De ontzagwekkende vrijheid

Verhaal door René van DensenIk heb een week vrij van de schrijverij. Er zijn een boel mensen die schrijver mogen zijn zonder iets te schrijven. De meesten hebben ooit iets heel goeds of heel diks geschreven en hoeven daarna niet meer zo nodig. Die mogen af en toe in een panel komen vertellen hoe het is om schrijver te zijn zonder te schrijven. Het lijkt me eigenlijk wel wat.

Daarom neem ik een week vrij en schrijf ik helemaal niks. Dat is toch mijn voornemen. Natuurlijk ontkom ik er niet aan dat er emails verstuurd, boodschappenlijstjes opgesteld en formulieren ingevuld moeten worden.

Ook moeten mensen altijd weer boekjes van me kopen. Het aantal mensen dat boekjes van mij koopt, is groter wanneer ik niet schrijf, constateer ik na één dag nietschrijven, terwijl ik het ene verkochte boekje van die dag signeer.

Het grootste deel van de dag vraag ik me af wat ik met al die vrijheid aan moet. Normaal zou ik nu de straat op gaan om dingen te beleven. Zodat ik een verhaal heb om te schrijven. Ik heb zo al eens een regenbui beleefd. En ook eens een toeterende auto. Je hoeft zelden ver weg, als je een goede schrijver bent. Elke dag is een reisverhaal.

In mijn geval: de afgrond in, volop genietend van het uitzicht onderweg. Ik reis graag richting de afgrond: het is er bijzonder verstoken van toerisme en de mensen rondom de afgrond zijn allemaal interessant. Ook hoop ik dat als ik de afgrond in stort, ik genoeg vaart zal maken om dwars door de planeet te vallen. Zodat ik er aan de andere kant, uit een andere afgrond, weer tevoorschijn floep.

Als ik teveel bier drink zeg ik zoiets wel eens, en dan klopt iemand die ik niet herken lachend op mijn schouder en noemt mij optimist. Zeven bier later ben ik dat dan altijd weer vergeten.

De ontzagwekkende vrijheid eist echter invulling. En dus niet in dienst van de Dagelijkse Verhalen. Ik moet iets anders doen. De kat wil niet met mij spelen, die vindt het buiten in de tuin veel interessanter.

Mijn visjes heb ik uit de vijver gehaald en in iemand anders’ vijver ondergebracht. Zo hebben ze meer overlevingskans dan wanneer ze bij mij blijven: komende winter wordt mijn huis gesloopt. De visjes denken er natuurlijk niet aan om mij, hun gulle en liefhebbende beschermer, te behoeden voor het onheil: nee, ze denken enkel aan eten. En zwemmen.

Ik ga met een zucht op mijn woonkamerbank zitten. En dan liggen. Als ik niet weet wat ik met mezelf aanmoet, ga ik languit op de bank liggen. Mijn bank heeft een ingesleten afdruk van mijn liggende lichaam. Ik kijk naar de stapel boeken die ik nog beweer te willen lezen.

Het is goed om een stapel boeken te hebben en daarvan te beweren dat je die nog wil lezen. Dan kom je over als een nieuwsgierig, levenslustig mens met een intellectuele honger. Daarom lees ik deze boeken nooit. Ik pulk de twee dunste boekjes uit de stapel en blader ze door.

Één boekje heeft verhaaltjes met enorm korte alineas. Het nodigt uit tot lezen. Zelfs een luie donder als ik leest toch een paar alinea’s. En dan nog een paar.

Ik bedenk me dat ik telkens verhaaltjes met drie alineas schrijf. En dat die alineas steeds langer worden. Ik heb steeds meer te vertellen over mijn belevenisloze leven.

Misschien moet ik in kortere alineas gaan schrijven. Ik leg het boekje dicht bovenop de stapel. Lees ik later wel uit.

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *