Glossy


Verhaal door René van DensenKortgeleden plaatste ik een column in een glossy. De glossy wou graag een column en ik zeg niet makkelijk nee. De glossy is heel glossy en de foto’s die erin staan heel mooi. Dus uiteraard was er geen budget voor mijn column. Rond de tijd van het schrijven at ik gras, uit de weide, omdat ik zelfs op brood wou besparen.

Mijn column was rauwe kost. Met modder, en drankwasem. Met klei en kater. Mijn teksten bevatten of een kater, of een knuffel. Veel anders kan ik niet schrijven. De glossy moest even wennen aan de column. Eind zomer ontmoetten de glossy en mijn column elkaar. Naar het schijnt is de glossy daarna een tijd aan de zwerf gegaan. Zichzelf ontdekken.

Zo verbleef de glossy een tijd in een tibetaans klooster. Meemormelen met de monniken in diepe meditatie. Hummummummummommommom en zo. De glossy trok verder door Azië en reisde de wereld rond. Overal kwam de glossy klei tegen. Nooit eerder had de glossy door gehad hoeveel klei er was.

Inmiddels is de glossy in reine met zichzelf. De glossy is niet vies meer van modder. Sommigen vinden dat de glossy iets minder glossy is geworden, maar dat ben ik niet met ze eens. De glossy straalt als nooit tevoren. Als de kapotgevroren wangen van een doorweerde agrariër, die, leunend op zijn riek, even van de zonsondergang geniet, en dan inschat wat voor weer het morgen wordt.

Heidens volksfeest


Verhaal door René van DensenWat me echt machtig mooi lijkt: dat ik wakker word, en plotseling ben ik een heidense feestdag. Op de kalender staat het: René van Densen. Iedereen heeft vrij met René van Densen, uiteraard.

Families én vrijgezellen vieren onderling of alleen lekker de hele dag René van Densen. Iedereen wenst elkaar een fijne René van Densen. Een vrolijke René van Densen, daar doen we niet aan. Ook zijn er geen vrolijke René van Densenliedjes op de radio de godganse dag. Men wordt vanzelf vrolijk van René van Densen. Daar is geen muziek voor nodig.

Natuurlijk zijn er cadeaus op René van Densen. Wel het liefst films of boeken. Het is een verheffend heidens volksfeest. Je moet er een beetje wijzer van worden, van het René van Densenfeest. Of een beetje minder wijs, dat mag evengoed. Een hilarisch boek mag natuurlijk ook. Ik heb immers, al zeg ik het zelf, ook de nodige hilarische boeken gemaakt. Dus we blijven wel een beetje in thema op René van Densen.

Kindjes vragen elkaar op straat wat ze hebben gekregen van René van Densen. De een heeft een nieuwe film gekregen. “Wel geen blu-ray.” De ander heeft een boek gekregen. “Wel geen Dautzenberg.” Één kindje kijkt bedroefd en zwijgt. De rest pikt het op. Kinderen zijn extreem scherp op elkaar.

Ze dringen aan, wat het jochie voor René van Densen heeft gekregen. Hij zwijgt, maar wanneer ze hem stompen, zegt hij: “Niets.” Bij het jongetje thuis doen ze niet aan René van Densen. “Vanwege mijn geloof vieren we geen René van Densen,” zegt het jongetje. De kindjes vragen wat zijn geloof is. “Scepticisme,” antwoordt het jongetje droevig. Het heeft al zo veel voor hem verpest.

Vluchten


Verhaal door René van DensenDoor mijn vingers kijk ik toe, vanaf de bar. Wat verschrikkelijk: ook déze act is bizar goed. Ik voel paniek. De ene na de andere performance is geweldig en ik moet helemaal op het eind nog. Waarom zeg ik altijd ja op deze dingen ? Ik giet mijn biertje in mijn keel en wil weg, weg.

De bus naar huis rijdt niet meer. Dus dat is alvast niet handig. Ik wenk de barman om me nog maar een biertje te geven. De trein, dat zou nog kunnen. De trein naar die andere stad, dan toch. Naar mijn eigenlijke thuis. Maar bovenal: weg hier, wég. Een volgende dichter treedt op en ik luister. En jawel hoor: ook alweer goed. Godverdomme.

Ik glip het café uit. Zogenaamd omdat ik moet plassen – het toilet is tijdens de optredens niet beschikbaar (het zit achter het podium, je verzint dit niet). Er staan kindjes buiten iets met papiertjes en stiften te doen en ze roepen ‘meneer, meneer’ naar me en willen me een briefje geven. Ik zeg dat ik zo terug kom. Haastig vlucht ik een zijweggetje in.

Toevallig moet ik ook echt plassen, dus ik zoek een schaduwrijk plekje op. Maar ik overweeg serieus om te vluchten. Mijn set is niet goed genoeg. En bij mijn openingsgedicht zal ik keihard op mijn bek gaan. Fuk dit. Ik treed verdomme nooit meer op. Ik druppelschud en rits daarna mijn broek dicht. Ja hoor. Nadruppels. Ook dat nog.

Sta ik daar zometeen met mijn kutgedichten in de hand en natte plekken in mijn broek, denk ik verbolgen terwijl ik terugloop. Plichtsbesef doet me terugkeren, maar ik wil oprecht vluchten. Dit is oneerlijk, zoveel talent achter elkaar. Ik haat de organisator een beetje. Nooit meer, mompel ik, nooit meer.

Als ik het café terug wil binnenlopen, krijg ik een briefje van één van de kinderen in mijn hand gestopt. Oh ja, die briefjes, denk ik. Wat is daar ook alweer mee ? Verwonderd lees ik wat er op de mijne staat. Een grote smiley. En de tekst: “Veel gelek”.

Antikraak


Verhaal door René van DensenDe ene dag krioelt mijn kop van de ideeën. Maar natuurlijk heb je ook de ochtenden dat het beeldscherm mij afwachtend aanstaart. Zeg maar gerust: de andere dag. Een reusachtige lege boel is het dan in mijn hoofd. Je zou er een knikker in kunnen werpen en genieten van het resonerende rollen. Af en toe met je hoofd schudden en daar gaan we weer.

Omdat de leegstand nu al een tijdje aanhoudt, besluit ik in te grijpen. Het laatste wat je wil is dat er subversieve of verwerpelijke ideeën in je kop gaan huizen. Iedereen heeft uiteraard het liefst echt zijn éigen gedachten, maar als die uitblijven, moet je je toch zeker beschermen. Dus kraak ik de hersenen over hoe ik er een tijdje wat ideeën anti-kraak in krijg.

Onvermijdelijk krijg je dan eerst andermans ideeën over de vloer. Ze kijken wat rond, snuffelen aan de verschillende rotte plekjes en betasten de barstjes. ’t Is niet veel soeps hier he, zeggen ze dan. Ik doe mijn best niet kwaad te worden. Het is verdomme wel mijn kop. Maar ik heb ideeën nodig. Dus ik laat ze kloppen tegen mijn schedel en met hun nagel krabben aan loszittende schilfers. Geduldig vraag ik of ze koffie willen. Ze halen hun neus op voor mijn kop en mijn koffie. Nee, dank u, we moeten weer verder.

Uiteindelijk heb ik nu een aantal erg brave ideeën in mijn kop. Ze betalen op tijd en ze gedragen zich keurig. Maar man man, er zit geen leven in hoor. Ik vind het maar niks. Ze zijn zo stil. Zo kalm. Soms moet je ze even porren, om te zien of ze niet dood zijn. Als ze doodgaan, neem ik gewoon weer een aantal gekke ideeën in mijn bol. Daar is hij voor gemaakt. Maar goed, eerst maar zien hoe het met die brave ideeën afloopt.

Baksteen


Verhaal door René van DensenIk zit tegenover een ijverig schrijver. Zelf heb ik vooral zin in bier, maar de ijverig schrijver wil praten over zijn boek. Natuurlijk wil hij praten over zijn boek: het is net verschenen. Echt net. Eerder deze week. De schrijver laat trots zijn boek zien. We zijn in een café: normaal de plek waar je niet je kinderen komt tonen, maar je geesteskind is natuurlijk wel toegestaan.

Ik mag niet klagen want ik kom zelf ook altijd met dingen naar dit café. Dan weer een boekje, dan weer een petje. Mijn vrienden zijn al helemaal armgekocht. Daardoor incasseert mijn schrijversvriend maar een beetje geld. Iedereen is geroofd door mij. Schrijvers onderling, en zeker van terrasverkoopniveau, zouden kavels met elkander moeten afspreken, schiet het door mijn kop.

Mijn vriend heeft een enorm boek volgeschreven. Het weegt ruim een kilo. Het is zo groot als een baksteen. Mogelijk zelfs twee. Ik weet niet hoe groot een baksteen is: ik ben geen metselaar. Ik schrijf boekjes vol. Net als mijn vriend. Hij zegt dat dit pas de eerste baksteen is.

Mijn schrijversvriend fantaseert dat hij de ene baksteenbundel na de andere vol kan schrijven. Moeiteloos. Hoe dikker hoe liever. En als ik dan gedichten aan hem lever, vult hij aan, omdat ik die zo makkelijk schrijf, voegt hij toe, dan hè, laat hij even in het ongewisse terwijl hij een enthousiaste slok van zijn bier neemt, dan vermaalt hij die tot pulp. Zeker je twééde bundel, zegt hij kirrend. Dit grapje is voor de kenners.

En die pulp, zo ziet hij het voor zich, die maak ik tot cement. En zo mets ik een huis van literatuur en vermalen poëzie. Dankzij jouw en mijn oeuvre zal daar een prachtige vrouw kunnen wonen, beweert mijn schrijversvriend. Ik versier haar wel, roept hij stellig. En jij, met je kat, kunt er ook wonen. Maar alleen als we flink doorschrijven. Jij het cement, en ik de baksteen.

Mijn schrijversvriend kijkt me verbaasd aan: ik ben nog steeds niet aan het schrijven. Zijn idee is nochtans al twee minuten oud.

Brief aan een organisator (slot)


turnhout-sprekende-ezelsHoi Wim,

noot: Wim’s naam en de plaatsnaam nog veranderen voor publicatie
Ik zal eerlijk zijn: ik heb koudwatervrees gekregen over dat poëzie- en muziekavondje van je. Hoe je beschreef dat het ‘braaf publiek’ zou zijn, beangstigt me. Brave mensen zijn griezelige mensen. Ze zijn tot de gruwelijkste dingen in staat, Wim.

Brave mensen zijn bang van wat ze niet begrijpen. En brave mensen begrijpen niet veel. In hun angst maken brave mensen enorm gekke sprongen. Ik ben gewend op te treden voor bendes apen. Die meestal nog dronken zijn, ook. En waar je dus melige onzin voor kunt voordragen. Terwijl je bier over je papier morst. Zoiets verwachtte ik dus ook. Een groezelig bruin café met joelende dronken apen.

Nu wil ik niet ondankbaar overkomen, Wim. Je bent niets dan hoffelijk en vriendelijk tegen me geweest. En je zou zelfs voor me koken ! Vind nog maar eens zo’n organisator. Ik keek daar met name naar uit. Je lijkt me een fijnproever, dus ik likkebaarde al bij voorbaat.

Maar toch kom ik maar niet, aanstaande zaterdag. Dat brave publiek, dat doet het hem. Ik durf niet meer. En ook dat Turnhout, godbetert. Dat is vijftig minuten in de bus ! Een wereldreis !! Ik wil gewoon lekker met een biertje op de bank zitten en naar een domme film kijken. Fuck die poëzie. En fuck dat Turnhout. Ga daar een beetje op mijn vrije avond naar dat morsige hol van Pluto afreizen. Dank je de koekoek.

Maar niet gevreesd: ik heb mijn set reeds geschreven en stuur een stand-in. Een jonge acteur die ik wel vaker in mijn plaats op pad stuur. Het publiek kent mij toch nog niet, dus geen haan die er naar zal kraaien. Hij kent mijn leesstijl en schijnt die perfect te imiteren.

Hij is iets korter dan ik. En hij heeft een kunstgebit. Brommer ongelukje een paar jaar terug. Maar dat kun je van buiten niet zien. Al lispelt hij wel een beetje. En hij is een tikje donderder van huidskleur dan ik. Dat is niet moeilijk, want ik ben het hele jaar albinowit. En hij heeft een wat voller buikje. Maar, wederom: het publiek kent me toch niet, dus niemand die door zal hebben dat ik dat niet ben. Behalve jij natuurlijk, Wim. In heel dat Turnhout zal jij de enige zijn die het weet. Dat ik dat niet ben. De rest van Turnhout zal niets door hebben. Daarom waarschuw ik je alvast. Dat je niet denkt, huh, wat krijgen we nou, waar is René ?

Ik zal hem ook dat pakje wit poeder meegeven, dat hier nog ligt. Hij is te vertrouwen. Ik sta voor hem in.

Groetjes,

je René

Brief aan een organisator (5)


Dat is nou jammerBeste WimEngelbert-Justus,

Ik waardeer hoezeer je met me meedenkt. Nee, de tijden zijn niet makkelijk geweest. Inderdaad. Ik bijt al een tijdje op allerlei houtjes, niet zelden tweedehands, of zelfs tweedehonds. En dat is niet lekker, kan ik je verzekeren. Van die hondekwijl in je mond. Toen ik je zei dat ik misschien alsnog niet kon komen optreden, wegens geldgebrek, ontroerde het me dat je met zoveel mogelijke oplossingen aan kwam zetten.

Je begon nog met: “Jamaar maat, er komt daar volk af se, en die hebben geld he, die poëziemensen. Zeker de wijven. Allemaal dure kleedjes aan en hippe kapsels. En anders de gasten die indruk op hen willen maken wel, die bulken helemáál van het geld. Als je dat optreden goed doet, verkoop je ineens ál je boekjes uit.”

Ik wierp tegen dat de totale voorraad boekjes flink wat weegt, zelfs als ik met de bus kom. Dan scheurt mijn reisvalies uit. Daar moet ik nog mijn sloopwoning mee uit verhuizen. Geen probleem, zei je, dan pak je iets lichters mee, dat ook superduur is, en verkoop je dat. Je hebt toch van die petjes laten maken, vroeg je me. Jahaaaaaa, zei ik, maar die zijn nu al bijna uitverkocht, zo populair zijn ze. En ze moeten nog van de leverancier komen. Dus ik weet niet of ik dat wel red, met die petjes. Tot de avond van het optreden.

Vervolgens begon je online mensen enthousiast te maken dat ik bijna al mijn tweedehands dvd’s verkoop. Dat klopt. Maar allé WimJustus-Willibrord, dat zijn er honderdvijftig. Honderdvijftig. Nogmaals: ik heb mijn valies nog nodig, naderhand !

En dan ging ineens deze ochtend de bel. Een geheimzinnige man met zonnebril gaf mij een groot, in kartonpapier verpakt pakket. Resoluut draaide hij zich om en met strakke tred maakte hij zich uit de voeten. Het pakket ligt nu op mijn woonkamertafel. Dat durf ik best te schrijven, want er gelooft mij toch nooit iemand. Drie kilo bam-bampoeder, op mijn tafel, gelooft mijn hond.

Ik kan me niemand voorstellen die me hierin betrokken kan hebben. Weliswaar heb ik veel idiote vrienden, maar die zijn, zogezegd, op z’n best wat onnozel. Dwaas, zou een ander zeggen. Olijk, dan weer de een. Daarom dat ik met enige schroom vraag: heb jij me dit op mijn hals gehaald ?

Want ik waardeer het, hoor, dat ik op deze manier wellicht heel eenvoudig en in één klap een pak geld kan verdienen. Maar ik zou toch willen vragen of je het zelf kunt komen halen. Het is niet dat ik zozeer bang ben verwikkeld te raken in onfrisse zaken.

Het is dat mijn kat enorm nieuwsgierig is en haar klauwen nooit thuis houdt. Ze heeft al één randje opengekrabt en daar lekt nu wit poeder uit. En daar reageert ze heel gek op. En ik kan er niet de hele tijd bij zijn. Toevallig weet ik dat je komend weekend in mijn stad bent. Voor een optreden, toch, WimPhilippe-Malcolm ? Als je het nou daarna even komt oppikken en dan mee pakt naar TurnhouBelgië ?

Het is dan toch zondag. Ik weet zeker dat nie-mand je op de busreis naar huis zal controleren. En verder blijft het dan allemaal tussen ons. Ik zie je komend weekend !

Liefs,

Je René.

Brief aan een organisator (4)


Verhaal door René van DensenHoi Steven,

ik ga stoppen met beweren dat je geen Wim heet, want op termijn gelooft niemand dat meer. Dat werkt averechts. Dus noem ik je vanaf nu Steven, zodat er verwarring blijft over je achternaam. Steven Paeshuyse. Haha, nee, grapje.

Ik heb je posterontwerp bekeken voor de dichtersavond. Niet om kinderachtig te doen, maar het is belachelijk dat mijn naam op dezelfde lettergrootte staat als de andere optredende artiesten. Ten eerste ben ik de enige buitenlander en dus speciaal. Ik heb keihard geploeterd om in het buitenland geboren te worden. Daar wens ik toch wel wat erkenning voor te hebben. Er wordt in jouw land veel te weinig benadrukt dat buitenlanders als ik uit het buitenland komen. Sowieso is daarnaast mijn naam korter, dus enkel door de toevoeging “(NL)” kom ik nu ongeveer aan dezelfde ‘lengte’ als de rest.

Ik hoor je al denken: het is niet de lengte die er toe doet. Dat zegt jouw vriendin zeker ook ? Natuurlijk doet die er wel toe. Gekke Steven. Ze zegt dat enkel om je fragiele ego te beschermen, Steven. Als je me niet gelooft, moet je maar eens wat aandringen. Dan zal ze heus wel schoorvoetend zeggen dat een beetje méér best zou mogen. Maar dat je bijvoorbeeld zo’n ontzettend lieve oorlel hebt, en dat dat ook wat waard is. Met een aai over je krullebol.

Maar ik ben natuurlijk wel superveel beter dan die anderen. Ik heb al acht boeken uitgebracht. Ácht ! En ze zijn allemaal geweldig. Dat weet jij ook. Gisteren nog kreeg ik een grote bestelling van de Tilburgse Universiteit: ze willen al mijn boeken opnemen in de Brabantse Collectie. Kwade tongen riepen daarna onmiddellijk dat zij alle boeken opkopen die ook maar een beetje een connectie hebben met Brabant, maar daar heb ik niet naar geluisterd. Ze kwamen niet voor niets bij mij uit: ik ben verdomme een levende legende.

Mijn optredens worden internationaal besproken en er zijn spectaculaire beelden van online. De rest van je line-up zijn zeker van die mannen die met een T-shirt en een colbertje en een spijkerbroek, hakkelend wat speelse versjes komen oplezen van een geprint velletje papier. Bij mijn performances worden normaal gezien in programmaboekjes gezondheidswaarschuwingen afgedrukt. Niet geschikt voor al te tere zielen, mensen met een zwak hart, en vrouwen die hun libido niet onder controle kunnen houden.

Ik hoop dat er nog wat aan gedaan kan worden. Ik ben al tevreden als mijn naam ongeveer 130% de grootte heeft van de overige namen. Het hoeft niet té flashy. Als ik echter constateer, over drie weken, dat mijn naam verhoudingsgewijs de huidige grootte heeft behouden, dan sta ik niet in voor de risico’s. Dan ga ik ook gewoon daar staan, in een T-shirtje met een spijkerbroek en colbert. En een printje. Beetje hakkelen. Op melige, korte versjes. Als het zo moet, Steven. Als het zo moet.

Je René

Zakboekje


Verhaal door René van DensenIedereen die schrijft zal dit wel herkennen: de beste ideeën krijg je, wanneer ze heel slecht uitkomen. Je staat bijvoorbeeld net onder de douche, of je begint net aan een toiletbezoek dat wel pakweg een half tijdschrift kan duren. Of je bent met wat vrienden iets aan het drinken, en inééns, inééns heb je het. Dat éne geniale concept dat een wereldschokkend geweldige tekst gaat voortbrengen en dat echt heus niet alleen maar geniaal is omdat je gedronken hebt. Zoals vermoedelijk de meeste anderen het opgelost hebben, bezit ook ik daarom een zakboekje.

Dan zeg ik wel zakboekje, maar het is eigenlijk nog best een fors boek. Het past dan ook bijna in geen enkele zak. Ja, mijn rugzak. Of een schoudertas. Één van mijn colbertjes heeft zakken waar het boek net in past. Daarna houdt het ongeveer wel op. En ik vergeet het ding altijd. Zit ik daar, op het toilet, tijdschrift in de hand, briljant idee in mijn hoofd. Of op het terras, toch maar weer om bierviljtes te vragen.

Natuurlijk vergeet ik het boekje niet áltijd. Er staan gedichten in die bijna ongewijzigd gepubliceerd zijn, zó, ineens in een bus opgeschreven. Er staan verhaalfragmenten in die eindeljk dat nog op de plank liggende ideetje rijp maken om uit te werken. Losse zinnen en rare woordcombinaties, waarvan ik vast dacht dat ik wel zou onthouden waarom ik die genoteerd had. En dat heb ik uiteraard niet onthouden.

Maar het grootste deel van het boek staat vol met onleesbare krabbels. Dat zijn de caféconcepten. Hoe langzaam en geconcentreerd ik ze ook heb proberen op te schrijven, ik kan er de volgende dag geen touw meer aan vastknopen. Alsof een klein kind met goede bedoelingen en opgezwollen handen voor het eerst probeert te schrijven. Kansloos. Ik kan ook wel zien dat ik dit gisteren extreem belangrijk vond. Het moést voor het nageslacht vastgelegd worden. Alleen, begot, wat stáát er in vredesnaam ?

“Desl om wasnl de enige iesbe die ile oqmno verpsyoo.” Dat is er eentje, bijvoorbeeld. Nou. Klassiekertje hoor. Goed dat ik die opgeschreven heb. Of deze: “niot vergetn: kwqmd statrum dande voguele herfest ma avond !!!” Als het belangrijk was, zal ik vermoedelijk binnenkort wel een verwijt krijgen waar ik maandagavond was. “Zie,” staat er ergens. Gewoon: “Zie.” Ook helder.

Het is verder natuurlijk wel superhandig. Zo’n zakboek in je rugzak.

Je zult maar de strepen op de weg zijn


Verhaal door René van DensenJe zult maar de strepen op de weg zijn. Altijd evenredig ver uit elkaar, gespleten, en altijd even lang. Je zult maar de bedoeling hebben, je enige nut in deze wereld. om twee helften op te delen. En niet eens strikt, maar ‘goedbedoeld’. Mensen mogen van rechts naar links, of van links naar rechts, dwars over je heen. Je wordt een ‘stippellijn’ genoemd. Woorden waarin letters dubbel voorkomen zijn vaak niet heel soeps.

Je zult maar de pijlen op de weg zijn. Meer ben je niet dan een indicatie, een veelvoud van jou is een afstand die mensen onder sommige weersomstandigheden moeten naleven. Als het even kan. Je bent verdorie een duim en wijsvinger, een pols-tot-elleboog, een stap van de voet. Maar dan met kalk en asfalt. Je bent een concept, met realistische gevolgen.

Je zult maar de borden naast de weg zijn. Zelden alleen, en zelden helder. Met meerdere hang je aan één paal wegens bezuinigingen. En als het even kan, spreek je elkaar tegen. Natuurlijk ben jij, als bord, het enige bord dat klopt, maar maak dat de voorbijrijdende toeschouwer maar eens duidelijk. Die klojo onder jou schreeuwt veel luider. Je valt daarbij in het niet.

Je bent een autostuur. Er wordt aan je getrokken, links, rechts, links, je wordt gaar gedraaid. Er wordt gefrustreerd op je geslagen. Op de tedere momenten legt de eigenaar zijn voorhoofd op je. Vanwege de stomme strepen. De achterlijke pijlen. En die verdomde borden, overal. Altijd die borden. En je denkt: was ik maar de strepen op de weg.