Mooi hoor


Verhaal door René van DensenZe zou ziek worden van de woorden als ze al niet zo vaak uitgesproken waren. Mooi hoor. Tegen vriendinnen die hun biologische plicht etaleerden, in de lucht klauwend met minitieuze worstvingertjes en een riekbaar volgekakte luier. Mooi hoor. Een beetje jouw ogen. Bla bla. Dan wat standaard vragen over hoe de bevalling ging, hoe groot en zwaar de baby was, alle clichés die je kunt vragen omdat het verdomme maar een baby is en er niet meer over valt te vragen.

Mooi hoor. Wanneer de luchtklauwers van gisteren ineens vandaag jengelkinderen zijn geworden die aan komen zetten met een A4’tje met daarop onherkenbaar iets in kleurenlijnen gekriebeld. Had ze de tijd om de tekening te bestuderen, dan zou ze wellicht veel over de psyche van het kutkind ontdekken, maar zowel moeder als kind wilden onmiddellijke feedback. Dus werd de mooi hoor maar weer uit de hoge hoed getoverd.

Geen idee wat het moet voorstellen, ook niet na deze feedback. Maar zo’n mooi hoor koopt je wat tijd om beter te kijken. Opvallend veel roze kleurtjes. Er schuilt nog een optimist in dit kind, wellicht. Met een zucht terzijde geschoven. Over de jaren heen slijt zo’n mooi hoor er diep in. Laatst zei ze het tegen een collectant aan haar deur. Schudderderammel met zijn collectebus. Mooi hoor. En de deur weer sluiten. Pas terwijl ze naar de keuken liep, had ze door wat ze gezegd had. En dan opendoen en verontschuldigingen aanbieden, dat kan dan vast niet meer. Beschaamd liep ze maar door en waste onwillekeurig haar handen.

Sindsdien ging het van kwaad tot erger. Aan de bar, wanneer ze haar bestelde wijntje kreeg. Mooi hoor. Tegen de politieagent die haar een bon overhandigde. Mooi hoor. En ineens stonden daar zowel een gelovige als een satirist aan haar deur. Allebei wilden ze hun visies laten zien. De satirist liet een krantje zien. Mooi hoor. En de gelovige toonde zijn god, en alles wat er van die god moest en mocht. Mooi hoor. Ze wilde de deur sluiten en doorgaan met haar dag. Maar ineens zaten er twee voeten tussen. En twee paar ogen keken haar dordringend aan door de kier.

Een mooi hoor zou niet volstaan, dit keer. Ze moest blijkbaar iets kiezen. Fraai was dat.

Kaarten


Verhaal door René van DensenZe lacht, wanneer ze de tekst leest die ik op de kaart geschreven heb. Om die lach deed ik het. Toch alvast één lach gewonnen deze avond. Het duister valt razend voorbij het treinraam, dat haar lach weerspiegelt. Stiekem tel ik daarom de lach voor twee. In speelkaarten wordt immers ook alles gespiegeld.

Ik zeg dat speelkaarten allerlei betekenissen hebben. Voor een van mijn romans – ik begin altijd aan romans en maak ze nooit af – raapte ik speelkaarten op van de stoep wanneer ze mijn pad kruisten. Dan zocht ik de bijbehorende spirituele betekenis op en verwerkte ik zowel de kaart als de betekenis in het plot van mijn verhaal. Ik ben blijkbaar in vorm: ze vindt het interessant. Voor haar neus ligt de ruiten vier, dus nu is het zaak uit te leggen wat die kaart betekent. Het is een heel materiële kaart, die gaat over geld, zaken en status. Over kantooromgeving, een kluis, of gegeven juwelen in een mooie doos.

Dit alles weet ik uiteraard niet, zoek ik natuurlijk later op. Loos maar zo onopvallend mogelijk wijzig ik het onderwerp en praat over de speelkaartenstad die Turnhout was. Ik hou toch nog wat van haar interesse vast, dat wel. Toch zwaaien haar mooie ogen naar de speelkaart terug. Ze vist haar mobiel uit de handtas en begint te prikken. Het mobieltje weet altijd meer dan ik, daar valt niet tegenop te bluffen.

Een conducteur brengt redding. Hij vraagt of hij onze kaartjes mag zien. Ik wijs naar de speelkaart, en vis nog twee zwerfkaarten uit mijn binnenzak. Kijk, daar liggen ze, zeg ik. Wat ben ik gevat. Maar de conducteur pikt de grap wat droogjes op en wil gewoon mijn treinkaartje. Ook bij haar kan er enkel een flauw glimlachje af. Ze streelt het scherm dat antwoorden kan geven.

De ruiten, dat zijn kooplieden, weet ze te vertellen. Dan kijkt ze naar mijn andere twee kaarten. Tot onze beider verbazing ligt er nóg een ruiten vier naast. En een klaveren negen, maar drie keer dezelfde kaart zou ook wel té toevallig zijn geweest, dus daar slaan we minder acht op. De getallen betekenen niks, zegt haar scherm, en de klaveren staan voor boeren. Twee kooplieden en een boer. Zit je dan, met je kaarten. Afgetroefd door een speelkaartvormig toestel.

Ik geef haar een ruiten vier (hallo, dat is dus wel even een boel juwelen in een mooie doos dus, blijkt achteraf) en zeg dat ze van de rest van haar avond een eigen betekenis moet maken. Ze lacht weer wat. Dan buigen we ons nog over de opdrukken op de achterkanten van de kaarten. En zo komen we over enkele ogenblikken aan op. Einde reis. Tot de volgende keer, zegt ze.

Als ik even later het station in mijn eentje uitloop, spieden mijn ogen rond op zoek naar zwerfkaarten. Het verhaal zou wel af zijn als nu een bijzondere kaart op mijn pad kwam. Maar natuurlijk vind ik niks. Je probeert te hard, kerel, zucht ik. Het moet gewoon op je afkomen.

Netnietwinter


Verhaal door René van DensenHet is het allemaal net niet. Nét niet sneeuw, net niet ijs, net niet ijzel, en toch alles aanwezig. Temperaturen onder nul, check. Ook staat het toch echt op de kalender aangegeven. Maar Petra vindt het toch een verdomde netnietwinter.

Als deze winter een man was, verkondigt ze luidkeels, dan sloeg ik ‘m zo de deur uit. Ze ziet eruit alsof daar geen overdreven woord bij zit. Man man, vervolgt ze, wat een mietjeswinter. In mijn tijd, zegt Petra, in mijn tijd noemden we dit zómer. Ze pfffft wat en wuift de winter weg alsof die op auditie is.

Petra klaagt dat haar winterjas alweer in de kast hangt. Ze heeft haar herfstjas terug van de haak gehaald. Ik ga niet de hele dag lopen te zweten om zo’n netnietwinter, zegt Petra. En, zegt Petra, drie sneeuwvlokjes en het hele land is in paniek. Code oranje, code rood, code paars met witte polkadots, het zegt haar inmiddels al niets meer. Paniekzaaiers, bromt Petra.

Toen ze haar eerste man ontmoette, ja, dát was een winter. Er was verdomme zelfs nog een Elfstedentocht dat jaar, meent ze zich te herinneren. Of was dat het jaar ervoor ? Ze haalt haar schouders op. Ja lekker, doe nog maar een wijntje. Ze foetert over sneeuwstormen en ijs waar geen wak meer in te zagen was. Als je haar nog even laat begaan, beweert ze wellicht nog dat ze op tulpenbollen heeft overleefd. Maar bovenal, het is een winter van niks en ze slaat ‘m net zo lief over, zegt ze. Als het zo moet. Met die netnietwinter. Ze kunnen ook niks meer fatsoenlijk in dit kutland.

Dat kon de politieagent natuurlijk ook niet weten. Dat ze dit alles nog zei. Gisteravond nog. Hij schrijft dat dan ook allemaal niet op in zijn boekje. Wel haar signalement. Vrouw. Blank. Achterin de veertig. Geen zichtbare tekenen van geweld. Vermoedelijke dronkenschap. Inschatting doodsoorzaak: gewoon domweg bevroren.

Deur


Verhaal door René van DensenHoeveel deuren zou ik al voor het laatst dichtgetrokken hebben ? Het zijn er alleszins nu al een aantal. Dat bedenk ik me wanneer ik ook deze achterdeur voor de laatste keer dichttrek. Bij het keren van de sleutel probeer ik elk geluidje van het slot te horen. Het is onzin, natuurlijk.

Deuren in eigen woningen. Het zijn er wel een aantal geweest ja. Met verschillende soorten sleutels. Achterdeuren, voordeuren. Gedeelde zijdeuren. Poorten. Met sleutels met een steeltje, of met hypermoderne dimpeltjes in de sleutel. Sleutels die rammelen aan je sleutelbos, of juist niet.

Deuren in andermans woningen. Ook daar was er geen hetzelfde als een ander. Deuren met ruzie. Deuren met verdriet. Deuren waar de berusting van af droop. Deuren met hoop, hoop op nog wel terugkeren, maar eigenlijk weten dat de hoop ijdel is. Dat je het niet kunt laten om de deur eventjes, bedachtzaam, met je vingertop te strelen.

En dan draai je je om en loopt weg. Harde stappen, zachte stappen, droeve slenters of haastige tred, het maakt niet uit. Dan loop je verdomme weg en ga je naar de volgende deur door.

Lamp


Verhaal door René van DensenAl talloze keren heb ik me afgevraagd of ik hem niet gewoon zou weggeven. Bijna nooit heb ik hem aan. De gloeilampen zijn ook bijna niet meer te verkrijgen, want die mogen niet meer. En misschien ben ik er ook gewoon een tikje te oud voor inmiddels, zo’n lavalamp.

Maar toch verhuisde hij mee. Naar de zolder van een goede vriend, van waaruit ik mijn volgende sprong voorbereidde. En toen mijn hele leven instortte, naar de sloopwoning waar ik een jaar werkeloos zou gaan zitten te zijn. Dus nu de sloopdatum echt in zicht is en ik weg moet, pak ik het kreng toch maar weer in.
Dat moet natuurlijk voorzichtig. Zeker de lamp-fles is kwetsbaar – glas, was en water. Glas dat makkelijk kapot kan in een verhuizing. Bij de vorige verhuizing had ik de verpakking van de lavalamp weggegooid, dus steek ik de fles in een kussen en vul een heel winkelwagentje met deze kussens. De verhuisvrienden lopen ondertussen af en aan met zware, lompe dingen, en ik plaats voorzichtig een lavalamp tussen een zwik kussens.

Nadat ik even geholpen heb binnenshuis, zie ik in de tuin het winkelwagentje plots leeg zijn. Het busje is volgeladen en rijdt al naar de nieuwe woning. Ik hoop dat de fles niet barst. Dan kan ook meteen het kussen weggegooid worden, en misschien wel andere dingen waar de boel op lekt.

Wanneer de verhuisvrienden terugkeren, vraag ik ze of ze voorzichtig hebben gedaan met de kussens. Gekke blikken. Ik leg uit dat er een lavalampfles tussen zat. Geschrokken blikken. Ik maak uit hun reactie op dat er alvast geen spectaculaire lekkage was, anders wisten ze nu waar het door veroorzaakt was. Ik hoop maar dat de fles ook niet gebarsten is of zo.

Wanneer ik bij het nieuwe huisje arriveer, staat de lavalampfles op de vensterbank. “We hebben hem gevonden,” zegt een van de verhuisvrienden trots. “Hopelijk doet hij het nog !” De fles staat niet heel erg veilig op de vensterbank, maar ik laat het zo.

Later vind ik ook het lampgedeelte in een van de dozen. Ik zet het geheel bovenop een kast. Het huishouden is ontploft. Overal staan planken, dozen, stoelen, tafels, en niets is meer terug te vinden. Maar ik weet alvast waar de lavalamp staat.

Mijn huisgenoot en ik ploeteren de volgende dag flink door. Richting de avond zijn onze slaapkamers en de woonkamer richting leefbaar. Dingen zijn waar ze waarschijnlijk het beste kunnen zijn. Nog niet alle dingen, maar de meeste.

Ik heb de lavalamp voor het laatst bewaard. Ik ga hem voor mijn slaapkamerraam zetten. Even moet ik me voorbij een wasrek wringen. Ik ben benieuwd of de lamp nog werkt. De fles ziet er intact uit. Het stroomsnoer van de lamp blijft hangen achter iets anders. Geïrriteerd pruts ik het snoer los.

En ineens weegt de lamp veel minder. In een fractie van een seconde zet mijn hele lijf zich schrap, in het besef wat er gebeurt.

En dan knalt de fles in een miljard stukken uiteen op de tegelvloer.

Dak


Verhaal door René van DensenDe weg was een tunnel wervelend licht, gewikkeld in duister. Jij stuurde. Geen van ons beiden wist uiteraard de weg en ook je GPS kende dit gebied niet. De dobbelstenen bobbelden op en neer aan de spiegel waarin jouw ogen mij weigerden aan te kijken.

Twee strakke blikken vooruit. Er waren woorden gevallen en die rolden nog luidruchtig na op de vloer. Er lag ook ergens een lege fles drank mee te rollen. Voor mij hoefde het al niet meer. Rechtsomkeerts was ook prima. Maar mijn zwijgen werd medeplichtig aan het doorrijden van de auto. Tengere takjes zwiepten langs de ruit en er was overal zand, zand.

Met een bonk landde er iets op ons dak. Een plots en hard geluid, maar we schrokken niet. Allebei wisten we dat het eraan kwam. Twee stille zuchten, mild opgelucht. Het was er. Nu was alles nog maar een kwestie van tijd. Koud viel het alvast zeker niet op ons dak.

Nagels schraapten over de lak en kerfden zich schreeuwerig in het metaal. We maakten ons niet ongerust. Ja, het zou het dak openrukken. Ja, het zou ons beiden te pakken hebben voor we bij de hoeve konden arriveren. En ja, we zouden dit niet overleven. De nagels scheurden door de bekleding. Je was er nog zo trots op geweest, die bekleding. Dat maakte je oh zo kostbare auto helemaal af. En daar ging het. De monsterlijke klauwen kliefden door het dak en begonnen kartelige lijnen te rijten.

Maar alles liever dan een lang weekend op een vervallen boerderij in afwachting van wat je weet dat voorbij is.

Spiegelbeeld


Verhaal door René van DensenMijn spiegelbeeld durft me niet aan te kijken. Stil poetsen we onze tanden. Ik probeer me van hem niks aan te trekken. Als hij iets te zeggen heeft, dan hoor ik het wel. Ik maak me drukker over dat de tandpasta bijna op is. Ik twijfel of het de moeite is om nieuwe te halen. Op mijn slaapkamer staan de verhuisdozen opgestapeld en er moeten er nog een aantal vol.

Mijn spiegelbeeld is een rare snuiter. Ten eerste woont hij alleen in de badkamer. Nergens anders in huis zie je ‘m. Wie woont er nu in een badkamer ? Gekkie. En dan staat hij er ook nog eens vaak half naakt, met ongekamd haar. Of met bovenlijf gekleed maar nog geen broek aan. Mijn spiegelbeeld is een slonzige aap. Ik kijk toe hoe de tandpasta op zijn borsthaar spettert. Aan de andere kant van de spiegel merkt hij helemaal niks.

Ik vraag me af hoe vaak mijn spiegelbeeld zijn moeder belt. Waarschijnlijk net zo weinig als ik. En zou hij zijn leven al net zo slecht voor elkaar hebben ? Moet haast wel. Ik weet het niet. Nooit praat ik met mijn spiegelbeeld. Zelfs geen goedemorgen of hallo hoe is het. Geen knikje als erkenning van zijn bestaan. Ik gun dit vreemden wel. Maar mijn spiegelbeeld niet.

Toch jammer. Even vraag ik me af of anderen een betere band met hun spiegelbeeld hebben. Gaat toch eventjes heel je leven met je mee op. De omhoogs en de omlaags, zogezegd. Hij is overal bij. Maar niet de mijne. Die woont enkel in de badkamer en houdt zich overal buiten. Maar goed ook: ik maak er al genoeg een janboel van zonder zijn hulp.

Jakkeren


Verhaal door René van DensenIk moet jakkeren, ik voel het in mijn bloed. Razen over de velden en loeien door de wolken. Ik moet hagelen en donderen tot het de aardkloot duizelt. De nieuwe tijdsperiode is aangebroken en ik probeer de energie vast te houden die ik voel borrelen. Het moet ergens heen, het moet eruit. Schreeuwend als een natuurramp wil ik denderen achter wegvluchtende volkeren aan. Maar vooral moet ik jakkeren. De jakkernood is hoog.

Maar dat gaat zomaar niet, zegt het luchtruim mij. We begrijpen best dat u wilt jakkeren, maar we willen allemaal wel jakkeren, meneer. Zou een mooie boel worden als iedereen er maar op los jakkerde. Dat zou een flinkje jakkerjanboel worden. Dat begrijpt u toch zelf wel, meneer. Als u nu een beetje briest, anders. En als het kan in de briesrij. Tussen de andere briezers. Dat lijkt er wat meer op. Zo houden we het hier overzichtelijk en gezellig, meneer.

Maar ik wil en kan niet briesen of briezen. Ik ben geen briezer. Met jakkerrood in mijn ogen kijk ik het luchtruim aan. Het luchtruim schrikt een beetje. Schudt wat met zijn paperassen. Kucht eens. Kijkt rond. Buigt dan samenzweerderig naar me toe. Ik begrijp het wel hoor, meneer, zegt het luchtruim. Ik wou ook eigenlijk veel liever eens flink jakkeren. Maar ja, we mogen niet, he, meneer. Strenge sancties. Sterker, eigenlijk had ik graag gehoosd. Of gesneeuwstormd. Maar dat kunnen we helaas op onze buik schrijven.

Misschien heb ik wel een dagje miezeren voor u in de aanbieding, kijkt hij in zijn map. Of anders een middagje kwakkelen ? Ik moet jakkeren ! roep ik hem toe. Dat kan hier niet, zegt het luchtruim stellig. Misschien kan dat in het buitenland allemaal wel, maar hier kan dat niet. We zijn hier een net luchtruim, meneer. U hebt het er maar mee te doen. Goedendag, meneer. En nukkig roert het luchtruim wat in zijn blauw met grijze wolken.

Koffie ?


Verhaal door René van DensenEn, langzaam, valt, de, deur, in, de, groef. Klik. Hij laat zich een opgeluchte zucht ontglippen. Goed, nu hoeft hij niet zo stil meer te doen. Ze kan hem amper horen en slaapt lekker verder. Snel schiet hij zijn schoen aan, hoppend op zijn voet. Sok onmiddellijk zompig van de sneeuw in de tuin. Snertweer ook.

De veter werkt natuurlijk ook niet mee. Ook direct kletsnat. En dan heeft hij nog maar één schoen aan. De ander is minstens zoveel gepruts. Tot overmaat van ramp zit er één veter niet door het laatste gaatje en wil het er ook niet doorheen ook. Half slaperig en binnenmonds vloekend priegelt hij het onding door het metalen ringetje. Als hij vervolgens eindelijk de schoen aan zijn voet heeft en de veter wil strikken, breekt deze. Ja, dat kon er ook nog wel bij.

Was hij gisteren gewoon naar huis gegaan, dan stond hij nu bij zijn koffiezetapparaat te genieten. Naar buiten te kijken naar de stumpers die over sneeuw en ijs ploeterden. Hij hoefde vanmiddag pas ergens heen, en dan was het al wel gesmolten. Maar hij moest weer zonodig teveel zuipen. En kijk. Dan word je dus in een vreemd bed wakker. Zo typisch, dit.

Het sleuteltje zit niet in de goede broekzak. Grommend zoekt hij alle zakken af. Hebbes. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat het zijn fietsslot in wil. Uiteraard glipt het uit zijn vingers, de sneeuw in. Met pijnlijk stekende vingers wroet hij in de sneeuw. Waar is dat onding ?

Dan hoort hij zacht iets tikken. Hij kijkt op. Achter het keukenraam dampt een koffiekop. Erachter grijnst haar gezicht. Ze vraagt, goed hoorbaar door de ruit: Koffie ? Hij zucht en haalt grinnikend zijn schouders op.

Date


Verhaal door René van DensenIk ben, een tikkeltje nerveus, onderweg naar een date. Er is een kans dat het meisje, waarmee ik een date heb, later deze avond mee zal gaan naar mijn huis. Ik heb daar de hele dag uitvoerige voorbereidingen voor getroffen. Zo heb ik mijn laptop vol met porno gedownload om zo normaal mogelijk over te komen. De contactenlijst in mijn mobiel heb ik gevuld met allemaal vrouwennamen. Achter elke vrouwennaam gaat hetzelfde nummer schuil, dat van mijn moeder, maar dat hoeft het meisje niet te weten.

Ik heb in verschillende hoeken stof en vuil gelegd. Een slonzige man is een stoere man, en ik wil graag als een stoere man overkomen. Daarom heb ik ook bij de borsthaarwinkel een potje plakhaar gekocht. Bij de kassa bleken de baarden in de aanbieding, dus die heb ik er een bij gekocht. Thuis paste ik eerst de baard, maar hij stond me toch wat gek. Ik heb ‘m onderin de kast gelegd, want je weet nooit wanneer je ineens een baard moet hebben.

Ik heb een paar condooms uit hun verpakking gehaald, met een beetje koffiemelk gevuld en in het vuilnisbakje van het boventoilet gedaan. Ik heb vier toiletten in huis. Mijn droom is om zeven toiletten te hebben, één voor elke dag van de week. Tenzij het meisje van de date met mij gaat samenwonen, dan veertien. In de voorraadkast zet ik zeven blikken smac, voor het geval dat ze enorm van smac houdt. Zelf eet ik die zooi niet.

Net voor ik kon vertrekken, ging mijn mobiel af. Ene Gloria belde, maar ik ken geen Gloria. Mijn moeder blijkt de beller te zijn. Ze wenst me heel veel succes op de date en vraagt bezorgd of ik mijn broek wel gestreken heb. Ik lieg van wel, gestreken broeken dragen stoere mannen niet. Daarna vraagt ze of ik goed achter mijn eikel gewassen heb. Dat heb ik dan natuurlijk wel.

Tijdens mijn date vertel ik van pure zenuwen al het bovenstaande aan het meisje. Ondanks alle zorgvuldige voorbereidingen gaat ze na de date niet mee naar mijn huis.

Oorspronkelijk gepubliceerd op 11 augustus 2013