Mijn avontuurlijke hart klopt in mijn borst, maar toch kruip ik onder de dekens. Vandaag heb ik veel gedaan en voor morgen staat er ook een boel op de planning. Terwijl ik mezelf zo nestel, bruist op loopafstand van mijn woning het nachtleven. Mensen klinken er glazen en lossen er luidkeels de wereldproblemen op. Ik zou er heen kunnen gaan, maar dan kan ik een aantal dingen morgenvroeg echt vergeten. En toch: de stad lonkt.
Morrend trek ik mijn deken over mijn neus. En dan plots krák ! Ligt mijn halve matras scheef. Geschrokken zit ik rechtop, of wat voor rechtop moet doorgaan. In feite tuimel ik vooral half uit mijn bed. Mijn kat heeft zich al bovenop de kast verschanst.
Verbaasd kijk ik om me heen. Mijn bed is oud. En eigenlijk wou ik het al niet meer meenemen, deze laatste verhuizing. Maar ik besloot dat hij nog één keer kon. En dan dit. Teleurstellend, bed. Met een zucht worstel ik me door een deken- en kussenbrij – noot: ik heb nog stééds teveel kussens – en begin het bed af te halen. Hoewel ik weinig ruimte heb in mijn nieuwe slaapkamer, krijg ik het beddegoed op mijn bureau en stoel, en de matras rechtop tegen de wand.
Een bevestigingspunt van de steunbalk is afgebroken. Geen probleem, ik heb een schroefboormachine. Even later zit het allemaal met nieuwe schroeven vast. Ziezo, denk ik. Tevreden zeg ik tegen de poes dat het goed is he, dat haar papa zomaar een schroefboormachine bij de hand heeft. Ik installeer de steunbalk terug, leg de lattenbodems recht, en al de rest ook terug.
Voorzichtig test ik de draagkracht. Lijkt prima te zijn. Maar nu ben ik wel klaarwakker. Onder de deken gekropen lees ik een oninteressant boek tot mijn ogen gaan prikken. Dan klik ik het licht uit en ga slapen. Aan het bruisende nachtleven denk ik al niet meer. Of toch een beetje. Er zijn bekenden van me in de stad, zoveel weet ik zeker. Als ik nu ga lopen, zitten ze vast nog in café –
Nee, nee, René, denk ik bij mezelf. En draai me om. Krák ! En daar lig ik weer scheef op de grond. Vermoeid haal ik de matras nu maar half af. Het andere bevestigingspunt wil niet goed meer pakken. Ik heb het gerestaureerde punt te strak geschroefd. Ik heb geen trek in een grootscheepse reparatie-actie. Ik wil slapen, verdomme. Morgen vroeg op. Met een zucht kijk ik in mijn schroevenbakje en pluk er een paar geschikte schroeven met dikke kopjes uit. Daar blijft het andere punt wel op steken, minstens tot morgenvroeg.
Het eerste schroefje zit er fluks in, maar dan valt mijn boormachine uit. Ach ja. De accu. Die moest ik ook nog opladen, inderdaad. Ik zucht en overweeg gewoon zó zittend in slaap te vallen. Even kijken of op dat ene schroefje de boel ook blijft steken. Wonderwel lijkt het te werken. Niet slecht.
Ik steek de accu in de oplader en kruip voorzichtig het bed terug in. Natuurlijk is het niet warm meer. Als ik nu ga lopen, ben ik op tijd voor de laatste ronde, die in dat ene café stiekem helemaal niet de laatste ronde is. Maar ik ben kapot. Al snel val ik in een diepe slaap en droom over woest golvende dranktsunami’s en reddingsbootjes vol lallende dronkelui.
Er schijnt een zonnestraal in mijn gezicht. Verstoord hou ik mijn hand ervoor. En krák, daar lig ik weer half op de grond. Geeft niet, denk ik dan maar. Over een half uur moest ik toch op.

