Zometeen. Zometéén ga ik echt wat doen. Minstens een broek aan. Eerst nog een koffie. Ik sjok in mijn onderbroek de keuken in. Geen gedoe met filters en weet ik wat: oploskoffie. Waterkoker. Klak, en wachten tot het borrelt. Ik staar uit het raam. Het weer heeft er net zoveel zin in als ik, vandaag.
Terug op de bank ligt de kat op mijn plek. Lekker warm. Ik snap dat wel. Ik wil het beest niet verstoren. Ook omdat ik er te lui voor ben. Dus ga ik er wat omslachtig omheen liggen. Even mort de kat wat. Dan zakt die in slaap terug. Ik sip mijn koffie. Precies goed. Kan ik wel. Oploskoffie. Ik ben er een kei in. Jarenlange ervaring. Maar goed. Zometeen, he. Zometeen gaat er echt áctie komen. Man, man. Wat ga ik veel doen zodirect.
Natuurlijk zou ik nu ook wat dingen kunnen klaarleggen. Voorbereiden. Zodat het zometeen nóg harder gaat. Maar dat doe ik zo wel. Zo, dat is zeg maar net vóór zometeen. Je hebt nu, zo, zometeen, direct, straks, later, morgen, volgende week, komend jaar. En nu is geen zo. Je moet wel de planning respecteren. Niet nu doen wat je zo gaat doen. Dan raakt de chronologie in de war. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.
Ik strek me nog eens uit. De kat ook. We respecteren het nu. Zometeen zien we zometeen wel weer. Wanneer zometeen nu is geworden.

