Waterkant


Verhaal door René van DensenAls het dan toch ergens moet, dan aan de waterkant. Dat was ik met hem eens. Althans, dat bedacht ik me toen ik in een bomvolle trein zat vol mensen die liever iets anders zouden doen. Hij deed tenminste wat hij moest én wou doen. Hij was in feite een kleine held.

Even terug. Als ik met de trein reis, dan gebeurt er wat. Het is niet dat het gebeurt omdat ik het wil, maar omdat ik wat meer oplet dan de meeste mensen. De gemiddelde treinreiziger ondergaat de treinreis in de hoop dat die snel voorbij is. Ik ben op avontuur: als ik toch een aantal dozijn minuten kwijt ben in een snelrazend koekblik, dan wil ik meemaken wat er zoal gebeurt. Ik luister gesprekken, observeer de mensen, en bekijk ook de trein zelf.

En zo borrelt er meestal wel iets boven. Zo zat er een etmaal geleden nog een Indiër in vloeiend trage beweging zichzelf boven de stoelen te heffen om iedereen te observeren, om meteen daarna weer te dalen. Dat deed hij pakweg elke minuut. Omhoog, kijken, omlaag. En nog eens. Toen zag hij ineens dat ik hem observeerde. Hij zakte traag terug en bleef zeker vijf minuten uit beeld. Mijn ogen dwaalden af. Toen ze terug zijn hoek in dwaalden, was hij net weer aan het Lange Jannen.

Deze ochtend was er bar weinig. En ik maar opscheppen dat elke treinreis iets oplevert. Mooi niet dus. Ik liep ontgoocheld het station uit. Het was gelukkig mooi weer en ik kon wat dingen bewonderen en me aan wat andere zaken ergeren, dus mijn tijd kwam ik wel door.

Zo kwam ik bij het brugje. En halverwege hoorde ik een zacht geluid. Een soort smakken. Een ander mens was doorgelopen, maar ik keek om. Vier meter naast de brug was een electriciteitskastje dat alles en iedereen uit het zicht verborg. Erachter zat een man.

De man had een aktentas en een zakenjas. En knieën. En een broek op de enkels. Hij zat gehurkt achter het kastje, verborgen van al het voetgangend en spitsjakkerend verkeer. Op z’n gemak zat hij een drol te draaien. De natuurlijkste zaak ter wereld. En hij smakte, met zijn lippen. Hij zag me, wellicht, of hij zag me niet. Ik deed er niet toe. Hij kakte en dat was het.

Ik wou bijna verder kijken. Het ding wat je doet als je schrijft. Maar ik voelde schroom en liep door. Terwijl ik de brug overstak, hoorde ik het smakken nog eens. Ik voelde een ontroerende bewondering. Deze man was vrij.

Dat was het enige dat ik me bedacht. Terwijl ik in een overvolle trein bevond. Vol mensen die alleen maar van punt A naar punt B wilden, en de trein werkte niet mee. Ik dacht, we zouden met z’n allen kunnen kakken. En smakken met onze lippen. Zien hoe de wereld daar nou eens op reageerde.

Share Button

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.