Bovenkin


Verhaal door René van DensenSpeels trekt ze aan zijn onderlip. “En dit,” grijnst ze, “hoe heet dit ?” Met haar vingertop strijkt ze over zijn kin. “Hoe heet wat ?” vraagt hij stilletjes.

“Dit,” zegt ze, en ze bijt zachtjes in zijn kin. “Dat stukje tussen je lip en je kin. Dat moet toch ook een naam hebben ? Ik weet niet hoe je dat noemt. Is het een bovenkin ?” Hij grinnikt en trekt zijn arm iets strakker om haar heen. Glimlachend staart ze in zijn ogen. “Nee maar echt,” houdt ze voet bij stuk, “dat héét toch iets ?”

Geconcentreerd kijkt ze ernaar terwijl haar vinger er cirkeltjes op draait. Haar nagel ritselt door zijn stoppels. “Bij sommige mensen is dit stuk zo opvallend. Heb je die mensen wel eens gezien ? Dat er zo’n heel stuk kin tussen hun lippen en hun kin zit. Soms is dat zo’n bol stuk, soms is het lang. Het bepaalt hun gezicht zó veel, wanneer ze dat hebben. Sommige mensen hebben dan weer echt helemaal niks. Zo gek. Maar dit moet toch een naam hebben ?”

Hij schraapt zijn keel en geeft toe dat hij het niet weet. “Dan geef ik het een naam,” stelt ze resoluut. Ze trekt kuiltjes in haar wangen. “Bovenkin. Zo heet het dan. Bovenkin. Dat zeg ik, en dus is het zo.” Hij grijnst. “Niet lachen, ik meen het hoor. Dat heet nu een bovenkin. Dus zeg het maar tegen iedereen, dat ik het gezegd heb.” Trots kust ze zijn mond. “Kijk, en dit zijn dus je lippen, die boven je bovenkin zitten.”

En zo had hij ineens een bovenkin. “Jij hebt de mooiste bovenkin van allemaal,” beweert ze. En ze kust de bovenkin. “Lekker plat. Past perfect in je gezicht. Dat is wat jou zo ontzettend mooi maakt.” Stilletjes tintelt zijn bloed terwijl hij naar haar stem luistert. Hij is nog nooit zo blij met zijn bovenkin geweest.

Sigaretten en pis


Verhaal door René van DensenIk ben voor het eerst in lange tijd weer in Club P. De Opperpater wil het wel weer eens proberen om mensen bij hem thuis uit te nodigen. “Maar dan wel vroeger op de avond, knikkers. Club P. sluit om middernacht. Vanwege de onderbuurvrouw.” Ik begrijp het wel, het is buiten veel te koud om te fietsen en de Opperpater is een natuurtalentje in opportunisme.

De gasten van vanavond zijn ik, de tekenaar en de krullenzeeuw. Hoewel enkel ik en de Opperpater roken, staat al snel de kamer blauw van de rook. We kijken een film, maar stieken vliegen er onderzoekende blikken heen en weer. Wie is het ? Van wie komt die gruwelijke pislucht af ?

Wanneer ik een biertje uit de koelkast ga halen, valt me op dat het in de gang en keuken nog erger is. Ik loop naar de badkamer, waar het toilet is. De Opperpater gebruikt zijn toilet nooit. Hij pist in het wasbakje. Ik spoel het wasbakje, en, voor de zekerheid, ook het toilet. Dan ga ik terug naar mijn biertje.

De lucht wordt alleen maar sterker terwijl we de film kijken. We spreken er schande van. De Opperpater zegt dat hij niets ruikt. Hij zegt dat er vórige week nog, met nadruk op vórige, alles met bleek gereinigd is. Niet door hem; door zijn moeder, uiteraard. Aanvankelijk denkt de Opperpater zelfs dat we hem samen voor het lapje willen houden, met dat geklaag over die pis.

Hij rookt de ene na de andere sigaret. De kamer wordt nóg blauwer. Sigaretten en pis, dat is alles wat we nog ruiken. Elk van de gasten probeert het te blokkeren. Het is allemaal té rock ’n roll voor ons. Stiekem vermoeden we dat de Opperpater op zijn bank zit te pissen.

Waterkant


Verhaal door René van DensenAls het dan toch ergens moet, dan aan de waterkant. Dat was ik met hem eens. Althans, dat bedacht ik me toen ik in een bomvolle trein zat vol mensen die liever iets anders zouden doen. Hij deed tenminste wat hij moest én wou doen. Hij was in feite een kleine held.

Even terug. Als ik met de trein reis, dan gebeurt er wat. Het is niet dat het gebeurt omdat ik het wil, maar omdat ik wat meer oplet dan de meeste mensen. De gemiddelde treinreiziger ondergaat de treinreis in de hoop dat die snel voorbij is. Ik ben op avontuur: als ik toch een aantal dozijn minuten kwijt ben in een snelrazend koekblik, dan wil ik meemaken wat er zoal gebeurt. Ik luister gesprekken, observeer de mensen, en bekijk ook de trein zelf.

En zo borrelt er meestal wel iets boven. Zo zat er een etmaal geleden nog een Indiër in vloeiend trage beweging zichzelf boven de stoelen te heffen om iedereen te observeren, om meteen daarna weer te dalen. Dat deed hij pakweg elke minuut. Omhoog, kijken, omlaag. En nog eens. Toen zag hij ineens dat ik hem observeerde. Hij zakte traag terug en bleef zeker vijf minuten uit beeld. Mijn ogen dwaalden af. Toen ze terug zijn hoek in dwaalden, was hij net weer aan het Lange Jannen.

Deze ochtend was er bar weinig. En ik maar opscheppen dat elke treinreis iets oplevert. Mooi niet dus. Ik liep ontgoocheld het station uit. Het was gelukkig mooi weer en ik kon wat dingen bewonderen en me aan wat andere zaken ergeren, dus mijn tijd kwam ik wel door.

Zo kwam ik bij het brugje. En halverwege hoorde ik een zacht geluid. Een soort smakken. Een ander mens was doorgelopen, maar ik keek om. Vier meter naast de brug was een electriciteitskastje dat alles en iedereen uit het zicht verborg. Erachter zat een man.

De man had een aktentas en een zakenjas. En knieën. En een broek op de enkels. Hij zat gehurkt achter het kastje, verborgen van al het voetgangend en spitsjakkerend verkeer. Op z’n gemak zat hij een drol te draaien. De natuurlijkste zaak ter wereld. En hij smakte, met zijn lippen. Hij zag me, wellicht, of hij zag me niet. Ik deed er niet toe. Hij kakte en dat was het.

Ik wou bijna verder kijken. Het ding wat je doet als je schrijft. Maar ik voelde schroom en liep door. Terwijl ik de brug overstak, hoorde ik het smakken nog eens. Ik voelde een ontroerende bewondering. Deze man was vrij.

Dat was het enige dat ik me bedacht. Terwijl ik in een overvolle trein bevond. Vol mensen die alleen maar van punt A naar punt B wilden, en de trein werkte niet mee. Ik dacht, we zouden met z’n allen kunnen kakken. En smakken met onze lippen. Zien hoe de wereld daar nou eens op reageerde.

Muziek


Dat is nou jammerMuziek. Dat was, zo bedacht hij zich, toch een flink private aangelegenheid geworden. Sinds de oortjes. Mensen lopen rond, met oortjes in hun oortjes, en beleven zo een muziekervaring waar enkel hun muziekapparaatje en zijzelf van weten. Als een stiekeme, intieme influistering.

Daar loopt een dame in bijna overdreven tuttig mantelpak. Ze is jong, maar draagt een ouderwetse bril en een knot. Haar mond is zuur bijeengetrokken. Takketakketakketakke op haar hakken. Strak tempo. Het zou hilarisch zijn, bedacht hij, als nu ondertussen een oversekste hiphopper in haar oor rapt over seks. Over kontneuken en over billen schudden. Terwijl hiphopmeisjes het refrein erdoorheen kreunen. Stilletjes grinnikt hij.

En daar. Puistige student. Een nét niet sympathieke kop. Als hij wat vriendelijker naar de medemens zou lachen, zou het enorm schelen. Maar strak kijkt hij voor zich uit. Hij heeft lang haar en rockerskleding aan. En stapt, niet helemaal zeker van zichzelf, op de stoep met kistjes aan zijn voeten. Typisch een jongen die haast ondertussen, stiekem, zonder dat iemand het doorheeft, naar Heino aan het luisteren is. Het moet haast wel.

En dan, ineens uit de winkelstraat wandelend. Zij. Zijn mond valt open. Wat een verschijning. Dat golvende haar, die verpletterende blik. Die mónd ! Ze staat bij het stoplicht alsof daar een voetstuk moest zijn, maar ze zich wel schikt naar het trottoir. De wereld, deze plek, is gemaakt voor dit ene moment, dat zij hier zou staan.

Hij ziet ze. Aan beide kanten. De oortjes. En hij glimlacht. Zacht fluistert hij: Zat ik maar in je oortjes.

Kudde


Verhaal door René van DensenSinds elke dagen ben ik veroordeeld tot een nieuwe route naar huis. Mijn werk is de schuldige: dat moet ik, contractueel, doen op een plaats waar ik nooit eerder geweest ben. Er is geen enkele gangbare route huiswaarts vanaf daar te vinden. Alles is nieuw en een beetje eng.

Tweehonderd meter onderweg tref ik een kudde kinderwagenvrouwen. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. De vrouwen eigenlijk ook wel, maar zeker de wagens. Ongetwijfeld is de een een unieke Chicco Urban en de ander een fenomenale Stokke Xplory. Die daar is vast een hyperluxe Maxi-Cosy, of is het een bescheiden Mutsy Igo ? Ik zie het niet. Voor mij is er geen verschil tussen een Bugaboo en een Citi Hopper Duo Antra.

De vrouwen loeien vervaarlijk als ik nader. Mogelijk voelen ze zich bedreigd. De kinderwagens staan in een duchtig beschermde kring opgesteld, de vrouwen vormen de verdedigingslinie. Ik moet rakelings langs hen heen. Ik heb de keuze tussen rakelings langs hen, of me laten scheppen door voorbijrazend autoverkeer.

Ik neig naar het autoverkeer. Met een zo wijd mogelijke boog loop ik om de vrouwen heen, die me strak in de gaten houden. Ik ben bang van de meute. Ik wil niet met baby besmet raken. Het schijnt dat je daar lang mee kunt oplopen. De vrouwen vertrouwen mijn ruime omloop niet. Ze snoeven en trappelen zenuwachtig. Ik ben immers een man, en alleen, dus een roofdier. De vrouwen en de spruiten zijn weerloos tegen mij. Ik ben banger van hen dan zij van mij, maar dat krijg je ze van een klein herfstspinnetje al niet wijsgemaakt.

Ik loop al met één voet op straat. Een razend autowiel rijdt mijn schoen kapot. Ik hinkstapsleep me voort. Maar het was het waard. Ik ben veilig langs de kudde geraakt. En ik heb geen baby opgelopen. Haastig rep ik mij verder. Deze route zal geen gangbare worden.

Knipperen

Jouw schild
over mijn ogen, je hebt
diepzwarte schuilplaats
waar de wereld niet

Je knippert
en even is het weg

Maar dan kruip ik
terug in het veilig,
de plek waar nu
thuis, waar nu

Je knippert weer
en weer even weg

Als een warme
dikke deken rond
mijn koude ziel hul
ik me in die

Hou eens op met knipperen,
trut.

Brief aan een organisator (5)


Dat is nou jammerBeste WimEngelbert-Justus,

Ik waardeer hoezeer je met me meedenkt. Nee, de tijden zijn niet makkelijk geweest. Inderdaad. Ik bijt al een tijdje op allerlei houtjes, niet zelden tweedehands, of zelfs tweedehonds. En dat is niet lekker, kan ik je verzekeren. Van die hondekwijl in je mond. Toen ik je zei dat ik misschien alsnog niet kon komen optreden, wegens geldgebrek, ontroerde het me dat je met zoveel mogelijke oplossingen aan kwam zetten.

Je begon nog met: “Jamaar maat, er komt daar volk af se, en die hebben geld he, die poëziemensen. Zeker de wijven. Allemaal dure kleedjes aan en hippe kapsels. En anders de gasten die indruk op hen willen maken wel, die bulken helemáál van het geld. Als je dat optreden goed doet, verkoop je ineens ál je boekjes uit.”

Ik wierp tegen dat de totale voorraad boekjes flink wat weegt, zelfs als ik met de bus kom. Dan scheurt mijn reisvalies uit. Daar moet ik nog mijn sloopwoning mee uit verhuizen. Geen probleem, zei je, dan pak je iets lichters mee, dat ook superduur is, en verkoop je dat. Je hebt toch van die petjes laten maken, vroeg je me. Jahaaaaaa, zei ik, maar die zijn nu al bijna uitverkocht, zo populair zijn ze. En ze moeten nog van de leverancier komen. Dus ik weet niet of ik dat wel red, met die petjes. Tot de avond van het optreden.

Vervolgens begon je online mensen enthousiast te maken dat ik bijna al mijn tweedehands dvd’s verkoop. Dat klopt. Maar allé WimJustus-Willibrord, dat zijn er honderdvijftig. Honderdvijftig. Nogmaals: ik heb mijn valies nog nodig, naderhand !

En dan ging ineens deze ochtend de bel. Een geheimzinnige man met zonnebril gaf mij een groot, in kartonpapier verpakt pakket. Resoluut draaide hij zich om en met strakke tred maakte hij zich uit de voeten. Het pakket ligt nu op mijn woonkamertafel. Dat durf ik best te schrijven, want er gelooft mij toch nooit iemand. Drie kilo bam-bampoeder, op mijn tafel, gelooft mijn hond.

Ik kan me niemand voorstellen die me hierin betrokken kan hebben. Weliswaar heb ik veel idiote vrienden, maar die zijn, zogezegd, op z’n best wat onnozel. Dwaas, zou een ander zeggen. Olijk, dan weer de een. Daarom dat ik met enige schroom vraag: heb jij me dit op mijn hals gehaald ?

Want ik waardeer het, hoor, dat ik op deze manier wellicht heel eenvoudig en in één klap een pak geld kan verdienen. Maar ik zou toch willen vragen of je het zelf kunt komen halen. Het is niet dat ik zozeer bang ben verwikkeld te raken in onfrisse zaken.

Het is dat mijn kat enorm nieuwsgierig is en haar klauwen nooit thuis houdt. Ze heeft al één randje opengekrabt en daar lekt nu wit poeder uit. En daar reageert ze heel gek op. En ik kan er niet de hele tijd bij zijn. Toevallig weet ik dat je komend weekend in mijn stad bent. Voor een optreden, toch, WimPhilippe-Malcolm ? Als je het nou daarna even komt oppikken en dan mee pakt naar TurnhouBelgië ?

Het is dan toch zondag. Ik weet zeker dat nie-mand je op de busreis naar huis zal controleren. En verder blijft het dan allemaal tussen ons. Ik zie je komend weekend !

Liefs,

Je René.

MH-17, an XXX parody

empty_dvd_coverNieuwsgierigheid kan nog wel eens de kat knijpen, of zoiets. Het blijft uitkijken met de films die je voor je, ehm, volwassen plezier, mee naar huis neemt. Zo’n DVD-hoes belooft vanalles maar in praktijk pakt het beeldmateriaal altijd weer anders uit. Dat weet elke kenner. Heel soms positief, maar meestal wat slapper, rauwer en realistischer dan de verbeelding prikkelende hoes. Een andere keer vind je, tja, iets dat je liever direct vernietigt.

Meestal zit je wel relatief veilig bij de nieuwste rage in pornoland, de XXX parodie. In het ergste geval heeft de schrijver en regisseur amper kennis van het bronmateriaal en doet maar wat (Supergirl die ‘undercover’ gaat bij een vrouwelijke studentenvereniging), in het beste geval heeft het betere productiewaarden dan het origineel (heeft u de Batman XXX-parodie wel eens gezien ? Daar zit Ron Jerermy in, maar die steekt enkel zijn kop uit het raam terwijl Batman en Robin voorbij klimmen. Dan héb je Ron Jeremy, laat je enkel zijn kop zien. Goud. Echt, geniaal).

Daarom grabbel ik de laatste tijd gewoon maar iets uit de parodie-hoek, kijk snel even of ik die al ken, en zo niet, hop, huren. Thuis zie ik dan wel verder. Ik wil me niet door teveel vooroordelen laten leiden. Het verrast eigenlijk altijd wel. Niet alles is geil, natuurlijk, maar vermakelijk is het doorgaans zeker. Bakje popcorn, doosje tissues, en klik, aan. Kijken waar ik het eerst naar grijp.

Een bijzonderheid van die plots populaire parodieën is dat ze heel snel uitgebracht worden. Spoofs van bioscoopfilms zijn al te huur voordat het origineel op DVD overgezet kan worden. Maar het kan soms wel héél snel. En zo vond ik thuis, tot mijn verrassing, in mijn videotheektasje (ik herbruik ze, voor een betere wereld en alles), de film “MH-17, an XXX parody”.

Ja, daar zit je dan even. Je denkt meteen, wat erg, dit. Voor de nabestaanden van die vliegramp en zo. En wat bizar, want het is nog volop in het nieuws. En absurd: wie denkt er nu aan om juist hiér een parodie van te maken ? Wat voor zieke geest verzint dit ? Maar dan word je toch een tikje nieuwsgierig. Eerst wint het fatsoen: nee, man. Niet kijken. Als je kijkt maak je het in feite erger. Erg genoeg dat het bestaat. Hier zou niémand naar moeten kijken. Dat doe je gewoon niet.

Uiteraard stond nog geen tien minuten later de popcorn alweer naast de papieren zakdoekjes. Maar wat een bevreemdende kijkervaring was deze film ! Openingsshot: een blauw geschilderde kamer, met een wollige witte bank in het midden. Dan gaat de deur open. Een rondborstige vrouw, verkleed als vliegtuig (althans, vleugels over haar armen, en iets wat voor een cockpit door moet gaan over haar hoofd) loopt binnen. Ze loopt rondjes door de kamer en zegt: vroem, vroem. Vroem, vroem. Dat gaat ongeveer een minuut door. Dan zegt ze dat er lichte turbulentie is en dat iedereen tijdelijk terug in hun stoel moet en zijn gordels om moet doen.

Plots zwaait de deur alweer open. De vrouw deinst geschrokken achteruit. In de deur staat een reusachtig dikke man. Helemaal rood-wit geschilderd. Hij heeft ook een hoofddeksel en stelt zo te zien een raket voor. Met een enorme stijve pik. De vrouw rent om de bank heen, weg van de raketman, maar hij holt er hitsig achteraan. Hij moet en zal haar krijgen. En plots grijpen zijn geile vingertjes haar krachtig vast en werpen haar op de wollen bank. Ze stuitert en slaakt een hoog gilletje.

Dan zoenen ze. Hij wrijft met zijn pik ergens rond haar nooduitgang. Ze vouwt haar vleugels om hem heen en kreunt. Al snel penetreert de raketman het vliegtuigvrouwtje. Ze maakt harde geluiden en zegt ondertussen dat er ernstige problemen zijn en dat de gordels om moeten. Plots valt boven uit het scherm een mondkapje met ademzak omlaag. Er klinken neerstortgeluiden in de achtergrond. Ondertussen blijft het tweetal lustig doorvrijen op de wolkvormige sofa.

Dan trekt de raketman zijn hoofddeksel af. Hij heeft een enorm stereotype Russische kop. Maar enkele minuten later trekt hij dát gezicht ook af, en blijkt daar een ander gezicht onder te zitten. Het is een Uncle Sam-achtige smoel. Nog een minuut of tien later, we zijn al de toiletcabine aan het penetreren inmiddels, gaat ook dat masker af. Een of ander vrijheidsstrijdersgezicht komt tevoorschijn. In de achtergrond klinken inmiddels wisselende fragmenten nieuwsverslaggeving. Op de muren worden krantenkoppen geprojecteerd. Wellicht heeft de film een of andere educatieve bedoeling…

En een stukje benieuwd verderspoelen later, er wordt even tussendoorgepijpt, zien we Fred Teeven. Hij hijgt en kreunt diep, en dept zijn voorhoofd. En dan gaat ook dat smoelwerk weer af, en zien we Poetin. Ik verklap niet hoe het afloopt, maar je krijgt een beetje het idee te pakken. Ik heb de film niet afgekeken, een stijve had ik allang niet meer. En de popcorn was ook al aardig verpieterd.

Ik zette de film af, deed hem terug in het doosje, het doosje in het tasje, het tasje op mijn keukentafel, en morgen gaat hij terug. Daarna heb ik nog minstens een uur wakker gelegen.

Optreden: Zaterdag 6 December, Turnhout, De Sprekende Ezels

6 December 2014: Sprekende Ezels Turnhout

De oplettende lezer had het wellicht al geraden uit de recent hier gepubliceerde ‘Brieven aan een organisator’, maar ik ga binnenkort weer eens iets op een podium doen. Mijn allereerste keer bij de Turnhoutse Sprekende Ezels ! Ik heb natuurlijk eem lange geschiedenis met dit event in Gent, maar de overige Ezels-locaties heb ik nog niet betreden. Mijn naam staat op het affiesj dus is het waar.

Sprekende Ezels Turnhout
Zaterdagavond 6 december
vanaf 20:00 (volgorde onbekend)
Antonis Koffie Café
Otterstraat 31, 2300 Turnhout
(de foyer van theaterwerkplaats Het Gevolg)
(schuin tegenover café Wirwar)
(dat café waar u zo schandalig dronke- AHHHHH, nu weet u het weer, oke)
Facebook event voor vergeetachtigen

De grijze rotzak


De Grijze RotzakDe Rooie Rat verhuisde mee terug uit Gent. En daarmee was het afgelopen. Ons jarenlange ochtendritueel. De Rooie Rat is namelijk nogal territoriaal rondom mij. Dus éénmaal sprong de Grote Grijze Rotzak op mijn bed, één pootje nog in de lucht hangend. Stokstijf, want hij zag al dat die nieuwe trut, die met zijn papa mee terugverhuisd was uit België, opstond om op hem af te stormen. Meteen sprong hij van het bed en kwam niet meer ’s ochtends bij me knuffelen. Een ritueel van tien jaar, in één keer voorbij.

De Grijze Rotzak was makkelijk haar meerdere elders in het huis. De Grijze Rotzak overheerste eigenlijk iedereen wel, in de hele buurt, behalve mij. Met geduld én af en toe een strenge greep in zijn nekvel had ik respect afgedwongen. Ik ken mijn katers. Daarom dat het niet meevalt met de Rooie Rat – meisjes, dat werkt allemaal weer helemaal anders. En zij is knettergek.

Natuurlijk was de Grijze ook knettergek. Een normale kat belandt, om een of andere reden, niet in mijn huishouden. Hij was echter met stip de meest beschadigde van alle katten. Asielbeestje. Al drie gezinnen versleten, dus wij waren zijn laatste kans. En hij was nog jong, dus tjokvol verlatingsangst. Dat mochten de mensen merken ook.

Verbaasd zei zijn verzorger dat hij bij ons onder de grote kooi uitkwam: “Hij is hier al een maand en er zijn veel bezoekers geweest, maar hij blijft daar normaal altijd onder zitten.” Toen ze ook nog vertelde dat het vorige gezin hem teruggebracht hadden “omdat de kinderen bang voor hem waren,” waren we verkocht. Zowel ik als mijn huisgenoot hadden het ook niet zo op kinderen. Een kat naar ons hart.

En zo volgden twee jaren aan geduld. Hoewel de Rooie Rat mijn gebruik van het woord ‘onhandelbaar’ heeft doen bijstellen, kon de Grijze er ook wat van. Als we hem, zoals iedereen, toch weer zouden verlaten, dan liever vroeg dan laat, leek hij te denken. Dus sissen, krabben, dingen kapotmaken, geen enkele regel respecteren, kakken bovenop de kattebak, noem het maar op.

Sowieso had hij een veelvoud aan idiote ‘spelletjes’. Overal in huis rende hij door je benen en sprong vlak voor je op vanalles waar dan flink de nagels in gehakt moesten worden. Als de postbode iets in de brievenbus deed, sprong hij bovenop de brievenkast en hakte met scherpe nagels naar de vingers die de post brachten. Op termijn was ons huis telkens de laatste in de wijk die de post kreeg. Ik overwoog een ‘hier waak ik’-bordje te hangen.

Patent had hij op de ‘psychopatenblik’. Als iemand op bezoek was, ging hij op de rugleuning van de bank naast die persoon zitten. Kop strak gericht op de indringer, en met een blik waar je bloed koud van werd. We kregen al snel minder bezoek. Vrienden wilden best afspreken, ‘maar als het kan ergens waar dat beest niet is’.

En toen ineens viel het kwartje: hij hoefde hier niet meer weg. We pikten alles en hielden toch van hem. En van de een op de andere dag werd hij kalm. Mellow. En begon het knuffelen. Het ochtendritueel. Goed, het gebeurde ook wel eens op een ander tijdstip, maar zijn favoriete moment was ’s ochtends.

Rommeldebom de trap op, trippetrap op mijn slaapkamerzeil en HOP – vier poten vol in mijn kruis. Oké, denk ik, recht overeind schietend, ik ben wakker. Terwijl ik terug in bed zak loopt de Grijze spinnend over mijn borst en steekt zijn neus in mijn oksel. Ik ben heel even zijn mama.

Met wat geluk lag ik ver genoeg onder de dekens, dat hij met zijn pootjes daar aan het masseren was, want hij gebruikte zijn nagels. Anders zat ik geduldig mijn tanden op elkaar te klemmen terwijl het beest genietend de klauwen door mijn pyjama heen boorde. En maar harder en harder spinnen, dusdanig dat hij tussendoor moest slikken. Dit was pássie.

En wanneer hij eindelijk wegging of op mijn schoot opkrulde, had ik een enorme natte plek in mijn oksel. Of het kwijl was van het sabbelen of snot van zijn neus, heb ik nooit zeker geweten. Maar het was ons kleine natte geluksplekje.

En ineens werd hij geblokkeerd. Door een kleine maar kwaaie madam uit het Zuiden. En hoewel de Grijze elke kat in de buurt de baas kon, twijfelde hij even, en sprong weer weg. En dat was het. De ochtenden waren voorgoed van de Rat. Al zou de Grijze af en toe overdag nog het ritueelmomentje kapen. Schrijnend was het, dat hij in die dagen ook zichtbaar begon af te takelen.

Ook alweer goed tweeëneenhalf jaar dood. De enige kat die ik zelf begraven heb.