Schuldig plezier


Verhaal door René van DensenHet begint al bij de eerste, halfwakkere slentering door de grauwe straten van mijn wijk. Een buurvrouw, vlasblond piekjeshaar en een zichtbaar onvermogen om het bij één pondje meer te houden, rijdt op een brommertje. Ze klemt een envelop in haar rechterhand. De postbus is vijftig meter verderop. Ik wandel erheen als ik geen zin heb in een wandeling. Binnen twintig seconden rijdt ze terug, zonder envelop. Ik meen me te herinneren dat ze twee deuren van me af woont. Oordelen is te gemakkelijk, maar ik heb er wel stiekem een beetje plezier om. Luie mensen zijn ook goede mensen. Ze zijn meestal beter te vertrouwen dan ambitieuze mensen. Ik grinnik stilletjes, en voel direct een soort schuldgevoel. Van buitenaf, uiteraard. Opgelegd. Dit doe je niet.

Niet dat ik ooit heb begrepen wat er zo schuldig is aan een guilty pleasure. Als je iets goed vindt, dan vind je dat goed. Simpel toch. Smaken verschillen sowieso. Je kunt alles moeilijk onderbouwen en beargumenteren, en ik luister ook vaak graag naar mensen die dat kunnen, maar voel dan toch altijd iets van… tja. Alsof de ene meisjeslach beter zou zijn dan die van een ander. Onder mijn films, muziek en boeken zijn genoeg dingen die ik, als ik mezelf als iemand met smaak zou willen etaleren, als guilty pleasure zou bestempelen. Doe ik verdomme gewoon niet. Niks om me voor te schamen. Ik haal daar minstens evenveel plezier uit als uit deprimerend mooie zinsconstructies over de essentieelste spelonken van een teergevoelige schrijversziel in een existentiële weltschmertz. Sterker, soms snak je na zo’n passage toch zelf ook even naar Beertje Colargol. Of naar een licht verteerbaar popplaatje.

Leve mijn buurvrouw, kortom. En leve het slenteren in de ochtend in grauwe straten. Leve alles in onze collecties waarvan we ons plezier ervan niet echt kunnen uitleggen. Dat zijn geen schuldige pleziertjes. Het zijn persoonlijke pleziertjes. Lekker tussen jou en dat pleziertje. Intiem. Samen verstoppen in een dekenfort. Giechelen, en vooral even niet stilstaan bij de spelonken. Samen waterijsjes eten. Onschuldig.

Uiteraard


Verhaal door René van DensenSoms zou je willen dat je een tekst kon schrijven als een melodietje. Dat mensen het niet meer uit hun kop kunnen krijgen. Heel de dag denken ze dan aan jouw tekst. Het is niet hetzelfde. Ze kunnen je tekst al niet woordeloos neuriën. Teksten zijn stomme dingen, eigenlijk. Misschien dat ik beter eens lessen ukelele spelen neem.

Zo stond ik gisteren aan de toog te discussiëren met een schrijver. Uiteraard. Hij was heel goed. Uiteraard. Echter had hij besloten een opleiding te gaan volgen. Als schrijver, uiteraard. Ik snapte er niks van. Uiteraard. Dus discussie. Uiteraard. Hij wou groeien, zich ontwikkelen. Uiteraard. Ik wierp tegen dat je dat zelden op een opleiding bereikt. Uiteraard. We kwamen er niet uit en toen onderbrak een stel poëzieliefhebbers ons. Uiteraard. We hebben daarna, in ruil voor drankjes, allerlei gedichten te berde gebracht. Uiteraard.

Kijk, en was dit een melodie, dan had uw voet of hand onvrijwillig meegetrommeld. Was dit een melodie, dan zat er een frons in uw voorhoofd van de pogingen om die soundtrack onder uw gedachten stil te zetten. Was dit een melodie, dan had u wellicht een collega of persoon in de supermarkt aangeklampt en gezegd: “Sorry, maar ik heb een melodie in mijn kop en ik weet niet wat het is en ik word er knettergek van. Wacht, het gaat zo. Laa la la laaaa la die da da laaaa. Weet u wel wat ik bedoel ?” En natuurlijk weten ze het dan niet, maar zeggen ze van jaaa, ik denk het wel, zo van laaa la la laaa, en u zegt, precies, en dan weet nog steeds geen van beiden wat het is. Uiteraard.

Snoepwinkel


Verhaal door René van DensenMeteen als ik haar zie, denk ik: zo’n prachtige jongedame zou zo vroeg op de dag geen snoepwinkel mogen bemannen. Dat ontspoort mij als man direct, de verdere treinreis. Gelukkig loop ik even later naast een bonkige toeriste met een groene pluche kikker uit haar rugzak. Van die aanstellerij: daar ontnuchter ik van. Toch blijft het prachtige gelaat van de dame mij achtervolgen.

Of wellicht was er helemaal geen jongedame, maar verzin ik dat nu zodat ik iets te vertellen heb. Misschien was het een sjacherijnige oude man. Met een witte snor, waar koffievlekken in zaten. En misschien was het ook géén oude man, maar zeg ik van wel, zodat u niet jaloers hoeft te zijn dat u de stralende jongedame niet gezien heb. Als er tenminste een jongedame was. Het is iets dat tussen mij en de jongedame en de oude man met de koffiesnor blijft.

En meer wil ik er eigenlijk ook niet over kwijt: als je het zelf wil weten, ga maar kijken. Kom nou: ik ben een schrijver, verdomme geen journalist.

Dichtpresentatie


Verhaal door René van DensenAlle dichters zijn verschrikkelijke mensen, maar meestal enorm gezellig op het terras. Ik ken een paar niet-drinkende dichters. Die blowen. En als ze dát doen, zijn ze ook nog altijd leuk in de omgang. In feite ben ik gedichten gaan schrijven zodat ik kon meedrinken met leuke mensen. Ik ken inmiddels veel dichters via de drank. Ook mooie vrouwelijke, maar zeker ook lelijke mannelijke. Eigenlijk vraag ik me bijna af of zij niet ook allemaal dichten om met de rest mee te kunnen drinken. Dan zijn we allemaal posers. En bestaat de totale dichtkunst uit de wens met elkaar iets te kunnen drinken. Het zou wat zijn. Ik geef deze hypothese niet veel kans. Maar wie weet, wie weet. Ik ben natuurlijk zelf wel enorm gezellig om mee te drinken. Dus ik begrijp het wél.

Ik ben bij een dichtpresentatie. De bundel die gepresenteerd is, kost meer tijd om te lezen dan de presentatie zelf. De reistijd in de trein was langer dan de presentatie zelf. Dat verzucht zéker ook een dichteres naast me, die een nog drie keer langere reistijd had. Uiteindelijk dus zes keer. Nee wacht, drie. Ook ik ging uiteindelijk, naar het schijnt, weer terug. Enfin. De presentatie is snel voorbij. De dichter die een bundel presenteert, leest wat voor. Nee, ik vergat het bijna: eerst leest iemand anders een gedicht van hem voor. Iemand die enorm vereerd is met het eerste, uitgereikte exemplaar. En dan de dichter. Hij leest gek voor: de microfoon houdt hij vast zoals niemand een microfoon vasthoudt. Als een wijnglas. Alsof hij zijn gedichten debiteert aan een bodem wijn. Hij klotst de microfoon in zijn vingers. Dan weer links, dan weer rechts. Cirkeltjes draaien. Naar de mond, van de mond af. Het geluid is verschrikkelijk, maar wat een spektakel om aan te zien.

Dan jongleert hij met de microfoon. Terwijl hij zijn gedicht opdreunt, draait de microfoon rondjes door de lucht. De speakers geven een luide piep, maar de dichter gaat dapper voort. Na de zeer korte presentatie, waarbij hij ook nog heel even de microfoon in zijn broek steekt om er een harde wind op te laten, gaan wat dichters naar een café. Daar erkent de dichter dat hij vandaag nog slechts tien verschillende verdovende middelen heeft gebruikt. Het is nog vroeg, vult hij aan. We horen een gekke piep door de muziek in het café heen. Ik vraag de dichter of hij weet wat die piep is. Ja, zegt hij. “Ik heb die microfoon niet meer uit mijn reet gekregen. Daar verwacht ik nog de rekening van.”

Hee verrek !

  • Ja verdomd nu je het zegt ! Het is Derrel Niemeijer ! (71%, 5 Votes)
  • Dat is Derrel Niemeijer ! (29%, 2 Votes)

Total Voters: 7

Laden ... Laden ...

Geniaal


Verhaal door René van DensenOp het terras heb ik nog een geniaal verhaal. Uiteráárd heb ik op het terras nog een geniaal verhaal. Ik weet nog hoe ik me voelde: het was het briljantste verhaal dat ik ooit bedacht had. Dat ik dit mooie thema nog nooit eerder had aangekaart ! Zo prachtig, zo elegant, zo verdomde waar. Ik praat met twee vreemden. Eigenlijk weet ik dat als ik met twee vreemden praat, en dat het zelfs een vurig gesprek is, dat ik gewoon dronken ben. Het gaat over iets uitdragen. Of dat nog wel individueel is, of, och, weet ik het. Ik roep vanalles en ik vind het geniaal.

’s Ochtends vind ik het vooral geniaal dat ik weer heelhuids thuis ben beland, mét fiets. Vrijheid is een griezelig goedje in mijn handen. Ik zal immer de limieten aftasten. Katerig pulk ik aan mijn achterdeur. Die achterdeur is eigenlijk ook geniaal. Ik zeg tegen de achterdeur dat hij geniaal is, en in stilte beaamt die dat. Dan slenter ik de tuin in. Ook de tuin is geniaal en ontvangt dat compliment. De planten buigen nederig bij mijn slurre woorden. Ik roep het naar de vis in de vijver, die verschrikt wegzwemt. Die kan blijkbaar niet omgaan met de druk die zijn genialiteit met zich meebrengt.

De eerste man die ik op straat tegenkom, kan dat ook niet. Maar ik krijg wel een geniale klap op mijn gezicht. Even lach ik. Dan krijg ik een ronduit briljante stomp in mijn bakkes. Ik val om. Ik lach nog steeds. Dit is echt geniaal. En het houdt niet op. Hoe meer ik de genialiteit van de situatie bewonder, hoe meer klappen ik krijg. Hoogbegaafde mensen zijn toch een tikje moeilijk in de omgang, hoor. Maar dat geeft niet, want ze zijn tegelijkertijd geniaal.

Het is toch verdomme wel geniaal, of niet soms ?

  • Ik vind dit maar een stomme poll, ook. (100%, 1 Votes)
  • Nee, dit is poep. Dit is kaka. Dit lust mijn hond niet. (0%, 0 Votes)
  • Ja, maar ook weer niet. EIgenlijk helemaal niet. Eigenlijk gewoon nee. Nee, dit is poep. (0%, 0 Votes)

Total Voters: 1

Laden ... Laden ...

Lonkende dampen

Verhaal door René van DensenHet is een dagelijks ritueel dat steeds meer op mijn zenuwen werkt. Dan heb je die eerste koffie van de dag. Daar staat hij. Lokkend te dampen. Maar nee hoor. Er moet eerst een alinea of drie uit mijn vingers. Ik knijp hard in mijn vingers maar helaas, het is geen melken waar het hier over gaat. Melken zou trouwens ook niet gaan met mijn vingers. Tenminste: melk komt er ook niet uit, dus. Hoe hard ik ook knijp. Misschien moet ik erbij proberen te loeien. Maar op dit tijdstip ben ik nog te moe om te loeien. Zo moe, moe, moe dat ik ben. En almaar die lonkende dampen. Ze wenken, verleiden, ze krioelen seductief door elkaar als sirenenzang. Vergeet die tekst, schrijft de damp in de lucht. Drink, word wakker.

Waaróm wachten tot na de koffie, dat is een verdomd goede vraag. Althans, wanneer je die stelt terwijl die eerste koffie zo hunkerend lonkt. Weet ik het. Een of andere nonsens over dat mijn tekst dan minder bewerkelijk geschreven wordt. Gewoon: schrijf wat in je opkomt. En daarna die eerste koffie als beloning. Het is idioot en bijgelovig, wat ik je brom. Kijk die koffie dan. Gaat toch nergens over… alsof je zoveel beter zou schrijven vóór je eerste caffeïneshot. Dat is al net zulke nonsens als dat je beter zou schrijven als je dronken bent. Onzin ! Of althans, misschien schrijf je wel beter; het is gewoon zo verrekkes jammer dat je de volgende dag er niks meer van kunt ontcijferen. Ik heb een forse stapel onleesbare bierviltjes met ‘écht de geniáálste tekst die ik ooit geschreven heb’ erop hoor, maar als ik de volgende dag meer dan twee letters herken is het al een wonder.

Dit dus ook. Nu zit ik verdomme over die koffie te schrijven. Daar staat hij. Dáár. Dat wil toch zeggen dat deze aanpak niet werkt ? Alsof hier een tekst beter of leuker van wordt. Ik kan alleen maar aan de koffie denken. Koffie koffie koffie. Shit, ik ruik die dampen nu zelfs. Ik zou er gewoon in willen duiken. Plompverloren in die mok, in dat bruine goud. Verdrinken in die heerlijke smaak, in die snak naar adem die zometeen door mijn aderen giert. In feite is het zo jammer dat na die eerste koffie, ook de realiteiten binnen sijpelen. Alles wordt dan weer echt. En onontkoombaar. En we sleuren onszelf maar weer de dag door tot we weer mogen slapen. En dan slapen we, en dromen we van alles wat prachtig en lelijk is. En dan zitten we daar weer. Voor dat witte scherm. Met lonkende dampen ernaast.

Joehoe


Verhaal door René van DensenMet een geïrriteerd gezicht, meestal, maar met het hart op de goede plek: “Je moet écht meer aan zelfpromotie gaan doen.” Dus op een grauwe maar droge waaromooknietdag besluit ik tot actie over te gaan. Zelfpromotie. Daar gaan we dan. Ik kraak mijn knokkels. Wereld, hou je vast. Vandaag ga je horen van de grote René van Densen. Hij gaat je versteld doen staan van zijn overweldigend talent. En vanaf heden zal de naam voorgoed in je oren geknoopt zitten. Daar helpt geen slaolie aan. Geloof me !

Het grootste probleem dat ik direct op mijn pad tref, is hoe je dat doet. Zelfpromotie. Het blijkt op grofweg twee manieren te kunnen. Of je doet het op de gedegen manier, zoals velen het doen. Het nadeel daarvan is dat velen dat al doen. Dan heb je de originele manier. Het nadeel daarvan is, dat velen al veel originele manieren voor je voeten weggemaaid hebben. Potverdorie, denk ik. Valt nog niet mee, die zelfpromotie. Ik krab even wat op mijn schedel. Ik wil best, hoor. Maar hoé. Jemig. Eerst maar een koffie. En een sigaretje.

Daarna trek ik schoenen en een jas aan. Deur uit. Even uitwaaien. Naar de mensen. Lopend door de wijken roep ik: “Joehoe !” Ik zwaai. “Joehoe ! Joehoe ! Joehoe !” Enzovoorts. De mensen kijken op. Kijken aan. Kijken na. Kijken om. Ze kijken. Yes ! Ik kan het wel, denk ik bij mezelf. Dus zo doe je dat, die zelfpromotie. Maar dit is wel tijdrovend. Er zijn heel veel wijken in dit land. De hoek omdraaiend, besluit ik te testen of het in iets grotere aantallen kan. Ik ga breed en opvallend in beeld staan en zwaai. Joehoe ! En jawel: de volle bus toetert terug. Indringend.

Ecofestival

reminder: morgen sta ik dus live op Zaradi Tebe in Gent ! Hieronder een plaagstootje naar het festival.

Je ruikt het van verre. Hier vindt een ecofestival plaats. Alles ruikt naar jute, modder en gerecycled karton, hele woonwijken van het park af. Ik ga weer eens naar een optreden toe. Men plant mijn optredens op zo slecht mogelijk bezochte tijdstippen. Vandaag mag ik vroeg op de namiddag, op een koopzaterdag terwijl de stad bakt in de zon, mijn ding komen doen. Voor een handvol jongens en meisjes met dreads die eigenlijk enkel voor de muziek en het zitten in het zonnig gras komen. Op het tijdstip dat ik optreed, verwacht ik eigenlijk hooguit twee zwervers, een junkie, en de tevens weinig te benijden artiest die na mij het programma mag vullen.

Ik klem een stapeltje gerecycled printpapier onder mijn arm. De printerinkt was vervaardigd van bamboe-extract en inktzwamsap. Mijn printer is finaal naar de gallemiezen en de cartridge kostte me mijn halve weekloon, maar de ecojongens en ecomeisjes kunnen tevreden zijn. Ook mijn verschijning is dik in orde. Ik draag een hoed van riet. Mijn leren jas is achtendertigstehands en minstens vijf decennia oud. Mijn spijkerbroek en T-shirt zijn volledig afgedragen, ik heb geen sokken aan en sjok op moccasins. Wel is mijn haar gewassen. Ik hoop niet dat het ecopubliek daar aanstoot aan neemt.

Als ik arriveer, wordt er net een ceremoniële regendans georganiseerd. Enthousiast strooien de jonge idealisten met een mengsel. Van zaagsel en menselijke uitwerpselen, blijkt bij navragen. Het park wordt zo vruchtbaar mogelijk gemaakt. De twee zwervers en de junkie lopen met dichtgeknepen neus weg. Dit gaat ze te ver. Ik wil vragen waar het optreden is, aangezien ik overal enkel juten dekens uitgespreid zie. Het podium blijkt afgeschaft omdat het van hout was, de tenten omdat de metalen palen niet duurzaam genoeg vervaardigd waren. Plotsklaps wordt het heel donker en de regen barst los. Mijn inkt loopt uit. In dikke druppels vallen mijn woorden op het gras.

Kerstboom


Verhaal door René van Densen“Ik weet wel wat,” fluisterde de stem. “Kom mee.”

Ik heb helemaal geen zin om mee te komen. Uiterst functioneel zit ik te kniezen. Dat maar een handvol mensen mijn teksten leest. En waar ik het dus allemaal voor doe. Het heeft me alle zin ontnomen – vandaag, maak u niet ongerust – om te schrijven. Buiten schijnt er immers weer. En er zijn beelden op televisie. En naast schrijven staan er ook andere dingen op het programma. Schrijven is sowieso stom. Zit je daar. Tikkerdetik. Pauzemomentje. Staren in de verte. Hoofd terug. Tikkerdetik. Het is stierlijk vervelend om naar te kijken, en stierlijk vervelend om te doen. Dus nu even helemaal geen zin.

“Ik weet wel wat voor je om over te schrijven,” zegt de stem. “Ik heb wel een leuk ideetje voor je.” Ik zucht. “Je mag het idee zomaar gratis en voor niets hebben, echt waar,” zegt de stem. “Mijn neef schrijft trouwens ook, ken je hem toevallig ?” In de hoop snel van het gesprek af te zijn, volg ik de stem. Hij leidt me de straat uit en het hoekje om. Afvalcontainers van de flat. Ja, én, vraag ik. “Kijk dan,” zegt de stem. Ik kijken. Kerstboom. Naast de andere troep. Goh. “Een kerstboom !” Ja, dat zie ik. “Jamaar… een kérstboom !” Nogmaals, dat zie ik. “Vers weggegooid !” Dat zal dan wel. “In eind méi !” Okee, het is misschien een wat gekke timing, maar dan ?

“EEN KERSTBOOM !” Je hoeft echt niet te schreeuwen hoor. Wat moet ik hiermee ? “Waarom zou iemand nú een kerstboom wegsmijten ?” Weet ik veel. “Heeft die een half jaar in de woonkamer gestaan ?” Wie weet. “Of stond deze in een berging en heeft de eigenaar een nieuwe geliefde die per se de boom weg wou hebben ?” Kan. “Misschien heeft de eigenaar een nieuwe gekocht – nogmaals, in eind méi. Nu zijn ze wel héél erg in de aanbieding waarschijnlijk.” Was dit het ? “Was wat het ?” Was dit nou het wat dat je voor me had ? “Ja – is dit niet goud, dan ?” Nou nee. Het is gewoon een kerstboom. “Jamaar… in méi !” Ik ga weer naar binnen hoor. “Een kerstboom !!!” Dit is de laatste keer dat ik naar jou luister.

Heen-en-weer


Verhaal door René van DensenHet was geen klein verlangen. De jongeman zuchtte. Zijn zicht duwde zijn pupillen zo ver mogelijk vooruit. Maar met al dat kijken en verlangen kwam hij geen millimeter nader. En het gras was er nochtans zo groen. Hij snakte. Zeg maar gerust dat zijn verlangen brobdingnagische omvangen bereikte. Toen hield hij het niet meer. Hij sprong uit zijn raam. In zijn boot. En vaarde naar de overkant.

Eindelijk ! Hier was het dan. Die vrijheid. Dat geluk. Die schoonheid. Of hee. Misschien toch niet. Onwennige stappen. Hm. Nee. Niet wat hij verwacht had. Hij keek rond. Gek. Het leek toch hier. Hij keek om. Ja, heb ik dat, denkt hij. Nu is het weer dáár. Hét, het zat in zijn venster en lachte hem toe. Heel dat eind voor niks gevaren. Hij sprong in de boot en vaarde terug. Zo. Nu zou het hem niet meer ontsnappen. Dacht hij. Tot hij het roepen van de overkant hoorde. Joehoe, riep het. Joehoe, ik ben hier. De jongeman knarsetandde. Boot terug te water. Zenuwachtige kabbeltjes achter hem aan. Haastig roeien. Hét, het was glibberig en snel. Zo had je hét, zo was hét weer elders. Voet. Wal. Niks hoor. Joehoe, klonk het alweer over het water. Zucht. Boot terug. Kabbeltjes.

Heen en weer, zo bleef het gaan met de jeugdige geest. Dagenlang. Wekenlang. Honger noch weergoden kregen grip op de volharding. Hij zou hét pakken. Hét hoorde bij hém. Roeiend werd hij oud. Behalve van binnen. Binnenin zijn borst kreeg hij vooral het heen-en-weer. Maar gelukkig de jeugdige heen-en-weer. Daar is geen remedie tegen nodig.