Aan zijn zij


Het komt niet uit met dit weer, maar zijn zool laat weer los. Het geeft niet, denkt hij, doorbijtend. Even vannacht doorkomen. Trots loopt zijn metgezel aan zijn zij. Naamloos, want zij moet haar eigen naam maar kiezen en dat heeft zij niet gedaan. De nageltjes takken op de stenen en in de restanten bevroren sneeuw.

Dat haar vacht een effen kleur heeft, helpt niet, vindt hij. Nu ziet ze er, met wat kleurenblinde fantasie, uit als een snelkruipende baby. Een maf vierpotig naakt kind. Hij is zo dol op haar. Geen idee wie haar verlaten heeft, maar hij kan het gezelschap goed gebruiken. Het is zo eenzaam, waar hij slaapt. Op zich is dat wel geruststellend, want hij moet ook geen gedoe ’s nachts, maar toch.

Mensen kijken hem en de hond na. Schichtig haast hij zich de bocht om. Hij moet niks meer van ze hebben. Mensen met kinderen zijn het ergste. Sowieso is niemand met een huis te vertrouwen. Doodeng. Hij wurmt zich door de struiken nabij de brug. Kwispelend en moeiteloos loopt de hond achter hem aan.

Als hij de deken over hen beiden heen trekt, doet hij even alsof de rest van de wereld er niet is. Dat de wereld door de gaten in de stof alsnog een beetje binnenschijnt, deert hem niet. Hij staart in de glanzende ogen van zijn metgezel. Daar ligt ze, aan zijn zij. Zij en hij, tegen de wereld.

En dan beginnen de knallen. Eerst dof en onverwacht. De hond spitst de oren. Dan start het nerveuze geknetter en de grond dreunende explosies.

Woest blaffend stormt ze weg, onder de deken uit. Vanonder de stof ziet hij haar, langs het kanaal, richting de kleurrijke luchtspetters. De wereld baadt in een zee van lichtchaos. Hij roept haar niet na. Of ze terugkomt en nog aan zijn zij zal lopen, weet hij niet. Waarschijnlijk is hij nu weer helemaal alleen. Vermoeid trekt hij de deken weer over zijn kop en knijpt zijn ogen dicht.

De volgende golf

nog

Heel Even
bij de volgende golf

ja, dan
dan komt het eten

zilt en zoet en
watersmekk en
tanden diep

Vol daan wrijven
de buik over

misschien
de volgende golf

of dan beslist
die

Erna.

Verhuisdozen


Verhaal door René van DensenHet huis staat vol met verhuisdozen. Ze zijn leeg. De dozen die beneden staan, tenminste. Als ik een verhuisdoos vul, zet ik ‘m boven uit het zicht. Op de andere dozen die al vol zijn. Ik wil de volle dozen niet zien. Als er volle verhuisdozen staan, is het écht. Dan ga ik hier écht weg. Aangezien ik nog geen 100% zeker plan heb waarhéén ik ga verhuizen, wil ik me er niet onnodig druk over lopen maken.

Ondertussen reageer ik op beschikbare woningen. Dat gaat tegenwoordig makkelijker dan toen ik in deze stad kwam wonen. Internet was toen niet echt vanzelfsprekend. En e-mail. Maar zolang ik niets zeker weet, focus ik op andere dingen die eraan komen. De volgende werkdag. Nieuwjaar. Boodschappen. Of de kliko aan straat moet. Alles behalve volle verhuisdozen die geen bestemming hebben.

Het gaat goedkomen. Ik vertrouw erop. Althans, ik doe mijn best erop te vertrouwen. Uiteraard ben ik nerveus. Over een week of drie word ik uit dit huis gegooid. Krappe deadline. Maar als ik vertrouw op de flow, komt het goed. De flow heeft me ook net voor de deadline een nieuwe baan bezorgd. Zolang ik actief zoek, en erop vertrouw dat alles goed zal komen, is dat de uitkomst. Kalm blijven. Stap voor stap doorgaan.

De kat is blij met de verhuisdozen. Ze heeft al in elke doos geslapen, gespeeld, gesprongen. Ze heeft geen idee. Geen idee dat de verhuisdozen boodschappers zijn. Boodschappers van het einde van onze tijd hier. We moeten weer verder. Ze was net gewend geraakt. Terwijl ze zich opkrult in een verhuisdoos, kijk ik toe. En met een zucht klap ik de laptop open en kijk maar wéér naar het beschikbare aanbod. Het komt goed, echt, het komt echt goed.

Koffie ?


Verhaal door René van DensenEn, langzaam, valt, de, deur, in, de, groef. Klik. Hij laat zich een opgeluchte zucht ontglippen. Goed, nu hoeft hij niet zo stil meer te doen. Ze kan hem amper horen en slaapt lekker verder. Snel schiet hij zijn schoen aan, hoppend op zijn voet. Sok onmiddellijk zompig van de sneeuw in de tuin. Snertweer ook.

De veter werkt natuurlijk ook niet mee. Ook direct kletsnat. En dan heeft hij nog maar één schoen aan. De ander is minstens zoveel gepruts. Tot overmaat van ramp zit er één veter niet door het laatste gaatje en wil het er ook niet doorheen ook. Half slaperig en binnenmonds vloekend priegelt hij het onding door het metalen ringetje. Als hij vervolgens eindelijk de schoen aan zijn voet heeft en de veter wil strikken, breekt deze. Ja, dat kon er ook nog wel bij.

Was hij gisteren gewoon naar huis gegaan, dan stond hij nu bij zijn koffiezetapparaat te genieten. Naar buiten te kijken naar de stumpers die over sneeuw en ijs ploeterden. Hij hoefde vanmiddag pas ergens heen, en dan was het al wel gesmolten. Maar hij moest weer zonodig teveel zuipen. En kijk. Dan word je dus in een vreemd bed wakker. Zo typisch, dit.

Het sleuteltje zit niet in de goede broekzak. Grommend zoekt hij alle zakken af. Hebbes. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat het zijn fietsslot in wil. Uiteraard glipt het uit zijn vingers, de sneeuw in. Met pijnlijk stekende vingers wroet hij in de sneeuw. Waar is dat onding ?

Dan hoort hij zacht iets tikken. Hij kijkt op. Achter het keukenraam dampt een koffiekop. Erachter grijnst haar gezicht. Ze vraagt, goed hoorbaar door de ruit: Koffie ? Hij zucht en haalt grinnikend zijn schouders op.

Realistisch


Verhaal door René van DensenIk heb mijn dagen volgeladen vol met Realistische Zaken. Dat is echt zozeer mijn ‘ding’ niet, dat ik haast moet braken. Liefst zou ik van mijn levensdagen me nooit meer aan Realistische Zaken wagen. Maar ja, het moet maar, hop.

Zachtjes sluipen kattenvoetjes, trippeltrappeltrippeltrap. Onder stoel en onder tafel: trippeltrappeltrippeltrap. Mijn kat was even alleen, en verveelde zich steen en been. Toen ik terugkwam was ze blij, en sindsdien wijkt ze niet van mij. Dat heb ik weer, met mijn Realistische Zaken: Trippeltrappeltrippeltrap. En natuurlijk nagels slijpen: Krabbelkrabbelkrabbelkrab. Soms springt ze zó, op mijn rug, maar rent dan weer weg, vlug vlug. Ah, ik ruik de kattebak: die zit weer goed vol met kak.

Uit een zee van kattezand, steken dan de drollen. Zij vult de bak en ik schep leeg, zo liggen de rollen. Krak, zegt de kattenschep. Steel nog in mijn hand. Dat kon er natuurlijk ook wel bij, ik pruts wat met een krant.

Op een tomaatrode tweepersonenbank, lig ik met de kat, zonder kik of klank. En mijn kat die likt haar vachtje helemaal schoon, en ik kijk vermoeid wat toe. Toen viel er weer een rekening op de mat, die vast ook dringend betaald moest. Maar ik dacht stilletjes: misschien ziet hij me wel niet, als ik heel erg stil blijf en koest.

Zie, de sneeuw valt uit de wolken. Alles wordt met wit bedekt. Ook het huisje waar ik lig te schuilen. Mijn kat en ik hebben dikke pret. Zij is blij dat ik er ben, en dat ik haar best verwen. Ik ben blij dat ze niet miauwt, en ze zich zo braaf stilhoudt.

Uit Artis is een beer ontsnapt. Berend Botje ging uit varen. Jantje zag eens pruimen hangen. Ik draai me nog eens om.

Allebei dood


Verhaal door René van Densen“Ja, Van Densen en de striptekenaar zijn hier,” zegt de Opperpater tegen zijn moeder. Zijn moeder belt op steeds onvoorspelbaardere tijdstippen op de avond, maar wel elke. Ze bespreken dan Eastenders. Allebei kijken ze het, en dan bespreken ze het. Al 25 jaar. Bij hoge uitzondering neemt de Opperpater het op, maar dan moet hij het van tevoren weten, en zijn moeder ook.

“We kijken Armageddon, want de striptekenaar heeft die nog niet gezien.” De Opperpater vertelt altijd ronduit over zijn gasten. Zijn moeder weet meer over ons dan wij over hem. De vrienden van de Opperpater maken zich ietwat zorgen hoe het verder moet als de moeder van de Opperpater ooit dood zou gaan. Ze brengt orde in zijn leven. Hoeveel we allemaal ook van onze moeders houden, niemand heeft een moeder zoals de Opperpater een moeder heeft.

Nadat hij ophangt, kijken we een film waarin twee acteurs spelen die allebei stierven voordat de film uitkwam. De striptekenaar vertrekt. Ik benadruk hoe bizar dat is, dat we naar twee bijna tegelijkertijd overleden acteurs kijken. Ze hebben hun eigen laatste film nooit kunnen zien. Ik zeg, stel nu dat je mij voor het laatst ziet. De Opperpater zegt, ja of andersom. We zijn even stil. Gelukkig is het een grappige film. Toch lachen we niet. We roken en drinken. Waarschijnlijk zien we elkaar vrijdag weer.

Oorspronkelijk geschreven op 22 maart 2014

Bijtwee

Zij klieft mij
de tijd door
en snijdt me
vingers in

Ik zie jou wel
staan, buiten
met je messen
gesleept

De maan in je
rug, schaduw
vooruit. Je kwetst
je onwaanbaar

Zij scherpt toch
veel verder dan
jouw blik geworpen
en geveld

Dus tol maar,
die slijp, en laat
je zinnen wanen

Waar wij blijven,
bleef ongewis
gekloofd
bijtwee geveegd.

Zangmond


Verhaal door René van DensenAls ik voor de spiegel gaap, heb ik een zangmond. Echt zo’n halve laadschuur waar een hoge schrilgil uit kan galmen. Minstens bij de eerste gaap. Wanneer ik, amper wakker, naar de badkamer heb gesjokt en voor de spiegel aan mijn buik sta te krabben. Het is de gaap waarbij het half bij me doordringt hoe mijn slaapkapsel oogt. Dat klinkt erger dan het is, want hoewel het soms echt alle kanten kan opsteken, zit mijn haar meestal bij het opstaan al fantastisch. Je moet met sommige dingen maar net geluk hebben.

En daar sta ik dan, met mijn sierlijke harendos en mijn zangmond. Alsof ik ergens een zaal vol publiek en een vierkoppig jurypanel sta te imponeren. Het is een lange gaap, deze eerste, dus ik probeer het me half slaperig voor te stellen. Het lukt maar half. Ik krijg echter geen zangnoot erbij ingebeeld. Is dit een resonerende bes, of een scherpe gee ? Is het misschien een doordringende ef, of een bassende aa dubbelmol ? Mijn halfontwaakte verbeelding is niet schrikwekkend muzikaal dus die kan het antwoord niet geven.

Mijn schedel jeukt een beetje van het slapen. Ik durf niet te krabben. Mijn glamourkapsel zou verpest raken. En dan mag ik niet door naar de volgende ronde. Zo sta ik daar, voor de spiegel. Met mijn jeukschedel en mijn zangmond. De klok slaat. Het is maar goed dat het gedoe dat je gezicht zo blijft staan, niet waar is. Ik staar vermoeid in de spiegel. Het ziet er echt flink belachelijk uit. Dat haar, en die zangmond. En dan moet de dag nog gaan beginnen.

Varkentjes


Verhaal door René van Densen“Woon jij nog steeds in die stad waar de auto’s varkentjes eten ?” vraagt ze me. Althans, zo versta ik het. Iedereen is halfdronken en praat door elkaar heen. Ook is haar Nederlands nog niet volmaakt. Ik kijk haar niet-begrijpend aan. In mijn stad gebeuren veel gekke dingen, maar auto’s die varkentjes eten, dat moet ik nog meemaken.

Een man dringt aan dat we zijn wijn drinken. Ik zie het etiket: Bergerac. Goedzo, denk ik. Niks mis met een goede Bergerac. Sterker, hij heeft hem een aantal jaren laten rijpen, proef ik direct. Ik ben geen dranksnob, maar Bergerac heb ik indertijd genoeg gedronken om te weten wanneer die goed is, en wanneer béter. Ondertussen blijft mijn buurvrouw aandringen op de varkentjes.

Ik zeg dat ik me niet kan heugen wanneer voor het laatst een auto een varkentje heeft verorbert. Ze wuift gefrustreerd en roept “nee, nee” terwijl ze naar de woorden zoekt. “De auto’s.. die de varkentjes eten.” Ik snap het nog niet. Wederom stel ik me voor dat er ergens een varkentje over straat loopt en dat zo’n auto stilletjes en gespannen wacht, om vervolgens toe te slaan. Hapslik, varken weg. Boertje. Een tong die langs de bumper likt. Ik vind het een hilarisch beeld, maar ze bedoelt dit niet.

De Bergeracman vindt ons allemaal kleine geesten en minderwaardig. Groen achter de oren en vol van onszelf. Als nu de aanwezigen net iets niét zijn, maar allee. Ik probeer het te laten gaan. Het is tenslotte feest. Als hij het feest wil vieren door de medemens te beledigen, dan gun ik hem dat. Tot op zekere hoogte. Het pleit voor hem dat zijn wijn lekker is.

De gastvrouwe vraagt of we geen vlees meer aan haar hond willen geven. Het kleeft aan zijn gehemelte en tussen zijn tanden en kost veel moeite om eruit te krijgen. Geen van ons hebben de hond vlees gegeven, maar we knikken maar ja. De Bergeracman moppert dat enkel idioten zulk goed vlees verspillen aan een hond. En dan nog zó’n hond. Het is godsgeklaagd meneer, zegt hij, blijkbaar tegen zichzelf.

Mijn buurvrouw hamert op tafel. De varkentjes ! De auto’s ! Ik kijk haar wederom niet-begrijpend aan. Ze heeft het over auto’s die ik fotografeer in mijn stad. En dan valt het kwartje, deels toch. Ik vraag of de varkentjes de auto’s eten ? Jaaaa, roept ze. De varkentjes eten de lak. Ze heeft het over trabantjes en ander oud, goedkoop vierwielig gespuis. Het klopt dat ik die ook wel eens fotografeer. De Bergeracman schenkt nog een glas voor zichzelf in. Ik zeg dat er geen varkentjes in mijn stad zijn. Het is een schande, zegt de man.

Zometeen


Verhaal door René van DensenZometeen. Zometéén ga ik echt wat doen. Minstens een broek aan. Eerst nog een koffie. Ik sjok in mijn onderbroek de keuken in. Geen gedoe met filters en weet ik wat: oploskoffie. Waterkoker. Klak, en wachten tot het borrelt. Ik staar uit het raam. Het weer heeft er net zoveel zin in als ik, vandaag.

Terug op de bank ligt de kat op mijn plek. Lekker warm. Ik snap dat wel. Ik wil het beest niet verstoren. Ook omdat ik er te lui voor ben. Dus ga ik er wat omslachtig omheen liggen. Even mort de kat wat. Dan zakt die in slaap terug. Ik sip mijn koffie. Precies goed. Kan ik wel. Oploskoffie. Ik ben er een kei in. Jarenlange ervaring. Maar goed. Zometeen, he. Zometeen gaat er echt áctie komen. Man, man. Wat ga ik veel doen zodirect.

Natuurlijk zou ik nu ook wat dingen kunnen klaarleggen. Voorbereiden. Zodat het zometeen nóg harder gaat. Maar dat doe ik zo wel. Zo, dat is zeg maar net vóór zometeen. Je hebt nu, zo, zometeen, direct, straks, later, morgen, volgende week, komend jaar. En nu is geen zo. Je moet wel de planning respecteren. Niet nu doen wat je zo gaat doen. Dan raakt de chronologie in de war. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.

Ik strek me nog eens uit. De kat ook. We respecteren het nu. Zometeen zien we zometeen wel weer. Wanneer zometeen nu is geworden.