Ontegenzeglijk heb ik wel leuker gedroomd. Het huis krioelt ervan en ik kan me nergens veilig terugtrekken. Geen deur stopt ze. Doorheen het hele huis ben ik op vlucht voor zombies. Ze klauwen en grommen. Het is rete-irritant. Ik roep naar de zombies dat ze me even met rust moeten laten. Dat ik moe van ze word. Of ze niet even zichzelf kunnen vermaken of zo. Er staat bier in de koelkast, roep ik. Geen reactie.
Al snel zit ik op zolder. De zombies duwen tegen het luik. Ik heb geen idee wiens zolder dit moet voorstellen, want zelf heb ik geen zolder. Daardoor besef ik me dat dit misschien niet echt is. Dat maakt de stomme zombies nóg irritanter. Ik stamp op het luik en zeg dat de zombies een baan moeten gaan zoeken. Of een goede hobby. Dat ik hen toch ook niet thuis lastig kom vallen. De zombies luisteren niet. Het luik houdt het niet lang meer.
Ik stap van het luik af en loop naar een raam. Even sluit ik de ogen. Dan vliegt er een reusachtige, meergekleurde draak voor het raam. Hij heeft een toverstafje. Knipogend zwaait hij ermee terwijl de zombies door het luik bovenkomen. En weg zijn ze. De draak zwaait en vliegt weg. Ik vind dat de draak gelijk heeft met zijn actie. Iedereen weet immers dat zombies niet bestaan.

