Film

Verhaal door René van DensenLaatst zag ik een film. Het was niet de eerste film die ik zag, mocht u dat soms denken. Ik kijk best vaak films, dus zo bijzonder was het niet. En heel veel mensen kijken wel eens films. Jezus, wat een kutverhaal dit, nu al. Opnieuw.

In een film die ik laatst zag, speelt een man. Ja zie je, dit is al wat beter. Alleen die man he, daar moet je nu meteen iets mee. Want er spelen wel vaker mannen in films. Vaak zelfs meerdere mannen. Sommige films zijn zelfs één groot sausage fest. In die films gaat het vaak ook zo van piew piew kaboem. Maar soms ook niet. Hè, het gaat weer helemaal nergens heen. Weg met die man.

Nou wil ik niet eens meer over die film schrijven, eigenlijk. Maar het staat als als titel boven dit stuk. Dus eigenlijk moet ik nu wel. Stel dat ik nu over een boek zou willen schrijven, of over de mooie reflectie van de zon op een stuk zilverfolie. Kan niet meer. Is te laat. Want titel. Keuzes gemaakt. Conventie.

Komt allemaal door de lezer. Die verwacht dan meteen vanalles. Het komt door u, kortom. Een beetje druk op mij leggen. Zo ’s ochtends vroeg. René, vertel nou, over die film en over die man. Kom op, vertel, stel je niet zo aan. Vertel nouhou. Jengel jengel. Ik heb er zo helemaal geen zin meer in hoor. Bekijkt u zelf die film maar. En vertel dan zelf maar wat u van die man vond. Of doe het niet. Kan het mij schelen. Ik ga mijn koffie drinken. Zeikerds.

Postpost

Verhaal door René van DensenHij merkt niet dat de man naast hem heel stil geworden is. Zo enthousiast zit hij op te schrijven wat in zijn hoofd stormt. Zijn papier kreukt zacht onder het balpengeweld. Wilde avonturen vliegen het vel op. Hij haalt vandaag makkelijk de deadline.

De man schrijft over een familie, verscheurd door een erfenis. Zelf is de man een knipperende cursor op een scherm. Vermoeid wrijft zijn schrijfster in haar ogen. Nog minstens vier pagina’s en dan is ze klaar voor vandaag. In dit tempo is haar tweede roman in kladvorm af aan het eind van deze maand.

Een vijfkoppige redactie smijt proppen naar elkanders hoofden. Saai ! Het publiek wil niet kijken naar een schrijfster die schrijft. Wervelende belevenissen, wrange intriges en erotische plottwists, daar moeten ze mee op de proppen komen. Iemand oppert haar grote liefde uit de mottenballen te trekken. Hoon valt hem ten deel. Die acteur komt nooit meer terug. Ze hebben hem gezamenlijk het succes in geschreven en nu zit zelfs een gastrol boven het budget.

Zwetend wordt hij wakker. Wat een bizarre droom ! De kaars brandt nog; direct grijpt hij naar het perkament en zijn ganzenveer probeert zo goed mogelijk het visioen te omschrijven.

De cryptische teksten hadden hem goed gesmaakt. Maar niemand wist hoe deze intrigerende middeleeuwse toekomstvoorspeller eruit heeft gezien. Te obscuur. Ook de auteur van het beduimelde vuistbiografietje dat hij van de broer van zijn geliefde geleend had, wist het niet. Ondanks zijn uitputtende research.

Hij mocht de man een gezicht geven. Enthousiast mengde hij zijn verf. Hoewel tot ver na zijn dood iedereen dit schilderij als zijn beste werk beschouwde, werd hij er nooit rijk van.

Zijn familie wel. Honderd jaar later belandde het beeld op een koekblik van een bekend merk. Een hit. Royalty’s te over voor de nazaten. Het brak de familie uiteen. Iedereen bezweek onder het grote geld. Enkel de kleinzoon overleefde de rijkdom.

Hij vroeg zich, verlopen, in een vies café aan de bar af of er leven in de ruimte was. Toen brak zijn hart. Stil zakte hij ineen. De man naast hem, koortsachtig schrijvend, merkte niks.

Wachtwolk

Verhaal door René van DensenWás het maar een file, bij de winkel. Dan kon ik er langs, of doorheen glippen, of omheen. Maar dit is een ware wachtwolk. Het is niet vreemd: in de straat waar een bedrijf mij betaalt om mijn werk te doen, is enkele weken terug een carnavalswinkel neergestreken. In deze provincie kan dat gewoon, zo’n winkel voor enkele weken en dan weer weg. Zeker als het een carnavalswinkel is.

Ik wil naar huis, er zit nog veel te veel carnaval tussen het eind van mijn werkweek en mijn bed. Deze wachtwolk kan ik er eigenlijk niet bij hebben. Ik loop wat naar de weg toe maar zie al: eromheen is geen optie. De wachtenden staan trappelend opeengepakt. Even ga ik op mijn tenen staan om over de menigte te pogen te kijken. Zwart van het volk. Ik moet echt even wachten tot er ademruimte komt. Die is onvermijdelijk: hoewel de winkel groot is, is ook hun voorraad carnavalspakken eindig.

Een meisje dat ik niet ken vraagt mij of ik het ben. Ik kijk om, maar ze vult direct aan dat ze me herkent aan mijn baard. Direct voelt het alsof tussen mijn baardharen duizenden vlooien krioelen. Ik ehh wat en haal mijn schouders op. Ze zegt dat ze me kent van mijn facebookpagina. Ah, ben jij die ene, zeg ik. Het grapje heb ik uit een film gestolen. Ze lacht – dat ze ‘m snapt is een goed teken, dat ze de film niet kent, niet. Het is een erg goede film.

Waarom ben ik nog niet beroemd met mijn schrijfsels, zegt ze, want vragen kun je het niet noemen. Dwars pak ik het op als een vraag. Ik stel dat er aan mijn naam geen succes blijft kleven. De wachtwolk dringt langzaam door, maar ze glipt er half uit, half langs, zodat er mensen naar voren kunnen zonder dat ze echt haar plek verliest. Nogmaals dringt ze aan: hoezo leest nog steeds maar zo weinig volk mijn verhalen ?

Ik haal mijn schouders op en zeg dat mijn huidige kleren me goed bevallen. Ze snapt me niet. Ik wijs naar de carnavalswinkel en zeg dat ik me niet wil verkleden als Beroemd Man. Zo’n kostuum is toch maar voor even, zeg ik. Dan wijs ik naar mijn versleten, afgetrapte schoenen. Die gaan veel langer mee, zie je, zeg ik. Ze snapt me niet maar wordt door een vriendin terug de wachtwolk in getrokken. Even kijkt ze me nog aan, dan verdwijnt ze in de massa. Die zal nu ook wel ophouden met mijn verhalen te lezen, vermoed ik.

Uit de winkel glippen twee mensen verkleed als brave burgers. Onder hun armen dragen ze, ingepakt, wie ze echt zijn. Vanavond mogen ze weer even enkele dagen zichzelf zijn. Ze kunnen haast niet wachten.

Brengen

Verhaal door René van DensenIk staar naar de klok. Die werkt niet. Oud ding, nieuwe batterij, maar toch mooi niets. Geeft niet, ik weet hoe laat het is. Het duurt nu al meer dan een uur. Ik kan dat verdomme sneller, denk ik stilletjes. Een uur – belachelijk.

Sinds mijn oude adres ermee ophield, met brengen, ben ik op dit adres aangewezen. Ik zou natuurlijk naar mijn oude adres kunnen fietsen. Dan zit je daar, in die wachtkamer. Nummertje in je vingers, half verfrommeld. Leesmappen op tafel. Een zekere ironie, dat wel. Natuurlijk zou ik het ook zelf kunnen doen. Het is tenslotte mijn vak. Maar het is net als koken, soms heb je er gewoon geen zin in. En dan bel je gewoon even.

Alles wordt tegenwoordig thuisbezorgd. Dat was vroeger wel anders. Ik heb veel wachtkamers gezien in mijn leven, maar de laatste jaren niet zoveel meer. Met hun aquariums en decoratieve kitsch. Mis ik niks aan. Toch, dit nieuwe adres doet er echt erg lang over. Nu al een uur en een kwartier – belachelijk ! Ik ijsbeer wat door mijn woonkamer. Plots rinkelt dan toch de bel. Ik zie buiten mijn raam een knipperend remlicht. Dat zullen ze zijn.

Ongeïnteresseerd kijkende jonge kerel met een helm op en een fluovestje aan voor mijn deur. Fantasieloze witte plastic tas. Ik neem hem aan. Hij knikt goeiendag. Ik heb al betaald via internet, dus dit was de hele transactie. Hij stapt terug in zijn autootje en vroemt er vandoor. Ik sluit de deur en zet de tas op mijn tafel. Even een koffie erbij maken.

Dan eens kijken wat het zoal allemaal is. De plastic zak zit onhandig dichtgeknoopt, zoals altijd, dus ik scheur ‘m open. Dan haal ik de vellen papier eruit. Ik scan over de tekst. Het is geen goed verhaal. Iets over een bezorgservice die verhalen bij schrijvers thuisbrengt. Fantasieloos. Het moet maar. Vandaag heb ik echt zelf geen zin om iets in elkaar te prutsen.

Ik pak mes en vork en zet ze in het verhaal. Natuurlijk is het beter als je het zelf schrijft. En je kunt ook altijd nog verhaal halen. Maar voor de echt luie schrijver is dit toch een uitkomst. De vooruitgang, denk ik stilletjes, de vooruitgang. Altijd maar die vooruitgang.

Voeten

Verhaal door René van DensenZo zit ik tussen Serieuze Dichters. Enkelen van hen kennen me. Van vorige gelegenheden. Niet de organisator. Die kan ik wel beetpakken met grappen over zijn penislengte – hij heeft eerder vanavond al gegrapt over de mijne.

Ik bedenk mij dat weinig mensen weten hoe het er aan toe gaat tussen dichters. Dus bij deze. De jaren, net als bij eiken, tellen het meeste. Als je een dichter doormidden snijdt, ken je zijn waarde. Tel gewoon zijn ringen en je weet wat je aan hem hebt. Als je bovendien meerdere bomen rondom hem telt met ook meetellende ringen, dan is het een dichter van waarde.

Ik zit naast de biljarttafel. Er is geen kruk meer voor mij. Ik bekijk iedereens voeten. Ik zie de Dichters, degenen met vermoedelijk veel Ringen, ritmes tikken met hun voeten, bij de teksten van Nieuwe Mensen. Daar kun je de Veelbelovende Dichters aan herkennen.

Ik, ik ben hier enkel om te luisteren en te klappen. Daartoe ben ik uitgenodigd. Je hebt je rol in je plek en dat heb je te respecteren. Ik ben niet zo respectvol dus zit ik me te verschuilen onder de biljarttafel. Je moet ergens je bestaan definiëren. De organisator roept iets over kringetjes. En plots stopt de muziek.

Vanonder het biljart zie ik plots alle schoenen en pantoffels mijn richting op schoffelen. Ik verstop me op het midden. Maar de muziek stopt niet. Opeens wordt het biljart opgetild. Ik schrik van het licht. Ik ben ben nieuw onder de dichters. Verschrikt laat ik mijn blanke buik zien.

Even wordt er getwijfeld over mijn offer.

Literatuur of brood

Verhaal door René van DensenDe klok geeft het helder aan: er is geen tijd voor beide. Lastig. Ik moet echt kiezen: literatuur of brood. Ik heb weer enorm getreuzeld en de tijd is op. Lastig. Het wordt óf een verhaaltje schrijven, óf mijn lunch smeren. Ik zeg het tegen de poes: het wordt literatuur of brood, poes. Ik vraag haar niet wat zij zou kiezen. Mijn poes schrijft niet. Jammer, want ze heeft vast talent. Mijn poes kan alles.

Dat zet toch danig druk op beide keuzes. Als ik brood kies, dan moet het wel een lunch zijn waar ik later vandaag niet met lange tanden op zit te kauwen. Zo van: had dán gewoon een verhaal geschreven, sukkel. Ik kijk in mijn koelkast. Heb er niet eens brood uit de vriezer in gelegd. Vergeten. Dat betekent dus zelfs bevroren boterhammen smeren.

Ik kan ook later komen. Maar dat is ook zoiets. Een half uur later op je werk omdat meneer zonodig én een onzinverhaaltje moest schrijven én zijn bammetjes moest smeren. Ik zou mezelf kapot schamen. Nee, dat het kiezen wordt, dat is helder.

Ook voor het verhaal is dit nu al vervelend, want het moet wel enorm goed zijn. Ik ga immers de godganse dag hongerig op mijn werk zitten. Zonder brood. Denkend: nou, hopelijk was dit verhaal het waard. Hopelijk vinden mijn lezers er wat van. Misschien levert het zelfs wat nieuwe lezers op.

Ik bedoel, ik kan moeilijk nu een verhaal gaan schrijven over treuzelen en twijfelen tussen literatuur en brood. Het moet wel iets beters zijn dan dat. Laat staan dat ik het mag laten eindigen op een of andere loze vraag. Toch ?

Cursor

Verhaal door René van DensenWederom heb ik maar een beperkt tijdsraam. En weer staat hij opjutterig te knipperen. Stomme cursor. De cursor heeft honger en wil woorden gevoed worden. Ik heb geen woorden voor de cursor. Ik heb amper woorden voor mezelf. Maar dat kan de cursor niets schelen.

De cursor knippert langs mijn benen en streelt mijn enkels. Vleiend maar dringerig. Ik geef normaal de cursor nu zijn woorden. Maar vandaag blijkbaar niet. Dat zint de cursor helemaal niets. Er moeten zekerheden in het leven overblijven. Anders kun je cursorknipperen wat je wil, maar is alles voor niets.

De cursor stoot een klagerig geluid uit. Ik haal mijn schouders op en kijk hopeloos. Ik kan het niet helpen, cursor. Dat zeg ik de cursor. Ik heb niets voor je. De cursor knippert kwaad en fel. Ik heb de cursor ontstemd.

Glossy

Verhaal door René van DensenKortgeleden plaatste ik een column in een glossy. De glossy wou graag een column en ik zeg niet makkelijk nee. De glossy is heel glossy en de foto’s die erin staan heel mooi. Dus uiteraard was er geen budget voor mijn column. Rond de tijd van het schrijven at ik gras, uit de weide, omdat ik zelfs op brood wou besparen.

Mijn column was rauwe kost. Met modder, en drankwasem. Met klei en kater. Mijn teksten bevatten of een kater, of een knuffel. Veel anders kan ik niet schrijven. De glossy moest even wennen aan de column. Eind zomer ontmoetten de glossy en mijn column elkaar. Naar het schijnt is de glossy daarna een tijd aan de zwerf gegaan. Zichzelf ontdekken.

Zo verbleef de glossy een tijd in een tibetaans klooster. Meemormelen met de monniken in diepe meditatie. Hummummummummommommom en zo. De glossy trok verder door Azië en reisde de wereld rond. Overal kwam de glossy klei tegen. Nooit eerder had de glossy door gehad hoeveel klei er was.

Inmiddels is de glossy in reine met zichzelf. De glossy is niet vies meer van modder. Sommigen vinden dat de glossy iets minder glossy is geworden, maar dat ben ik niet met ze eens. De glossy straalt als nooit tevoren. Als de kapotgevroren wangen van een doorweerde agrariër, die, leunend op zijn riek, even van de zonsondergang geniet, en dan inschat wat voor weer het morgen wordt.

Heidens volksfeest

Verhaal door René van DensenWat me echt machtig mooi lijkt: dat ik wakker word, en plotseling ben ik een heidense feestdag. Op de kalender staat het: René van Densen. Iedereen heeft vrij met René van Densen, uiteraard.

Families én vrijgezellen vieren onderling of alleen lekker de hele dag René van Densen. Iedereen wenst elkaar een fijne René van Densen. Een vrolijke René van Densen, daar doen we niet aan. Ook zijn er geen vrolijke René van Densenliedjes op de radio de godganse dag. Men wordt vanzelf vrolijk van René van Densen. Daar is geen muziek voor nodig.

Natuurlijk zijn er cadeaus op René van Densen. Wel het liefst films of boeken. Het is een verheffend heidens volksfeest. Je moet er een beetje wijzer van worden, van het René van Densenfeest. Of een beetje minder wijs, dat mag evengoed. Een hilarisch boek mag natuurlijk ook. Ik heb immers, al zeg ik het zelf, ook de nodige hilarische boeken gemaakt. Dus we blijven wel een beetje in thema op René van Densen.

Kindjes vragen elkaar op straat wat ze hebben gekregen van René van Densen. De een heeft een nieuwe film gekregen. “Wel geen blu-ray.” De ander heeft een boek gekregen. “Wel geen Dautzenberg.” Één kindje kijkt bedroefd en zwijgt. De rest pikt het op. Kinderen zijn extreem scherp op elkaar.

Ze dringen aan, wat het jochie voor René van Densen heeft gekregen. Hij zwijgt, maar wanneer ze hem stompen, zegt hij: “Niets.” Bij het jongetje thuis doen ze niet aan René van Densen. “Vanwege mijn geloof vieren we geen René van Densen,” zegt het jongetje. De kindjes vragen wat zijn geloof is. “Scepticisme,” antwoordt het jongetje droevig. Het heeft al zo veel voor hem verpest.

Vluchten

Verhaal door René van DensenDoor mijn vingers kijk ik toe, vanaf de bar. Wat verschrikkelijk: ook déze act is bizar goed. Ik voel paniek. De ene na de andere performance is geweldig en ik moet helemaal op het eind nog. Waarom zeg ik altijd ja op deze dingen ? Ik giet mijn biertje in mijn keel en wil weg, weg.

De bus naar huis rijdt niet meer. Dus dat is alvast niet handig. Ik wenk de barman om me nog maar een biertje te geven. De trein, dat zou nog kunnen. De trein naar die andere stad, dan toch. Naar mijn eigenlijke thuis. Maar bovenal: weg hier, wég. Een volgende dichter treedt op en ik luister. En jawel hoor: ook alweer goed. Godverdomme.

Ik glip het café uit. Zogenaamd omdat ik moet plassen – het toilet is tijdens de optredens niet beschikbaar (het zit achter het podium, je verzint dit niet). Er staan kindjes buiten iets met papiertjes en stiften te doen en ze roepen ‘meneer, meneer’ naar me en willen me een briefje geven. Ik zeg dat ik zo terug kom. Haastig vlucht ik een zijweggetje in.

Toevallig moet ik ook echt plassen, dus ik zoek een schaduwrijk plekje op. Maar ik overweeg serieus om te vluchten. Mijn set is niet goed genoeg. En bij mijn openingsgedicht zal ik keihard op mijn bek gaan. Fuk dit. Ik treed verdomme nooit meer op. Ik druppelschud en rits daarna mijn broek dicht. Ja hoor. Nadruppels. Ook dat nog.

Sta ik daar zometeen met mijn kutgedichten in de hand en natte plekken in mijn broek, denk ik verbolgen terwijl ik terugloop. Plichtsbesef doet me terugkeren, maar ik wil oprecht vluchten. Dit is oneerlijk, zoveel talent achter elkaar. Ik haat de organisator een beetje. Nooit meer, mompel ik, nooit meer.

Als ik het café terug wil binnenlopen, krijg ik een briefje van één van de kinderen in mijn hand gestopt. Oh ja, die briefjes, denk ik. Wat is daar ook alweer mee ? Verwonderd lees ik wat er op de mijne staat. Een grote smiley. En de tekst: “Veel gelek”.