Ik zit. Ik zit op het toilet. Ik zit al een tijdje op het toilet. Je kent dat wel. Eigenlijk ben je allang klaar met wat je daar kwam doen. Maar ach, je zit eigenlijk wel lekker en hebt iets te lezen bij je. Als je nu opstaat en doortrekt, leg je dat weer weg en lees je het niet uit. Zonde. Je zit er net lekker in. Nou, dat dus. Dat heb ik op dit moment.

Hoe lang ik al zit, weet ik eigenlijk niet zeker. Een tijdje. Ik ben alleen thuis. De deur is open. Ik zit graag op het toilet met de deur open. Niet omdat ik claustrofobisch ben, want dat ben ik niet. Maar omdat open deuren mijn kat niet interesseren. Gesloten deuren daarentegen wel. Dan gaat ze jammeren. En krabben. En nog paniekeriger janken. Gedoe. Geen moment rust. Kan ik me niet concentreren. Dus. Deur open. Geen kat. Ligt ergens anders, of zit uit het raam te kijken. De deur is open, dus is het niet interessant.

Het huis is heel gehorig. De muur naar de buren is heel dun. Maar de buurman is weinig thuis. Als hij thuis is, heeft hij vaak harde muziek aan. Nu is het stil. Ik geniet. Wat een rust. Kalm blader ik in mijn tijdschrift. Interessante artikelen. Neehee, ik weet meteen wat u denkt. Omdat ik toevallig een man ben. Met gezonde behoeften. Maar nee, zo’n tijdschrift is het niet. Het is zo’n echte. Met echte artikelen. Viespeuk.

Middenin een van de interessante artikelen hoor ik iemand zijn keel schrapen. “Hè hè,” klinkt de stem van mijn buurman. Dwars door de gehorige muur heen. Stokstijf zit ik stil. Fuk. Hoe lang zat hij daar al ? Ik heb hem niet naar zijn toilet horen gaan. Wedden dat die wand precies tussen de twee toiletten in zit. Dus dan zit hij natuurlijk nu ook te kakken. Misschien ook te lezen. Wie weet wél zo’n tijdschrift. Ik durf amper te ademen. Het zweet breekt me uit.

Mijn keel kriebelt. Maar ik ga nu natuurlijk niet ineens ook mijn keel schrapen. Het voelt zelfs als een potentieel kuchje. Verdomme. Gedoe, dit. Ik kan niet doortrekken. Zelfs bij het opstaan is er risico dat de bril aan mijn bil plakt en op het toilet donkt. Zo van je ‘donk’. Ik haat die ‘donk’. Het is zo’n lomp donkgeluid altijd.

Daar zit ik dan. Muisstil te zijn. Zelfs de bladzijde durf ik niet om te slaan. En de buurman gaat zo te horen ook gewoon door waar hij mee bezig is. Als ik nou wacht tot hij doortrekt. Hij heeft waarschijnlijk niet eens in de gaten dat ik hier zit. Ik ben zo stil geweest. Ik én mijn kat. Nee, hij zal vermoedelijk niks in de gaten hebben.

Een heel langgerekte, piepende scheet ontglipt mijn samengeknepen billen.

Share Button

Door Rene van Densen

Schrijver, dichter en mafkees René van Densen publiceert niet alleen op internet. Er zijn ook boekjes van hem te koop in zeer gelimiteerde oplagen (en hij doet niet aan tweede drukken).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *