Ik moet jakkeren, ik voel het in mijn bloed. Razen over de velden en loeien door de wolken. Ik moet hagelen en donderen tot het de aardkloot duizelt. De nieuwe tijdsperiode is aangebroken en ik probeer de energie vast te houden die ik voel borrelen. Het moet ergens heen, het moet eruit. Schreeuwend als een natuurramp wil ik denderen achter wegvluchtende volkeren aan. Maar vooral moet ik jakkeren. De jakkernood is hoog.
Maar dat gaat zomaar niet, zegt het luchtruim mij. We begrijpen best dat u wilt jakkeren, maar we willen allemaal wel jakkeren, meneer. Zou een mooie boel worden als iedereen er maar op los jakkerde. Dat zou een flinkje jakkerjanboel worden. Dat begrijpt u toch zelf wel, meneer. Als u nu een beetje briest, anders. En als het kan in de briesrij. Tussen de andere briezers. Dat lijkt er wat meer op. Zo houden we het hier overzichtelijk en gezellig, meneer.
Maar ik wil en kan niet briesen of briezen. Ik ben geen briezer. Met jakkerrood in mijn ogen kijk ik het luchtruim aan. Het luchtruim schrikt een beetje. Schudt wat met zijn paperassen. Kucht eens. Kijkt rond. Buigt dan samenzweerderig naar me toe. Ik begrijp het wel hoor, meneer, zegt het luchtruim. Ik wou ook eigenlijk veel liever eens flink jakkeren. Maar ja, we mogen niet, he, meneer. Strenge sancties. Sterker, eigenlijk had ik graag gehoosd. Of gesneeuwstormd. Maar dat kunnen we helaas op onze buik schrijven.
Misschien heb ik wel een dagje miezeren voor u in de aanbieding, kijkt hij in zijn map. Of anders een middagje kwakkelen ? Ik moet jakkeren ! roep ik hem toe. Dat kan hier niet, zegt het luchtruim stellig. Misschien kan dat in het buitenland allemaal wel, maar hier kan dat niet. We zijn hier een net luchtruim, meneer. U hebt het er maar mee te doen. Goedendag, meneer. En nukkig roert het luchtruim wat in zijn blauw met grijze wolken.

