God, ja, die wel. Die had een rustdag. Sterker: hij heeft zich zes dagen een beetje uitgesloofd en daarna vond hij het wel best. Beetje uitkering trekken en TV kijken tot in de eeuwigheid. Als de productiviteit van God in een grafiek uitgedrukt werd, dan had je zes daagjes dat er wat piekjes waren, en een oneindig lange lijn dal. Elke dag is verdorie een rustdag voor Meneer, maar zondag dus al helemaal.
Dat sta ik te mopperen voor de gesloten supermarkt. Het is barbeknoei-weer en er komen gasten. Maar ik had natuurlijk weer teveel werk verzet deze week om in de gaten te houden welke dag het is. Ijsberend loop ik voor de deur: ja en nu ? Achterlijke kalenderterreur, dit. Net als Kerst en Pasen, ook vooral hinderlijk. En die laatste vergeet ik écht altijd.
Boenk, zak ik voor de deur neer. Zitten. Denken. Zijn er nog heidense winkels in de buurt ? Hoeveel gelovigen zijn er nog helemaal in dit kutland ? Dat moet toch onderhand een minderheid zijn. En dan toch dit sluitingstijdterrorisme. Ik knarsetand. Natuurlijk ben ik vooral zelf heel stom geweest, dat ik er niet aan gedacht had. Maar toch.
Onderweg naar huis probeer ik vliegjes te vangen met mijn mond. Rustdagen werken op mijn zenuwen. Ik ga in de tuin zitten met een boek, maar krijg geen regel gelezen. Je kunt niets met zo’n dag. Ja, een beetje fietsen of zo. De cafés gaan ook meestal net wat later open. Je kunt bij wijze van spreken alleen maar naar de kerk.
Dat is natuurlijk ook de bedoeling, begrijp ik ook wel. Een hele dag als een soort fuik. Goedemorgen, het is Rustdag, volgt u mij maar, wilt u een hostie ? Het is geen rustdag, strubbel ik tegen. Het is een onrustdag. En nou kappen met die onzin. Ik hoop dat mijn gasten zelf eten meebrengen. Anders wordt het hete kolen eten.

