit het niets staat hij voor mijn deur wanneer ik opendoe. Ik weet niet goed meer waarom ik de deur open. De bel had, dacht ik, niet gerinkeld. Daar staat hij, en hij kijkt me strak aan. Meteen begint hij al: “U ziet er niet bijster wakker uit, meneer.”

Ik denk nog even dat de man een verkooppraatje komt houden. Daar houd ik van, dus open ik de deur iets wijder. Hij glipt direct naar binnen. “Uw gang kan wel een extra laagje witte verf gebruiken,” klinkt het achter me terwijl de man hoorbaar doorloopt naar de woonkamer. Alsof hij hier al jaren woont.

De man komt hier het een en ander vinden, meldt hij me wanneer ik hem zijn koffie aanreik. De koffie is trouwens erg warm en had in een appetijtelijkere mok gemogen. Aldus de Dingenvinder. Ik vraag hem verbaasd of daar geld in te verdienen is. Bij mensen als u niet, kijkt hij met een zuinig mondje in het rond. Ik voel me direct schuldig over mijn schampere inkomen.

De man zegt dat hij erg weinig tijd heeft. Hij moet de hele straat nog afvinden. Ik zeg dat dat niet geeft, dat hij alle tijd van de wereld mag nemen. Hij kijkt nog één keer rond: “Ik vind dat u wel eens mag schoonmaken.”

Ik schud de Dingenvinder z’n hand. Hij schudt hem schuchter terug. Dan drebbelt hij mijn straat af, naar de volgende deur. Voor hij aanbelt, kijkt hij vijftien seconden naar de deurbel en het naambordje van de buren. Volgens mij vindt hij nu al iets.