Het leven als een dartpijl


Verhaal door René van DensenAch, wie maakt u wat wijs. U leeft uw leven als een dartpijl. Met een forse zwaai bent u erin geslingerd, met een rotvaart raust u er doorheen, en ferm en krachtig komt uw pad ten einde op een relatief willekeurig punt op het bord. U heeft vast veel belangwekkends gedaan, verzameld, gezien of gevoeld onderweg. Maar in de grotere schaal van Alles was u vooral een worp van Niets.

Geeft niet hoor, dat zijn we allemaal. Sommige worpen worden herinnerd, omdat ze legendarisch op de juiste plek en op het juiste moment waren. One-hundred-and-eighty. Net zo makkelijk hadden ze iets anders gedaan of was ze iets overkomen en waren ze een snel vergeten tussenworp geweest. De meesten van ons moeten zich tevreden stellen met dat het eigenlijk toch niet echt iets wordt. Niets groots en meeslepends. Met wat mazzel kunnen we van wat we doen, goed leven, en blijft ons wat shit bespaard. Maar meestal dat niet eens.

Karel is niet bang meer voor het bord. Dat zijn leven niet de memorabele tsunami van verpletterende prestaties is geworden die zijn leraar vroeger aan zijn klas voorschilderde als hetgeen waar je naar kunt streven, vindt hij niet erg. Elke dag is er eentje die hij nog niet gezien had, en als de dagen op zijn, dan zijn ze op. In de kroeg doe je er ook weinig meer aan als je geld op is, zo is dat in het leven ook, vindt Karel.

Je kunt alles worden, zei de leraar. Stellig. Nadruk op álles. Toen al vond Karel dat raar. Wat was álles ? Hoorde niets ook bij álles ? Want als je niets wou worden, kon dat dan ook, of was je dan illegaal bezig ? En wat als je geen interesse had in worden, enkel in zijn ? Of, zoals zovelen, enkel in hebben ? Het zal wel een schooldingetje zijn, dat hele wórden. In het leven buiten de school is hij weinig worden tegengekomen, vooral hebben en zijn. En hadden en waren, die natuurlijk ook.

Hij slentert langs de waterkant. Een man schreeuwt met megafoon naar zwetende roeiers die de boot waar ze allen in zitten, door het water doen klieven. Allemaal kijken ze verbeten, serieus, bijna kwaad zelfs. Karel staart naar het water. Het rimpelt wat, maar verder verandert er weinig. Hij draait zich om en kijkt naar het havencafeetje verderop. Mensen lachen op het terras. Binnen is er iemand aan het darten. Karel voelt in zijn broekzak of hij nog geld heeft.

Prozacjugend


Verhaal door René van DensenOoit zat er een groep wijze oude mannen aan een tafel in Prozacstad. Die zaten daar elke week zichzelf te beraden over de toestandindewereld en na een lang, vloeibaar beraad waren alle toestandindewereldproblemen voorgoed opgelost. Deze week echter was er slecht nieuws voor de toestandindewereldproblematiek.

De oude man die meestal als laatste kwam, zag het als eerste. De rest was namelijk onderworpen aan een keur van andere verplichtingen. De een moest zus. De ander zo. Enkel de laatkomert had geen andere plannen en was als zodanig, bij hoge uitzondering, de eerste.

Maar bij binnenkomst zag hij geen lege tafel waar de Prozactafel-raad aan kon plaatsnemen. Neen. Hij zag een groep jongeren. Erger, een groep jongeren die op een bepaald alcoholpromillage de toestandindewereldproblematiek aan het oplossen zat. Verbaasd ging de Late Man een tafeltje verder zitten. Hij luisterde stilletjes mee.

Het tafeltje beviel hem alleszins niet. De Prozactafel was een grote, imposante tafel. Maar als luistervink moest hij het hiermee doen. En bovendien. de Prozacjugend had de Prozactafel ingepikt. Daar kon hij in zijn eentje bar weinig tegen doen. Ze zouden hem verslinden. Hij was niet schokkend veel waard zonder de rest van zijn Prozactafelraad. Dus nu zat hij aan het Luistervinktafeltje, op te pikken wat de Prozacjugend wel eventjes aan de wereld zou doen als zij maar.

Een ander lid van de Prozactafel liep binnen, bezag de Jugend verbaasd – zij hem niet – en daarna de Luistervink. Hij schoof aan. Even later liep er nog een verrast lid van de groep binnen, en schoof aan. Fluisterend bespraken ze de Prozacjugendopkomst. Ze wilden er aanvankelijk iets aan doen, maar ja. Jeugd, toekomst, enzovoort. Daar bovenop zaten er mooie jongedames tussen de Prozacjugend. Dat hadden zij met hun Prozactafelraad nooit voor elkaar gekregen.

Het was de heuglijke dag dat ineens de Prozactafel van een andere groep werd, en de leden van de oude groep nooit meer in het café zouden opduiken.

Literatuur of brood


Verhaal door René van DensenDe klok geeft het helder aan: er is geen tijd voor beide. Lastig. Ik moet echt kiezen: literatuur of brood. Ik heb weer enorm getreuzeld en de tijd is op. Lastig. Het wordt óf een verhaaltje schrijven, óf mijn lunch smeren. Ik zeg het tegen de poes: het wordt literatuur of brood, poes. Ik vraag haar niet wat zij zou kiezen. Mijn poes schrijft niet. Jammer, want ze heeft vast talent. Mijn poes kan alles.

Dat zet toch danig druk op beide keuzes. Als ik brood kies, dan moet het wel een lunch zijn waar ik later vandaag niet met lange tanden op zit te kauwen. Zo van: had dán gewoon een verhaal geschreven, sukkel. Ik kijk in mijn koelkast. Heb er niet eens brood uit de vriezer in gelegd. Vergeten. Dat betekent dus zelfs bevroren boterhammen smeren.

Ik kan ook later komen. Maar dat is ook zoiets. Een half uur later op je werk omdat meneer zonodig én een onzinverhaaltje moest schrijven én zijn bammetjes moest smeren. Ik zou mezelf kapot schamen. Nee, dat het kiezen wordt, dat is helder.

Ook voor het verhaal is dit nu al vervelend, want het moet wel enorm goed zijn. Ik ga immers de godganse dag hongerig op mijn werk zitten. Zonder brood. Denkend: nou, hopelijk was dit verhaal het waard. Hopelijk vinden mijn lezers er wat van. Misschien levert het zelfs wat nieuwe lezers op.

Ik bedoel, ik kan moeilijk nu een verhaal gaan schrijven over treuzelen en twijfelen tussen literatuur en brood. Het moet wel iets beters zijn dan dat. Laat staan dat ik het mag laten eindigen op een of andere loze vraag. Toch ?

We zijn over de helft!

De drie Probeersel boeken op een rijtjeTja, wat kan ik hier van zeggen ? We zijn over de helft, dat kan ik ervan zeggen. Van de vijf delen van Probeersel is per vandaag het derde deel verkrijgbaar. Het is dus mogelijk om binnenkort drie-vijfde van de reeks in uw kast te hebben staan. En in april komt het viérde deel ! Sterker, op 3 juli aanstaande wordt het laatste deel (en de verzamelbox voor wie de reeks compleet heeft) feestelijk gepresenteerd. Dan zit het verhaal er helemaal op en weten we eindelijk hoe het afloopt met Probeersel. Een spannende maar misschien ook een beetje droeve dag. Daarna komen er weer ‘gewoon gekke boekjes’ van mij uit. Ik kan alvast verklappen dat er voor daarna een dichtbundel en, jawel, zelfs een roman op de planning staan. Maar eerst even de laatste delen van Probeersel uitbrengen. Deel drie is er dus nu. BAM, jonguh.

Aan / uit


Verhaal door René van DensenNog in het duister gaat de wekker aan. De hele dag door gaan er dingen doorlopend aan, en dan weer uit. De waterkoker klikt aan, en als het water klaar is voor koffie, klikt hij uit. Beschaafde mensen doen ’s ochtends hun kleren aan, en ’s avonds weer uit. De vuilnisbak moet deze ochtend aan de straat. Vanavond moet hij de straat weer uit. Structuur is een lastig euvel om mee te leren leven.

Mijn woning ligt vol oplaadbare batterijen en andere dingen die steeds weer aan het stroom moeten. Ik vergeet ze er altijd uit te halen. Hetzelfde met mijn telefoon en mijn laptop en zo kan ik er nog wel meer bedenken. Levensgevaarlijk, al die oplaadbare shit aan mijn huishoudelijke kwaliteiten overlaten. Zodra de vuilnisbak aan straat staat, ren ik terug in mijn woning. Ik ben mijn muziekspeelding vergeten. Dat had ik nochtans speciaal aan de kant gelegd. Ik weet niet meer waarom. Maakt niet uit.

Geld nodig. Prutsen bij de automaat. Ik neem mijn pas uit en mijn geld aan. Ook mijn treinpas moet ik eerst aanpiepen. Ik zie dat ik hem te vroeg aanpiep. Dus piep ik hem weer uit. Ik moet wachten. Op een bepaald tijdstip kost het me minder geld om aan te piepen. Dan nog maar een koffie. Ik loop bij mijn vaste koffieadres aan en even later loop ik er weer uit. We houden ons wel bezig, denk ik terwijl ik de koffiedampen koelblaas.

In de trein zie ik een conducteur aankomen. Direct breekt mij het zweet uit. Heb ik mijn pas wel aangepiept ? Ik kijk hem niet aan, maar voor me uit. Probeer niets te laten merken. Conducteurs kunnen angst ruiken. Hij loopt me voorbij. Op mijn bestemming rep ik me de trein uit.

De zon komt ondertussen onverstoorbaar op. Een of andere onverlaat laat dat kreng de hele dag aan. De zon gaat niet uit. Om er toch maar een structuur aan te geven, mag zij de aarde rond verlichten. Lekker rondjes maken, op, onder. Het is ook een soort aan en uit.

Mijn brein wil nog steeds niet aan. Muziek dus, dat is helder. Koptelefoontjes in mijn oren. Het muziekdingesding wil niet aan. Hij blijft uit. Niet opgeladen. Stom. Daarom lag hij aan de kant, natuurlijk.

Een man voor mij loopt aan de linkerkant van de stoep voor hem, rechts voor mij. Ik loop ook rechts. Hij wijkt niet, ik wijk ook niet. We belanden in stilstand tegenover elkaar. Gevangen in onze structuren. De man kijkt mij aan. Ik kijk hem uit. Uren later gaat de zon onbekommerd weer onder.

Cursor


Verhaal door René van DensenWederom heb ik maar een beperkt tijdsraam. En weer staat hij opjutterig te knipperen. Stomme cursor. De cursor heeft honger en wil woorden gevoed worden. Ik heb geen woorden voor de cursor. Ik heb amper woorden voor mezelf. Maar dat kan de cursor niets schelen.

De cursor knippert langs mijn benen en streelt mijn enkels. Vleiend maar dringerig. Ik geef normaal de cursor nu zijn woorden. Maar vandaag blijkbaar niet. Dat zint de cursor helemaal niets. Er moeten zekerheden in het leven overblijven. Anders kun je cursorknipperen wat je wil, maar is alles voor niets.

De cursor stoot een klagerig geluid uit. Ik haal mijn schouders op en kijk hopeloos. Ik kan het niet helpen, cursor. Dat zeg ik de cursor. Ik heb niets voor je. De cursor knippert kwaad en fel. Ik heb de cursor ontstemd.

Halfuureerdermensen


Verhaal door René van DensenSlaperig en brak kijk ik om me heen. Dus dit zijn ze nou. Ik wist dat ze moesten bestaan, maar nu zie ik ze met mijn eigen ogen. De halfuureerdermensen. De mensen die al op hun bestemming aankomen wanneer ik normaal pas net in mijn trein stap.

Het zijn er veel. Veel halfuureerdermensen. Een aantal van hen kijkt alsof ze iets smerigs gegeten hebben. Anderen hebben een soort gelaten blik die uitstraalt dat ze dit tijdstip als een straf zien die ze uit moeten zitten. Maar waarvoor ze dan gestraft zijn, is me niet duidelijk. Behalve dat iedereen duidelijk een halfuureerderhumeur heeft.

Ik trek mijn hoofd wat dieper in mijn kraag en poog niet te opvallend te staren. De halfuureerdermensen hebben me nu nog niet opgemerkt. Ze denken dat ik ook een halfuureerdermens ben. Maar ik ben een toerist. De rest van de week stap ik gewoon weer in wanneer zij al hun eerste peuk voor de deur van het kantoor uitdrukken.

Ik moet niet deze trein hebben maar de volgende. Een forse meute halfuureerdermensen perst zich in de kleine trein. Ik ben blij want het scheelt enorm veel zure gezichten. Dahaaag, halfuureerdermensen, denk ik stilletjes bij mezelf. Goede reis he.

En dan zie ik een fris om zich heen kijkend, mooi meisje. Kekke hoed op en bambi-ogen waar je in wil verdrinken. Ze kijkt ook verbaasd rond naar de halfuureerdermensen. En dan naar mij, op het perron. Tussen ons schuiven de treindeuren dicht.

In stort


Verhaal door René van DensenHet huis is niet jong, maar ook niet oud, toch staat het in stort. Het kan eigenlijk niet meer. De bakstenen zijn moe. Het dak is rot en iedereen ziet de gaten. Maar het dak weigert de situatie te accepteren. Het gaat prima met het huis, houdt het dak stug vol. Kijk die schoorsteen: hij rookt ! Dat de schoorsteen vooral roet en stof uitbraakt, dat doet het dak niets: dat noemt hij gewoon ‘rook’. Ontken het maar eens, zegt het dak.

De bakstenen willen nog wel dragen. Ze zijn ervoor gemaakt. Maar het cement is stuk en zo is van een muur amper nog sprake. Onverlaten begonnen posters op het huis te plakken en nu hangt het er van alle kanten vol mee. De posters, in dikke lagen over elkaar gekleefd, houden de muur overeind. Ze staan letterlijk bol van de schreeuwerige slogans. Alsof het enkel tekst is dat het huis staande houdt.

Het dak is blij met alle slogans. Zie je wel, ziet het dak zich bevestigd, de muren tonen hun kracht. Ze kunnen minstens nog tien keer zo veel dragen. Het gaat top met het huis, stelt het dak nog maar eens. Er valt een pan van het dak, in scherven uiteen. Kan altijd gebeuren, wuift het dak dit incident weg. Ook bij een nieuwe woning gebeurt dit. Het is nog geen reden voor paniek.

In de aanwezigheid van alle dikke lagen posters ziet het dak zijn eigen rol gerechtvaardigd. Zonder mij, zo stelt het dak, zouden die muren en bakstenen uiteen vallen. Of enkel maar dikke lagen posters zijn. Ik geef duiding en betekenis aan dit huis. Zonder een dak zou dit huis in stort zijn, ja. Dat kunnen we moeilijk ontkennen. Maar kijk, ik punt fier omhoog. Daar gaan we heen. Niet omlaag, maar omhoog. Gelooft u mij maar, dit huis is niet in stort.

Één poster bladdert los. En meteen kraakt de hele boel vervaarlijk. De schoorsteen braakt onverstoord zijn wolken uit en droomt van verleden, betere tijden.

Alsof er niets gebeurt


Verhaal door René van DensenDe poes heeft een huisgenoot gekregen. Of eigenlijk heeft haar huisgenoot er een. De kater die ook in dit nieuwe huis woont, was er vierentwintig uur eerder dan zij. Ze zijn een paar dagen uit elkaar gehouden, maar de bedoeling is dat ze zelf de boel oplossen. Zowel ik als de eigenaar van de kater kunnen er immers niet de hele tijd bij blijven. Dus moeten ze af en toe gewoon vrij rondlopen en aan elkaar wennen.

Het gaat niet van een leien dakje. Mijn kat is moeilijk naar andere katten toe. Vroeger heette ze de Terror Kitten. Van kleins af aan siste ze naar andere katten en viel ze aan. De afgelopen anderhalf jaar had ze een heel huis dat van haar was, inclusief de tuin. Andere katten die onverhoopt de tuin in dwaalden, jaagde ze met veel kabaal weg.

Dus ze hist en gilt naar de kater. De kater is een kalme kater. Hij ziet het probleem niet. Mijn kat past drie keer in de kater. Bedaard loopt hij op haar af om haar mores te leren. Mijn kat vlucht onder een bank en maakt daar haar kabaal. De kater is te dik om onder de bank te passen en ziet het strategisch nadeel ervan in. Maar hij waakt.

Ik probeer mijn kat te kalmeren. Ik wijs haar op het feit dat de kater geen problemen maakt en zij wel. Ik zeg dat mijn kat hysterisch is. Dat ze een drama maakt van een dramaloze situatie. Alsof er niets gebeurt. Ondertussen waakt de kater nog altijd.

Demonstratief gaat hij op mijn pantoffels liggen. Mijn pantoffels ruiken naar mij. Mijn kat gilt harder. Ik kijk toe. Tenzij de kater mijn kat uiteen scheurt, grijp ik niet in. Maar ik wil eigenlijk wel even mijn pantoffels aan. Ik moet naar het toilet.

Ik zwaai mijn voeten naar mijn pantoffels toe. De kater schreeuwt en grijpt mijn voeten. Mijn poes gilt harder. Ik gil mee. De kater molesteert mijn voeten en verscheurt mijn benen. Terwijl ik in stukken vlees door de kamer vlieg, vraag ik me af waarom katten toch zulke moeilijke beesten zijn.

Tijden


Verhaal door René van DensenWe gaan allemaal verdwijnen. De ogen die over deze letters strelen, gaan verdwijnen. De letters zelf ook. Sommige letters verdwijnen snel. Anderen langzaam. Er zullen nieuwe letters komen. De gevoelens die deze lettercombinaties oproepen, worden opgeroepen door andere combinaties in een andere tijd. Net als dat ze opgeroepen werden door andere letters in andere tijden.

De klok tikt. Gestaag observeren de wijzers het leven van de oude man. Ze kijken scheef naar hem. En dan recht naar hem. Hij zit stil. In een stoel die hij niet heel zijn leven gehad heeft. Sterker, de stoel is er pas kort. Hiervoor was de stoel van iemand anders. Wellicht daarvoor weer van iemand anders. Het is geen modieuze stoel. Mogelijk hebben veel wijzers veel mannen geobserveerd die in deze stoel zaten.

Er dwaalt stof door de kamer. Stof dat warrelt, stof dat waait, stof dat woelt. Sommige stof was pas geleden nog levende huid. Andere stofdeeltjes waren al eeuwen rond. In een unieke combinatie belanden ze straks in een stofzuigerzak. En waar ze heen gaan, vormen ze later weer nieuwe stofcombinaties. Als letters. Maar stof is van alle tijden. Stof was er toen grote reptielen op aarde brulden. Er waren geen kasten en stoelen om af te stoffen, maar stof was er.

Niets gaat verdwijnen. Nieuwe ogen zullen over nieuwe letters dwalen en nieuwe klokken zullen tikken. Nieuwe tijden gaan verlopen zoals de oude. De oude man schraapt zijn keel. Droog. Hij leeft nog. In het binnenvallend licht dwarrelt stof. Onbekommerd. Nooit jong, nooit oud. De wijzers berusten zich erin. Alle tijden.