Ouder


Verhaal door René van DensenToen ik achttien was, schatte een meisje me veertig. Ik kon er goed mee lachen en was een beetje gevleid. Sindsdien werd ik steeds jonger geschat. Inmiddels word ik jonger geschat dan ik ben. Het gaat, kortom, de interessante kant op. Als ik veertig ben, schat misschien iemand me een keer achttien. Dan zijn we vertrokken.

Daarna word ik alleen maar jonger. Benjamin Button, zeg maar. Op mijn vijftigste ben ik acht. Onschuld in mijn ogen. Knipperend naar de wereld. Rennen, spelen, kattekwaad. Belletje trekken. Mijn ouders worden dan ongetwijfeld gebeld. Mijn moeder, inmiddels heel grijs (dat is ze nu al een beetje, en heel charmant, al zegt haar zoon het zelf), zegt dat haar zoon zoiets nooit zou doen. De benadeelde partij blijft tegenstribbelen. Mijn moeder houdt voet bij stuk. Dat deed ze altijd al.

Toen ik op de kleuterschool zat, wou mijn lerares mij een jaar laten overdoen. Ik was te speels en wou niet leren. Zomerkindje. Altijd jongste van de klas. Mijn moeder accepteerde het niet. Catfight van jewelste. De lerares likte haar wonden en zweeg. Het heeft heel lang geduurd en een ziekenhuisverblijf gekost voor ik eindelijk onder leeftijdgenoten terechtkwam. Het is een dingetje, die leeftijd. Maar gelukkig word ik alleen maar jonger, nooit ouder.

Statiegeld


Verhaal door René van DensenAch ja, het is zover he ? Opa had het beloofd. Dat klopt. Goed. Waar vertelt opa dit keer eens over ? Ach, ik weet het al: ik ga jullie vertellen over statiegeld. Ja, jullie hebben nu nog geen idee wat dat is, maar dat zal opa jullie eens fijntjes uitleggen. Ga er maar eens goed voor zitten.

Eens zien. Gisteren had ik verteld wat geld was he ? Okee. Wel, statiegeld was, hoewel je dat zou denken met die naam, geen geld. Statiegeld, dat betaalde je zelf, en kreeg je later terug. Nee, nog even geen vingers, eerst opa even. Je had in die tijd wel eens dat je drinken kocht in flessen. Ja, toen moesten we alles nog verpakken. Er is zó veel veranderd, man man. Maar ik dwaal af. Flessen, wat dat zijn, pfoei… Eh… Flessen, dat zijn zo van die… dingen. Waar je iets in kan doen. Ja eh, zoek maar een fotootje op ervan, dan snap je het wel. Dit zijn van die dingen zoals die olielamp. Met die geest. Ja. Je moet even weten wat het is en waar het voor diende. Dan snap je veel dingen van vroeger ineens beter.

Zo was er flessenpost, in veel verhalen. En vervuiling. Dat kon toen nog gewoon, vervuiling. Men deed er wel af en toe een klein beetje iets tegen, maar eigenlijk niet echt. We wisten de gevolgen wel maar dachten dat het allemaal niet écht zou gebeuren. Ja, wat waren wij dom, he. Maar goed. Statiegeld, dat was zo’n dingetje, daarmee probeerden we vervuiling ook een beetje tegen te gaan. Dan kocht je drinken, en voor de verpakking betaalde je geld, en als je de verpakking daarna leeg terugbracht, kreeg je dat geld terug. Het werkte heel goed, zoals je je kunt voorstellen, als je gisteren goed opgelet hebt. Geld was belangrijk voor de mensen. En zo was er minder vervuiling. Uiteindelijk schaften we het systeen na een paar decennia af, want in die tijd stopten we met alles wat goed werkte. Dat van die privatiseringen had ik ook al veteld he ? Okee. Ik wist het even niet zeker meer.

Dat statiegeld was dus helemaal geen echt geld, nee. Dat was een soort borg. Maar opa had in die tijd heel veel vrienden die dachten dat dat wél geld was. Die kwamen dan langs en brachten hun drinken mee. En dan lieten ze de verpakkingen achter. Opa had toen heel weinig geld en de vrienden dachten dat het heel genereus van hen was. ‘Mag je inleveren,’ zeiden ze dan royaal. En dan stond opa’s kast heel snel vol met vanalles. Je moet weten, kindjes, dat niet elke verpakking zomaar overal ingeleverd kon worden. De ene supermarkt accepteerde de flessen van de andere niet, en omgekeerd. Dus opa mocht dan altijd met al die flessen de veelvoud aan supermarkten af om uit te zoeken waar hij de boel kon inleveren. Toen het statiegeld afgeschaft werd, was opa dan ook heel blij. Toen namen alle gasten van opa weer gewoon beschaamd hun eigen verpakkingen mee naar huis. Of gooiden ze weg. Niks geen ‘mag je inleveren’ meer. Opa heeft een bescheiden flesje champagne gedronken, de dag dat statiegeld afgeschaft werd. Nou, weten jullie dat ook weer. En morgen vertel ik jullie over copyright. Dat was ook een dingetje hoor, poeh poeh.

Bal


Verhaal door René van DensenDe kinderen die op straat spelen, schoppen per ongeluk hun bal mijn website in. Ze bellen aan. Of ze in mijn website hun bal terug mogen pakken. Ja dag, zeg ik. Ik ga jullie niet in mijn website binnenlaten. Wacht hier, zeg ik, dan ga ik zelf wel zoeken. Hoe ziet hij eruit ? Rond, antwoorden ze. Daar vroeg ik ook wel een beetje om, natuurlijk.

Waar ik ook kijk echter, ik kan de bal niet vinden. Niet op mijn contactpagina, niet tussen de nieuwtjes, niet naast mijn boeken. Ik ben mijn hele biografie nog even nagelopen, maar geen bal. Uiteindelijk vraag ik de schrijvers op mijn smoelenpagina of ze de bal hebben gezien. Er klinken een heleboel nees en één ja. Wie riep daar ja, vraag ik. Ik, klinkt het ergens. Ja, dat schiet niet op, zeg ik, jullie zijn inmiddels al met z’n zeventigen. Joehoe, klinkt het.

Temidden van alle schrijvers blijkt ineens een voetballer te zitten. Hij heeft de bal. Ik kijk verbaasd naar de voetballer en heb geen idee wat hij hier doet. Dan zie ik ineens BN’ers en BV’s links en rechts. Hoe meer ik kijk, hoe meer nietschrijvers er tussen de schrijvers blijken te zitten. Potverdorie, denk ik, het overzicht wordt me te realistisch. Dat moeten we niet willen, teveel realisme op mijn website. Ik verwijder de voetballer uit het overzicht en loop terug naar de jongens. Ik heb de bal niet kunnen vinden, lieg ik.

Deeveedees


Verhaal door René van DensenRillend sta ik voor zijn deur. Het licht in de gang gaat aan. Voor het raampje verschijnt het hoofd van mijn vriend. Een vermoeide blik, wanneer hij ziet dat ik het ben. Beschaamd en bedruimeld sta ik in de stromende regen. De sloten klakken. Ik ben zwaar verslaafd en ik weet het. Deur op een kier. Ik vraag bedremmeld of ik ‘m even mag zien. De deur zwaait verder open en ik haast mij de gang in. Achter mij sluit mijn vriend zuchtend de deur. Als hij geweten had dat ik zo vaak langs zou komen, was hij nooit akkoord gegaan.

Voorzichtig strelen mijn vingers de hoes. Natuurlijk moet ik van ze af. Het licht golvende plastic. Mijn collectie was onhoudbaar groot geworden. Ik staar naar de coverillustratie. Een handjevol, meer mag ik er niet van overhouden. Ze nemen veel te veel plek in, mijn deeveedees. Meer dan duizend had ik er. Ik heb geen kind, geen auto, geen hypotheek en zeeën van vrije tijd. Dan krijg je zo’n exces. Maar ik moet mijn inboedel zoveel mogelijk minimaliseren. Bijna alles heb ik er al uitgegooid, maar met de deeveedees heb ik moeite. Dus gooi ik ze op veilingwebsites, tegen veel te hoge vraagprijs. Ik maak mezelf wijs dat ik er zo alles aan doe om van ze af te komen. Het geld kan ik dan weer wel goed gebruiken, mag ik toegeven.

En een groot deel heb ik weggegeven. In de kroeg, aan vrienden. Aan wie die film maar wou. Zo kwamen ze toch nog goed terecht, hield ik mezelf voor. Maar natuurlijk zat daar achter dat ik dan wist waar ze waren. Mijn vriend maakt een kop thee voor zichzelf terwijl ik het deeveedeedoosje knuffel. Wat heb ik je gemist, deeveedee, fluister ik stilletjes. Met mijn neus snuif ik die heerlijke deeveedeehoesgeur op. Ik moet nog zevenhonderdvijftig deeveedees kwijt. In feite kan ik wel janken.

Bastion


Verhaal door René van DensenAls ik wakker word, blijkt de buitenwereld mijn hoofd te belegeren. Een reusachtige hoeveelheid buitenwereld valt me aan. Maar dan hebben ze buiten mijn kop gerekend. Daar komt een buitenwereld niet zomaar in. Zelfs niet met alle geweld van de wereld. Mijn hoofd onderhoudt een gezonde handelsrelatie met de buitenwereld, maar daar blijft het bij. De volle verdediging wordt nu dan ook ingezet.

Onmiddellijk worden de oogleden half gesloten en wordt er een grote hoeveelheid oogkroet aangebracht. Die krijgt de buitenwereld niet zomaar meer open. Alle breinactiviteit wordt teruggeschroefd tot de meest basale functies. En defensief steekt mijn haar alle kanten op. Ik ben een bastion van mijn eigen leefwereld. Buitenwereld, pas maar op.

In het midden van mijn hoofd zit een minstreel op een pleintje te tokkelen. Hij zingt, ter herinnering van allen, het lied van het plaatsje Wakker. Wakker is beroemd om de vergissing de buitenwereld binnen te laten. En we weten allemaal hoe dat afliep. Een gewaarschuwd hoofd telt voor twee.

Sponsorpoging


No Guts No Glory

U heeft allemaal geld. U bulkt ervan. Ik weet het zeker. Ik hoor u hier bulken. Daarom vandaag: een sponsorpoging. Ik schrijf deze tekst, en per woord doneert u een cent aan Stichting No Guts No Glory. Zie de link. Een cent; wat is nou een cent ? Niet veel, maar we zijn nu al de vijftig cent voorbij. Jahaa, dat gaat snel. Voor je het doorhebt, zitten we zometeen al aan de euro. Maal tweehonderdnegenenzestig lezers, dat is een mooi begin. Nu nog niet hoor. Bijna. We zitten bijna aan de eerste hele euro. Nog eventjes… Ja, nu ! Één euro.

Potver, denkt u. Wat heb ik nou weer toegezegd. Die René kan moeiteloos alinea na alinea vol lullen en daar gaan mijn zuurverdiende centen. Nou… moeiteloos is een groot woord hoor, mensen. Tien letters. Geen kattepis. Acht letters. Het valt reuze mee, met dat moeiteloos. Ik zit me ook door dit tekstje heen te sleuren momenteel. Maar het is voor het goede doel. Wees blij dat ik vraag me per woord te sponsoren. Niet per letter. Dan zou zo’n woord als moeiteloos ineens erg hard gaan. Nu valt het nog mee. Je krijgt tenminste wat te lezen voor je euro.

Kijk, het is ook niet alsof ik nu even honderden alinea’s ga schrijven. Ik moet ook zelf nog wat andere dingen doen vandaag. Kom nou. Ik kan wel schrijven en schrijven, zelfs al is het voor het goede doel, maar het houdt ergens op hoor. Sowieso leest niemand het meer als ik dit stuk veel te lang maak. Dat is nu eenmaal een internetwaarheid. Maar erger nog, het toch al magere tekstje zou er danig onder lijden. Dan krijg je dat ik maar idiote woorden blijf toevoegen, gewoon om de teller op te krikken. Alleen maar voor uw broodnodige geld.

Maar ja, anderzijds wil je wel iets kunnen doen voor mensen met kanker. Die de ballen hebben om een niet vergoede behandeling in het buitenland te ondernemen. Dus je moet wat, als schrijver. Er lopen mensen voor deze stichting de marathon, of naar Rome, gesponsord. Er is gesponsord bier gezopen. Oke, toegegeven: daar heb ik ook meters gemaakt. Maar je wil dus iéts doen. Het eindbedrag van deze tekst maak ik uiteraard zelf ook over. Dus dat is al één. Ik heb er dus ook mezelf mee, met al die ingetypte woorden. En geef en passant zelf het goede voorbeeld.

We gaan vandaag gewoon voor vijf euro. Afhankelijk van waar u woont en uitgaat, amper drie bier of op sommige plekken zelfs maar één bier. Natuurlijk is het niet niéts; anders schreef ik dit voor niets. Dat doe ik al élke dag. Vandaag doen we het verdomme gewoon even anders. Als deze alinea af is, zitten we aan de vijfhonderd woorden. Tegen dat u de tekst uitgelezen heeft, heb ik de vijf euro al gestort. Wat houdt u nog tegen ? U weet wat de muggen zeggen, immers: Alle beetjes helpen. En heel veel beetjes zijn een forse zak met geld.