Herfst verbont

Ik loop niet warm
voor bontkragen
of schapenhuid
over poezelvoet

Wanneer de dames
weer lagen dragen
weet ik dat mijn
libido op stal moet

Hij mag daar herkauwen
op rollebollen met
kokend heet bloed
onder zomernachtluchten

En wacht zo geduldig
op vriestemperaturen
wanneer de vrouwen weer
mijn dekbed in vluchten.

Lege ramen


Verhaal door René van DensenEr is iets heel oke in dit land van de lach. Ondanks de opmars van de lege winkeramen. Besmeurd met kalkaanslag van de regen, met vervallen gevels, opgesierd door een inmiddels ook aan verval begonnen ‘Te Koop’-bord. Met zo’n langdurige leegstand moeten hier toch (anti-)kraak leuke dingen te regelen zijn, maar enfin. Ik rook mijn sigaret en zie mensen stralend lachend door de regen peddelen. Dan ga ik terug het kroegje in.

Er hangt een stylistische kaart van het Land van de Lach aan de wand. Met eraan een krulstaart. Erboven, aan het plafond, hangen acht jezuskruizen, horizontaal, als vliegtuigen die in formatie ergens heen vliegen. Op de tegenovergestelde wand, alweer een kruis, waar bij nadere inspectie de omhoogreikende armen van de Heer voorzien zijn van een zwaaiend springtouw. Men neemt hier niet zomaar iets serieus, wil het allemaal bij elkaar uitspreken.

Het gelach en nawerkdagse gebabbel kaatst door het lokaal. Een vrolijke boel, hier in het Café Met De Mooie Literaire Naam. Niets mis mee. Ik heb wat moeite om mijn boek te lezen, maar de afleiding is ronduit prettig. Levensverhalen worden druipend van ironie te berde gebracht. Moppen heeft men niet nodig: het leven staat bol van de hilariteit.

Eerzaam en vakkundig brengt de barvrouwe, met ingesleten lachrimpels, de vaste klanten hun bier. Koud, en van een vers vat. En royaal getapt. Geen kinderachtig gedoe hier: als je drinkt, drink je. Roken moet je buiten doen, maar ja, dat is ook maar de wet. Desgevraagd zal over het hele café de mening daar wel over verschillen.

Bij een volgende rookpauze staat er een enorme hond suffig voor zich uit te staren. Te gewend aan de locatie. Ik knuffel hem, hij reageert loom verbaasd. Niet té verbaasd: aandacht krijgt hij blijkbaar vaak genoeg. Zijn bazin heeft werkvolkwallen onder haar ogen, en de groeven die een hard leven aanbrengt. Maar ook hier weer onmiskenbaar: elke lach heeft zijn sporen achtergelaten.

Ik slenter terug naar mijn bushalte, langs de lege ramen. Als ik het geld had, zou ik het wel weten. Hier komt álles goed, zelfs al gaat het niet vanzelf.

Vals weer


Verhaal door René van DensenIk word kriegel van vals weer. Als een onvervalste barometer. Ik prik er dwars doorheen, van dat weer dat het ene belooft te worden maar als het ander uitpakt. Zoals honden grommen naar iemand met valse bedoelingen, betrap ik immer het valse weer. En berg je op zo’n moment, want dan heb ik een ochtend/middag/avond/nachthumeur van jewelste.

Het moet verdomme ook niet gekker worden: je denkt haaaa, nog net een beetje nazomer of desnoods nog een beetje een warme herfstzon, en boemsjakkalakka alles wordt duistergrijs en voor je het weet krijg je donders en bliksems om je oren. Het weer boeit het echt geen reet wat je ervan vindt: het is de ongekroonde rock ’n roll artiest van het hemeldak. En je krijgt geen geld terug.

Zolang het weer zich voordoet als iets dat het niet gaat blijken te zijn, irriteert alles mij. Alles en iedereen. Niks klopt meer met de wereld, immers, er staat een verradelijke verrassing op het programma. Dat kan natuurlijk ook een positieve zijn: grauw weer dat plots in stralende zonneschijn uitblinkt. Ook dat vind ik rete-irritant.

Ik ben van de rechte lijn. Wat je ziet is wat je krijgt. WYSIWYG en niet zeiken verder. Als ik zeg dat ik iets ga doen, ga ik het doen. Niet altijd op het aangekondigd tijdstip, maar vroeg of laat kom ik het na. Kun je, in redelijkheid, op rekenen. Dus dat notabene het weer een beetje kiekeboe gaat lopen spelen, stoort me mateloos.

Het is toch een beetje alsof het weer je neus steelt. Of een munt achter je oor vandaan haalt die daar eerst niet zat. Of een andere flauwe grap uithaalt. Het is verdomme Candid Camera niet, weer. Gedraag je gewoon eens, weer. Het leven is al verrassend genoeg zonder dat jij een beetje aandacht gaat lopen trekken, weer. Praten we soms nog niet váák genoeg over je, weer ?

Nee, vals weer mag van mij direct op gehoorzaamheidstraining. Zweep erover. Kappen met die nonsens. Stom weer ook altijd.

Beest en natuurtjes


Camper stickers
Er staat een camper schuin voor mijn huis. Hij is vies: hij heeft gereisd. Ook is hij niet fonkelnieuw, dat ziet een kind. Er zitten plaatjes boven de cabine geplakt. Nieuwsgierig loop ik dichterbij.

Het zijn een aantal elanden in verschillende groottes. En dan een road runner. Zoals in de tekenfilm. Links zit een enorme vlinder geplakt. Ik vraag me af waar de plaatjes voor staan. Misschien is het een soort grafiek. Hoe groter het dier, hoe meer de chauffeur ervan gezien heeft.

Of misschien zijn dit wel dieren die hij geramd heeft. Zou toch ook kunnen. Dan heeft hij relatief veel vlinders geraakt, want die is echt reusachtig. Ik kijk nog eens. De elanden zijn, op hun formaat na, niet identiek. Daar gaat mijn grafiektheorie.

Misschien zijn het dieren waar hij de liefde mee heeft bedreven. Ja ho ho, de kans is niet nul. Geef toe. Er zijn een boel gekke mensen in de wereld. En sommigen zullen heus wel een camper rijden. Dus wie weet. In dat geval kom ik toch weer terug bij de vlinder. De liefde bedrijven met een vlinder, daar kan ik me dan weer niks bij voorstellen. Ik bedoel: mierenneukers genoeg in dit land, maar dat is niet letterlijk. Dus daar ga je al.

De vlinder is wel enorm, natuurlijk. Zou dat schelen ? Misschien is hij waar formaat. Maar dan zijn de elanden weer ongeloofwaardig ienieminie. Wie heeft er ooit een eland gezien van zeven centimeter hoog – met gewei ?

Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik me besef dat dit gewoon toeristische camperstickers zijn. Niks bijzonders aan. Het is cliché en je kunt er niks leuks bij verzinnen dat maar de minste geloofwaardigheid oproept. Het zijn fantasieloze rotstickers. Bah.

Nog heel even probeer ik er wat fantasie tegenaan te smijten, maar dan geef ik het op. Ik kan niet opfantaseren tegen een beest en zijn natuurtjes.

Snooze ’n Purr


Verhaal door René van DensenMijn kat en ik hebben een uitgebreid ochtendritueel ontwikkeld. Het begint met dat ik de wekker een veelvoud aan keren op snooze zet. Omdat ik zo graag snooze, zet ik de wekker altijd expres vroeger, met als gevolg dat ik nóg meer snooze. Mijn kat kijkt dat altijd vanaf haar slaapplek – tegenwoordig mijn kledingkast – aan tot ze het vermoeden heeft dat de laatste snooze aangebroken is. De snooze waarbij ik iets meer open sta voor opstaan.

Dan schakelt zij in actie. Miauwend komt ze aangelopen over mijn bed. Ik zeg miauwend, maar het is meer piepend. Een fatsoenlijke volwassen miauw heeft ze nooit aangeleerd. Waarom zou ze ? Miauwen als een klein poezenmeisje krijgt vanalles bij mensen gedaan. Een volwassen Berthamiauw vertedert niet. Dus blijft ze piepen.

Heeft ze zich vergist en ben ik nog niet aan mijn laatste snooze toe, dan gaat ze niet terug naar haar slaapplek. Nee, de fout ligt bij mij. Dus: tijd voor het pootje. Ze geeft me dan mepjes in mijn gezicht. Net zo lang tot ik óf wakker word, óf mijn kop verder onder de dekens steek. Doe ik het laatste, dan begint ze te spinnen.

Spinnend duwt ze dan haar neus tegen mijn gezicht aan, met een weinig subtiele duw. In een poging onder de deken te kruipen. Ze zal luider spinnen en harder duwen, naarmate ik verzet. Het is een klein beestje. maar ze is verrassend sterk en eigenzinnig. En ik ben dan nog duf en slaperig. Vanzelfsprekend verlies ik het.

Zo kruipt ze onder de deken, duwt haar lijf tegen mijn lijf, begint heen en weer te lopen. Ze zorgt dat de deken open blijft en de warmte verdwijnt. Als ik nog altijd te slaperig overkom, gaat ze met haar raspende tong mijn gezicht of mijn arm likken. Dat voel je echt wel, geloof me. En nog altijd luid spinnend. En piepend.

Half wakker rol ik dan wel eens op mijn rug. Dat geeft haar de indruk dat ik mógelijk opsta. Enthousiast glipt ze uit bed en staat bij mijn slaapkamerdeur. Ik heb haar gefopt. Trekt ze zich weinig van aan. Luid spinnend eet ze wat van haar brokken, alsof het de bedoeling was weg te glippen. En dan komt ze terug, voor hetzelfde spelletje. Ik hou dit deel van de routine geen drie keer vol: die ruwe tong schaaft rode plekken in mijn gezicht.

Uiteindelijk zwaai ik dan toch overeind. Benen over de rand. Diepe, vermoeide okeeikbenwakker-zucht. Juffrouw staat alweer bij de deur te spinnen. Sloffen aan mijn voeten. Sjokken naar de deur. Dan de gang in. Trap af. Kat dartelt enthousiast tussen mijn benen door en voor mij uit. Staat te piepen bij de achterdeur. Amper heb ik die van het slot, of ze spríngt naar buiten.

Ik bereid wat koffie. Dan sjok ik, nog altijd duf, terug naar boven. Ik check de mail, vaak schrijf ik dan mijn verhaaltje, ik zoek vacatures. Het eerste uur heb ik voor mezelf. En dan ineens hoor ik gestommel op de trap. Mrrraw, komt ze binnengerend, enthousiast van het buitenspelen. En spinnen. En kopjes geven. Dan moet ze de borstel.

Ik borstel de kat. Ze klautert op mijn schouders. Ik loop de slaapkamer rond met de poes spinnend in mijn nek. Dan springt ze weer op de rand van mijn bureaustoel. Ik maak nog een koffie (in mijn slaapkamer staat ook een waterkoker). Dan staar ik wat naar buiten. De kat ligt spinnend achter mijn hoofd. Als ik haar te weinig aandacht geef, mrawt ze nog wat spinnend en geeft mij een tik met haar poot. Ze communiceert heel helder.

Na een tijdje kruipt ze dan op schoot of op mijn bureau of op een andere plek vlakbij en valt in slaap.

Deze hele routine duurt, blijkbaar, minder lang dan een simpele upgrade van Windows.

Zool


Verhaal door René van DensenDe lijm had het nog zó lang volgehouden, maar nu zijn ze er wel zoetjesaan aan: mijn schoenzolen. Ik vind het geen reusachtige ramp, want er kleven vervelende herinneringen aan de schoenen. Maar praktisch waren ze wel. Snel aan, snel uit. Ach, zo gaan die dingen. Ook aan de binnenkant ging alles niet helemaal fantastisch meer. De binnenzolen waren een gescheurd en half uitgedroogd hoopje ellende. Hoog tijd om ze weg te smijten dus.

Maar ja, dan moeten er weer nieuwe schoenen gekocht worden. Ik haat schoenen kopen. Allereerst omdat ik elke dag wat krapper bij kas kom te zitten. Daarnaast hebben ze natuurlijk nooit wat je éérst had. Ik ben geen winkelaar. Eigenlijk wil ik gewoon hetzelfde dat ik al had. En daar geen muzak, winkelpubliek, schreeuwerige logo’s, bedompte winkelgeuren, rekken vol foeilelijke schoenmodellen of opdringerig kanikuhelpen-personeel voor te hoeven trotseren.

Als iemand anders gaat winkelen, sta ik graag buiten. Sigaretje, mensen kijken. Kalmpjes wachten. Af en toe eens koekeloeren wat voor weer er in de lucht hangt. Ik kom mijn tijd wel door. Winkel maar wat. Het is niks voor mij, zo’n zaak binnen moeten. Het ergste zijn nog de ‘kom even kijken of het me staat’-berichtjes. Zuchten, sigaret uitwrijven onder je schoenzool.

Zó erg zie ik er nog tegenop, dat ik met lijm nog één keer probeer de zool te fixen. Het enige dat ik in huis heb is montagelijm. De smurrie kruipt uit alle gaten en kieren als ik het aandruk. Ik weet niet of dit zo’n succes is. Maar laat het ons hopen. Nog éventjes niet de winkel in. Als het kan een heleboel eventjes nog. Ook al loop ik er nu bij als een halve zool.

Enorm


Verhaal door René van DensenIk kom, in feite, uit een enorme familie. Twee na-oorlogse werpingen aan beide kanten. In Katholiek Brabant. Dus er werd flink geworpen, want je wist nooit hoe weinig ervan zouden overleven. En dat zijn dus nog maar de broers en zussen van mijn ouders. Vervolgens gaat iedereen netjes aan de twee punt vier kindjes, uiteraard. Gevolg: ik weet zelf allang alle namen niet meer van wie er familie van me zijn.

Soms lijkt het me heerlijk als ik uit een kleine familie zou komen. Liefst zo’n heel koude, in zo’n oud huis, die thee drinken met de pink omhoog. Dat je dan geen liefde krijgt en geen kapriolen mag uithalen. Manieren leert, zodat je je later in de juiste milieus kunt bewegen.

Ik kwam zelden zonder vieze kleren thuis. Mijn jongere broer trouwens ook niet. Achteraf gezien voel ik me heel schuldig naar de planeet toe, want er is flink wat fosfaat aan ons verspild. En manieren hebben we al helemaal niet geleerd. Ja, kauwen met je mond dicht, en netjes vragen om het zout. Dat soort dingen. Waar je niks aan hebt als je lekker alleen woont met een poes. Die hoef ik niet te vragen het zout door te geven. Dus eet ik tegenwoordig met een bord op mijn buik op de bank. En zo heel af en toe, als ik me dwars voel, kauw ik met de mond open.

Ondertussen ontvang ik met regelmaat updates over mijn familie. Want die dozijnen aan mensjes, die zitten blijkbaar ook niet stil. Allemaal zijn die dingetjes met hun levens aan het doen. Heel goed natuurlijk, maar voor iemand die een jaar lang al amper een boodschappenlijstje kon onthouden, een tikje lastig. Ik luister dan ook altijd maar half, als mijn moeder me bijpraat. Die woont nu samen met die. Die heeft nu een baan daar. Die is op vakantie daarzo ergens. Die is aan een studie begonnen. Knikken, hmm-hmm zeggen en bedachtzaam van je koffie slurpen.

In zo’n enorme familie zou het handig zijn als mensen gewoon een tijdje niks veranderen. Niks doén. Gewoon even zo blijven zoals je was. Dan valt het te behappen. Geen gekke veranderingen plegen of volwassen worden of een vak leren of meer van die zotte toestanden. En al helemáál geen nieuwe mensen erbij nemen. Geen geliefden, geen kindjes, de boot is vol !

Mijn moeder geniet er echter met volle teugen van, wat ze allemaal doen, en dat bijhouden. Ze heeft ook zo’n lijst die ze rondstuurt, met alle adressen en telefoonnummers enzovoorts. En regelmatig krijg ik de nieuwe verhalen. Het zijn epische ontwikkelingen, natuurlijk, van al die mensen die ik kende toen ik nog thuis woonde. Maar het is zo veel: het lijkt verdorie wel Tolstoi. Niet. Te. Doen.

Mijn eigen shit overzien, dat lukt nog net. Ik schuifel naar de keuken en maak een thee. Dan ga ik met keurig rechte rug op de bank zitten en drink met de pink omhoog.

Monoloog


Verhaal door René van Densen“Ja, knikker. Dat is weer even geleden. Heb je wel wat te eten in huis ? Want ik heb niet echt een geweldige dag gehad. Ik voelde me al niet goed vanochtend. En dan heb ik ook nog boomstammetje met prei en gebakken aardappeltjes gegeten, maar dat was niet goed. Die gebakken aardappeltjes, die frituren ze gewoon, dus dat is al smerige zooi. En dat boomstammetje was helemaal verschrikkelijk. Dus toen kreeg ik ook nog op het werk diarree, heb ik heel mijn broek volgescheten. Dus ik na het werk naar huis, onderbroek en broek verwisselen. En wat denk je ? Ja hoor: moest ik ook nog eens een partij kótsen, niet normaal.”

“Oja, weet je nog die vrouw, waar ik verliefd op ben ? Ja, die blijkt dus al vijfentwintig jaar getrouwd te zijn. En nog steeds, dus. Dus ik weet niet of ik daar zoveel kans bij maak. Waar is die asbak, die mooie delftsblauwe keramieken asbak die je van mij gekregen hebt ? Ah, dank je. Ja, want dan wil de Opperpater hem ook gebruiken ook he. Bier, knikker ? Oh, je hebt nog, okee.”

“Ja en ik ben weer op het matje geroepen bij de woningbouw, knikker. Ik mag nu helemaal niks meer na tien uur. Ook geen Stapelwoord spelen met mijn moeder. De buurvrouw heeft zelfs gezegd dat ze last heeft van mijn laptop. Maar daar zitten 2 Watt speakertjes in, knikker. Acht jaar geen ellende gehad in die woning, en nu dit. Ze zegt dat haar werk eronder lijdt. Maar ik mag dus nu na tien uur geen kik meer geven. Laatst belde ze ’s avonds omdat ik zo moest hoesten. Maar ik was verkouden, daar kan ik toch ook niks aan doen dan ? Maar ja, we zien wel. Ik heb trouwens nog een nieuwe mop, zullen we die opnemen ?”

Dansen

Mislukte foto
Er was weer bier, en er waren weer mensen. Het schijnt zo te moeten zijn. Er sneuvelde glazen en er beklonken nieuwe vriendschappen. Maar één man, op een eindje van het terras, beklijfde. Al de rest vervloog in de beschonken hersencellen.

Hij stond er. Ineens. Een man met een sprekend, doch onopvallend gelaat. Donkere huidskleur. Blauwwit overhemd. Gestreken broek. Gepoetste schoenen. Stropdas in een Windsor. Drie plastic tassen. Hij zette ze op de grond. Viste er een tijd in. Haalde er een muziekding met reusachtige koptelefoon uit. Zette de koptelefoon op en begon te swingen. Middenop de caféstraat.

En bewegen, en meezingen, en dansen, dansen. Helemaal in zijn eigen wereld. Hij zong voorbijgangers toe. Nieuwsgierig stond ik op, want dit had ik nooit eerder gezien. Mijn terrasgenoten wel: ze kenden de man van andere plekken in de stad. Maar altijd waren hij en ik elkaar blijkbaar misgelopen.

Ik ging op de rand van het terras zitten en keek toe. In zijn wereld bestond ik, ogenschijnlijk, niet. Hij bleef dansen. De mensen wáren er, maar ze deden hem niks. Hij, de muziek, en zijn wereldje. Ik liep nieuwsgierig dichterbij. Op twee meter afstand van hem kwam ik voorzichtig staan. Direct stak hij de weg over en ging op een terras staan dansen. Okee. Ik liep terug. Hij ook. Ik mocht niet dichtbij komen. Helder.

Ik probeerde een foto te maken. Die mislukte. En dat moest ook zo, dacht ik. Dit moment viel niet te vangen. Het was wat het was. En ik was erbij.

Zo zat ik nog een tijd te kijken. Hij knuffelde één voorbijganger, zong meerdere anderen toe, maar bleef vooral zijn eigen ding doen. Weer vissen in de tas. Notitiebloc. Hij keek rond, dansend en zoekend. Noteerde iets. Keek nog eens rond. Noteerde weer wat. Hij was even gestopt met dansen. En toen weer door. Notitiebloc weg. Zeker twintig minuten was die paar meter stoep, en de muziek in zijn oren, zijn universum. Ik voelde me erg jaloers.

Lettergroothandel


Verhaal door René van DensenWegens het overweldigend succes van mijn internetverhaaltjes vind ik een aanbod. Zomaar, in mijn inbox. Van mijn e-mail. Van een grote landelijke lettergroothandel. Het alfabetwarenhuis stelt een samenwerking voor. Want wat zijn verhaaltjes nu zonder letters, stellen ze ludiek en vriendelijk in de elektronische brief. In eerste instantie moet ik het daar natuurlijk mee eens zijn.

Maar zoals altijd is de realiteit weer anders. Het blijkt dat ik, doelgroeptechnisch, vooral goed pas bij de letters J, Q, V, X en Y. Dus of ik vooral die letters in mijn woorden wil gebruiken. Dat is goed voor hun omzet, bewejren ze. Iq twyfel aanvankelyjx even. Enjerzijdq mqet de kachxel natuurlyk vel brqnden. Qnderzijdx, tjq, hey getujgt njet van qrote jntegryteit qm zomaav je zyel ye grabbej ye qooien.

Jk laat verder jn xet mjdden vat ix vqqr besljssinq qenomev xeb. Sommjqe djnqen hov je jmmerx prjvé.