Realistisch


Verhaal door René van DensenIk heb mijn dagen volgeladen vol met Realistische Zaken. Dat is echt zozeer mijn ‘ding’ niet, dat ik haast moet braken. Liefst zou ik van mijn levensdagen me nooit meer aan Realistische Zaken wagen. Maar ja, het moet maar, hop.

Zachtjes sluipen kattenvoetjes, trippeltrappeltrippeltrap. Onder stoel en onder tafel: trippeltrappeltrippeltrap. Mijn kat was even alleen, en verveelde zich steen en been. Toen ik terugkwam was ze blij, en sindsdien wijkt ze niet van mij. Dat heb ik weer, met mijn Realistische Zaken: Trippeltrappeltrippeltrap. En natuurlijk nagels slijpen: Krabbelkrabbelkrabbelkrab. Soms springt ze zó, op mijn rug, maar rent dan weer weg, vlug vlug. Ah, ik ruik de kattebak: die zit weer goed vol met kak.

Uit een zee van kattezand, steken dan de drollen. Zij vult de bak en ik schep leeg, zo liggen de rollen. Krak, zegt de kattenschep. Steel nog in mijn hand. Dat kon er natuurlijk ook wel bij, ik pruts wat met een krant.

Op een tomaatrode tweepersonenbank, lig ik met de kat, zonder kik of klank. En mijn kat die likt haar vachtje helemaal schoon, en ik kijk vermoeid wat toe. Toen viel er weer een rekening op de mat, die vast ook dringend betaald moest. Maar ik dacht stilletjes: misschien ziet hij me wel niet, als ik heel erg stil blijf en koest.

Zie, de sneeuw valt uit de wolken. Alles wordt met wit bedekt. Ook het huisje waar ik lig te schuilen. Mijn kat en ik hebben dikke pret. Zij is blij dat ik er ben, en dat ik haar best verwen. Ik ben blij dat ze niet miauwt, en ze zich zo braaf stilhoudt.

Uit Artis is een beer ontsnapt. Berend Botje ging uit varen. Jantje zag eens pruimen hangen. Ik draai me nog eens om.

Zangmond


Verhaal door René van DensenAls ik voor de spiegel gaap, heb ik een zangmond. Echt zo’n halve laadschuur waar een hoge schrilgil uit kan galmen. Minstens bij de eerste gaap. Wanneer ik, amper wakker, naar de badkamer heb gesjokt en voor de spiegel aan mijn buik sta te krabben. Het is de gaap waarbij het half bij me doordringt hoe mijn slaapkapsel oogt. Dat klinkt erger dan het is, want hoewel het soms echt alle kanten kan opsteken, zit mijn haar meestal bij het opstaan al fantastisch. Je moet met sommige dingen maar net geluk hebben.

En daar sta ik dan, met mijn sierlijke harendos en mijn zangmond. Alsof ik ergens een zaal vol publiek en een vierkoppig jurypanel sta te imponeren. Het is een lange gaap, deze eerste, dus ik probeer het me half slaperig voor te stellen. Het lukt maar half. Ik krijg echter geen zangnoot erbij ingebeeld. Is dit een resonerende bes, of een scherpe gee ? Is het misschien een doordringende ef, of een bassende aa dubbelmol ? Mijn halfontwaakte verbeelding is niet schrikwekkend muzikaal dus die kan het antwoord niet geven.

Mijn schedel jeukt een beetje van het slapen. Ik durf niet te krabben. Mijn glamourkapsel zou verpest raken. En dan mag ik niet door naar de volgende ronde. Zo sta ik daar, voor de spiegel. Met mijn jeukschedel en mijn zangmond. De klok slaat. Het is maar goed dat het gedoe dat je gezicht zo blijft staan, niet waar is. Ik staar vermoeid in de spiegel. Het ziet er echt flink belachelijk uit. Dat haar, en die zangmond. En dan moet de dag nog gaan beginnen.

Moeke


Verhaal door René van DensenDoordringend kijken de ogen van mijn moeke in de mijne. Ik hou vol dat het goed gaat. “Eindelijk weer, moeke, na al die ellende. Het gaat écht alweer een heel stuk beter.” Ze blijft me aankijken. Zoals een kind dat voor het eerst hoort dat spruitjes heel goed voor je zijn. Die blik van ‘ja hoor, en koeien kunnen vliegen zeker’.

Maar ik houd voet bij stuk. “Ik heb werk, moeke, en ik ga er ook gewoon echt geld voor betaald krijgen. Niet zoals die dichtoptredens en de columns en andere dingen. Daar kreeg ik af en toe wel eens een biertje voor, maar voor dit werk krijg ik dus echt geld. Van dat geld dat in de werkelijkheid geldig is.” Die ongelovige blik is wat verzacht, de verkeerde kant op. Ze kijkt nu ronduit bezorgd.

Ik besluit het weer, naast het droge, ook te schetsen voor het grauwe. “Nee, de mensen kopen mijn boekjes en petjes niet genoeg om uit de kosten te komen, maar door dat geld dat eraan komt doet dat er niet toe. En ik ben wel vér uit de kosten. Sowieso heb ik nog steeds geld. En ik ben hard op zoek naar een nieuwe woning. Ik denk dat ik die gevonden zal hebben voordat deze woning gesloopt wordt, over een maand.” Het is een droef soort bezorgdheid geworden, bijna een meedogen. Ik zweet lichtjes want ik was toch echt overtuigd dat het best goed met me ging. Maar een mens raakt nog aan het twijfelen.

“De poes is ook gezond en gelukkig,” gooi ik het over een andere boeg. “Die reusachtige wond aan haar nek, daar is ze mee opgehouden die open te krabben. En dus is die nu al helemaal weg. Enkel die kale plek moet nog dichtgroeien. Ze speelt met de verhuisdozen en vindt het reuze spannend, al die gekke dozen ineens overal. Dolgelukkig, heus,” met een droge keel kijk ik in mijn koffiekopje. Een bodempje nog maar. “Wil je anders nog koffie ?”

Als ik op wil staan, pakt ze mijn arm vast. Half staand stop ik. Met haar andere hand geeft ze me een euro. Ze vouwt hem in mijn handen en duwt die zacht maar ferm dicht. Dan geeft ze er een bemoedigend klopje op met haar vlakke hand. Tevreden lacht mijn moeke. Met die hartverscheurende blik van iemand die tegen beter weten in ergens in blijft geloven.

Dat je leeft


Verhaal door René van DensenEr waren tijden dat ik nu zou denken dat ik leef. Dat het door mijn kop zou schieten. “Zie je wel,” zou ik denken, “ik lééf, verdomme !” Misschien waren die tijden er nooit écht, maar in mijn herinnering waren ze er. Dat ik, zoals nu, gehurkt, draden uit mijn mond, proestend en hoestend boven de WC-bril, vervuld kon raken van de zin van het bestaan.

Nu niet. Op dit moment wil ik enkel slapen. En daar komt godver alwéér een golf aan, voel ik, en ik zet me schrap. Jawel: nog een stuk avondmaaltijd perst zich antiperistaltisch een baan mijn lijf uit. Kutzooi, is het enige dat ik denk. En dat het verdomme lang duurt. Mijn hele nacht is al zo goed als naar de klote.

Eerst die krampen. En ze moesten natuurlijk net beginnen wanneer ik lekker lag. Zo rond het wegdoezelen. Proberen te negeren, uiteraard. Helaas, lukte niet. Verliggen en verliggen. Telkens weer in een ander koud deel van het bed. Moedeloos werd ik ervan: laat me slapen, verdomme. En toen kwamen de winden. Lange, grote en echt flink stinkende winden. Geen goede voorbode. Maar je hoopt nog dat het daarmee opgelost is.

Hoe vaak ben ik deze nacht nu al de trap afgestommeld naar deze WC-bril toe ? Ik ben de tel kwijt, besef ik ineens. Het duurt niet lang meer voor de wekker gaat. Ik kijk naar de brokken die in de smurrie drijven. Het zijn er weinig meer. Er komt een einde aan. Mijn avondmaal is bijna op. Van het kijken voel ik meteen weer een golf aankomen, maar gelukkig: ik zat hier toch al.

Even probeer ik het nog te denken: je lééft, verdomme. Wees blij, man, dat je dit mag voelen. Het lukt bijna. Bijna kan ik waarderen dat ik, kapot en doodmoe, boven mijn plee hang met smurrie in mijn snor. Dan komt de golf. En terwijl die krachtig naar buiten spuit, voel ik dat ik ondertussen ook mijn onderbroek volspetter. Rotleven, is het enige dat ik kan denken. Stik de moord met dat kutleven van je.

Gehorig


Verhaal door René van DensenIk zit. Ik zit op het toilet. Ik zit al een tijdje op het toilet. Je kent dat wel. Eigenlijk ben je allang klaar met wat je daar kwam doen. Maar ach, je zit eigenlijk wel lekker en hebt iets te lezen bij je. Als je nu opstaat en doortrekt, leg je dat weer weg en lees je het niet uit. Zonde. Je zit er net lekker in. Nou, dat dus. Dat heb ik op dit moment.

Hoe lang ik al zit, weet ik eigenlijk niet zeker. Een tijdje. Ik ben alleen thuis. De deur is open. Ik zit graag op het toilet met de deur open. Niet omdat ik claustrofobisch ben, want dat ben ik niet. Maar omdat open deuren mijn kat niet interesseren. Gesloten deuren daarentegen wel. Dan gaat ze jammeren. En krabben. En nog paniekeriger janken. Gedoe. Geen moment rust. Kan ik me niet concentreren. Dus. Deur open. Geen kat. Ligt ergens anders, of zit uit het raam te kijken. De deur is open, dus is het niet interessant.

Het huis is heel gehorig. De muur naar de buren is heel dun. Maar de buurman is weinig thuis. Als hij thuis is, heeft hij vaak harde muziek aan. Nu is het stil. Ik geniet. Wat een rust. Kalm blader ik in mijn tijdschrift. Interessante artikelen. Neehee, ik weet meteen wat u denkt. Omdat ik toevallig een man ben. Met gezonde behoeften. Maar nee, zo’n tijdschrift is het niet. Het is zo’n echte. Met echte artikelen. Viespeuk.

Middenin een van de interessante artikelen hoor ik iemand zijn keel schrapen. “Hè hè,” klinkt de stem van mijn buurman. Dwars door de gehorige muur heen. Stokstijf zit ik stil. Fuk. Hoe lang zat hij daar al ? Ik heb hem niet naar zijn toilet horen gaan. Wedden dat die wand precies tussen de twee toiletten in zit. Dus dan zit hij natuurlijk nu ook te kakken. Misschien ook te lezen. Wie weet wél zo’n tijdschrift. Ik durf amper te ademen. Het zweet breekt me uit.

Mijn keel kriebelt. Maar ik ga nu natuurlijk niet ineens ook mijn keel schrapen. Het voelt zelfs als een potentieel kuchje. Verdomme. Gedoe, dit. Ik kan niet doortrekken. Zelfs bij het opstaan is er risico dat de bril aan mijn bil plakt en op het toilet donkt. Zo van je ‘donk’. Ik haat die ‘donk’. Het is zo’n lomp donkgeluid altijd.

Daar zit ik dan. Muisstil te zijn. Zelfs de bladzijde durf ik niet om te slaan. En de buurman gaat zo te horen ook gewoon door waar hij mee bezig is. Als ik nou wacht tot hij doortrekt. Hij heeft waarschijnlijk niet eens in de gaten dat ik hier zit. Ik ben zo stil geweest. Ik én mijn kat. Nee, hij zal vermoedelijk niks in de gaten hebben.

Een heel langgerekte, piepende scheet ontglipt mijn samengeknepen billen.

Tukje


Verhaal door René van DensenHet overkomt me ’s avonds vaker de laatste tijd: ik sukkel pardoes in slaap. Het is maar een paar uur, maar knal, ik ben weg. Om daarna duffig te ontwaken, niet zelden rond het tijdstip dat ik eigenlijk naar bed had willen gaan. En natuurlijk blijf je dan toch nog even op. Wachten tot je weer moe bent.

Zo ontwikkelt zich een soort tweede dag. De eerste is tussen het ’s ochtends ontwaken en die tuk in, de tweede is tussen tuk en nachtrust. Van nature heb ik een nachtritme, maar al het hele jaar dwing ik mezelf tot een dagritme. Ik wil zo employabel mogelijk zijn. Ook al zijn er veel dagen waar dat vroege opstaan niets toevoegt. Ja, een ochtend die je kunt horen wegtikken. En een zonsopgang. Als je de tijd neemt ernaar te kijken.

De tweede dag breidt zich langzaam uit. Ook is het tukje onverbiddelijk. Ik vecht er soms wel eens tegen. Met alle macht. Dan rek ik het wakker zijn enkele seconden, soms minuten. Maar altijd: bam. Ik ben weg. Soms ben ik vertrokken terwijl ik er nog tegen vecht. Dan kom ik er twintig minuten, half uur later, vechtend weer uit. Eventjes. Met het gevoel van potver, toch in slaap gevallen. En even later: bam, weer weg.

Als een olievlek drijft de avonddag, met aan zijn rand de tuk, naar de overdagdag. Met duidelijk snode bedoelingen. Je schiet er toch niets mee op, fluistert de tuk in mijn oor. Dat vroege opstaan is nergens voor nodig. Je kunt alles ook later op de dag doen. Nee, nee, nee, verbijt ik mezelf. Binnenkort heb ik werk. Dan moeten we elke dag er weer vroeg uit. Binnenkort, binnenkort, sputtert de fluweelzacht verleidelijke tuk, dat beloof je al een jaar. Geef je er aan over. Steek over en blijf bij ons. Het is hier goed in avonddag.

Ik zet mijn wekker en dwing mezelf naar bed. Daar lig ik klaarwakker naar het plafond te staren. Ik heb geen slaap meer.

Paaseiland


Verhaal door René van DensenIk zit achterin, naast mijn neefje. Voorin zitten mijn vader en mijn broer, zijn vader. Die twee hebben wel een rijbewijs, wij niet. Ik was amper ingestapt of mijn neefje riep uit: “Nee he, daar heb je die gekke fantasieverzinmeneer weer !” Ja, dat moet je natuurlijk niet tegen mij zeggen.

Eerst hou ik me nog een beetje in. Ik heb een lichte kater. Mijn neefje vraagt of het waar is dat mijn huis gesloopt gaat worden. Ja, dat klopt, zeg ik. Waarom dan, vraagt mijn neefje. Ik zeg dat mijn huisje heel oud is en dat er mensen in mijn buurt nieuwe huizen willen bouwen. Maar dan hoeft jouw huisje toch niet kapót, roept mijn neefje. Mijn moeder zit naast ons beiden en kijkt glimlachend toe. Mijn neefje is net zo’n druktemaker als ik schijn geweest te zijn.

“Weet je wat jij moet doen, jij moet springveren onder je huisje zetten,” zegt mijn neefje. “En als ze dan met die grote bal komen, dan stuitert zo je huisje weg. Hoeft het niet kapot !” Ik zeg dat dan alle glazen uit mijn keukenkastje kapot vallen, en mijn kat waarschijnlijk misselijk wordt, en dan moet ik allemaal scherven en kots opruimen. Mijn neefje is niet overtuigd en houdt vol dat zijn oplossing een goede is.

We passeren een autodealer met een model auto op het dak. Ik vraag aan mijn neefje hoe die daar bovenop gekomen is. Mijn neefje weet het niet. Zou hij gesprongen zijn, vraag ik. Neeeeeee, gekke fantasieverzinmeneer. Gereden dan ? Neeeeeheeeeeeee hahaha. Zou hij gezwommen hebben ? Neeeeeee ! gilt hij. Mijn broer vindt dat mijn neefje moet dimmen. Ik hou me vanaf daar zo goed mogelijk in als gekke fantasieverzinmeneer.

Op de terugweg speelt hij met twee plastic oogbollen. Ze kunnen springen. Ik vraag of mijn neefje weet waar de Paashaas nu is. Die is er nu niet, zegt mijn neefje, want het is geen Pasen ! Ja, dat weet ik, zeg ik, maar hij moet toch ergens zijn ? Jaaaaa, zegt mijn neefje: hij is op Paaseiland ! En dan barst hij in lachen uit. “Paaseiland bestaat helemaal niet dat heb ik net verzonnen !”

Ik zeg dat Paaseiland echt bestaat. Ik ben natuurlijk meteen weer een gekke fantasieverzinmeneer. Mijn moeder zegt ook dat Paaseiland bestaat. Even twijfelt mijn neefje, maar ook haar gelooft hij niet. Mijn broer zoekt Paaseiland op met zijn mobiel en laat een foto zien. Maar zelfs zijn papa gelooft hij niet. Zó veel volwassenen die stellig volhouden dat Paaseiland bestaat, dan kán het niet waar zijn. Die komt er wel, denk ik stilletjes.

Vals weer


Verhaal door René van DensenIk word kriegel van vals weer. Als een onvervalste barometer. Ik prik er dwars doorheen, van dat weer dat het ene belooft te worden maar als het ander uitpakt. Zoals honden grommen naar iemand met valse bedoelingen, betrap ik immer het valse weer. En berg je op zo’n moment, want dan heb ik een ochtend/middag/avond/nachthumeur van jewelste.

Het moet verdomme ook niet gekker worden: je denkt haaaa, nog net een beetje nazomer of desnoods nog een beetje een warme herfstzon, en boemsjakkalakka alles wordt duistergrijs en voor je het weet krijg je donders en bliksems om je oren. Het weer boeit het echt geen reet wat je ervan vindt: het is de ongekroonde rock ’n roll artiest van het hemeldak. En je krijgt geen geld terug.

Zolang het weer zich voordoet als iets dat het niet gaat blijken te zijn, irriteert alles mij. Alles en iedereen. Niks klopt meer met de wereld, immers, er staat een verradelijke verrassing op het programma. Dat kan natuurlijk ook een positieve zijn: grauw weer dat plots in stralende zonneschijn uitblinkt. Ook dat vind ik rete-irritant.

Ik ben van de rechte lijn. Wat je ziet is wat je krijgt. WYSIWYG en niet zeiken verder. Als ik zeg dat ik iets ga doen, ga ik het doen. Niet altijd op het aangekondigd tijdstip, maar vroeg of laat kom ik het na. Kun je, in redelijkheid, op rekenen. Dus dat notabene het weer een beetje kiekeboe gaat lopen spelen, stoort me mateloos.

Het is toch een beetje alsof het weer je neus steelt. Of een munt achter je oor vandaan haalt die daar eerst niet zat. Of een andere flauwe grap uithaalt. Het is verdomme Candid Camera niet, weer. Gedraag je gewoon eens, weer. Het leven is al verrassend genoeg zonder dat jij een beetje aandacht gaat lopen trekken, weer. Praten we soms nog niet váák genoeg over je, weer ?

Nee, vals weer mag van mij direct op gehoorzaamheidstraining. Zweep erover. Kappen met die nonsens. Stom weer ook altijd.

Enorm


Verhaal door René van DensenIk kom, in feite, uit een enorme familie. Twee na-oorlogse werpingen aan beide kanten. In Katholiek Brabant. Dus er werd flink geworpen, want je wist nooit hoe weinig ervan zouden overleven. En dat zijn dus nog maar de broers en zussen van mijn ouders. Vervolgens gaat iedereen netjes aan de twee punt vier kindjes, uiteraard. Gevolg: ik weet zelf allang alle namen niet meer van wie er familie van me zijn.

Soms lijkt het me heerlijk als ik uit een kleine familie zou komen. Liefst zo’n heel koude, in zo’n oud huis, die thee drinken met de pink omhoog. Dat je dan geen liefde krijgt en geen kapriolen mag uithalen. Manieren leert, zodat je je later in de juiste milieus kunt bewegen.

Ik kwam zelden zonder vieze kleren thuis. Mijn jongere broer trouwens ook niet. Achteraf gezien voel ik me heel schuldig naar de planeet toe, want er is flink wat fosfaat aan ons verspild. En manieren hebben we al helemaal niet geleerd. Ja, kauwen met je mond dicht, en netjes vragen om het zout. Dat soort dingen. Waar je niks aan hebt als je lekker alleen woont met een poes. Die hoef ik niet te vragen het zout door te geven. Dus eet ik tegenwoordig met een bord op mijn buik op de bank. En zo heel af en toe, als ik me dwars voel, kauw ik met de mond open.

Ondertussen ontvang ik met regelmaat updates over mijn familie. Want die dozijnen aan mensjes, die zitten blijkbaar ook niet stil. Allemaal zijn die dingetjes met hun levens aan het doen. Heel goed natuurlijk, maar voor iemand die een jaar lang al amper een boodschappenlijstje kon onthouden, een tikje lastig. Ik luister dan ook altijd maar half, als mijn moeder me bijpraat. Die woont nu samen met die. Die heeft nu een baan daar. Die is op vakantie daarzo ergens. Die is aan een studie begonnen. Knikken, hmm-hmm zeggen en bedachtzaam van je koffie slurpen.

In zo’n enorme familie zou het handig zijn als mensen gewoon een tijdje niks veranderen. Niks doén. Gewoon even zo blijven zoals je was. Dan valt het te behappen. Geen gekke veranderingen plegen of volwassen worden of een vak leren of meer van die zotte toestanden. En al helemáál geen nieuwe mensen erbij nemen. Geen geliefden, geen kindjes, de boot is vol !

Mijn moeder geniet er echter met volle teugen van, wat ze allemaal doen, en dat bijhouden. Ze heeft ook zo’n lijst die ze rondstuurt, met alle adressen en telefoonnummers enzovoorts. En regelmatig krijg ik de nieuwe verhalen. Het zijn epische ontwikkelingen, natuurlijk, van al die mensen die ik kende toen ik nog thuis woonde. Maar het is zo veel: het lijkt verdorie wel Tolstoi. Niet. Te. Doen.

Mijn eigen shit overzien, dat lukt nog net. Ik schuifel naar de keuken en maak een thee. Dan ga ik met keurig rechte rug op de bank zitten en drink met de pink omhoog.

Peinzingen in een protestmars


Verhaal door René van Densen

  • Er zijn verdomd weinig mensen in deze protestmars. In feite maar goed dat ik ook meeloop. Het schéélt zowaar wel.
  • Blaffende hondjes. Worden helemaal gek van ons dreunend gedrum.
  • Shit, een cameraman. Even achter die man voor mij schuilen. Mijn hoed zullen ze wel in beeld hebben, vrees ik.
  • Arrogant kijkende (duur geklede) jongeren bij een hip terras, kijken alsof we idiote fossielen uit een gesticht voor archaïsche en volledig achterhaalde menstypen zijn.
  • Mijn hand begint te gloeien. Waarom heb ik ook niks beters meegebracht dan een leeg flesje om mee te trommelen ? Stom, stom.
  • Rappapappaa pappapapaa paa paa paa. Rappapappaa pappapapaa paa paa paa.
  • Stom dat ik geen spandoek wou dragen. Lafaard. Met je flesje. Beetje doen alsof je mee protesteert. Faker.
  • Welke beelden zouden het nieuws halen ? Wedden dat ik weer volledig in beeld sta. Elk fokking protest schijnt dat te moeten: hoppaboem, René in beeld. Gedoe.
  • Goh, ik wist niet dat hier nu een nieuwe winkel zat.
  • Dat meisje naast mij heeft verdomd afleidende borstjes eigenlijk. Focus, René, focus.
  • Rappapappaa pappapapaa paa paa paa. Rappapappaa pappapapaa paa paa paa.
  • Roze bunnymeisjes op het terras, een hele meute. Vrijgezellenavond zeker.
  • Dat accordeonmuziekje gaat de komende acht dagen mijn kop niet meer uit.
  • Gelukkig nog geen bekenden gezien.
  • Shit, ik ben de maat kwijt. Doen alsof, pokerface. Even luisteren. Oh ja, zo ging het. Rappapappaa pappapapaa paa paa paa.
  • Hee, de bunnymeisjes hebben achteraan de meute bijgesloten en zingen iets luidkeels door onze dreun heen. Geweldig !
  • Waar protesteren we ook alweer tegen ? Oh ja. Armoede.
  • Jonge man op terras kijkt bewonderend, met een blik alsof hij eigenlijk mee zou moeten protesteren maar toch maar niet.
  • Mijn poten doen zeer. Niet zeuren, René. Rappapaa rapa eh. Bam bam bam.
  • Wat een types ook in deze optocht. Ik pas er prima tussen. Een paar dozijn dorpsgekken.
  • Jammer dat dat flesje leeg is, ik begin verrekkes dorst te krijgen eigenlijk.
  • Meewarige blik van een bovenmodaal geklede man, die het zo te zien wel een goede zaak vindt dat we protesteren, maar er ook meteen een trieste hopeloosheid in ziet.
  • Kindjes. Juichende kindjes. Fluitende en meeklappende kindjes. En dan weer verder met wat ze aan het doen zijn.
  • Rappapappaa pappapapaa paa paa paa. We zijn al minstens een uur aan het trommelen. Wat een monotone boel.
  • De bunnymeisjes zijn zo te horen allang weer weg. Ach ja.
  • Iemand zegt iets tegen me. Ik raak helemaal uit mijn ritme en antwoord eerst. Daarna terug trommelen.
  • Grote Smurf, is het nog ver ? Er was ons soep beloofd.