De jonge schrijver rolt een joint in mijn woonkamer. Ik drink bier. Cannabis werkt bij mij niet, ook weer zoiets. De jonge schrijver praat honderduit. Over boeken van anderen, over boeken van mij.
Ik knik met een blik waarvan ik hoop dat die vanzelfsprekendheid, zelfs een beetje een blasé houding uitstraalt. De jonge schrijver kijkt naar me op. Geen idee waarom. Soms, vaak wanneer ik dronken ben, vraag, nee, roep ik dat ook. Waaróm, roep ik dan.
Ik vul zelden aan dat hij meer boeken heeft gelezen dan ik ooit in mijn vingers zal hebben, en dat zijn schrijfstijl mijlen voorligt op de mijne. Het is fijn voor mijn ego, dat er naar me opgekeken wordt. Mijn ego is hongerig.
De jonge schrijver zegt dat hij niet snapt waarom mijn werk niet ‘ontdekt’ wordt. Iederéén zou mij moeten lezen, snoeft hij. Hij is trots dat hij wél mijn werk kent. Beter dan de rest. Ook zijn ego is hongerig.
Ik drink een hoop en probeer de onzin die ik uitkraam te beperken. Over veel onderwerpen bluf ik, en als ik niet kan bluffen, blaat ik dwars dat het allemaal niet waar is en helemaal andersom zit.
De jonge schrijver praat over zijn roman. Die is aan zijn zevende herschrijving toe. Alle herschrijvingen zijn me opgestuurd. Ik heb er drie daadwerkelijk gelezen. Op den duur zie je niet meer wat er veranderd is. Maar dat zeg ik niet.
Bij zijn weten heb ik alles nauwkeurig en kritisch doorgenomen. Zonder alcohol. Ook per mail kan ik enorm goed bluffen, en een zwikje stylistische feedback is snel verzonnen.
Hij vraagt waar ik mee bezig ben. Met drinken, denk ik, maar dat zeg ik niet. Ik bral halfdronken dat ik met vier boeken tegelijk bezig ben. Vier tegelijk, benadruk ik. Bij de tweede keer uitspreken komt het besef: man, wat ben ik goed en geniaal bezig.
Ik doe wat schamper over een kortverhalenbundel (‘dat wordt een trilogie of zo, weet ik het, korte verhalen zijn simpel he’), iets minder over een dichtbundel (‘ik heb een hele structuur uitgedacht, in episoden. Je zult het wel zien man, mijn beste werk tot dusver’). De jonge schrijver luistert enthousiast en neemt alles uiterst serieus.
Ik roep dat ik wacht tot alle vier de boeken af zijn. Dat ik geen enkele concessie naar het publiek ga maken, op het onleesbare af. Púúr schrijven, roep ik, met veel consumptie. Spuugbelletjes op mijn onderlip. Woorden als authenticiteit en hermetiek glibberen er overheen. Ik ben op dreef vanavond.
En dan, vraagt de jongen. “Dan delete ik ze inééns, alle vier. Hoppa, weg !” gil ik triomfantelijk. Mijn schrijversvriend schrikt. Dat doe je niét, roept hij, dan wil ik ze minstens eerst lezen ! “Niks ervan,” schreeuw ik, “alles weg, kapot ! Vier goéde boeken maken, en dan kaput ! Raus !” Ik sla twee halfvolle blikken bier om. Ruim ik morgen wel op.
Wanneer ik een tijdje later bedaard ben, de joint opgerookt is en we een film zitten te kijken, vraagt de jonge schrijver schuchter of hij toch, tóch, de boeken zou mogen lezen voor ik ze delete. Ik haal mijn schouders op. De aanstellerij is alweer over.


Er is veel tijd voorbij sinds jij me nog kende hoor, Rosalie.
Dus je ziet jezelf niet meer als dat vieze oude mannetje? 😉