Als ik de winkel weer buitenkom, staat mijn fiets moederziel alleen. Alle damesfietsen die links en rechts geparkeerd stonden, zijn er vandoor. Misschien was mijn fiets heel saai gezelschap. Kon hij alleen maar praten over hoe het hier toch veel veranderd is vergeleken met vroeger. Of over de politiek. Of voetbal. Of over een concert van Nick Cave waar hij over de omheining was binnengeklommen en daarbij zijn hand had opengesneden en net de zaal binnenkwam met zijn bloedende rechterhand opgestoken toen Cave Red Right Hand begon te spelen en het hele publiek voor hem opzij ging omdat ze dachten dat het deel van de show was. Of over bitcoin.
Het zou allemaal kunnen, mijn fiets is oud. Ik zie hem er wel voor aan, ondanks zijn knalrode lak en chromen vleugeltjes boven de ketting, dat hij eigenlijk een saaie ouwe zak is. Knap in zijn dagen geweest, maar nu interesseert het de dames niet meer. Ze zijn allang naar de volgende shopping experience gevlucht. Staat hij daar, een beetje in zijn eentje in de zonneschijn. Het heeft wat tragisch.
Ik ben zelf eigenlijk ook al best oud. En gezien hoe weinig mij nog interesseert, zal ik ook wellicht heel oninteressante dingen brabbelen. Dat de mensen denken, oh nee he, daar heb je hem weer. Met hoe belangrijk kunst en poëzie eigenlijk is voor ons bestaan. Boeie, René. Met je badeendjes- en speelkaartenweetjes. En je boekjes. En je optredens. En je websiteverhaaltjes. We moesten op school al lezen, waarom zouden we dat nu nog doen. Gelukkig lees ik zelf nog altijd mijn verhaaltjes graag. Dan heb ik minstens één lezer. Die het ook nog leuk vindt.
Eigenlijk vind ik mezelf wel heel leuk gezelschap. Ik zit soms uren met mezelf op de bank me kostelijk te amuseren. We hebben ook ongeveer dezelfde smaak en interesses. En ruwweg hetzelfde soort leven gehad. Geef toe, hoe vind je nog zoiets tegenwoordig. Ik bof maar met mezelf. En met die ouwe rooie fiets. Zijn bel glanst in de zon. Ik rinkel hem even, in een verlaten parkeerplaats. Ring ring.

