DJU TOCH

In vergelijking
met zijn dood
was die bril
toch niet zo groot

Spinnetje


Verhaal door René van DensenIk staar wat voor me uit. Tussen twee werktaken op een drukke dag waarop alles superbelangrijk is en dus eigenlijk niets. Ik zit vol weethetniet deze dagen. Ik heb al heel lang weethetniet. Soms denk ik dat ik al heel mijn leven weethetniet heb, maar er moeten dagen zijn dat ik geen weethetniet had.
Er schimt iets. Ik denk even dat het symbolisch is, maar zo’n verhaal ben ik nu niet aan het schrijven. Dus zet ik mijn bril af en kijk naar de glazen. Op het glas zit een babyspinnetje. Ik was net buiten gaan roken. Terwijl ik daar stond te weethetnieten zal de babyspin aan een draadje tegen me aan gezweefd zijn. Het spinnetje stapt parmantig rond. Mijn bril is nu zijn bril. Maar zo gaat dat zomaar niet, spinnetje, brom ik zachtjes. Ik blaas de spin van mijn bril en probeer me terug op mijn superbelangrijke werk te richten.
Even later schimt er weer iets. De spin klautert terug aan zijn veiligheidsdraad naar mijn brilleglas. Het is zijn glas, immers. Ik voel bewondering voor zijn volhardende strijd. Iets zachter blaas ik opnieuw. De spin zakt wat omlaag maar klimt meteen weer omhoog. Mijn brilleglas is zijn nieuwe thuis.
Voorzichtig haal ik de spinnedraad langs het bureau. De spin is zeer klein en ik twijfel even of hij veilig is. Mijn brilleglas heeft een zacht in de lucht wuivende draad. Gebroken. Geen spin. Dan zie ik hem langs de rand van mijn bureau kruipen. Fijn. De spin maakt het goed.
Niemand rondom me heeft het in de gaten. Ik heb een klein huisdier. Het is ik en de spin. Als hij iets te dicht in de buurt van mijn muis of bureaustoel kruipt, probeer ik hem te ontmoedigen. Hij loopt weer de andere kant op. Het is mijn spin.
Ooit had ik een relatie met een vrouw die een hekel aan spinnen heeft. Ik hoop niet dat ze dit verhaal leest. Ze is in staat om naar mijn werk te komen en de spin af te maken. Veel van de spinnen die ik tijdens mijn relatie dood moest maken, heb ik stiekem gered en later buitengeplaatst.
Een collega komt aan mijn bureau staan. Gespannen houd ik de adem in. Hij merkt de spin niet op en leunt de spin gelukkig ook niet plat. Ik moet even mee in overleg. Als ik terug kom van het overleg zie ik de spin niet. Paniek.
Ik staar voor me uit. Ik wou dat de spin was gebleven. Ik houd van dieren.
Maar gelukkig, daar is de spin weer. De rest van de dag koester ik hem zachtjes. De spin loopt overal heen, maar gelukkig niet mijn bureau vast. Hij kruipt weg. Hij kruipt weer terug. Hij kruipt weg. De dag vliegt voorbij. Ik wil niet naar huis. Straks groeit hij op. Dan zal hij vliegen vangen. Ik doe een vlieg kwaad. Ik weet het.

Collacha’s


Verhaal door René van DensenOok bij dit bedrijf zijn ze er. De collacha’s. Die medewerkers die iedereen in gezelligheid bijeen brengen. Waar je al je professionele taken voor moet laten vallen omdat we nú even gezellig gaan doen. Van die typische bijeenkomsten waar iedereen een beetje bedremmeld bij staat omdat je nu eenmaal geen sfeer op afroep kunt scheppen.
Ze komen steeds met gezellige initiatieven, de collacha’s. Dan weer een borrel waar iedereen een bepaalde kleur trui aan moet hebben. Dan weer hapjes in allerlei kleuren van de regenboog. Iedereen moet mee doen want het zijn belangrijke ideeën die de collacha’s bedenken. Als nieuwe medewerker weet ik steeds te laat van de initiatieven. Dat vind ik niet enorm erg. Ik ben niet zo van het meedoen. De collacha’s verzekeren me dat er nog veel leuke dingen gaan komen waar ik aan mee kan doen.
De collacha’s stellen een kerstpop op een bureau. Elke twee minuten schelt er vanuit de pop een rock ’n roll fragment door een krakerige chip. De pop schijnt traditie te zijn. Elk jaar komt de pop boven. Een groot feest. De dode ogen van de pop staren mij wijdopen aan. Stilletjes bedenk ik me dat ik als werkzoekende geen collacha’s had. De pop zingt You know you make me wanna shout.
Verschillende collega’s zijn naar het grote eindejaarsevenement dat al in volle gang is. Wij nieuwelingen waren nog druk en schuchter achter onze bureaus aan het werk. Schijnbaar wordt van nieuwe medewerkers iets speciaals verwacht, wordt ons verteld in een spoedoverleg waar we weer al onze professionele taken voor lieten vallen. De collacha’s kirren en zeggen dat ze het nu al enig gaan vinden wat we gaan doen. Ze zijn benieuwd. Ik antwoord dat ik niet goed weet wat de bedoeling is. De collacha’s pogen me gerust te stellen dat het vanzelf helder wordt. Samen met de andere nieuwe medewerkers word ik een gang in geleid. Het begin van de gang is nog goed verlicht, tegen het eind tasten we volledig in het duister. We botsen tegen elkaar en klauwen per ongeluk in truien en haren. Dan vindt één van ons een deurklink en opent zich een uitgang. Schuchter lopen we een grote ruimte binnen. Even knipperen we met de ogen. Overal bewegende vormen, langzaam scherpen ze. Het zijn de verschillende collega’s uit het bedrijf. De collacha’s joelen het hardst.
Ik ben het snelst van begrip. Haastig gris ik een wapen van de muur en ren op mijn lotgenoten af. Ik heb deze job nodig. Het gejuich is oorverdovend. Bloed spat op mijn bril. Ik grijns van oor tot oor.

De stille luidernis


Verhaal door René van DensenMet mijn nagel kras ik over de laag. Hij is nog altijd hard. Ik wacht nog even en staar in de ogen van de man aan de andere zijde. Koud staart hij terug.
Hoe lang geleden heeft hij mij hier gevangen ? Ik ben gekmakend gewend geraakt aan mijn gevangenis. En altijd die kille staar aan de andere zijde. Zodra ik zelf kijk. Staart hij terug. Hoe weet hij het steeds ? Moet hij nooit eens naar de wc ? Op bezoek bij zijn moeder ? De was doen ?
Met een zucht plof ik ruggelings tegen de wand en staar naar mijn nagels. Ze zijn lang en smerig. Ze kartelrafelen. Ze slaagden er niet in grip op de tijd te houden. Ik kras nog eens over de laag. Hard.
De stille luidernis kruipt in mijn vel. Ik wil de man niet meer zien. Zijn kop misvormt tot iets grotesks, zijn lijf zwelt en kronkelt. Zijn ogen bloeden en branden. Ferm houdt hij zijn lippen bijeen. Ik kan wel schreeuwen om zijn stilte.
Ik probeer nog één keer. Zacht ! Eindelijk ! Een strookje van de laag pelt weg. Ik spring op en kijk demonstratief de man aan. Dit is mijn moment. Ik kras dwars door zijn ogen. Laag voor laag pel ik zijn tronie weg. De spiegelruit maakt plaats voor doorzichtig glas. Door zijn gruwelijk gelaat heen schijnt het buitenlicht binnen. Ik schraap en klauw, ik ruk en kras. Ik gil mezelf eruit, wil de ruit doen barsten. Even, heel even, zie ik de vrijheid in ruwe repen.
Dan begint tot mijn walging de laag terug te groeien en weer te verharden. Tot ik weer in die ogen staar. En daarna naar mijn monsterachtige klauwen. Het is wachten tot de laag weer zacht wordt. Zachtjes grijnst het spiegelbeeld.