Dwalen


Verhaal door René van DensenJe bent mooi. Alles aan je is subtiel in pracht. Je wangen spreken emotie, je lippen zwijgen discreet. Je wenkbrauwen spreken weinig en zeggen veel. En wat een ogen. Donker, nieuwsgierig, maar toch vol van levenswijsheid. Jij hebt wat gezien. Maar mij nog nooit.

Ik merk het aan hoe je ogen dwalen. Keer op keer. In mijn richting. Ik merk zoiets omdat het weinig voorkomt. Ik ben de observeerder. Niet het geobserveerde. Zo werkt het universum toch meestal. Ik word er onwennig van. Je kijkt weer. Staat mijn rits wellicht open ?

Je hebt een idealevriendinnentrui. Zo’n trui die enerzijds zegt: eenvoudige smaak. Anderzijds: klasse. Enerzijds: ik loop niet gehuld in beestenbont en ril bij het eerste wolkje voor de zon. Anderzijds: warmte. De trui is donker en effen. Eronder: jeans. Je hebt geen tierelantijnen nodig. Enkel die prachtige lippen, de golvende lokken, en die onweerstaanbare ogen. Mijn god, die ogen.

En weer dwalen ze in mijn richting. Ik heb spinazie tussen mijn tanden. Of modder in mijn baard. Er moet iets zijn. Hangt er een lange snottebel aan mijn neus misschien ? Zo subtiel mogelijk loop ik het na, maar niks. Ik staar, als experiment, terug. Je vangt mijn blik en blijft kijken. Normaal gezien win ik dit spel. Maar je kijkt rechtstreeks binnen en ik draai haastig mijn gezichtsveld rechts van de coupé.

Niks ervan, lijk je te denken. Je zwaait een keer met je haar. Mijn ooghoeken dwalen onmiddellijk naar jou en je vangt wederom mijn blik. Triomfantelijke grijns. Ik sla mijn laptop open en begin opzichtig te tikken. Je probeert het nog een paar keer, zie ik met mijn perifere blik. Maar ik zwicht niet. Ik ben aan het Schrijven, en dat gaat voor de vrouwen. Wanneer ik dit hele verhaal uitgetikt heb, zit je verveeld naar buiten te kijken. De rest van de rit ben ik geen blik meer waardig.

Spoken


Verhaal door René van DensenIk ben een van de laatsten, en voor een keer niet uit koppigheid. Of uit mijn eeuwige plakgedrag. Ik heb gewoon nergens anders waar ik heen kan. De overige bewoners in de wijk wel. Hun taak zit erop. Ze hebben de wijk van stom naar leuk veranderd. En nu moeten ze weg, want nu willen stomme mensen in de leuke wijk wonen. En de leuke mensen trekken weer door naar een plek waar de woningen goedkoop zijn. Waarschijnlijk weer een stomme wijk. Die ze dan ook weer voor zichzelf gaan verpesten.

Avond na avond spook ik door de straten en de verlaten huizen. De meeste bewoners hebben hun achterdeuren open gelaten. Er staan nog wat spullen binnen. Alles wordt gesloopt. Het idee is: pak van deze spullen wat je wil of nodig hebt, want we nemen het zelf niet mee. In de ene woning staat nog een ingestorte zitbank. In het andere huis een zwartgeblakerde waterkoker. Iedereen heeft hun lampen laten hangen. Gloeilampen. Overal gloeilampen.

Ik loop de woningen en flatappartementen in. Als een huisspook. Nee, de bewoners zijn de spoken. Alles ruikt nog naar hen. Hier hebben ze geleefd. Sommigen wel decennia lang. De geuren van alles wat ze gedaan hebben, kleeft aan de muren. Geuren van wanhoop en verdriet, van vreugde en ongebreidelde seks. Van eindeloze avonden met schraal bier en dromen over hoe de wereld verbeterd kan worden.

Er staan inkepingen in de deurposten. Kindjes. Gegroeid. Elk jaar weer een flink stuk. Daar zijn kilo’s haar van geoogst door de kapper. Misschien wel aan hun keukentafel. Een nichtje of tante die het nog aan het leren is. Er staan kunstwerken bij de afvalcontainers. Niet meer de moeite om mee te slepen. Prachtige, kleurrijke, erotische of tot stilte manende kunstwerken. Allemaal grofvuil nu. Daar goot ooit iemand zijn ziel in. Morgen wordt het opgehaald.

Ik ga op de koude betonnen vloer liggen in een van de flats. De straatverlichting werpt grillige lijnen langs de muren en over het plafond. Ik weet niet hoeveel levende, gevoelige, kwetsbare wezens er over deze vloer hebben gelopen. Er steken twee draadjes uit het plafond. Ik weet niet wat voor lamp er heeft gehangen. Er is enkel nog de geur. En ik. En mijn verbeelding.

Mijn keel is droog. Maar ik durf niet te kuchen. Ik wil de spoken niet verstoren.

Bovenkin


Verhaal door René van DensenSpeels trekt ze aan zijn onderlip. “En dit,” grijnst ze, “hoe heet dit ?” Met haar vingertop strijkt ze over zijn kin. “Hoe heet wat ?” vraagt hij stilletjes.

“Dit,” zegt ze, en ze bijt zachtjes in zijn kin. “Dat stukje tussen je lip en je kin. Dat moet toch ook een naam hebben ? Ik weet niet hoe je dat noemt. Is het een bovenkin ?” Hij grinnikt en trekt zijn arm iets strakker om haar heen. Glimlachend staart ze in zijn ogen. “Nee maar echt,” houdt ze voet bij stuk, “dat héét toch iets ?”

Geconcentreerd kijkt ze ernaar terwijl haar vinger er cirkeltjes op draait. Haar nagel ritselt door zijn stoppels. “Bij sommige mensen is dit stuk zo opvallend. Heb je die mensen wel eens gezien ? Dat er zo’n heel stuk kin tussen hun lippen en hun kin zit. Soms is dat zo’n bol stuk, soms is het lang. Het bepaalt hun gezicht zó veel, wanneer ze dat hebben. Sommige mensen hebben dan weer echt helemaal niks. Zo gek. Maar dit moet toch een naam hebben ?”

Hij schraapt zijn keel en geeft toe dat hij het niet weet. “Dan geef ik het een naam,” stelt ze resoluut. Ze trekt kuiltjes in haar wangen. “Bovenkin. Zo heet het dan. Bovenkin. Dat zeg ik, en dus is het zo.” Hij grijnst. “Niet lachen, ik meen het hoor. Dat heet nu een bovenkin. Dus zeg het maar tegen iedereen, dat ik het gezegd heb.” Trots kust ze zijn mond. “Kijk, en dit zijn dus je lippen, die boven je bovenkin zitten.”

En zo had hij ineens een bovenkin. “Jij hebt de mooiste bovenkin van allemaal,” beweert ze. En ze kust de bovenkin. “Lekker plat. Past perfect in je gezicht. Dat is wat jou zo ontzettend mooi maakt.” Stilletjes tintelt zijn bloed terwijl hij naar haar stem luistert. Hij is nog nooit zo blij met zijn bovenkin geweest.

Muziek


Dat is nou jammerMuziek. Dat was, zo bedacht hij zich, toch een flink private aangelegenheid geworden. Sinds de oortjes. Mensen lopen rond, met oortjes in hun oortjes, en beleven zo een muziekervaring waar enkel hun muziekapparaatje en zijzelf van weten. Als een stiekeme, intieme influistering.

Daar loopt een dame in bijna overdreven tuttig mantelpak. Ze is jong, maar draagt een ouderwetse bril en een knot. Haar mond is zuur bijeengetrokken. Takketakketakketakke op haar hakken. Strak tempo. Het zou hilarisch zijn, bedacht hij, als nu ondertussen een oversekste hiphopper in haar oor rapt over seks. Over kontneuken en over billen schudden. Terwijl hiphopmeisjes het refrein erdoorheen kreunen. Stilletjes grinnikt hij.

En daar. Puistige student. Een nét niet sympathieke kop. Als hij wat vriendelijker naar de medemens zou lachen, zou het enorm schelen. Maar strak kijkt hij voor zich uit. Hij heeft lang haar en rockerskleding aan. En stapt, niet helemaal zeker van zichzelf, op de stoep met kistjes aan zijn voeten. Typisch een jongen die haast ondertussen, stiekem, zonder dat iemand het doorheeft, naar Heino aan het luisteren is. Het moet haast wel.

En dan, ineens uit de winkelstraat wandelend. Zij. Zijn mond valt open. Wat een verschijning. Dat golvende haar, die verpletterende blik. Die mónd ! Ze staat bij het stoplicht alsof daar een voetstuk moest zijn, maar ze zich wel schikt naar het trottoir. De wereld, deze plek, is gemaakt voor dit ene moment, dat zij hier zou staan.

Hij ziet ze. Aan beide kanten. De oortjes. En hij glimlacht. Zacht fluistert hij: Zat ik maar in je oortjes.

Complot


Verhaal door René van DensenVurig verdedig ik dat het een soort rite of passage was. Het moment dat me eindelijk werd verteld dat Sinterklaas niet bestond. Bij mij aan tafel: iemand die het jaren eerder dan zijn leeftijdsgenoten al wist, iemand die het als een opluchting zag na jaren bang zijn van Sinterklaas en Zwarte Piet, en ik zelf. Ik wou het eerst heel lang niet geloven en ben nog op de vuist gevlogen met andere kinderen, want hoe durfden ze, natúúrlijk bestond Sinterklaas ! En toen het eenmaal verteld was, zat ik in het complot. Mijn jongere broer mocht het immers nog niet weten. Het was een ruw wakker worden: als men wilde, kon heel de wereld samen tegen je jokken.

Haar ogen registreren tranerig ale clichés van de drukbezette barman. Zijn handelingen, zijn klanten, zijn kont. Zwaaiend wervelen er wat festivalbandjes aan haar arm die niet getuigen van kamperen in de modder. Alles is pose, tot haar strakke haarknot toe. Iedereen in dit café is onorigineel. Ik ken de originele afdrukken van wie ze waren: ze waren tien jaar jonger en ze kenden mijn naam. Dit zijn hun nieuwe-generatie imitaties. Mensen die niet in Sinterklaas geloven.

Mijn goede vriend is een van de weinige mensen die ik als een Goed Mens zou bestempelen. Hij, en de vrouw achter No Guts No Glory. De mensen die zich oprecht voor de medemens inzetten. Die écht geven, geven, geven. Er helemaal voor gaan om de wereld beter te maken. Ik ken twee van zulke mensen. Mijn droom is om er uiteindelijk vier te kennen. Misschien maak ik mezelf dan de vijfde.

Het was één grote ontnuchtering. Toen ik het hoorde. Ik was ook echt al erg oud, relatief, voor ik de overgang mocht plegen naar de andere kant van het complot. Net tiener aan het worden. En dan komt zoiets stevig aan. Onmiddellijk geloofde ik niets meer. Het nieuws niet. De lesboeken niet. Mensen in autoriteitsfuncties niet. De Bijbel ! Die dag ontstond mijn fascinatie voor de Duivel: de man die gedwongen was de tegenhanger van God te zijn. De Gevallen Engel die twijfel moest zaaien door te promoten dat mensen voor zichzelf nadachten in plaats van de Wet Uit Het Boek te volgen.

In dit café is iedereen een kopie van een kopie van een kopie, en dan nog opgepoetst. Waar de originelen rauw, zoekend, beschadigd waren, zijn dit de vintage vlekkeloze nazaatjes. Ik stond wekelijks te headbangen tussen de originelen. Deze generatie zoekt braaf en ruim voor sluitingstijd hun jas. Ineens wordt Rage Against The Machine’s Killing In The Name Of door de speakers geperst. Een heel café knikt blasé op de maat van het nummer mee. De tekst dringt bij niemand door. De DJ gooit op voorspelbare momenten het nummer stil en braaf brult een voltallige generatiekloof de gaten vol, om daarna obligaat te dansen. Geen headbang: swingen. Alsof men hier een plicht te vervullen heeft. Het erkennen van het bekende nummer.

In de twee mensen die ik sinds mijn Sinterklaasonthulling koester, herken ik Sinterklaas. Ik zoek er nog twee. Het is niet voldoende: twee. Om mijn vertrouwen in de medemens te herstellen. Ik wil het dubbele. Pas dan zal ik ophouden achter de hele wereld, jong en oud, een complot van lafhartigheid en verraad te zoeken. Althans, dat hoop ik toch. De desillusie klopt door mijn aderen. Ik dacht dat mijn generatie écht iets ging doen. Zelf blijf ik bezig. De twee Sinterklazen blijven ook bezig. Maar teveel mensen zijn inmiddels verdwenen. Door een soort wormgat: richting de wereld van de Mensen Met Kinderen, of de Mensen Die Er Niks Meer Om Geven. Een paar jaar geleden vonden ze nog vurig dat de wereld helemaal anders moet. Nu hoor of zie je ze letterlijk nergens meer. In hun plaats: hun jongere kopieën.

Dit is een generatie zonder een greintje protest. Een hele lichting mensen zonder oprechte empathie. Of misschien is het bij mij stuk, geknakt, en projecteer ik het op hen. Het is lekker makkelijk, kritisch zijn op jonge jongens en meisjes in mooie kleren die onzeker en braaf laveren door een protestcafé-van-weleer dat nummers van andermans jeugdjaren in Surround Sound uitkotst. Wellicht wensten ze allemaal dat de muzikanten, schrijvers en politici van hun tijd net zo polimistisch en puur hun meningen zouden uiten als in, wat ik, met mijn eerste grijze borsthaar, ‘mijn tijd’ mag noemen. Misschien ben ik nu officieel een ouwe zeikerd geworden. Hoe dan ook: ik sta niet stevig genoeg op mijn notabene.

Bondagekelder


Verhaal door René van DensenDan kun je wel vloeken dat je écht nooit meer zoveel drinkt, maar daar hang je dan. In een bondagekelder. Koppijn van jewelste en geen idéé waar je bril is. Of hoe je hier terecht bent gekomen. Schuchter vraag je of er iemand anders is. Geen gehoor. Lekker dan, dit.

Terugdenken. Het laatste dat je weet: je was op een of ander dichtersavondje. Uiteraard was je weer op een dichtersavondje. Dichters zijn de beste drankebroeders, dat weet een kind. Althans, een kind weet dat uiteraard niet, dankzij de nieuwe drankwetten in dit land. Het witschuimend goud klaterde dan ook weer lustig en aandacht voor andermans teksten had allang niemand meer.

Een enkeling, niet zelden alcoholvrij de avond aan het laverend, probeerde nog aan mensen zijn of haar ‘bundeltje’ te tonen, maar het punt zonder terugkeer was voor het gezelschap wel bereikt. Fijn dat deze mensen er nog zijn. Dacht je toen nog. Het leer knelt je pols. Je hand tintelt, merk je nu pas. Dit is vast allemaal niet goed. Hallo ? Iemand ?

Het waren voornamelijk jonkies, de dames en heren dichter. De optreders, toch. Het publiek waren vooral oudies. Geoefende levers. Maar de jonkies zouden de klassieke zuipschrijvers niet beschamen, zo bleek. Drinken konden ze wel. Je hield het zelf maar amper bij allemaal. Al snel werd het heel gezellig. Heel, heel gezellig.

De ogen van dat ene meisje dat maar zat te lachen naar je. Sprankelen. Je wist het verdomme zéker, hier is iets aan de hand. Charmantste glimlach terug. Beetje klasse in je houding proberen aan te brengen. Met de hoeveelheid alcohol in je bloed was je waarschijnlijk eerder een aandoenlijke kluns, maar in je kop was je zo suave als satijn.

Fuk, wat moet je plássen. Je probeert je benen een beetje over elkaar te knellen. De kettingen rinkelen. En je benen hebben niet genoeg speelruimte. Al snel wordt het warm in je kruis. Dat kon er ook nog wel bij. Hallloooooo is daar iemand ? Help !

Ineens valt alles op z’n plek. Dat meisje. Verdomme. Toen zij optrad, zat je boe te roepen. En duidelijk hoorbaar in de zaal haar gedichten te fileren. Het was ook wel héél obligaat lichtvoetig, namaakgevoelig en überteder. Daarom dat het je ook daarna verwonderde, die stralende ogen in je richting.

Maar je dacht nog, ze bewondert je eerlijkheid, je ongeremdheid. Ze denkt misschien dat ze veel van je kan leren. Je mag mee met haar. Dit kan wel eens een heel interessante avond worden, dacht je nog. Neuriënd zwalkte je naast haar over de donkere nachtstraten.

Tussen ons


Verhaal door René van DensenEr stond altijd iets tussen ons. Eerst was het nog een set zuilen. Daarna de emotionele muren die we opwierpen. Vervolgens de kleuren van Benetton. De graaiende torens vol kopende en verkopende kapitalisten. En nu: dat er niets meer is.

Er gaapte altijd iets tussen ons. Was het geen cultuurverschil, dan een generatiekloof. Was het onbegrip om schoenen aan in huis, of een onpeilbaar ravijn aan gekoesterde geheimen. De afstand tussen geven en nemen. Uitslapen in het bed van iemand die elke dag de zon ziet opkomen. Er gaapten hele tijdzones tussen ons in.

Er kroop altijd iets tussen ons in. Onze dieren, die geen ander dier zouden dulden. Ruzies die jij liet broeien en ik negeerde. Wantrouwen, zo veel wantrouwen. De kruipers waren ons eenzaam gewend: twee tezamen, dat klopte niet. Dat moest uiteen geduwd worden.

En natuurlijk wigde de wereld zich tussen ons. De wereld die wil dat iedereen alleen staat en zo makkelijker te heersen valt. De wereld die weet dat een eenling niet te vrezen is. Die bang is voor onze handige handen, onze mondige monden, onze koppige koppen, onze potige poten en onze kont tegen de kribbes.

Er groeide altijd iets tussen ons. Een afstand. Een muur. Een kloof. Een probleem. Een individualiteit. We zijn zo ver gekomen van waar we begonnen, maar alleen maar achteruit gehold. En we blijven hollen. En uithollen. Tot we struikelen.

Lekker onbelangrijk


Verhaal door René van DensenZe hadden altijd wat, die meisjes. “Alleen die bríl,” of “alleen die puistjes, hè.” Of: “Die schoénen, die kunnen dus èèèèèèècht niet.” Er was een minimum van één slechte kwaliteit aan mij, en als die er niet was, dan was ik misschien overwogen. Want “verder” was ik “eigenlijk” nog “best een leuke jongen of zo”.

Zelf hadden ze net zo makkelijk een bril, of twee, drie keer zoveel puisten. Maar ja, het waren méisjes, en die moest je geweldig vinden. Pas toen de hormonen actief begonnen te worden, snapte ik wat we aan die holle sekreten moesten vinden. En toen eigenlijk nóg niet. Enkel wanneer mijn bloed voor mij nadacht.

Natuurlijk waren er ook áárdige. Twee, drie per decennium. Maar dan gaf ik natuurlijk weer vol gas. Doodsbang dat ze “goede vriendinnen” zouden blijven. En dat ze een andere klootzak zouden kiezen. Wat uiteraard ook gebeurde. En ik mezelf maar weer schoppen: wat een hork was ik geweest. Opnieuw.

Dat ongemakkelijke heeft er nooit echt uit gewild. Ik ben geen zelfverzekerde kerel die met bravoure strooit alsof het kruidnoten zijn van een fictieve knecht waar we niet meer over mogen praten. Oh, inmiddels heb ik wel een beetje geleerd hoe ik wat charme in de strijd werp – zelfs ontdekt dat ik wat charme héb – maar als puntje bij paaltje komt, krabbel ik toch vaak lafjes terug in mijn schulp.

Dan kijk ik van een afstandje naar wat ik aan het doen ben. Mezelf aan het aanstellen. Om, godbetert, een méisje. Wat beziélt me. Beetje de charmeur die ik niet ben, lopen uithangen. Om een paar stralende oogjes en een leuke lach. En een speelse vlecht. Of een leuk vallend bloesje. Om, ja, wáárom ?

Genoeg, denk ik dan. Kappen. Idioot. Stop ermee dat je er telkens weer intrapt. Het is het niet waard. Lekker onbelangrijk, allemaal. Stuk voor stuk. Lekker onbelangrijk.

Plat


Verhaal door René van DensenOp een ochtend word ik wakker en blijk ik plat te zijn geworden. Volledig plat. Alsof er tijdens mijn slaap een stoomwals over mijn bed gereden heeft. Mijn vingers zijn plat. Mijn voeten zijn plat. Plassen kan nog wel eens een probleem worden, is het eerste dat door mijn hoofd schiet. Ik ben een zeer praktische jongen.

Overeind komen valt ook niet mee. De lucht drukt me effectief tegen mijn bed aan. Met uiterste inspanning pel ik me los van de lakens. Overeind zitten lukt niet: ook mijn ruggegraat is plat. Ik krab even aan de rand van mijn hoofd hoe dit nu allemaal moet. Een stekende pijn in mijn platte vingertoppen. Ik kijk verbaasd naar mijn vingers en zie dat ik me aan mijn eigen kop gesneden heb.

Tijd om na te denken over de bizarre toestand heb ik niet echt. Ik moet vanalles doen vandaag. Dit komt echt heel slecht uit. Een verschrikkelijke dag om plat wakker te worden. Uiteindelijk besluit ik me dan maar op te rollen, bij gebrek aan een betere ingeving. Kokervormig kruip ik met hulp van mijn handen en voeten het bed uit. Ik rol mezelf de gang door en de trap af. Doordat ik bijna niks weeg, is het zowaar leuk om van de trap af te stuiteren. Maar dan lig je daar, onderaan de trap, voor de toiletdeur.

Ik ga niet in details treden, maar met een heleboel moeite is het allemaal ongeveer gelukt. Niet dat er sprake was van veel ‘ochtend exodus’. Uit een platte citroen valt immers ook geen sap meer te persen. Vervolgens lig ik, wederom in kokervorm, onderaan de trap. Hoe ik dié in vredesnaam ga beklimmen nu…

Met mijn platte vingers kom ik er, trede na trede, uit, maar het is een steile klim. Nooit eerder had ik zo’n moeite met een trap. Zwetend, puffend en kuchend bereik ik de bovenste tree. Ik rol terug naar mijn slaapkamer. Het volgende probleem: kleding. Niets blijkt me nog te passen: al mijn kleding is gemaakt op lichaamsvormen. Ronde armen, ronde buiken, voeten met een wreef. Moedeloos ga ik zitten met een schoen in mijn handen. Ik kijk naar binnen. Zou ik in de schoen passen ? Ik rol mezelf op en kruip in de schoen. Het past.

Ik besluit daar te wachten wat er nog meer gaat gebeuren. Zou ik de enige in de wereld zijn die dit overkomen is ? Je maakt wel eens wat grapjes over plat volksvermaak, of eendimensionale karakters, maar je kijkt lelijk op je neus als het je overkomt. Of tja, je kijkt dus niet op je neus. Ik wil er niet meer aan denken en wurm mezelf wat dieper de schoen in.

Ouder


Verhaal door René van DensenJe ziet het niet omdat het zo langzaam gebeurt, maar je wordt ouder. In de spiegel denk je telkens dezelfde persoon te zien, maar op een bepaald moment moet je toegeven dat die terugkijkende persoon fors verouderd is. Nou ja: jij, he. Ik niet, natuurlijk. Ik blijf er superjong uitzien. Dat zie ik zelf toch, in de spiegel.

Toen ik achttien was, schatte iemand me veertig. Ik had een enorme geitensik aan mijn kin hangen. Misschien lag het daaraan. En lang hippiehaar. Het bespaarde allebei enorm op scheermesjes en kapperskosten. En ik wou er natuurlijk lekker anders uit zien.

Er anders uit willen zien, dat doe je als je jong bent, jezelf veilig (of onkwetsbaar) acht, en de wereld nog aan je voeten ligt. Op het moment dat je de vorige zin opschrijft, ben je niet jong meer. Meestal wil je er ook niet meer anders uitzien.

Nu heb ik een baard en langer haar omdat ik geen kapper kan betalen. Nou ja: ik kan hem wel betalen, als ik daarna een paar weken niks eet. En de poes ook niks. Dan kan het prima. Maar daar krijg ik honger van.

Tegenwoordig word ik vaak jonger geschat dan ik ben. Het zal liggen aan mijn armoedige uitstraling. En het feit dat ik enkel kleren in mijn kast heb waarmee ik er anders uitzie. Ook lach ik af en toe eens. Het is een effectief masker, en het levert mooiere rimpels op dan zorgen.

Ik staar wat naar de wolken en vraag me af hoe oud zij zijn.