A.Storm, superheld.


Verhaal door René van DensenDe seconden op zijn horloge tikten hard, maar verbeten zette hij voort. A.Storm, superheld zonder weerga, gaf zich niet zomaar gewonnen. Als hij nog even met al zijn macht zijn handen samenkneep, was de stalen ondersteuning herversterkt en kon de wolkenkrabber de naderende aardbeving weerstaan. Het metaal piepte en knarstte maar het lukte. Bij de eerste rilling van de aarde stond het megalomane bouwwerk stevig genoeg om er de komende vier decennia weer tegen te kunnen, en niemand in het hele pand wist dat A.Storm hen gered had. Daar was hij te bescheiden voor, A.Storm. Hij was al in razende vlucht onderweg naar de volgende noodtoestand. Joe, dacht hij bij zichzelf. Maar niet te lang, want het bezigen van hippe uitdrukkingen getuigt van een zwakke geest en dient derhalve enkel in ironische context plaats te vinden.

Amper ter plaatse zag A.Storm meteen al wat er aan de hand was. Dit snode plan kon enkel ontsproten zijn aan het brein van… jawel, daar zag hij het welbekende sylhouet van Doctor Drausenball. “Doctorr Drausenball !” riep A.Storm de psychopatische superschurk ten halt, met zijn signature imposante bulderende R. “A.Storm !!” piepte Drausenball schril. “Herr Doktorr, de schurk die zich het eeuwige leven bekwam door Hitler zijn linkerteelbal te doneren,” zei A.Storm, terwijl hij wijdbeens in het pad van Herr Doctor ging staan. Stom, die expositie, volledig onnodig, schoot het door zijn hoofd, maar het had effect: gevleid vergat de Doctor even zijn gruwelijke plannen. Exact lang genoeg voor A. Storm om de vijfvoudig gelaagde nucleaire bom te ontmantelen en de Doctor in de kraag te vatten.

A.Storm twijfelde even wat te doen. Hij had al menig schurk als de Doctor ingerekend, maar die achterlijke sterfelijke mensen lieten ze steeds ontsnappen. Het zou zo makkelijk zijn om hem eventjes, slechts eventjes, de ruimte in te slingeren. Gewoon, een seconde of twee. Net genoeg dat al de zuurstof in zijn hersenen… ach nee, dacht A.Storm. Zonder mensen als de Doctor zou zijn werk maar saai worden.

Of nu ja, saai… De dag was nog niet half om of hij had al achttien natuurrampen net op tijd gestopt, vier superschurken ingerekend, de liefde bedreven met achtendertig prachtige vrouwen, zijn dagelijkse topoverleg gepleegd met alle grote wereldleiders, en een wasje gedraaid. Zoveel superhelden-outfits had hij niet en ze wilden wel eens vies worden. Welgeteld had hij nooit rust. Laatst was hij een weekje op vakantie gegaan. Japan was de klap nog niet te boven.

Verdorie, schrok A.Storm terwijl hij op zijn horloge keek. Al zeven voor twaalf. Ik heb een deadline ! In een wervelende vaart verwisselde hij zijn superheldenkostuum voor een geruiten overhemd. Snel woelde hij zijn perfecte haar wat door de war, om nog hooguit een knullige gelijkenis te vertonen met zijn superalterego. In het dagelijks leven was A.Storm namelijk een schrijver en een recensent, om niet ontdekt te worden. Hij schreef onder het pseudoniem AHJ Storm. Via zijn zolderraam vloog hij zijn werkkamer in.

Ongeduldig rukte hij de envelop open die al drie dagen op zijn bureau lag. Natuurlijk lag die envelop er al drie dagen, hij had het druk gehad ! De wereld redde zichzelf niet, potverdorie. Deed ze het maar. Maar hij dwaalde af en de tijd drong. De kaft van het te recenseren boek zag er klinisch uit. Nee he, dacht hij, toch niet weer zo’n schrijver die zonodig de menselijke conditie, met al haar zwakheden, gaat lopen te verkennen. Bijna zeven miljard van die slappelingen op één aardkluit, en millennia aan beschaving, en nog bleven ze maar emmeren over hun kwaaltjes en hun verliesjes en hun verdrietjes. A.Storm had geen zwakheden. Hij snakte naar een boek over die Supermenschlige Kondition. Anderzijds maar gelukkig dat ze zwak waren, die stervelingen. Als ze daadwerkelijk konden reiken naar de hoogten waar hij routineus naar opsteeg, zou het er maar druk worden.

Met de snelheid van het geluid, wat voor A.Storm behoorlijk aandachtig was, bladerde hij door het boek. Jesses. Dialogen. En, zag hij al meteen, sléchte dialogen. Inderdaad, de menselijke conditie. Ziekenhuizen, verdoving, doktersconsulten, bla bla bla. Saaie gesprekken, die niemand mogelijk ook maar iets zouden kunnen interesseren. Hij zou dit varkentje wel vlot even wassen.

Met een perfecte boog smeet hij het boek in de papierbak en stelde zich in zijn bureaustoel. Met de snelheid van het licht brandde hij het boek af – hij was al klaar met tikken en de toetsen smeulden nog na, terwijl Word nog bezig was met de eerste paragraaf. Geduldig wachtte hij een seconde of dertig tot de trage software de weergaloze A.Storm had bijgehaald, en verzond de tekst naar zijn uitgever.

Tevreden leunde hij achterover en keek op zijn horloge. Drie voor twaalf. Hij kon nog nét een terroristencel in Afghanistan oprollen voor de lunch. Hij steeg van zijn stoel op en vloog zijn zolderraam uit met zo’n razende vaart dat hij bijna een vliegtuig raakte. Bijna, want A.Storm weet donders goed wat hij doet. Al vliegende bedacht hij zichzelf alvast wat hij zou nemen voor lunch. Spagetti met geraspte kaas, dat leek hem wel wat.

(Oorspronkelijk gepubliceerd op 10 mei 2011. Elke overeenkomst met bestaande personen is louter toeval.)

Nee, nee


Verhaal door René van DensenZo stóm: ik heb de naam genoemd voor ik er erg in heb. De bekende naam. En zet me onmiddellijk schrap. Ik weet wat er nu komt. Het is altijd hetzelfde. “Hoé noem je hem ?” wordt er verbaasd geroepen. En meerdere leden van de groep schieten in discussiemodus. Opgewonden moeten en zullen ze mijn foute uitspraak corrigeren. Ik zit fout, dat staat voor hen natuurlijk boven kijf. Ik ben een cultuurbarbaar en weet weinig, dus kan het niet anders dan dat ik fout zit. Zij hebben het juist. Zij zijn correct. Ze zijn natuurlijk wel allemaal net even ánders correct, wat een tikkeltje verwarrend is.

“Je spreekt het uit als buukófskie, hoor.”
“Nee, bjoekófskie.”
“Ik dacht altijd dat je het moet uitspreken als boekófskie…”
“Nee, geloof me nou maar, het is buukófskie.”
“Hoe kom je erbij om het uit te spreken als bjoekouwskie ? Mafkees.”
“Ik spreek het toch echt altijd uit als bjoekófskie.”
“Wat doe je dan met lebofskie ? Spreek je dat soms ook uit als lebouwskie ?”
“Jamaar, die uitgeverij was toch vernoemd naar de bekende film, the big lebouwski ?”
“Nee, nee, jullie hebben het mis, je moet het uitspreken als boekófsjkie, geen bjoekófskie.”
“O ja, als dat vernoemd is naar die film, dan is het lebouwskie ja.”
“Het is bèhkofskie, hoor.”
“Maar toch zéker geen bjoekouwskie.”
“Nee, inderdaad, zo zeg je dat niet.”
“Ik noem het toch echt uitgeverij lebofskie hoor.”
“Ja, maar dan wel lebófskie.”
“Okee, okee, lebófskie, daar heb je gelijk in, sorry.”
“Nee, nee, nee, nee, nee, het is boékofskie.”
“Gaat er nog iemand nootjes halen ? Want ze zijn op.”

Niet over de man zelf. Niet over zijn werk. Het gaat nooit over zijn werk. Zijn werk, daar is altijd een deel van het gezelschap het over eens: dat is goed. Een ander deel van het gezelschap is het erover eens: het is volledig overschat. Daar stopt die discussie doorgaans. Maar die naam, dat is wel een dingetje. Ik heb het al lang geleden opgegeven als argument te gebruiken dat er beelden van de man zijn. En dat hij zichzelf in interviews zo noemde. Zijn naam op z’n Amerikaans uitgesproken. Dat interesseert ze natuurlijk niet. Hoe een man zichzélf noemde, dat is geen argument. Dat kon hij ook niet weten. Gelukkig dat zij er nu zijn. Dan kan dat achteraf allemaal gecorrigeerd worden.

Lek


Verhaal door René van DensenIk moet u vooraf waarschuwen. Er zit een groot veiligheidslek in dit verhaal. Terwijl u leest, bij elk woord, loopt u een groter en groter risico (en groter en groter) dat het lek overspringt naar u. Wat kan dat voor gevolgen hebben, zou iemand die hier nog niet direct van geschrokken is, zich afvragen. En dat is nog best een goede vraag ook. Dat geef ik dan eerlijk toe. Ja, je kunt beter afdoende geïnformeerd zijn, immers. Ongeïnformeerde angst is een gevaarlijk goedje.

Eerlijk gezegd is het lek nog vrij nieuw, dus de gevolgen zijn nog niet volledig in beeld. Één persoon die dit verhaal las, die liep gewoon helemaal leeg. Was niet meer te houden. Bleef maar praten. Alles kwam eruit. Alle familiegeheimen, telefoonnummers, verleden PINcodes, ware schoenmaat, kortom, alles wat u eigenlijk niet wou weten. Het leeglopen heeft uiteindelijk vijf volle dagen geduurd en daarna was er niets meer over van de persoon in kwestie.

Nu is dat niet gegarandeerd. Sommige mensen die dit verhaal hebben gelezen, hebben als enige schade dat ze merken dat bij de derde alinea eigenlijk nog steeds niets verteld is. Dat als dat risico op een lek per woord zou toenemen, ze nu toch onderhand wel aardig de sjaak zijn. Toch stopt men niet met lezen. Met name één specifiek type mensen moet echt per se het verhaal tot het einde uitlezen. Die willen namelijk, koste wat kost, één ding weten.

Barst


Verhaal door René van DensenIk weet niet eens wat er gebeurd is, maar ik zit alles weer te lijmen. Schijnbaar is het poëzie-evenement van dit weekend (inclusief vanavond) in gevaar. Lees ik vóór ik kan vertrekken. Mensen in onmin. Altijd goed. Maar daarnaast nog is mijn bril verbogen en bekrast. Ik ben mijn hoed kwijt. Mijn fietshandschoenen zijn er maar half: links, om precies te zijn. Kortom: het is duidelijk weer vrijdag.

Er zit een barst in mijn bestaan. Er zit altijd een barst in mijn bestaan. Iets dat niet klopt. En als alles even klopt, dan drink ik tot het niet meer klopt. Tot ik in een situatie als deze wakker word en er dingen gelijmd moeten worden. Barsten gefixed. Want dat moeten ze. Altijd. Zo is het leven.

Ik zou soms tegen het leven willen tegenwerpen dat ik maar een groot kind ben. Dat ik liever een lolly had en een aai over de bol. En iemand die op me let als ik idioot doe. Maar dat alles heb ik niet. Ik heb een barst in mijn bril. En ik ben mijn hoed en één fietshandschoen kwijt. En ik reis misschien wel puur voor mijn eigen lol naar Gent, als dat stomme festival niet doorgaat. Dat is eigenlijk het enige mooie bij dit opstaan. Want de poëziefestivals mogen van mij allemaal barsten.

Filmvertoning

Verhaal door René van DensenIk sta voor de kast en vraag me af wat ik meeneem. Morgenavond draag ik een gedicht voor. Ééntje. Het is een gedicht als inleiding op een film die vertoond wordt. Het is mijn tiende filmgedicht. Toch word ik nog elke keer zenuwachtig.

De film is wel heel mooi. Het begint met een oude vrouw die een poëziecursus gaat volgen. Maar dan duikt er een dood meisje op. Plots komen er hordes reusachtige monsters en die stampen haar dorpje plat. Alle gebouwen gaan eraan. De monsters blazen vuur en schieten bliksems. Vanalles ontploft en mensen duikelen door de lucht. Ze roepen Aaaaaaaaaaah. Boem, knal, flits, Aaaaaaaaah.

Dan duiken er plots zes Chinese dichters op. Iedereen dacht dat deze dichters dood waren, maar ze leven nog. Het zijn de Poet Rangers. Ze pakken hun pen en papier en fluks schrijven ze gedichten. Hierdoor worden ze levensgroot. Ze vechten met de monsters. Dan duikt er een enorm monster op dat zeker tien keer zo groot is als de andere monsters. De dichters lijken aanvankelijk snel verslagen. Maar een pep talk later hervatten ze zich. Ze springen op elkaars schouders en vormen zo één Superdichter. De Superdichter zwaait met een enorme, en nogal fallische vulpen. Na een bittere strijd legt het monster het af. De dichters doen een vreugdedans. Ze hebben de dag gered. De dorpelingen zijn veilig. Aan het eind zeggen de dichters tegen de dorpelingen dat ze trouwens ook wat bundeltjes te koop meegenomen hebben. De dorpelingen zeggen dat ze geen geld hebben, maar de volgende keer kopen ze zeker een bundeltje.

Voud

Verhaal door René van DensenTerwijl de strepen die de zon trekt, nu al korter worden, dartelt het rubber over de stenen. Ja, daar kan je dus niks mee. Dat is weer typisch van die uitsloverij van het leven. Dan beschrijf je dat, en wordt het zo’n zin-zin. Eenvoud, dat is waar ik het zoek. Geen gedoe met zonnen. Die strepen trekken. En rubber dat dartelt, moet ik al helemaal niet.

In de ochtendschaduw ruisen de fietsbanden. Beter. Zeker al wat beter. We zijn er nog niet hoor. Het kan veel eenvoudiger nog. Eenvoud is niet makkelijk. We zijn veel te gewend vanalles in meervoud te doen. Minimaal in twee- of drievoud. Ik noem maar een gemiddeld ingevuld formulier. Maar ook onze favoriete verhalen. Die worden gerust meervoudig verteld. Tot in de eeuwigheid desnoods. Dan denk je stiekem toch ook: vertel eens wat nieuws. Ik toch.

Het is vroeg. Dring, dring. Haar bel. Ze moet er langs. Zon in haar ogen. Voorband is wat slap. Ze is niet wakker. Verkeerde afslag. Hoppakee, rijdt ze zomaar mijn verhaal uit. Ik weet ook niet waar ze nu heen is. Kwijt. Tja. Dan niet. Met haar moeilijk gedoe.

Tussen twee regels

Verhaal door René van DensenHij is tussen twee regels blijven steken, mijn romanpersonage. Een geschreven regel en een ongeschreven regel. En nu reikt hij weifelend naar het rolletje toiletpapier. Het is nog maar een dun rolletje en de dag ervoor kenmerkte zich met afwisseling van koffie en bier. Een dieet dat zich zojuist danig heeft laten gelden. Het papier gaat niet voldoende zijn, vreest hij. Hij kijkt rond in het toilet maar dit blijkt ook de laatste rol. Met een zucht doet hij zijn best met wat hij voorhanden heeft. Continue reading “Tussen twee regels”