Het is zo’n lieve jongen als hij slaapt

Vals weer

Ik word kriegel van vals weer. Als een onvervalste barometer. Ik prik er dwars doorheen, van dat weer dat het ene belooft te worden maar als het ander uitpakt. Zoals honden grommen naar iemand met valse bedoelingen, betrap ik immer het valse weer. En berg je op zo’n moment, want dan heb ik een ochtend/middag/avond/nachthumeur van jewelste.

Het moet verdomme ook niet gekker worden: je denkt haaaa, nog net een beetje nazomer of desnoods nog een beetje een warme herfstzon, en boemsjakkalakka alles wordt duistergrijs en voor je het weet krijg je donders en bliksems om je oren. Het weer boeit het echt geen reet wat je ervan vindt: het is de ongekroonde rock ‘n roll artiest van het hemeldak. En je krijgt geen geld terug.
Lees meer

Enorm

Ik kom, in feite, uit een enorme familie. Twee na-oorlogse werpingen aan beide kanten. In Katholiek Brabant. Dus er werd flink geworpen, want je wist nooit hoe weinig ervan zouden overleven. En dat zijn dus nog maar de broers en zussen van mijn ouders. Vervolgens gaat iedereen netjes aan de twee punt vier kindjes, uiteraard. Gevolg: ik weet zelf allang alle namen niet meer van wie er familie van me zijn.
Lees meer

Blik in de beerput

Meestal blijf ik er ver bij weg, maar zo af en toe, wellicht uit masochistische neigingen, moet ik toch een blik in de beerput werpen. Het is een fascinerend verschijnsel, zo’n beerput. De lucht alleen al die in je gezicht slaat, is nergens mee te vergelijken. Heel warm, vooral. Je huid tintelt. Toch voelt iedere laatste porie dat dit geen gezonde zeebries is.

In de beerput spartelen mensen. Ooit heb ik me wel eens afgevraagd of ik de mensen uit de beerput moest helpen. Maar de mensen zijn graag in de beerput. De beerput is hun hele leven. Ze gooien handenvol stront naar elkaar, en heffen daarna wanhopig hun armen ten hemel en roepen op hoge toon dat iedereen hén moet hebben. En dan pakken ze weer wat stront en wordt er nog een keer gegooid.
Lees meer

Ik ben, ik heb, weet ik het

Het is superirritant, want nog altijd niet voorbij: ik ben een burnout. Of héb ik een burnout ? De literatuur over mijn ziekte – want dat schijnt het te zijn – loopt op dat punt nogal uiteen.

Héb ik een burnout ? Ja, zo ver ben ik nu wel. Na de ellende in het begin die me keihard met de neus op de feiten drukte. Het is verschrikkelijk om te hebben, want je hoort er schamper over te doen. ‘Van een beetje stress is nog niemand kapot gegaan,’ hoor ik mezelf meermalen in mijn leven denken en zeggen. Daar leefde ik ook naar. Ik ben een kind van mijn wereld.

Je kunt het ook niet zien. Ik loop, ik praat, ik fiets. Een tijdje terug werkte ik ook weer. Het ging niet van harte, en mijn energiepeil van vroeger komt wellicht nooit meer terug. Maar men ziet mij lopen, praten, fietsen, werken. Dus ik ben niet ziek. Men ziet niet hoe ik daarna kapót op de bank lig en minimaal een paar uur echt niets meer kan doen.
Lees meer