Brief aan een organisator (3)


niet-wimYo Grandmaster W.,

oke, zo zal ik je niet meer noemen, Wim. Ik dacht, ik probeer iets nieuws, maar nu ik het zelf zwart op wit zie staan denk ik mmmmnee.

Wat een eer, dat je me vroeg om Stadsdichter van Turnh… van jouw stad te worden. En wat fijn dat je me verzekerde dat Tur, eh, de stad, me met open armen verwelkomt. Het verbaast me, aangezien ik er enkel zo nu en dan wat biertjes heb gedronken. Bij jouw evenementje, binnenkort, treed ik pas voor het eerst op. En dat je me dan al meteen tot volgende Stadsdichter wilt kronen, het komt echt als een grote verrassing. Zwaar vereerd, echt. Ik zeg volmondig: ja !

Ik heb ook meteen een prachtig idee om het Stadsdichtersschap tot een financieel succes te brengen. Alle keren dat ik er was, viel me op dat zo ongeveer driekwart van Turnhou… van de niet nader te noemen stad (ik moest het geheim houden, herinner ik me ineens), te koop staat. Overal waar je kijkt: te koop, te koop, te koop. Lege ramen, houten platen. Een beetje inwoner zou er droevig van worden.

Ik niet. Ik ben dan ook natuurlijk geen inwoner. Dat maandloon dat bij de functie hoort, is prettig, daar kan ik al een aardig pand van huren, maar ik denk natuurlijk ineens gróót. Zoals je wel weet, ben ik een Marktplaats-beroemdheid. Met mijn deeveedeetjes heb ik zelfs het grote Nederlandse weblog GeenStijl gehaald. Als dat met een paar ingepakte filmschijfjes al kan, dan kan dat zéker met al dat prachtige vastgoed dat achter die Te Koop-bordjes te vinden is. Ik bedoel, had mij die Watertoren laten verkopen en je had makkelijk het vijfvoudige gekregen.

Daarom ga ik, in mijn periode als Stadsdichter, dan ook niet aan de slag met gedichten. Poëzie is leuk, maar daar worden we in deze crisistijden niet wijzer van. Toch onze portemonnees niet, alvast. En ik wil wel flink bier kunnen drinken in mijn ambtstermijn, dat snap je. Dus ga ik Marktplaatsteksten schrijven voor al het vastgoed. Ik vraag daar een bescheiden commissie per succesvolle verkoop voor. Ik zeg: kassa !

Bekijk ook gerust eens de lovende wijze waarop ik mijn filmcollectie aanprijs, om een indruk te krijgen hoe indrukwekkend ik Tur- eh, dat stadje nabij Poppel (kan vanalles zijn), helemaal op de kaart zal zetten. Ik voorspel een massale intocht van ‘Ollandse vastgoedkopers en een sprankelend stadsimago door de positieve beschrijvingen die ik erop los zal laten. Het wordt een succes !

Groet en kus,

je René

P.S. Zou je de eerste drie maandlonen van het Stadsdichtersschap alvast kunnen overmaken, als voorschot ? Ik heb speciaal een Stadsdichtermobiel laten bouwen, in goud en bling. Dan rijd ik daar vanaf dag één al mee rond in de stad, zodat iedereen kan zien wat een godsgeschenk ik voor ze ben.

Brief aan een organisator (2)


turnhout-sprekende-ezelsLieve Wim,

Dank nog voor je lieve woorden na mijn vorige brief. Het doet me deugd te horen, dat je de tandenborstel die je eigenlijk wou weggooien, voor me bewaart wanneer ik moet onderduiken na mijn komende optreden. Niet elke organisator zou mij een schuilplaats voor de authoriteiten aanbieden. Toch wil ik het even over jouw evenement hebben.

Niet dat ik niet kom, gekkie. Natuurlijk kom ik. Ik kan nu immers met een gerust hart alles flikken dat ik wil: ik heb een schuilplaats. Bij jou, Wim, vinden ze me nooit. Ik kan zelfs gewoon hier, openbaar, vermelden dat ik bij jou onderduik. Komt niemand achter. De politie is zó dom, Wim. Bovendien leest bijna niemand deze site. Ik kijk wel eens naar de statistieken, dan zie je dat meteen.

En, zoals ik de vorige keer al schreef: ik kan jou hier wel Wim noemen, maar zo heet je helemaal niet. Of toch wel ? Of toch niet ? Ziezo, nu weten de mensen het niet zeker meer. Dan kiezen ze normaliter voor ‘niet’. Aldus, ‘niet Wim’, ik kom gewoon, en bij jou vinden ze me nooit, want ze kunnen niet achterhalen wie jij bent.

Je spreekt met veel humor over het groezelige Vlaamse stadje waarvan je tot niet lang geleden Stadsdichter was. Mag ik dat zeggen, Wim ? Euh, ik bedoel natuurlijk ‘niet Wim’. Enfin. Dat was net op tijd. Toch vind ik het een bijzonder stadje, ook al kots jij er op. Ik heb dat op mijn beurt weer met mijn huidige verblijfstad, zoals je weet. Die jij op jouw beurt leuk vind.

Nu moet je weten, ‘niet Wim’, dat ik heel veel van mijn tijd verdoe met onzin. Dat komt ongetwijfeld als een verrassing. Zo zocht ik enkele dagen geleden nog naar de langste bandnaam ter wereld. Ik kwam eerst uit bij een Duitse band, Ostzonensuppenwürfelmachenkrebs. Die bestaan gewoon. Ik verzin dit niet. Nu bestaat er ook een band genaamd I Wrote Haikus About Cannibalism in Your Yearbook. En een band genaamd Satans Penguins. Ik wil maar zeggen, er zijn gekke namen genoeg in de muziekwereld. Sleepytime Gorilla Museum. Afghanistan Banana Stand. Wheezing Porno Goldfish. Little People in Big Pocket Land. Alabama Thunderpussy. Soothing Sounds For Baby. Die laatste is een verschrikkelijk moeilijk te vinden punkrockband. Uiteraard.

Toch kan het langer dan Ostzonensuppenwürfelmachenkrebs. De langste bandnaam zonder spaties is Paracoccidioidomicosisproctitissarcomucosis. Even oefenen, en dan nonchalant eens aan de bar vragen of ze die willen draaien. Als spaties mee mogen tellen, dan is er nog een langere bandnaam: Gore 55. Dat klinkt niet lang, maar die naam is de korte versie.

De volledige bandnaam is Intracerebrally Consuming Cephalalgia Through The Cranium Macerating Debrisfucked Manure Ingested Remains Of The Mindfucked Cataplexic Wicked Mankind Whom Fistfucked The Progenies From The Deepest Depths Of The Analmaggot Raped Human Pieces Of Erotic Shitmasses Which Gave Birth To Worthless Eunuchs As Travesty For Cumstained Whorefaced Sluts Enslaved By This Stupid Society Full Of Fetal Garbages.

Ik denk dat hun manager gewoon Gore 55 aanhoudt. Of je zult de manager van déze band zijn, en dan een hotelreservering moeten doorbellen: Ungl’Unl’Rrlh’Chchch. “Ja, ik speel sinds kort bij een band.” “Oh, vertel, welke ?” “Momentje, even een glas water halen.”

Ik dwaal af. Oh ja. Ik zoek dus naar onzin. Eigenlijk het grootste deel van de dag. Gekke dingen die niemand zich afvraagt. Zo vroeg ik me af, of dat logo van dat stadje van jou, niet Wim, dat logo met dat hert, of dat wel het echte logo was. Dus ik de archieven in. Zoekerdezoek. Zeeën van tijd, zolang niemand zo stom is mij aan te nemen.

En bam ! Kijk nou wat ik gevonden heb. Het oorspronkelijke stadslogo. Ergens Middeleeuwen. En dat ziet er helemaal niet uit als een hert, als ik heel eerlijk mag zijn. Dat ziet er toch verdacht veel uit als hoe jouw evenement heet. Dus wil ik weten, misschienwelofnietWim: wist jij dit stiekem al ? Want ik heb hard moeten zoeken, tochnietWim. Dus als je dit al wist, wellichtwelWim, dan stijg je danig in mijn achting. Danig, Wim, danig. Ik zie je volgende maand.

Kort


Verhaal door René van DensenLang niet altijd heb ik zin om een heel lang verhaal te schrijven, en ik word, al zeg ik het zelf, steeds beter in het doen waar ik zin in heb.

Onrustdag


Verhaal door René van DensenGod, ja, die wel. Die had een rustdag. Sterker: hij heeft zich zes dagen een beetje uitgesloofd en daarna vond hij het wel best. Beetje uitkering trekken en TV kijken tot in de eeuwigheid. Als de productiviteit van God in een grafiek uitgedrukt werd, dan had je zes daagjes dat er wat piekjes waren, en een oneindig lange lijn dal. Elke dag is verdorie een rustdag voor Meneer, maar zondag dus al helemaal.

Dat sta ik te mopperen voor de gesloten supermarkt. Het is barbeknoei-weer en er komen gasten. Maar ik had natuurlijk weer teveel werk verzet deze week om in de gaten te houden welke dag het is. Ijsberend loop ik voor de deur: ja en nu ? Achterlijke kalenderterreur, dit. Net als Kerst en Pasen, ook vooral hinderlijk. En die laatste vergeet ik écht altijd.

Boenk, zak ik voor de deur neer. Zitten. Denken. Zijn er nog heidense winkels in de buurt ? Hoeveel gelovigen zijn er nog helemaal in dit kutland ? Dat moet toch onderhand een minderheid zijn. En dan toch dit sluitingstijdterrorisme. Ik knarsetand. Natuurlijk ben ik vooral zelf heel stom geweest, dat ik er niet aan gedacht had. Maar toch.

Onderweg naar huis probeer ik vliegjes te vangen met mijn mond. Rustdagen werken op mijn zenuwen. Ik ga in de tuin zitten met een boek, maar krijg geen regel gelezen. Je kunt niets met zo’n dag. Ja, een beetje fietsen of zo. De cafés gaan ook meestal net wat later open. Je kunt bij wijze van spreken alleen maar naar de kerk.

Dat is natuurlijk ook de bedoeling, begrijp ik ook wel. Een hele dag als een soort fuik. Goedemorgen, het is Rustdag, volgt u mij maar, wilt u een hostie ? Het is geen rustdag, strubbel ik tegen. Het is een onrustdag. En nou kappen met die onzin. Ik hoop dat mijn gasten zelf eten meebrengen. Anders wordt het hete kolen eten.

Gedicht


Verhaal door René van DensenIk heb het te pakken, het beste gedicht dat ik ooit zal schrijven. Naarstig zoek ik naar een pen. Onder het balletje ontstaat, in hanepotenhandschrift, het mooiste gedicht in de wereld. Het is eenvoudig, treffend, lyrisch, een woordencombinatie die je ziet en denkt, verdomme, hoezo heeft niemand hier eerder aan gedacht ? De hanepoten maken het wel wat lastig te lezen. Ook in mijn dromen schrijf ik dus in hanepoten.

Een vriend loopt binnen en kijkt naar wat ik aan het doen ben. Ik ben het gedicht nog aan het opschrijven, maar hij heeft al het grootste deel van de hanepoten ontcijferd. Hij lacht, het gedicht is mooi, en het maakt hem blij dat we een taal hebben waar dit in uitgedrukt kon worden.

Ik ben nog aan het schrijven, het is niet af. De vriend zegt dat ik moet oppassen, want hij heeft het vermoeden dat ik heel voorspelbaar het gedicht ga beëindigen. In feite, zegt hij, weet hij waarschijnlijk al wat mijn laatste regels zullen zijn. Nietes, zeg ik, maar hij verstoort me even en het balletje van mijn pen bungelt boven de letters, klaar om te hervatten.

Vanuit de gang klinkt de stem van een andere vriend. Hij vindt het nu al niks, het gedicht, want al mijn gedichten zijn slecht. Dus dit kan ook nooit iets zijn. Ik sta op en gooi de deur van de kamer dicht. Wanneer ik weer zit en mijn pen vast heb, praat mijn meeleesvriend honderduit over stickers die hij ooit op zijn kast heeft geplakt.

Het is een warrig verhaal en ik volg het eigenlijk niet. Hij kijkt heel beledigd en zegt dat hij het verhaal eerder verteld heeft. Dat ik dus nooit luister. Het geniaalste gedicht ter wereld wacht, onaf, onder het inktballetje. Ik sputter een of ander excuus en dat ik maar half luisterde.

Mijn meeleesvriend loopt beledigd de kamer uit. Vanuit de gang roept de andere vriend dat ik het gedicht nu nog vast niet af heb. Dat ik in feite niks goed kan. Ik zucht en staar naar de geschreven regels. Helemaal kwijt. En de hanepoten die er staan, kan ik niet meer lezen.

Het allerergste is dat ik wéét dat het een droom is. De pen is niet echt. Het papier is niet echt. De hanepoten zijn niet echt. Met een gedroomde zucht kras ik gedroomde lijnen door de gedroomde hanepoten.

Auberginekleurig


Verhaal door René van DensenMisschien dat ik binnenkort maar het woord auberginekleurig ga gebruiken. Laatst zag ik een andere schrijver het woord auberginekleurig gebruiken, en besefte me daardoor dat ik zelf nooit iets auberginekleurig genoemd heb. Zelfs geen aubergine. Een gemis, in mijn woordenschat: waar anderen auberginekleurig hebben, heb ik een zwart gat.

Al snel werd de auberginekleurigheid een rage. Alles moest en zou auberginekleurig zijn, zelfs al was het geel of groen. Alle stroom werd auberginekleurig. Zakenmannen liepen in auberginekleurige pakken over auberginekleurige straten. De auberginekleurig iPhone vloog de winkels uit. De nieuwe regering werd een auberginekleurige coalitie.

Ik kreeg het woord auberginekleurig ondertussen in geen enkele zin gepast. Wanhopig zat ik op mijn rode bank te staren naar de knipperende cursor. Ik zag het zwart in.

Vier tegelijk


Verhaal door René van DensenDe jonge schrijver rolt een joint in mijn woonkamer. Ik drink bier. Cannabis werkt bij mij niet, ook weer zoiets. De jonge schrijver praat honderduit. Over boeken van anderen, over boeken van mij.

Ik knik met een blik waarvan ik hoop dat die vanzelfsprekendheid, zelfs een beetje een blasé houding uitstraalt. De jonge schrijver kijkt naar me op. Geen idee waarom. Soms, vaak wanneer ik dronken ben, vraag, nee, roep ik dat ook. Waaróm, roep ik dan.

Ik vul zelden aan dat hij meer boeken heeft gelezen dan ik ooit in mijn vingers zal hebben, en dat zijn schrijfstijl mijlen voorligt op de mijne. Het is fijn voor mijn ego, dat er naar me opgekeken wordt. Mijn ego is hongerig.

De jonge schrijver zegt dat hij niet snapt waarom mijn werk niet ‘ontdekt’ wordt. Iederéén zou mij moeten lezen, snoeft hij. Hij is trots dat hij wél mijn werk kent. Beter dan de rest. Ook zijn ego is hongerig.

Ik drink een hoop en probeer de onzin die ik uitkraam te beperken. Over veel onderwerpen bluf ik, en als ik niet kan bluffen, blaat ik dwars dat het allemaal niet waar is en helemaal andersom zit.

De jonge schrijver praat over zijn roman. Die is aan zijn zevende herschrijving toe. Alle herschrijvingen zijn me opgestuurd. Ik heb er drie daadwerkelijk gelezen. Op den duur zie je niet meer wat er veranderd is. Maar dat zeg ik niet.

Bij zijn weten heb ik alles nauwkeurig en kritisch doorgenomen. Zonder alcohol. Ook per mail kan ik enorm goed bluffen, en een zwikje stylistische feedback is snel verzonnen.

Hij vraagt waar ik mee bezig ben. Met drinken, denk ik, maar dat zeg ik niet. Ik bral halfdronken dat ik met vier boeken tegelijk bezig ben. Vier tegelijk, benadruk ik. Bij de tweede keer uitspreken komt het besef: man, wat ben ik goed en geniaal bezig.

Ik doe wat schamper over een kortverhalenbundel (‘dat wordt een trilogie of zo, weet ik het, korte verhalen zijn simpel he’), iets minder over een dichtbundel (‘ik heb een hele structuur uitgedacht, in episoden. Je zult het wel zien man, mijn beste werk tot dusver’). De jonge schrijver luistert enthousiast en neemt alles uiterst serieus.

Ik roep dat ik wacht tot alle vier de boeken af zijn. Dat ik geen enkele concessie naar het publiek ga maken, op het onleesbare af. Púúr schrijven, roep ik, met veel consumptie. Spuugbelletjes op mijn onderlip. Woorden als authenticiteit en hermetiek glibberen er overheen. Ik ben op dreef vanavond.

En dan, vraagt de jongen. “Dan delete ik ze inééns, alle vier. Hoppa, weg !” gil ik triomfantelijk. Mijn schrijversvriend schrikt. Dat doe je niét, roept hij, dan wil ik ze minstens eerst lezen ! “Niks ervan,” schreeuw ik, “alles weg, kapot ! Vier goéde boeken maken, en dan kaput ! Raus !” Ik sla twee halfvolle blikken bier om. Ruim ik morgen wel op.

Wanneer ik een tijdje later bedaard ben, de joint opgerookt is en we een film zitten te kijken, vraagt de jonge schrijver schuchter of hij toch, tóch, de boeken zou mogen lezen voor ik ze delete. Ik haal mijn schouders op. De aanstellerij is alweer over.

Brief aan een organisator


Verhaal door René van DensenBeste Wim,

Ik noem je hier Wim, maar dat doe ik omdat ik deze brief ook als een verhaal ga plaatsen op mijn site. Alle mensen in mijn leven die in mijn verhalen opgevoerd worden, hou ik anoniem. Dus jij heet nu, in mijn verhaal, Wim.

Dat je écht Wim heet, dat doet er niet toe, dat weten de mensen thuis niet. Die denken na de vorige alinea dat je naam vooral géén Wim is. Allesbehalve Wim. Eens ze daarvan overtuigd zijn, kun je de alinea erop gerust beweren dat je wél Wim heet: niemand zal je meer geloven.

Enfin, Wim, dank voor je aanbod om op te treden. Dat je geen budget hebt om me een vergoeding te betalen, is jammer. Maar ik mag je en herinner me vaag dat je me bij ons vorige treffen straaldronken hebt gevoerd. Of was jij dat niet ? Hoe dan ook, volgens mij ben jij wel een toffe. Ik kom.

Jammer dat het op Sinterklaasavond is. Ik verwacht nóg minder publiek dan bij mijn andere optredens. Toch biedt het mogelijkheden, Wim. Ik overweeg mezelf in de badkamer om te kleden en te schmincken. En zo als Zwarte Piet op het podium te springen.

Van tevoren kan ik pepernoten bakken met poëziefragmenten erin. Dat zeg ik er natuurlijk niet bij. Mensen die de pepernoten die ik strooi, opeten, zullen stikken in de poëzie. Dat moet machtig mooi zijn. Geef toe.

Wim, budget heb je niet maar ik begrijp dat je wel in de desbetreffende stad wóónt. Dat is mooi. Na dit optreden, Wim, zou ik graag enige tijd in jouw woning verblijven. Naar verwachting zal ik gezocht worden voor meervoudige moord met het woord.

Ik kom liever niet in de greep van de poëtische gerechtigheid, Wim. Daarom zoek ik een klankdichte ruimte. Als het kan met een light verse schakelaar. Ik ben niet zo van het zintuigengedicht. De muren mogen uit readymade concrete poëzie bestaan, daar maal ik niet om. En hopelijk kan de deur aldicht.

Zo voorkomen we samen mijn onzijn, Wim. Ik ben van het drinklied, niet de zwanenzang. Als ze me pakken, dan wordt de cel vlug slamgedicht. En daarna een groteske kist lijkdicht. Ik blijf liever vrij vers. Maar dat Sinterklaasgedicht, dat moet er komen. Toch, Wim ?

De ontzagwekkende vrijheid


Verhaal door René van DensenIk heb een week vrij van de schrijverij. Er zijn een boel mensen die schrijver mogen zijn zonder iets te schrijven. De meesten hebben ooit iets heel goeds of heel diks geschreven en hoeven daarna niet meer zo nodig. Die mogen af en toe in een panel komen vertellen hoe het is om schrijver te zijn zonder te schrijven. Het lijkt me eigenlijk wel wat.

Daarom neem ik een week vrij en schrijf ik helemaal niks. Dat is toch mijn voornemen. Natuurlijk ontkom ik er niet aan dat er emails verstuurd, boodschappenlijstjes opgesteld en formulieren ingevuld moeten worden.

Ook moeten mensen altijd weer boekjes van me kopen. Het aantal mensen dat boekjes van mij koopt, is groter wanneer ik niet schrijf, constateer ik na één dag nietschrijven, terwijl ik het ene verkochte boekje van die dag signeer.

Het grootste deel van de dag vraag ik me af wat ik met al die vrijheid aan moet. Normaal zou ik nu de straat op gaan om dingen te beleven. Zodat ik een verhaal heb om te schrijven. Ik heb zo al eens een regenbui beleefd. En ook eens een toeterende auto. Je hoeft zelden ver weg, als je een goede schrijver bent. Elke dag is een reisverhaal.

In mijn geval: de afgrond in, volop genietend van het uitzicht onderweg. Ik reis graag richting de afgrond: het is er bijzonder verstoken van toerisme en de mensen rondom de afgrond zijn allemaal interessant. Ook hoop ik dat als ik de afgrond in stort, ik genoeg vaart zal maken om dwars door de planeet te vallen. Zodat ik er aan de andere kant, uit een andere afgrond, weer tevoorschijn floep.

Als ik teveel bier drink zeg ik zoiets wel eens, en dan klopt iemand die ik niet herken lachend op mijn schouder en noemt mij optimist. Zeven bier later ben ik dat dan altijd weer vergeten.

De ontzagwekkende vrijheid eist echter invulling. En dus niet in dienst van de Dagelijkse Verhalen. Ik moet iets anders doen. De kat wil niet met mij spelen, die vindt het buiten in de tuin veel interessanter.

Mijn visjes heb ik uit de vijver gehaald en in iemand anders’ vijver ondergebracht. Zo hebben ze meer overlevingskans dan wanneer ze bij mij blijven: komende winter wordt mijn huis gesloopt. De visjes denken er natuurlijk niet aan om mij, hun gulle en liefhebbende beschermer, te behoeden voor het onheil: nee, ze denken enkel aan eten. En zwemmen.

Ik ga met een zucht op mijn woonkamerbank zitten. En dan liggen. Als ik niet weet wat ik met mezelf aanmoet, ga ik languit op de bank liggen. Mijn bank heeft een ingesleten afdruk van mijn liggende lichaam. Ik kijk naar de stapel boeken die ik nog beweer te willen lezen.

Het is goed om een stapel boeken te hebben en daarvan te beweren dat je die nog wil lezen. Dan kom je over als een nieuwsgierig, levenslustig mens met een intellectuele honger. Daarom lees ik deze boeken nooit. Ik pulk de twee dunste boekjes uit de stapel en blader ze door.

Één boekje heeft verhaaltjes met enorm korte alineas. Het nodigt uit tot lezen. Zelfs een luie donder als ik leest toch een paar alinea’s. En dan nog een paar.

Ik bedenk me dat ik telkens verhaaltjes met drie alineas schrijf. En dat die alineas steeds langer worden. Ik heb steeds meer te vertellen over mijn belevenisloze leven.

Misschien moet ik in kortere alineas gaan schrijven. Ik leg het boekje dicht bovenop de stapel. Lees ik later wel uit.

Fietsbel


Verhaal door René van DensenMijn leven is zo verlopen dat ik nu optreed met een fietsbel. Het is een mooie fietsbel hoor, daar niet van, maar het voelt toch een beetje voor schut. Sta je daar. Met zo’n fietsbel. Ding ding. Hij zegt ook niet echt veel. Ik ratel hele reeksen prachtige woorden af, hij: ding ding. Nou nou. Snel verdiend, denk ik zo. Zo’n fietsbel heeft het maar makkelijk in het leven. Telkens een dingetje of twee en we hebben het weer gehad. Zelfs mijn geïrriteerde gedachten erover bevatten meer woorden. Zou de fietsbel in dingdings denken ?

Een beetje deurbel heeft het al zwaarder. Dat is vaak een ding dong. Of een dingedingdongdingdong. Soms is het een bzzzzrrrrrrrt. Die zijn heel irritant. Maar zelfs dat is nog meer werk dan een ding ding. Probeer het maar eens. Bzzzzrrrrrrrt. Ding ding. Zeg het maar eens hardop, allebei. Ja, zie je wel ? Overigens sorry als nu het hele kantoor of de volle coupé je heel gek aankijkt. Maar ik moest eventjes mijn punt duidelijk maken.

De fietsbel heeft gelukkig weinig kapsones. Dat had er nog bij moeten komen. Dat hij een privéchauffeur naar het optreden wou, of dat hij een eigen trailer wil. Dat hij per se ‘het talent’ genoemd wil worden. Met z’n ding ding. Maar dat is dus allemaal niet zo. Hij doet gewoon zijn ding ding. Hij leeft echt enkel voor dat belletje. Meer hoeft er niet te zijn. Ontroerend eigenlijk, mijn fietsbel. Ja, het is toch best een mooie.