Ik ben, ik heb, weet ik het


Verhaal door René van DensenHet is superirritant, want nog altijd niet voorbij: ik ben een burnout. Of héb ik een burnout ? De literatuur over mijn ziekte – want dat schijnt het te zijn – loopt op dat punt nogal uiteen.

Héb ik een burnout ? Ja, zo ver ben ik nu wel. Na de ellende in het begin die me keihard met de neus op de feiten drukte. Het is verschrikkelijk om te hebben, want je hoort er schamper over te doen. ‘Van een beetje stress is nog niemand kapot gegaan,’ hoor ik mezelf meermalen in mijn leven denken en zeggen. Daar leefde ik ook naar. Ik ben een kind van mijn wereld.

Je kunt het ook niet zien. Ik loop, ik praat, ik fiets. Een tijdje terug werkte ik ook weer. Het ging niet van harte, en mijn energiepeil van vroeger komt wellicht nooit meer terug. Maar men ziet mij lopen, praten, fietsen, werken. Dus ik ben niet ziek. Men ziet niet hoe ik daarna kapót op de bank lig en minimaal een paar uur echt niets meer kan doen.

Men ziet ook niet hoe ik in het begin een paar dagen zo goed als full-time plat lag. Hoe ik paniekaanvallen kreeg, hartkloppingen, hyperventilatie. Hoe ik constant moe en verward was, niet meer wist wat boven of onder was. Hoe ik worstelde grip terug op mezelf en mijn leven te krijgen.

Ik was immers niet ziek, in de spiegel zag ik niks mis. Geen been in het gips of doorbloed verband of reusachtige blauwe plekken. Ik hád geen burnout, dat kon niet. Op mijn leeftijd, notabene. Verman jezelf, sukkel.

Dan zegt de dokter het. En de waarheid geeft je een mokerslag in je smoel. Even zitten. Alles draait. Dat deed het al: je kon geen drie dingen onthouden en alles moest je opschrijven. Zo simpel mogelijk ook, want veel informatie bij elkaar, dat ging voor je ogen dansen. Wirwar. Chaos. Niet te overzien.

Boodschappen deed je te voet. Je filters werken niet. Alle kleuren, geuren, geluiden, impressies, gevoelens, verwijten, twijfels, alles raast je kop binnen en stormt daar je zorgvuldig aangelegde infrastructuur kapot. Weg huizen, steden, torens, snelwegen. De supermarkt hou je maar een paar minuten vol, want alle felle kleurenprikkels doen je duizelen.

En zo zit je, je ogen gesloten, voor het rek met coffeepads. Je zag het niet meer. Één pakje coffeepads, voor je huisgenoot. Merk opgeschreven en alles. Maar er zijn miljoénen coffeepads. Een universum aan coffeepads. Je wéét, ergens in die kopstorm: het is amper één rek. Concentreer. Zoek. Kalm. Maak je niet gek.

Gelukkig heb je cash bij je, want behalve die drie items op de kassaband, zou je PIN-code onthouden nu echt teveel zijn. Een kind huilt aan de andere kant van de winkel. Alsof Spinal Tap een concert op je trommelvlies houdt. Versterker op 11.

Bén ik een burnout ? Dat zou suggereren dat het mijn persoonlijkheid herdefiniëert. Misschien wel, ja. In dit ruime jaar heb ik het gevoel een ander mens te zijn geworden. Ook dat kan weer niemand zien, van buiten.

Sommige vrienden, die het niet begrijpen, denken dat ik me aanstel. Dat het een pose is. Ik ga gelaten met alles om. Ook het feit dat ik moeite heb werk te vinden. Hoewel ik allang weer kan werken. Niet alles is terug, maar werken kan ik bijna een half jaar alweer. Dat vormt gelukkig geen probleem meer.

Mijn dag wordt actiever ingericht dan je in mijn verhalen zou denken. Sowieso schrijf ik al een dagelijks verhaal. Elke dag. Één weekje overgeslagen. Vakantie. Mocht wel een keer. Dan solliciteer ik. Ik solliciteer me suf. Dan doe ik huishoudelijke taken. Of klusjes voor vrienden. Ik schrijf gedichten. Zo af en toe treed ik op (dat is ook niet meer hetzelfde).

Ik bezoek mijn vrienden. Ik werk aan mijn fiets. Ik bereid me voor op de verhuizing, zodra ik mijn woning uit moet (duurt niet heel lang meer). Heb steeds minder spullen om te verhuizen. Of ben ik steeds minder spullen ? Ik probeer een plan te hebben voor wanneer dat zover is. Echt, ik doe mijn best.

Ben ik een burnout, héb ik een burnout, weet ik het. Ik zit met een burnout en we hebben goede gesprekken. In alle rust. Hij leert me sterker worden. Ik respecteer, op mijn beurt, dat hij er is. Zo ontdekken we, in feite, wie ik nu écht ben. Geen maskers, geen maatschappelijke druk, aangepraatte conventies. Het eerlijke spiegelbeeld.

Samen komen we er wel. Dag na dag. Wáár, dat is het avontuur. En hopelijk valt dan de rest ook vroeg of laat weer op z’n plek terug.

Handdoek


Verhaal door René van DensenOp sommige ochtenden begraaf ik mijn hoofd in een handdoek. Dat moet dan liefst geen záchte handdoek zijn, maar zo eentje die al tachtigduizend keer gewassen is. Een handdoek van schuurpapier-maché, zogezegd. Waarvan je elke vezel over je gezichtshuid voelt schrapen. Ik steek mijn neus er diep in en sluit mijn ogen.

Zo verbeeld ik me dat ik net de zee uit ben komen rennen, en mijn gezicht afdroog. De zon op mijn altijd verblindend witte, vadsige huid. Al dat ruwe geschraap, dat is van het strandzand natuurlijk. Hoort erbij. Je wordt hier nooit echt droog of schoon, want alles wat droogt, gaat wel weer zweten.

Je hebt ook nooit iets leuks bij je om te doen. Een of andere suffe plastic bal. Zo’n ding wat zelfs goedkoop aanvoélt. Of een of ander felgekleurd drijfding voor op het water. Een boek dat je thuis óók niet uitlas. En overal voel je ondertussen zand prikken.

Natuurlijk is het er stervensdruk, op dat strand. Vettige, zweterige lijven overal. Wanstaltig ontkleed. En de dunne lapjes parachutestof die ze wel dragen, zouden zelfs een kleurenblinde pijn aan de ogen doen. Allemaal mond open. Als vissen op het droge. Zo dom en herkauwig mogelijk voor zich uitstarend.

Heen zaten ze natuurlijk in zo’n volbepakte familieauto. Met misschien wel een witte boot er bovenop, die teveel moeite was, eigenlijk, om helemaal mee het strand op te slepen. Het leek zo’n goed idee toen ze vertrokken. En nu zitten ze hier, net als ik. Eigenlijk te hopen dat ze hier niet waren.

En ik begraaf mijn gezicht nog wat dieper. Dan open ik mijn ogen en haal de handdoek weg. Gelukkig, ik ben gewoon thuis. En het is lekker grauw herfstweer buiten. Geen enkel excuus om op een strand te gaan zitten. Heerlijk.

Niks


Verhaal door René van DensenEen hele week. Een hele week even lekker niks. Dat gaat natuurlijk niet lukken, dat snapt iedereen die dat wel eens geprobeerd heeft. Maar toch ga ik een poging wagen. Althans: ik zoek natuurlijk ook nog steeds werk. En het huishouden verdient ook wat aandacht. En eigenlijk moet mijn fiets een grondig- nee, nee, nee, kijk, daar ga je al.

Demonstratief ga ik op de bank liggen met mijn armen gevouwen. Ik beweeg niet. Is dit wellicht niets ? Hoe weet je of je niets aan het doen bent ? Wat telt er in feite als ‘doen’ ? Mijn hart klopt en mijn haren en nagels groeien. Ik adem. Zijn dat allemaal dingen die ik doe ? Want dan ben ik op dit moment superdruk bezig. Bloed raast door mijn aderen. Mijn maag knort. Ik moet gapen. Met dit alles heb ik het potverdorie maar druk.

Het is om gek van te worden. Binnenkort neem ik even vakantie van al dat niksdoen. Want zelfs erover nadenken is vermoeiend.

Nacht


Verhaal door René van DensenDe dag is er om van te genieten. Dat heb ik ook gedaan. Onverwacht kwam een goede vriend – wat zeg ik, een pennebroeder – langs. De zon bakte de herfst bruin en we blaakten in volle teugen. Biertje, paar peuken, vrolijkheid en vergeten zorgen. Vlinders die fladderen alsof het pas lente is. Het is een dag dat ik niet rouwig ben dat ik niet aan een bureau onder TL-licht zit te zwoegen. En als alles toch vroeg of laat naar de kloten gaat, heb ik er niks van gemerkt. We hebben zo weinig dagen voor ze op zijn, dus een goeie mag tellen voor tien.

Dan volgt, zo goed als onvermijdelijk, de nacht. De stralendblauwe lucht verwarmt nu dichters en lanterfanters aan de andere kant van de planeet. Ik hou van de nacht, meer dan van de dag. Maar vanavond is hij heel stil. Een goed teken. Zo af en toe is de dag beter dan de nacht zal zijn. Het is zeldzaam, en waard om bij stil te staan. Ik lig stil op bed en staar naar mijn plafond. Wat moet je met zo’n verbleekte nacht ? Er zoemt een mug, maar dat vergeef ik haar. Tegen me aangekruld ligt mijn poes te spinnen. Ik wil niet bewegen. Dus drink mijn bloed, medeplaneetbewoner. De jeuk mag. Voor een keertje.

Ik vraag me stil af hoeveel dagen ik nog mag zien. Fijn dat we dat niet vooraf weten. Het zou druk zetten op de invulling ervan, en dat kunnen we zelf al prima af zonder deadline. Ook de komende dagen heb ik weer zat aan mijn kop. Ik wil het nu nog even stil houden, maar de toekomst kruipt alweer binnen. Morgen dat ene, en dat andere, en vooral niet vergeten te, enzovoorts. Geïrriteerd probeer ik de voorbije dag terug op mijn huid en in mijn hoofd te voelen. Maar het lukt niet meer. Mijn kat draait zich om en legt zich met haar rug naar mij toe. Ik zucht en klik het licht aan. Zo dan maar wat slapen, en dan weer een nieuwe dag aanvangen. Even die mug zoeken.

Cocon


Verhaal door René van DensenWaarom, waaróm ben ik hierheen gekomen ? Ik haat deze plek. In feite ben ik nog liever dood dan dat ik hier ben. En het is zo verschrikkelijk druk. Ik sterf van de hitte, van al die lijven. Niet over nadenken. Niet over dat die hitte cumulatieve lichaamswarmte is, met vettige en zweterige huiden, compleet met meeëters en eventueel besmettelijke ziektes, compleet met jeukerige…. Juist, niet over nadenken zei ik al, slimpie. Wat maakt het uit wat voor ongedierte er misschien tussen die talg en dat zweet aan het smullen is ?

Het is ook echt niet leuk. De vorige spreker was aardig, en er komen er nog wel een paar die ik eigenlijk ook wil horen. Althans, wil, wil. In feite zou ik nu een Renévormig gat in de muur willen vluchten. Ik zit verdomme te rillen en beven als een rietje. Dit gaat niet oke. Al zeker elf maanden niet zo’n heftige terugval gehad. Ademen, jongeman. En adem tellen. Rustig worden. Niet denken aan de onrust in je kop en hart, gewoon de adem voor de geest halen. Jezus, ik heb hartkloppingen en al. Ook is er geen porie waar op dit moment geen angstzweet uitbarst. Niks proberen te laten merken. Anders krijg je weer lastige vragen. Het duurt niet lang meer. Althans, hoe lang duurt het nog ?

Vooruit, trek jezelf even terug in jezelf. Maak van jezelf een cocon voor je ziel. Niet om iets anders te worden, maar om je even veilig te verstoppen. Om te krimpen. In een enorme Renéjas. Miniscuul word ik. Even stoppen de hartkloppingen en poriën. Het duurt niet lang. De cocon faalt. Ik zit terug in mijn eigen jas, zonder mezelf vol te kunnen houden. Ik snak naar wat buitenlucht, naar een beetje adem. Het is zo allejezus druk hier ook. En ik haat deze plek.

Sekte


Verhaal door René van Densen“Het is wel een beetje een sekte hoor,” zegt de mevrouw op het feestje. Ze heeft het over mijn vriendengroep. Elke donderdag, althans, de meeste donderdagen, komen wij bijeen op het terras. Even lekker ‘onszelf zijn’. Iedereen die onze groep kent, vindt ons maar rare jongens, maar wij vermaken ons er goed bij. De mevrouw in kwestie was er eens bij en wist niet hoe vlug ze weg moest gaan. Volgens mij lag dat gevoel puur bij haar, maar ik kan me vergissen. Voor mij hoefde ze alvast niet weg. Voor mij hoeft niemand weg.

We vragen niet veel van de leden van ons groepje. Jezelf zijn, vooral. En je niet beter voelen dan een ander. En gewoon je eigen biertjes betalen. En een beetje interessant zijn. Ja oke, we offeren af en toe ook eens een maagd, dus je moet wel tegen bloed kunnen. En hoe sneller je onze psalmenbundel uit je hoofd leert, hoe eerder we je kunnen initiëren in De Waarheid. Dat allemaal natuurlijk wel. Ook wordt het enorm op prijs gesteld als de jaarlijkse contributie bijtijds voldaan wordt. Betalingsachterstanden leiden tot vervelende situaties. We gaan niet metéén benen breken, maar het beste is om er niet achter te komen wat er gebeurt.

Dat valt volgens mij allemaal reuze mee. Dus om ons nu een sekte te noemen, pfff. Dat valt reuze mee. Dat bloed was je achteraf zó weer uit je kleren. En het is toch verdorie gewoon gezéllig.

Kooijbooij


Verhaal door René van DensenIk loop over straat met mijn hoed op tegen de regen en de zon. De deur zwaait open en de Abraham neemt gretig mijn felicitatie aan. Kinderen gillen me na: “Kijk, daar, daar loopt een kooijbooij ! Een kooijbooij !!” De Abraham wijst me waar de drank is. Ik slenter in feite maar wat – ik weet waarom ik mijn huis heb verlaten, maar het is niet om de kooijbooij uit te hangen. De gastheer kijkt rond en bedenkt zich dat ik, inderdaad, waarschijnlijk niemand hier zal kennen. De kindjes rennen achter me aan: Meneer kooijbooij, meneer kooijbooij, ga je boeven of indianen schieten ? Hij schrikt lichtjes: nee, je kent inderdaad niemand hier.

De kinderen rennen achter me aan. Iedereen op het verjaardagsfeest van de Abraham ziet er welgekleed uit. De zon schijnt op alle kinderhoofden achtereen. Ik heb slonzige kleren aan. De kinderen vragen wat de kooijbooij gaat doen. Hier en daar schud ik wat handjes maar ik ken echt niemand. Ze zingen: Kooijbooij, kooijbooij, waar is je paard ? In een hoek van het feest, waar je wél mag roken, positioneer ik mezelf. Ik antwoord niks over een paard. In deze verdomhoek staan ook andere nicotineverslaafden. De kinderen zingen en huppelen achter me aan en ik loop door.

De asbak is vol en de bierflesjes leeg: de verdomhoek is in feite heel populair. Ik en de kinderen lopen langs de snelweg door de berm. Zelfs de jarige gastheer ken ik in feite niet heel goed, ook al bluf ik me daar wel doorheen. Ze zingen boven het bulderend autogeweld uit. Rond middernacht zingen we allemaal voor de dan pas jarige. De kindjes vallen stil wanneer ik een tankstationwinkel binnenloop. Lang zal hij leven, hieperdepiep. Ik kom de winkel weer uit met sigaretten. Iedereen krijgt champagne. De kindjes lopen teleurgesteld achter me aan terwijl ik de eerste net gekochte sigaret opsteek. Iedereen op het feest is een avontuurijkse, self-made man die diens eigen geluk heeft gemaakt. Geen kind ziet meer in mij de kooijbooij.

Stilte


Verhaal door René van DensenIk knuffel wat met de stilte, maar die is er toch niet echt bij. Piekerend staart de stilte omhoog. Ik vraag of de stilte echt moet gaan. Hij knikt. Verplichtingen. De stilte moet altijd ergens zijn. Haast, haast, haast. Er is veel vraag naar de stilte. En waar de stilte weer verdwijnt, zwelt direct het geluid op. Waardoor ook daar onmiddellijk de vraag naar de stilte weer ontstaat. In feite neemt die vraag hand over hand toe. De stilte zucht wat.

Vroeger hoopte de stilte dit werk maar een tijdje te hoeven doen. En dan rentenieren. Lekker niks. Maar is het dan geen roeping, vraag ik aan de stilte. Jahaa, dat wel, zegt hij. Maar ook een vloek, hoor. De stilte steekt een sigaret op. Ik heb vooral zo weinig capabele collega’s, zegt hij. Halve stiltes, en relatieve stiltes. Daar koop je niks voor. Dat je denkt dat het stil is, maar dat er in feite slechts één laag rumoer tijdelijk zwijgt. Het brengt geen rust. Dat doet enkel de echte stilte. De stilte waar je deuren voor sluit en oordopjes voor koopt. De stilte waar elke ziel wel eens naar snakt. De stilte die een uitstervend vak is in een chaotische zwelgzee van geluid.

De stilte moet gaan en groet me. Ik vraag me hoe hij reist. Per trein, antwoordt de stilte. In de stiltecoupe, vraag ik nieuwsgierig. Nee, zegt de stilte droef. Nee, júist niet in de stiltecoupé. Die is ook allang verloren. Hij loopt de deur uit. Onmiddellijk rent het rumoer mijn kamer binnen en springt gillend op en neer op mijn bed. Ik trek het me even niet aan. Ergens in het tumulteuze kabaal van het rumoer hoor ik het ritme van regen. Geconcentreerd luister ik daar naar. In relatieve stilte.

Vergeeld


Verhaal door René van DensenVeel hoekiger, en met een dakraam. Het is maar één voorbeeld. De werkelijkheid, andermans geheugens en zelfs de foto’s spreken me tegen, maar zo herinner ik me de auto die we hadden toen ik opgroeide. Als dat nu de enige verkeerde herinnering was, kon ik mezelf wel vertrouwen. Maar mijn inwendig fotoboek is vergeeld en alle plaatjes zijn volledig subjectief ingekleurd. Misschien zat er inderdaad geen autodak in, maar heb ik jarenlang gedagdroomd hoe het zou zijn dat er een autodak in zat. Dat open kon. Verfrissing, en uitzicht op het blauw en de wolken boven ons. Mijn werkelijkheid wordt prima, en in hoog detail, opgeslagen in die walnoot bovenaan mijn nekwervels. Maar dat is blijkbaar niet noodzakelijk de werkelijkheid van anderen.

Tijdens sommige gesprekken, zeker op terrassen, komt dat vreemde gevoel ook wel eens opborrelen. Dat mensen dingen serieus met mij bespreken. Mij voor een verstandig mens aanzien, waarmee te redeneren valt. Blijkbaar speel ik het spel overtuigend mee. Niet zelden weet ik daarna niets meer van hetgene dat besloten is, of heb ik het volstrekt verkeerd onthouden. Soms heb ik nog de tegenwoordigheid van geest om een notitie te maken tijdens het gesprek, en dat ook nog even af te stemmen met de ander. Dat heeft de kleinste foutkans. Vaak ben ik direct daarna weer afgeleid, bijvoorbeeld door passerend vrouwelijk schoon. Soms vind ik de notitie uren later terug tussen de bierviltjes en glazen op tafel: “Oh ja, dit mag ik niet vergeten.” Zelfs dat hardop zeggen is geen garantie.

Het ergste zijn de mensen die later zeggen dat ze je iets al eerder verteld hebben. Of nog erger, mensen – niet zelden vrouwen – die me begroeten en zeggen dat het laatst een heel gezellig gesprek was. Dan denk ik, oei. En bluf ik. Ik praat dan in vage termen mee, vis in haar reacties naar aanwijzingen. Over het eerdere gespreksonderwerp. Over haar identiteit. Over de locatie en het tijdstip. Over mijn mate van beschonkenheid. Al decennia kom ik hiermee weg. Zelf vind ik me steeds handelingsonbekwamer. Heb ik het gevoel dat er steeds minder informatie kloppend wordt opgeslagen. Ik droom mijn dagen weg. Het is nu dag, toch ? Ach, natuurlijk wel. Het is érgens dag. Zo gaan die dingen. Terwijl de bladeren, de foto’s, de dagen en herinneringen vergelen.

Tandvlees


Verhaal door René van DensenVrouwen met doorlopend ontbloot tandvlees, daar heb ik het moeilijk mee. Bedek dat nou toch, denk ik dan. Zelf ben ik van de minzame grinnikjes. Een schaterlach hoor je bij mij zelden. Of ik moet dronken zijn. Of ik, als ik dronken ben, veel tandvlees toon, weet ik niet. Zo ja, dan ligt dat echt aan de alcohol. Tandvlees is mijn ultieme taboe. Ik vind het verschrikkelijk bij een ander, en verberg angstvallig en beschaamd het mijne. Tandvlees is intiem. Het is gevoelig, het is sensueel, en nog belangrijker: mensen die doorlopend hun tandvlees tonen, komen mij enorm onintelligent over. Hetzelfde als mensen die de hele tijd hun bek open laten hangen. Alsof hun hersenen bij alledaags gebruik al extra koeling behoeven. Dus nee, vrouwen met klokrond schaamteloos tandvleesgekoketteer, daar blijf ik wars van. Dat verschrikkelijke tandvleesexhibitionisme.

Maar tegenover mij zit er toch weer een. Het zijn net katten: ontloop ze, en ze moeten per se op schoot. De tandvleesmevrouw probeert nog niet meteen op schoot te klimmen, eerst zet ze haar volle vleselijke verleiding in. Bij andere mannen werkt dit misschien. Of wellicht kunnen die daar om- of doorheen kijken. Wellicht denken die vooral: deze vrouw lacht, dus ze toont vriendelijkheid en toenaderbaarheid, ik kan mijn slag slaan. Ik trek een vies gezicht. Kan ik niks aan doen. Het tandvlees is enorm roze. Maar écht enorm roze. Het soort roze waar trainingspakken in gefabriceerd worden. Die je dan over straat ziet lopen en die je tot oversteken naar de andere stoep dwingen. En wegkijken. Ze heeft opvallend kleine tanden. Of misschien heeft ze normale tanden, maar is dat tandvlees gewoon zo groot.

Hoe meer ik probeer niet te kijken, hoe meer het tandvlees zich op mijn netvlies brandt. Er lopen rillingen over mijn rug. In gedachten zie ik speeksel en voedselrestjes er overheen sijpelen. Bacteriën krioelen. Bij een beetje zonneschijn liggen die microben zich waarschijnlijk al in te smeren met zonnecrème. Dit mens is een gevaar voor de hele mensheid. Ik durf er niks van te zeggen. Sterker, ik klem mijn lippen hard opeen. Bang dat ik het ook krijg.