Schrijvermoe

Verhaal door René van DensenNee, ik ging niet ‘ook iets doen’, verzekerde ik mijn gezelschap. Niet op dit festival. Ik heb schrijversvrij. Dat komt goed uit, want ik ben een beetje schrijvermoe. Ook zou later mijn laptop overlijden. Maar dat wist ik op dat moment nog niet.

Nee, ik was er om te komen luisteren naar schrijversvriendjes. Of blijkbaar: om bezweet aan te komen op een fiets met slappe banden, precies nadat ze klaar zijn met optreden. Om dan in ieder geval pintjes te drinken. Veel pintjes, want de schrijversvriendjes komen met schrijverhoeveelheden schrijverpintjes aan te zetten. Een schrijvermens zou er nog schrijvermoe van worden.

Er is iemand in het programma uitgevallen, of ik niet wil invallen. Nee, zeg ik, echt niet. Er zijn ook vrijwilligers tekort op het festival, zegt een ander, dus of ik misschien daar bij zou willen springen. Ik zeg dat ik hier ben als betalende bezoeker, dat het festival die ook nodig heeft. Dat is dan ook weer zo, geven ze toe.

Na een aantal pintjes word ik een hok in gesleept. Een gordijn wordt opengetrokken en er zit afwachtend publiek naar me te staren. Microfoon voor mijn neus. Op de eerste rij zitten kindjes, allemaal keurig geïndoctrineerd om naar kijkhokjes te staren.

Ik vertel een mop. Een racistische piemelmop. Aan de kindjes. Het bierzweet gustst langs mijn slapen. Ik vraag me af of mijn schrijversmoeder trots op me is.

Opnieuw proberen

Verhaal door René van DensenJe weet dat het foute boel is, zodra de bakstenen uit de huizen naast het spoor de lucht in gerukt worden. Zelfs als je tot dan toe niet zag hoe donker het werd buiten. Als een dreigende mensenmassa dromt een duistere wolkengroep zich boven de coupé. Toch maar even één oortje uit je oor plukken en luisteren of er iets omgeroepen wordt.

Gekraak uit de speakers. Aan weerszijden van de trein vliegen nu ook de huizendaken de lucht in. Hele bovenverdiepingen worden aan stukken gereten en vallen tegen de zwaartekracht in. Met een voorzichtige blik probeer ik te zien waar de restanten van de bouwwerken zoal heen vliegen, maar het is vooral erg donker. Het is dwarrelende stenen en gruis en huisraad, en dan dikke lagen aquarelzwart.

Nog altijd geen omroepstem. De coupé zit niet vol, en ik heb volgens mij als enige door wat er gebeurt. Verderop zit een klein jongetje met zijn neus tegen de ruit te kwijlen. Hij kijkt alsof er buiten slechts een spannende film afspeelt. Mamma is iets aan het prikken op haar telefoonplaatje. De dikke zakenman aan de andere kant van het gangpad ligt te snurken. Zijn stropdas is lichtjes gekreukeld.

Ik klap mijn laptop open. Behoefte aan informatie. Is de wereld eraan aan het gaan soms ? Of is dit gewoon weer zo’n plaatselijke onheilsbui ? De coupéspeaker zegt nog altijd niet veel maar de trein raast voort. Ik probeer de treinwifi te bereiken. De connectie kan niet gemaakt worden. Nog eens. De connectie kan niet gemaakt worden.

Dan hoeft het eind van de wereld ook niet voor mij, besluit ik. Ik klap het laptopscherm dicht en open mijn gratis treinkrantje. Even de sudoku oplossen. Daarna kunnen we de vernietiging van het bestaan eventueel opnieuw proberen. Ik ga er niet aan zonder internetverbinding. Kom nou.

En ik schreef

Verhaal door René van DensenEn ik zag weer dingen en schreef weer dingen maar geen woord op papier want niet alles is voor uw ogen. Ik hoorde en rook dingen en deed mijn gebruikelijke best ze te negeren. Ik hou mijn bui liefst stabiel. Er schuilt woede in mijn hart, maar het mag er niet zomaar meer uit.

Af en toe breng ik de woede een glas water of een kop thee. Dan babbelen we wat. De woede zegt dat hij eenzaam is. Ik zeg dat de woede mij eenzaam maakt. We drinken dan samen ons water of onze thee. En ik schreef. Ik schrijf niet, ik schreef. Nooit schrijf ik in het heden. Je zet woorden op papier, maar je schrijft niet meer. Zodra de woorden komen, ben je aan het schreven.

De woede zegt dat hij me mist. Ik zeg dat hij het goed voor elkaar heeft. Warm bloed, een pompend ritme. Omhelsd door liefhebbende aderen. De woede zegt dat hij zich gekooid voelt. Ik zeg dat het niet de tijd is voor de woede. Hij moet geduld hebben. Traag drinkt de woede van zijn thee en vraagt wanneer hij eruit mag.

Ik zie dingen en ik ruik dingen en ik hoor dingen. Maar ik schreef. En kalm drink ik iets van een doodslaand bier. De zon prikt lijnen in mijn ogen en ik snak naar de rust van de nacht. Zo gaat de zon ten onder in oranje gloed, wanhopig naar mijn pupil reikend. Maar de zon komt niet zomaar meer binnen.

Ik loop over de straten. De mensen die niet van onrust houden, liggen op hun oren en achterhoofden. Sommigen liggen met hun snoet in hun kussens te kwijlen. Morgen mogen ze de dag weer hebben, nu is hij van mij. Mijn zolen ketsen echo’s tegen de donkere huisgevels. En ik schreef.

Correctie

Verhaal door René van DensenAan de terrastafel naast de mijne zit een bevriende schrijver. Ik ken heel veel schrijvers. Die ontmoet je op schrijversdingetjes. Dan doen enkele schrijvers iets met tekst of voordracht en de rest komt om bier te zuipen en er doorheen te praten. Bezoek voldoende schrijversdingetjes en je kent heel veel schrijvers. Vraag, voor de grap, eens aan de schrijvers of ze een boekje hebben of zo. En koop ze dan. Ik geef dit advies zonder enig eigenbelang.

Eigenlijk heb ik vooral schrijverskennissen. Vaak weet ik hun naam eigenlijk niet meer. De schrijverskennissen weten altijd mijn naam nog wel. Ik haat de ongelijkheid die de schrijverskennissen op deze manier in ons kennisschap aanbrengen. Sommige van de schrijverskennissen zijn bevriende schrijvers. Omdat ik geen voorstander van ongelijkheid ben, noem ik alle schrijverskennissen bevriende schrijvers. Aan de terrastafel naast de mijne zit een bevriende schrijver.

De schrijver buigt naar me toe en vraagt of ik nog nieuwe boekjes heb uitgebracht. Ik zeg dat ik geen nieuwe boekjes bij me heb, maar wel een moppenboek van de Opperpater. Er is ooit een moppenboek van de Opperpater uitgebracht via mijn eigen amateuruitgeverij en ik heb de restpartij opgekocht om voor biergeld te verpatsen. De boekjes verkopen echter nooit, dus ik had het geld beter zelf als biergeld kunnen uitgeven.

De bevriende schrijver bladert door het moppenboek met een vies gezicht. Er staan geen moppen in het moppenboekje. Alleen reusachtige QR-codes. Met een dure telefoon kun je de QR-codes scannen en dan verschijnt op de dure telefoon een filmpje van de Opperpater die je de mop vertelt. De aanblik van de QR-codes staat niet iedereen aan. Er staan 93 moppenQR-codes in het boekje.

De bevriende schrijver scheurt een pagina uit het boekje. Dan nog één, en nog één. Hij verfrommelt de pagina’s tot proppen en smijt ze op het terras. Ik vraag wat hij doet. Hij schrikt van mijn vraag en krijgt blijkbaar het vermoeden dat zijn gedrag niet geheel gewenst is. Hij zegt dat hij het moppenboekje aan het corrigeren is.

Ik zeg dat het moppenboekje geen correctie behoeft. Ik zeg dat ik het boekje nu niet kan verkopen. Op slinkse wijze probeer ik een schuldgevoel bij de bevriende schrijver op te wekken zodat hij het resterende boekje koopt. Dan heb ik biergeld en kan hij scheuren wat hij wil. Er zit geen geld meer in mijn portemonnee maar nog wel dorst in mijn keel.

De bevriende schrijver pakt een pen uit zijn binnenzak. Het is zo te zien een dure pen. Hij krast op de kaft het cijfer 93 door en maakt er 87 van. Dan geeft hij me het boek terug. De bevriende schrijver zegt dat het boekje zo nog prima te verkopen is. Moppen genoeg nog. En sterker, nu is het boekje meer waard. Om het handwerk. De bevriende schrijver knipt in zijn vingers naar de terrasbediende en bestelt een erg duur speciaalbiertje voor zichzelf.

Er zwemt een fruitvliegje in het restant van het laatste biertje dat ik kan betalen. Het glas is te hoog om het vliegje te redden. Als ik het vliegje opdrink, ben ik eigenlijk geen vegetariër meer. Ik steek het boekje terug in mijn jaszak. Wanneer ik opkijk, zie ik dat de bevriende schrijver net bezig is om mijn bierglas leeg te corrigeren.

Tien

Verhaal door René van DensenDat het geen verhaal was, dat zag ik meteen, ondanks het vroege tijdstip. Op mijn zetel, in het vroege zonlicht, zat triomfantelijk een besluit mij aan te kijken. Ik vond het te vroeg voor besluiten en besloot eerst een koffie te maken. “Aha,” betrapte het besluit mij onmiddellijk. Shit, dacht ik. Daar heeft hij me. Grijnzend klopte hij op de zetelplek naast hem. Timide ging ik dan maar zitten. Hij staarde weer naar het zonlicht. Ik staarde mee.

We zaten daar al een tijdje, toen hij zijn keel schraapte. Net op tijd, want ik begon het stilzitten een beetje beu te worden. Hij keek mij strak in de ogen. “Nog tien,” zei hij op berispende toon. Ik haalde mijn schouders op en zei, okee man. Hij schudde het hoofd en herhaalde: “Nog tien.” Ik knikte.

Mijn kat keek nieuwsgierig toe bij dit alles. Zij zei echter niks. “Driehonderdvijfenvijftig,” sprak hij stellig. Er ging mij wat dagen. Toch keek ik hem vragend aan. “Drie ! Hon ! Derd ! Vijf ! En ! Vijf ! Tig !” riep hij, ritmisch zijn vuist op tafel bonkend. Ik keek even naar mijn vingers, niet wetend hoe ik moest reageren. En toen daagde het. Driehonderdvijfenvijftig verhálen, uiteraard. Bijna een jaar rond. Op tien na, dus.

Ziend dat ik het begreep, schudde het besluit zijn hoofd. Hij reikte mij een glas aan en de rest van de dag deden we niets meer van belang. We hieven glas na glas, herdachten de verhalen die achter ons lagen. Mijn kat sliep op onze schoten of rende speels rond. Ik wou een geheelomvattende, relativerende kenmerking duiden, maar hij drukte streng zijn vinger op mijn lippen. En ik zweeg erover. We dronken door tot de volgende ochtend. Ik werd wakker en het besluit was verdwenen. Hij was niet langer nodig, want zo zou het gaan: Nog tien dagelijkse verhalen.

Websiteje spelen

Verhaal door René van DensenDe andere schoolkinderen en ik spelen websiteje. Als dollemannen rennen we over het speelplein en proberen elkaar te scoopen. “Ik pak jouw lezers af,” roept er eentje jubelend. “Kan niet,” roept een ander, “want ik heb lekker een betaalmodel !” Met gestrekte vingers wijzen we naar elkaar en roepen: “Like ! Like ! Share ! Like !”

De stoere jongens spelen natuurlijk de grote websites. “Ik maak je zo kapot, jonguh,” pochen ze. “Met je kleine website.” De allergrootste jongen speelt Google. Toen we voor het eerst websiteje speelden, was hij ook gewoon een websiteje. Maar inmiddels is de macht naar zijn hoofd gestegen. Hij is een beetje de scheidsrechter aan het uithangen. Daardoor bepaalt hij ook, telkens als we gaan spelen, wie de allergrootste websitejes mogen zijn.

De meisjes vinden ons stom. Zij spelen vivaforumpje.

Omdat het een speciale dag is, vindt de Googlejongen dat ik voor één keer mag kiezen welk websiteje ik wil zijn. “Ook een van de groten hoor, wat je maar wil.” Stiekem zou ik best een grote website willen zijn, maar de stoere jongens willen het volgens mij grager. Ik zeg dat ik mezelf wel zal spelen. Dat is goed. Al snel speelt iedereen weer met likes en retweets. Ik zit aan de kant en roep zo af en toe mee. Het is prettig om mezelf te spelen. Ik kijk graag naar wat de vogels ondertussen doen.

Later toegevoegde video:
“Websiteje spelen” – eigen productie, Tilburg
4 april 2016

Vakantiegevoel

Verhaal door René van DensenDe zon schijnt, maar men vertrouwt er niet op dat het zo blijft. Feitelijk blijft de zon natuurlijk wel schijnen, maar gaan er weer van die wolken voor staan. En je kunt springen wat je wilt, de zon zul je dan niet meer zien. Het zijn egoïsten, die wolken. Maar nu schijnt de zon dus nog, vertelt de schaduw van mijn terraspint me.

Ik had in de kringloopwinkel een vakantiegevoel gekocht. Trots ging ik het vakantiegevoel tonen aan mijn vrienden. Mijn vrienden zijn blij voor mij en mijn vakantiegevoel. Kirrend rent het vakantiegevoel rond hun tafels en stoelen en ik kijk toe. Ik vraag hoe het met mijn vrienden gaat. Het gaat feitelijk niet zo goed. Mijn vakantiegevoel struikelt en valt pontificaal op zijn snoet. Janken natuurlijk.

Uiteindelijk heb ik het vakantiegevoel teruggebracht en gezegd dat het niets voor mij was. Dat was geen probleem. Van het geld dat ik terug kreeg ben ik op een terras gaan zitten. In de zon zit ik me nu af te vragen of ik een aardige god ben voor mijn verhaalpersonages. Mijn bier is nog niet op, dus dit kan een lange gedachte worden.

Dit is wat mensen vrezen als je over poëzie begint

Verhaal door René van DensenIk vroeg me nog af waarom een van de aanwezigen begon te lachen. Hij werd echt histerisch en klemde zijn hand over de mond. Ik keek zelfs nog even of de voordrager misschien per ongeluk een stijve had of zo. Maar er was oppervlakkig niks hilarisch te ontwaren.

En toen luisterde ik toch maar eens naar de tekst. Het viel niet mee. De man murmelde. Het hielp niet dat hij ook de uitstraling had van… Ik kan geen politiek correct woord bedenken. Hij piepte, laat het ons daarop houden. Hij piepte woorden over dood en moord en schuld en gruwel en een mensonterende mensheid en zo al meer. Het duurde láng. Een pastoor was eerder klaar geweest met het opsommen van onze zonden.

Ik kon er niet mee lachen. Maar door de, inmiddels door de aanstichter aangestoken, anderen die lachten, kwam er bij mij ook een ongelovige grinnik los. En bij elk gepreekt woord werd het ongelovige gegrinnik erger. Tot we helemaal dubbel lagen. De lachers vluchtten naar buiten. De niet-lachers bleven jaloers achter en ondergingen de rest van de marteling.

Giechelend zei ik bij het aansteken van mijn sigaret: Dit is wat mensen vrezen als je over poëzie begint.

Lippen

Verhaal door René van Densen“Dat er met lachende meisjes niks mis is, is ook zo’n uitspraak van likmevestje. Sowieso is de aanname al fout, want bij lachende meisjes denkt iedereen aan sprankelende, sexy jonge dames in luchtige, zomerse kleding. Terwijl een lachend misbaksel soms ook heus wel wat heeft. Zo, ik heb uw aandacht.”

Die letters, in deze specifieke volgorde, staan in het invulveld. Ik herlees ze. Branie, denk ik. Beetje stoer lopen doen. Ambigue gebrabbel. Je hebt dit toch niet nodig jongen, denk ik dan. Ik lees het nog eens. Een beetje tegen de haren instrijken van de mensen. Vraag dan gewoon metéén: geef me je woede.

Deze twee alinea’s staan in mijn zakboekje. Trucjes, doorzichtige trucjes, denk ik katerig. Effectbejag en pronkveren. Wiens aandacht probeer ik eigenlijk te trekken ? Mijn kat springt op schoot. Het is zonniggrauw weer buiten. Ik moet ergens heen, maar misschien ook niet. Eigenlijk zijn alle dagen inmiddels zo. En dan nog noteer ik zulke dingen in mijn zakboekje. Walgelijk. Je bent walgelijk bezig jongen, prevel ik. Mijn kat kijkt me vragend aan of ik het tegen haar heb.

Zwetend word ik wakker. Heb ik verdomme alweer proza gedroomd. Ik veeg mijn lippen af. Ergens in de wereld moeten er nu lachende meisjes zijn.

Snelheid

Verhaal door René van DensenIk antwoord eerst dat het er natuurlijk niet toe doet, want dat moet je zeggen. Maar toch dringt ze aan en herhaalt de vraag: hoe snel schrijf ik nu zo’n dagelijks verhaaltje. Ik voel me ongemakkelijk want de snelheid zegt niet veel. Als ik er een uur of een halve dag op zou zitten, zou er gewoon meer geschrapt, hergeschreven of toegevoegd worden. Ik pulk wat aan mijn nagels en zij kijkt me scherp aan – ik voel haar ogen branden.

Dus schraap ik mijn keel wat, probeer het onderwerp te veranderen, de hele kansloze dans. Ik neem zelfs de wanstaltige constructie “ja, weet je” in de mond, om vervolgens weer te zwijgen. Maar drammerig zet ze door. Ik haal mijn schouders op en lieg dat ik er een uur voor zit, ’s ochtends. Ze is onder de indruk maar voelt zich gesterkt: zelf kan ze geen uur missen op haar dag, dus dat bevestigt haar bewering dat ze de tijd gewoonweg niet heeft om ook te schrijven. Ik laat het maar zo.

De volgende ochtend kijk ik voor en na een verhaaltje naar de klok. Ik gaap, krab wat op mijn achterhoofd. Het is zelfs nog korter dan ik vermoedde. Ik loop naar het raam en staar naar buiten. Nog ruim voldoende tijd om dat te doen. Het verhaal is immers al af. Voor vandaag tenminste. Even kijk ik over mijn schouder om: die van morgen ook maar vast doen dan ?