Dit is wat mensen vrezen als je over poëzie begint


Verhaal door René van DensenIk vroeg me nog af waarom een van de aanwezigen begon te lachen. Hij werd echt histerisch en klemde zijn hand over de mond. Ik keek zelfs nog even of de voordrager misschien per ongeluk een stijve had of zo. Maar er was oppervlakkig niks hilarisch te ontwaren.

En toen luisterde ik toch maar eens naar de tekst. Het viel niet mee. De man murmelde. Het hielp niet dat hij ook de uitstraling had van… Ik kan geen politiek correct woord bedenken. Hij piepte, laat het ons daarop houden. Hij piepte woorden over dood en moord en schuld en gruwel en een mensonterende mensheid en zo al meer. Het duurde láng. Een pastoor was eerder klaar geweest met het opsommen van onze zonden.

Ik kon er niet mee lachen. Maar door de, inmiddels door de aanstichter aangestoken, anderen die lachten, kwam er bij mij ook een ongelovige grinnik los. En bij elk gepreekt woord werd het ongelovige gegrinnik erger. Tot we helemaal dubbel lagen. De lachers vluchtten naar buiten. De niet-lachers bleven jaloers achter en ondergingen de rest van de marteling.

Giechelend zei ik bij het aansteken van mijn sigaret: Dit is wat mensen vrezen als je over poëzie begint.

Lippen


Verhaal door René van Densen“Dat er met lachende meisjes niks mis is, is ook zo’n uitspraak van likmevestje. Sowieso is de aanname al fout, want bij lachende meisjes denkt iedereen aan sprankelende, sexy jonge dames in luchtige, zomerse kleding. Terwijl een lachend misbaksel soms ook heus wel wat heeft. Zo, ik heb uw aandacht.”

Die letters, in deze specifieke volgorde, staan in het invulveld. Ik herlees ze. Branie, denk ik. Beetje stoer lopen doen. Ambigue gebrabbel. Je hebt dit toch niet nodig jongen, denk ik dan. Ik lees het nog eens. Een beetje tegen de haren instrijken van de mensen. Vraag dan gewoon metéén: geef me je woede.

Deze twee alinea’s staan in mijn zakboekje. Trucjes, doorzichtige trucjes, denk ik katerig. Effectbejag en pronkveren. Wiens aandacht probeer ik eigenlijk te trekken ? Mijn kat springt op schoot. Het is zonniggrauw weer buiten. Ik moet ergens heen, maar misschien ook niet. Eigenlijk zijn alle dagen inmiddels zo. En dan nog noteer ik zulke dingen in mijn zakboekje. Walgelijk. Je bent walgelijk bezig jongen, prevel ik. Mijn kat kijkt me vragend aan of ik het tegen haar heb.

Zwetend word ik wakker. Heb ik verdomme alweer proza gedroomd. Ik veeg mijn lippen af. Ergens in de wereld moeten er nu lachende meisjes zijn.

Snelheid


Verhaal door René van DensenIk antwoord eerst dat het er natuurlijk niet toe doet, want dat moet je zeggen. Maar toch dringt ze aan en herhaalt de vraag: hoe snel schrijf ik nu zo’n dagelijks verhaaltje. Ik voel me ongemakkelijk want de snelheid zegt niet veel. Als ik er een uur of een halve dag op zou zitten, zou er gewoon meer geschrapt, hergeschreven of toegevoegd worden. Ik pulk wat aan mijn nagels en zij kijkt me scherp aan – ik voel haar ogen branden.

Dus schraap ik mijn keel wat, probeer het onderwerp te veranderen, de hele kansloze dans. Ik neem zelfs de wanstaltige constructie “ja, weet je” in de mond, om vervolgens weer te zwijgen. Maar drammerig zet ze door. Ik haal mijn schouders op en lieg dat ik er een uur voor zit, ’s ochtends. Ze is onder de indruk maar voelt zich gesterkt: zelf kan ze geen uur missen op haar dag, dus dat bevestigt haar bewering dat ze de tijd gewoonweg niet heeft om ook te schrijven. Ik laat het maar zo.

De volgende ochtend kijk ik voor en na een verhaaltje naar de klok. Ik gaap, krab wat op mijn achterhoofd. Het is zelfs nog korter dan ik vermoedde. Ik loop naar het raam en staar naar buiten. Nog ruim voldoende tijd om dat te doen. Het verhaal is immers al af. Voor vandaag tenminste. Even kijk ik over mijn schouder om: die van morgen ook maar vast doen dan ?

Film


Verhaal door René van DensenLaatst zag ik een film. Het was niet de eerste film die ik zag, mocht u dat soms denken. Ik kijk best vaak films, dus zo bijzonder was het niet. En heel veel mensen kijken wel eens films. Jezus, wat een kutverhaal dit, nu al. Opnieuw.

In een film die ik laatst zag, speelt een man. Ja zie je, dit is al wat beter. Alleen die man he, daar moet je nu meteen iets mee. Want er spelen wel vaker mannen in films. Vaak zelfs meerdere mannen. Sommige films zijn zelfs één groot sausage fest. In die films gaat het vaak ook zo van piew piew kaboem. Maar soms ook niet. Hè, het gaat weer helemaal nergens heen. Weg met die man.

Nou wil ik niet eens meer over die film schrijven, eigenlijk. Maar het staat als als titel boven dit stuk. Dus eigenlijk moet ik nu wel. Stel dat ik nu over een boek zou willen schrijven, of over de mooie reflectie van de zon op een stuk zilverfolie. Kan niet meer. Is te laat. Want titel. Keuzes gemaakt. Conventie.

Komt allemaal door de lezer. Die verwacht dan meteen vanalles. Het komt door u, kortom. Een beetje druk op mij leggen. Zo ’s ochtends vroeg. René, vertel nou, over die film en over die man. Kom op, vertel, stel je niet zo aan. Vertel nouhou. Jengel jengel. Ik heb er zo helemaal geen zin meer in hoor. Bekijkt u zelf die film maar. En vertel dan zelf maar wat u van die man vond. Of doe het niet. Kan het mij schelen. Ik ga mijn koffie drinken. Zeikerds.

Postpost


Verhaal door René van DensenHij merkt niet dat de man naast hem heel stil geworden is. Zo enthousiast zit hij op te schrijven wat in zijn hoofd stormt. Zijn papier kreukt zacht onder het balpengeweld. Wilde avonturen vliegen het vel op. Hij haalt vandaag makkelijk de deadline.

De man schrijft over een familie, verscheurd door een erfenis. Zelf is de man een knipperende cursor op een scherm. Vermoeid wrijft zijn schrijfster in haar ogen. Nog minstens vier pagina’s en dan is ze klaar voor vandaag. In dit tempo is haar tweede roman in kladvorm af aan het eind van deze maand.

Een vijfkoppige redactie smijt proppen naar elkanders hoofden. Saai ! Het publiek wil niet kijken naar een schrijfster die schrijft. Wervelende belevenissen, wrange intriges en erotische plottwists, daar moeten ze mee op de proppen komen. Iemand oppert haar grote liefde uit de mottenballen te trekken. Hoon valt hem ten deel. Die acteur komt nooit meer terug. Ze hebben hem gezamenlijk het succes in geschreven en nu zit zelfs een gastrol boven het budget.

Zwetend wordt hij wakker. Wat een bizarre droom ! De kaars brandt nog; direct grijpt hij naar het perkament en zijn ganzenveer probeert zo goed mogelijk het visioen te omschrijven.

De cryptische teksten hadden hem goed gesmaakt. Maar niemand wist hoe deze intrigerende middeleeuwse toekomstvoorspeller eruit heeft gezien. Te obscuur. Ook de auteur van het beduimelde vuistbiografietje dat hij van de broer van zijn geliefde geleend had, wist het niet. Ondanks zijn uitputtende research.

Hij mocht de man een gezicht geven. Enthousiast mengde hij zijn verf. Hoewel tot ver na zijn dood iedereen dit schilderij als zijn beste werk beschouwde, werd hij er nooit rijk van.

Zijn familie wel. Honderd jaar later belandde het beeld op een koekblik van een bekend merk. Een hit. Royalty’s te over voor de nazaten. Het brak de familie uiteen. Iedereen bezweek onder het grote geld. Enkel de kleinzoon overleefde de rijkdom.

Hij vroeg zich, verlopen, in een vies café aan de bar af of er leven in de ruimte was. Toen brak zijn hart. Stil zakte hij ineen. De man naast hem, koortsachtig schrijvend, merkte niks.

Wachtwolk


Verhaal door René van DensenWás het maar een file, bij de winkel. Dan kon ik er langs, of doorheen glippen, of omheen. Maar dit is een ware wachtwolk. Het is niet vreemd: in de straat waar een bedrijf mij betaalt om mijn werk te doen, is enkele weken terug een carnavalswinkel neergestreken. In deze provincie kan dat gewoon, zo’n winkel voor enkele weken en dan weer weg. Zeker als het een carnavalswinkel is.

Ik wil naar huis, er zit nog veel te veel carnaval tussen het eind van mijn werkweek en mijn bed. Deze wachtwolk kan ik er eigenlijk niet bij hebben. Ik loop wat naar de weg toe maar zie al: eromheen is geen optie. De wachtenden staan trappelend opeengepakt. Even ga ik op mijn tenen staan om over de menigte te pogen te kijken. Zwart van het volk. Ik moet echt even wachten tot er ademruimte komt. Die is onvermijdelijk: hoewel de winkel groot is, is ook hun voorraad carnavalspakken eindig.

Een meisje dat ik niet ken vraagt mij of ik het ben. Ik kijk om, maar ze vult direct aan dat ze me herkent aan mijn baard. Direct voelt het alsof tussen mijn baardharen duizenden vlooien krioelen. Ik ehh wat en haal mijn schouders op. Ze zegt dat ze me kent van mijn facebookpagina. Ah, ben jij die ene, zeg ik. Het grapje heb ik uit een film gestolen. Ze lacht – dat ze ‘m snapt is een goed teken, dat ze de film niet kent, niet. Het is een erg goede film.

Waarom ben ik nog niet beroemd met mijn schrijfsels, zegt ze, want vragen kun je het niet noemen. Dwars pak ik het op als een vraag. Ik stel dat er aan mijn naam geen succes blijft kleven. De wachtwolk dringt langzaam door, maar ze glipt er half uit, half langs, zodat er mensen naar voren kunnen zonder dat ze echt haar plek verliest. Nogmaals dringt ze aan: hoezo leest nog steeds maar zo weinig volk mijn verhalen ?

Ik haal mijn schouders op en zeg dat mijn huidige kleren me goed bevallen. Ze snapt me niet. Ik wijs naar de carnavalswinkel en zeg dat ik me niet wil verkleden als Beroemd Man. Zo’n kostuum is toch maar voor even, zeg ik. Dan wijs ik naar mijn versleten, afgetrapte schoenen. Die gaan veel langer mee, zie je, zeg ik. Ze snapt me niet maar wordt door een vriendin terug de wachtwolk in getrokken. Even kijkt ze me nog aan, dan verdwijnt ze in de massa. Die zal nu ook wel ophouden met mijn verhalen te lezen, vermoed ik.

Uit de winkel glippen twee mensen verkleed als brave burgers. Onder hun armen dragen ze, ingepakt, wie ze echt zijn. Vanavond mogen ze weer even enkele dagen zichzelf zijn. Ze kunnen haast niet wachten.

Brengen


Verhaal door René van DensenIk staar naar de klok. Die werkt niet. Oud ding, nieuwe batterij, maar toch mooi niets. Geeft niet, ik weet hoe laat het is. Het duurt nu al meer dan een uur. Ik kan dat verdomme sneller, denk ik stilletjes. Een uur – belachelijk.

Sinds mijn oude adres ermee ophield, met brengen, ben ik op dit adres aangewezen. Ik zou natuurlijk naar mijn oude adres kunnen fietsen. Dan zit je daar, in die wachtkamer. Nummertje in je vingers, half verfrommeld. Leesmappen op tafel. Een zekere ironie, dat wel. Natuurlijk zou ik het ook zelf kunnen doen. Het is tenslotte mijn vak. Maar het is net als koken, soms heb je er gewoon geen zin in. En dan bel je gewoon even.

Alles wordt tegenwoordig thuisbezorgd. Dat was vroeger wel anders. Ik heb veel wachtkamers gezien in mijn leven, maar de laatste jaren niet zoveel meer. Met hun aquariums en decoratieve kitsch. Mis ik niks aan. Toch, dit nieuwe adres doet er echt erg lang over. Nu al een uur en een kwartier – belachelijk ! Ik ijsbeer wat door mijn woonkamer. Plots rinkelt dan toch de bel. Ik zie buiten mijn raam een knipperend remlicht. Dat zullen ze zijn.

Ongeïnteresseerd kijkende jonge kerel met een helm op en een fluovestje aan voor mijn deur. Fantasieloze witte plastic tas. Ik neem hem aan. Hij knikt goeiendag. Ik heb al betaald via internet, dus dit was de hele transactie. Hij stapt terug in zijn autootje en vroemt er vandoor. Ik sluit de deur en zet de tas op mijn tafel. Even een koffie erbij maken.

Dan eens kijken wat het zoal allemaal is. De plastic zak zit onhandig dichtgeknoopt, zoals altijd, dus ik scheur ‘m open. Dan haal ik de vellen papier eruit. Ik scan over de tekst. Het is geen goed verhaal. Iets over een bezorgservice die verhalen bij schrijvers thuisbrengt. Fantasieloos. Het moet maar. Vandaag heb ik echt zelf geen zin om iets in elkaar te prutsen.

Ik pak mes en vork en zet ze in het verhaal. Natuurlijk is het beter als je het zelf schrijft. En je kunt ook altijd nog verhaal halen. Maar voor de echt luie schrijver is dit toch een uitkomst. De vooruitgang, denk ik stilletjes, de vooruitgang. Altijd maar die vooruitgang.

Voeten


Verhaal door René van DensenZo zit ik tussen Serieuze Dichters. Enkelen van hen kennen me. Van vorige gelegenheden. Niet de organisator. Die kan ik wel beetpakken met grappen over zijn penislengte – hij heeft eerder vanavond al gegrapt over de mijne.

Ik bedenk mij dat weinig mensen weten hoe het er aan toe gaat tussen dichters. Dus bij deze. De jaren, net als bij eiken, tellen het meeste. Als je een dichter doormidden snijdt, ken je zijn waarde. Tel gewoon zijn ringen en je weet wat je aan hem hebt. Als je bovendien meerdere bomen rondom hem telt met ook meetellende ringen, dan is het een dichter van waarde.

Ik zit naast de biljarttafel. Er is geen kruk meer voor mij. Ik bekijk iedereens voeten. Ik zie de Dichters, degenen met vermoedelijk veel Ringen, ritmes tikken met hun voeten, bij de teksten van Nieuwe Mensen. Daar kun je de Veelbelovende Dichters aan herkennen.

Ik, ik ben hier enkel om te luisteren en te klappen. Daartoe ben ik uitgenodigd. Je hebt je rol in je plek en dat heb je te respecteren. Ik ben niet zo respectvol dus zit ik me te verschuilen onder de biljarttafel. Je moet ergens je bestaan definiëren. De organisator roept iets over kringetjes. En plots stopt de muziek.

Vanonder het biljart zie ik plots alle schoenen en pantoffels mijn richting op schoffelen. Ik verstop me op het midden. Maar de muziek stopt niet. Opeens wordt het biljart opgetild. Ik schrik van het licht. Ik ben ben nieuw onder de dichters. Verschrikt laat ik mijn blanke buik zien.

Even wordt er getwijfeld over mijn offer.

Literatuur of brood


Verhaal door René van DensenDe klok geeft het helder aan: er is geen tijd voor beide. Lastig. Ik moet echt kiezen: literatuur of brood. Ik heb weer enorm getreuzeld en de tijd is op. Lastig. Het wordt óf een verhaaltje schrijven, óf mijn lunch smeren. Ik zeg het tegen de poes: het wordt literatuur of brood, poes. Ik vraag haar niet wat zij zou kiezen. Mijn poes schrijft niet. Jammer, want ze heeft vast talent. Mijn poes kan alles.

Dat zet toch danig druk op beide keuzes. Als ik brood kies, dan moet het wel een lunch zijn waar ik later vandaag niet met lange tanden op zit te kauwen. Zo van: had dán gewoon een verhaal geschreven, sukkel. Ik kijk in mijn koelkast. Heb er niet eens brood uit de vriezer in gelegd. Vergeten. Dat betekent dus zelfs bevroren boterhammen smeren.

Ik kan ook later komen. Maar dat is ook zoiets. Een half uur later op je werk omdat meneer zonodig én een onzinverhaaltje moest schrijven én zijn bammetjes moest smeren. Ik zou mezelf kapot schamen. Nee, dat het kiezen wordt, dat is helder.

Ook voor het verhaal is dit nu al vervelend, want het moet wel enorm goed zijn. Ik ga immers de godganse dag hongerig op mijn werk zitten. Zonder brood. Denkend: nou, hopelijk was dit verhaal het waard. Hopelijk vinden mijn lezers er wat van. Misschien levert het zelfs wat nieuwe lezers op.

Ik bedoel, ik kan moeilijk nu een verhaal gaan schrijven over treuzelen en twijfelen tussen literatuur en brood. Het moet wel iets beters zijn dan dat. Laat staan dat ik het mag laten eindigen op een of andere loze vraag. Toch ?

Cursor


Verhaal door René van DensenWederom heb ik maar een beperkt tijdsraam. En weer staat hij opjutterig te knipperen. Stomme cursor. De cursor heeft honger en wil woorden gevoed worden. Ik heb geen woorden voor de cursor. Ik heb amper woorden voor mezelf. Maar dat kan de cursor niets schelen.

De cursor knippert langs mijn benen en streelt mijn enkels. Vleiend maar dringerig. Ik geef normaal de cursor nu zijn woorden. Maar vandaag blijkbaar niet. Dat zint de cursor helemaal niets. Er moeten zekerheden in het leven overblijven. Anders kun je cursorknipperen wat je wil, maar is alles voor niets.

De cursor stoot een klagerig geluid uit. Ik haal mijn schouders op en kijk hopeloos. Ik kan het niet helpen, cursor. Dat zeg ik de cursor. Ik heb niets voor je. De cursor knippert kwaad en fel. Ik heb de cursor ontstemd.