AL-Team


Verhaal door René van DensenIn 1972 werd er een team gearresteerd wat nergens echt goed in was. Dat team bouwde hun talenten uit. Vervolgens werd het ergens terecht veroordeeld voor oorlogsmisdaden. Toen een ander team uitbrak uit de hoogbeveiligde gevangenis waar ze in zaten, ontsnapten ze mee. Tegenwoordig worden ze nog steeds gezocht, maar een heel stuk minder hard want na ruim veertig jaar is alles wel verjaard. Als je een probleem hebt, als je eigen helden niet toereikend genoeg zijn, en als je kunt vinden, kun je ze misschien inhuren: Het AL-Team.

Als ik ze eindelijk vind, na een cryptische zoektocht langs figuranten, acteurs en verkeersomleidingen, dan zit daar dan ook de leider. Een sigaar te roken. Daar is hij dan: Mister Lee. Met, zonder iets racistisch te zeggen, zijn spleetogen. Mister Lee doet namelijk maar alsof. Hij heet in werkelijkheid Lynch. Althans, naar mijn best kloppende gegevens. Want ook die naam leidt naar een hoop zaken die niet bij elkaar kloppen. En toch lijkt het hem te zijn: de leider van het AL-Team.

‘Always Losing’ staat er in grote, druipende letters op het werkkotje waarvan hij op de trap zit. Hoi, knikt Lee. Ik knik terug en steek mijn hand uit. Hij schudt hem. Ik zeg dat ik kom voor een interview. Lee wil me eerst niet geloven. Ik laat mijn kaartje zien. Hij lacht bij het woord ‘mafkees’ en staat op. Terwijl hij het trapje oploopt, gebaart hij dat ik hem moet volgen.

Binnen zitten drie zenuwachtige mannen met brillen. Één trekt nerveus van een astma-inhaler. Lee gaat zitten en schenkt een kop groene thee voor zichzelf in. Dan pakt hij wat suikerriet om erin te roeren. Voor de smaak voegt hij wat tarwegraspoeder toe. Hij legt uit dat het soms in je voordeel werkt om niet de allerbeste ergens in te zijn. “Iedereen streeft er altijd maar naar om de beste te zijn, de top te bereiken,” en hij sipt voorzichtig van zijn kopje om te zien of het te warm is of niet, “maar wij zijn de beste geworden in niét het beste zijn.”

Ik knik alsof ik het begrijp, maar mijn blik verraadt me. Lee kijkt me grinnikend aan. “Mensen hebben het nodig om te triomferen over een ander. Dat versterkt ze, dat motiveert ze. Het maakt ze trots. De leden van ons team zitten niet zo om trots verlegen. Wij hebben liever wat geld.” De inhaler-man knikt driftig: “Medicijnen zijn niet goedkoop, weet je. En de ziektekostenverzekering tegenwoordig al helemaal niet.”

Lee neemt een slok maar trekt direct een gezicht alsof hij zijn gehemelte verbrandt. Hij zet zijn kopje terug in de schotel en morst daarbij lichtjes. “Enfin. Geen enkel land wil uiteindelijk écht verliezen. Maar soms wordt op hogere niveaus ingezien dat verlies de beste optie is. Hun eigen officieren en mankrachten willen ze dat niet aandoen. Dan huren ze ons in.” Met een nagelknippertje werkt hij voorzichtig zijn vingernagels bij.

Of dat echt zoveel betaalt dan, vraag ik verwonderd. “Ach, jongen,” lacht Lee. “Als je je trots opzij kunt zetten, kun je zoveel verdienen als je wil. Wij hebben inmiddels, namens diverse landen, al drieëntwintig oorlogen verloren. Met stijl, mag ik toevoegen. Kapituleren, hoogverraad, desertie, muiterij, we hebben het allemaal gepleegd. Heel af en toe mogen we een coupe faken. Dat is mooi werk: doen alsof we winnaar zijn, en dan ondertussen de oude regering veilig het land uit smokkelen. Niemand die iets doorheeft, iedereen blij. Wij maken de ‘helden’ heldhaftiger.”

Ik weet werkelijk niet wat ik hoor. Benieuwd informeer ik naar de specifieke landen en oorlogen waarvan Lee spreekt. Hij wuift me weg: geheimhoudingsplicht. “Ga er maar van uit dat de meeste spectaculaire overwinningen die je kent, van ons waren. Of nja, tegen ons. Uiteraard. Wij zwaaien in die situaties met graagte de verliezende vlag. En het maakt ook niet uit welke oorlog, er is overal strijd. In vroeger tijden,” lacht hij met een sprankje ontroering in zijn gezicht, “mochten we zelfs wel eens een voetbalwedstrijd verliezen. Is ook een beetje oorlog. Kwestie van goed genoeg lijkende vermomming, en nét slecht genoeg spelen. Beetje je best doen en dan kon je ineens je inkomen halen uit schaduwvoetbal. Leuke tijden waren dat. Maar ja, daar kom je met de huidige beeldkwaliteit niet meer mee weg.”

Hij veegt een klein traantje weg. “Die Schwalbe, en dan 2-1 laten worden. Machtig waren die tijden. Echt machtig.”

Net als in de film


Verhaal door René van DensenIn een film is alles mooier. En ook alle vervelende dingen zijn uiteindelijk niet écht. Geloofwaardig, af en toe, maar niet echt. Daarom besloot ik van mijn leven maar een film te maken. Kijken of het daar leuker van wordt. Wie weet zou het nog wat opleveren ook. Aan een film valt geld te verdienen. Ja, hoe meer ik erover dacht, hoe meer ik het zag zitten. Dit kon niet misgaan. Natuurlijk kon het wel misgaan. Alles wat ik onderneem kan misgaan. Maar als dit misgaat, dan gaat het meteen ook niet helemaal echt mis. Net als in de film.

Maar ja, wordt maar eens een film. Ik begon, zoals dat bij mijn generatie hoort, met voornamelijk eerst heel hard een film te zitten te willen zijn. Als je iets maar hard genoeg wil, namelijk, zo is me altijd geleerd, dan gaat het wel lukken. En willen, dat kan mijn generatie wel. Ik heb er wat meer moeite mee, maar hier heb ik het wel voor over. Dus zit ik me kapot te willen op mijn bank. Van ’s ochtends tot ’s avonds wou ik er wild op los. Ik ging er eigenlijk wel van uit dat dat genoeg zou zijn. Maar ik werd geen film. Het was heel vreemd. Ik heb toch vooral keihard gewild. Net als in de film.

Misschien was ik postmodern of zo, anders. Of hoe die films ook heten waarin de dingen juist helemaal niet lukken. Waarin alles naar de verdoemenis gaat. Dat zijn stomme films. Het moet juist goed gaan. Mijn dagen moeten allemaal cliché-eindes krijgen. En dan, als ik in slaap val, bloepers en outteeks. Ik wil geen realisme. De echte wereld is helemaal niet leuk. De echte wereld is stom. Niemand wil zich met de echte wereld bezig hoeven houden. Ik wil een luchtig, vrolijk liedje zijn. Zo eentje die je neuriet. En niet meer uit je kop krijgt, de hele dag. Net als in de film.

Ooit, met wapperende gordijnen


Verhaal door René van DensenIk had niets en zij had schulden. Maar we hadden elkaar en de droom. Ergens haat ik het om zoiets privés als dit uit te schrijven, maar we droomden beiden van wapperende gordijnen en schrijven. En voor de rest, verzonken in elkander, naar de kloten gaan. Soms ontmoet je zo iemand en denk je enkel, ja, als mijn leven toch moet ophouden, dan maar zo. En even zag ik in haar prachtige ogen hetzelfde. Maar toen gebeurde wat altijd gebeurt: de realiteit. Wie ik ben, wat ik uiteindelijk doe, waar we uiteindelijk zijn. Voor mij is dat punt een verrrukkellijke, symfonische wake up call. Voor haar was het een schreeuwend, zeurend wekkergeluid.

En daar was ik weer. En natuurlijk ontmoette ik weer iemand. En die was nog erger. Alle clichés waren van toepassing. Ze wou me veranderen. Ze wou mij ketenen. Ze wou mij in andere kleding en met ander haar. Ze wou mij in een betere baan. Ze wou mij zoals ze altijd gedroomd had dat de, dé kerel was. En ik wou haar. Dat was mijn grootste fout. Ik wou haar meer dan de vrouw die me niét wou veranderen. Het is een liedje zoals een bluesschema: niks verandert.

En toen was er niks. Dat is niet waar. Toen was er een kat. Ze was ooit een kleine kitten. En toen was ze een dame. En zelfs katers in de buurt kwamen haar aanbidden, medische ingreep of niet. Allebei. Elke avond nog jankt hij aan mijn woonkamerraam. Ik wil hem zelfs een kans gunnen. Hij was zo schattig dat hij zelfs al meerdere dode muizen is komen brengen. Niet om mij, maar om mijn meisje. En zij moet hem niet. Ik zou haar haast willen slaan. En hem ook. Besef een keer waar je mee bezig bent, vertel ik haar elke ochtend.

En dan realiseer ik me weer wat ik allemaal aan het verknallen ben. Meestal begin ik daar de alcoholconsumptie van de dag. Want ik wil vergeten. Ik wil vergeten wat ik had, wat niet paste, wat misschien nooit meer op mijn pad komt. Ik wil vergeten hoe ik fout ben voor iedereen. En al drinkende, word ik fouter. Het is ook een manier van bestaan. Spreek me maar eens tegen. Ondertussen drink ik me dieper mijn dal in. Soms vraag ik me af wie harder gered moet worden: de prinsessen die wachten op hun prins, of de verloren kerels die hopen op één touw in het drijfzand. Het ergst zijn zij die hun drijfzand boven alles verkiezen. En dan durven klagen over het uitzicht. Waren er boven maar wapperende gordijnen. De inkleuring telt ook.

Moeras


Verhaal door René van DensenDe caissière kijkt me ongeduldig en serieus aan. Ze herhaalt haar vraag. “Hoeveel weegt een kilo veren, meneer ?” Ik sta klaar met geopende portefeuille, licht naar haar gebogen, waarschijnlijk een diep ongelovige blik op mijn gezicht. Ik ben stomgeslagen. Zacht schraap ik mijn keel: “Pardon ?” Ze zucht, en wijst op een bordje aan de muur. Daar staat het ook. “Hoeveel weegt een kilo veren ?” Ik antwoord schuchter dat ik geen expert ben, maar dat het vermoedelijk een kilo weegt. Daar knikt ze stilletjes bij en vervolgt: “Hoe Lang is een chinees ?” Ik kijk naar de mensen achter mij in de rij, maar die kijken vooral vol ongeduld naar mij. Ik knik maar wat en zwaai met mijn betaalkaart.

Buiten staat een man met vieze kleren en een stapel daklozenkranten. “Waarom zijn de bananen krom ?” roept hij naar me. Ik sta weer met mijn mond vol tanden. Hij knikt vriendelijk, maar vraagt toch wat dringender: “Waarom zijn de bananen krom, meneer ?” Haastig loop ik verder en schud met mijn hoofd van nee. Wanneer ik mijn karretje in de rij terugplaats. rent er een vrouw met een winkelwagenmunt tussen haar vingers op me af: “Het is groen en hangt achter de auto, ra ra ?” Ik kijk haar verwilderd en bevreemd aan, ram mijn wagen in de rij, pluk haastig mijn eigen muntje eruit en loop haastig en met een ruime boog om haar heen. Verontwaardigd staart ze naar me. Haar ogen schieten vuur.

Onderweg naar huis houdt een koppeltje met een kaart me staande: “Waarom stak de kip de straat over ?” Even verderop staat iemand te zweten en worstelen met het verwisselen van een autowiel en wenkt me: “Ik ben toch niet gek ? Ik ben toch niet gek ?” Paniekerig fiets ik harder door en probeer alle vreemde vragen te negeren. Hoe harder ik dat probeer, hoe meer ze me omcirkelen. Thuis gooi ik de deur direct achter me op slot, sluit de ramen, en zet de televisie aan. Een donkerbruine moerassstroom aan vragen stroomt mijn woonkamer binnen. Paniekerig druk ik op de afstandbediening, maar de TV gaat niet meer uit. Snel stijgt de stinkende brij en ik word spartelend verzwolgen. Net voor de eindeloze brij me opslokt, vraag ik me af waarom er nergens de juiste vragen tussen zitten. En dan wordt alles zwart.

Niksdag


Verhaal door René van DensenIk maak altijd wat mee. Maar vandaag toevallig niets. Waar ik ook ga, wat ik ook probeer, er gebeurt niets noemenswaardigs. Geen gebeurtenis die er uitspringt, geen mens die opvalt. Geen vogeltje zoeft vervaarlijk laag over mijn hoofd en geen gekke brief valt op de mat. He-le-maal-niks. Er is ook niets bijzonders op teevee, er drijft niks geks in mijn koffie, en zelfs de poes doet niets ongewoons. Het is een ultieme niksdag. Je merkt het aan alles. Er gaat niks gebeuren, er valt niks aan te onthouden: deze dag zal onzichtbaar in de grijze brij vergetelen. Hij zal uit je geschiedenisboekjes weggelaten worden. Het is een dag die er ook moet zijn, maar waarom, dat kan niemand je uitleggen.

Aangezien je maar zoveel dagen hebt – de voorraad komt uiteindelijk écht ten einde, is me verzekerd – probeer je er eerst iets van te maken. Elke dag moet toch memorabel te maken zijn. Maar wat je je ook probeert te bedenken: iets geks om te gaan doen, iets interessants, iets belangrijks meemaken – niks schiet je te binnen. Van vandaag valt niks te maken. Dat heb je met de niksdagen. De niksdagen zijn die legers aan taken en gebeurtenissen die óók nodig zijn. Zo af en toe moeten die in één dag gepropt worden. Dat je aan het eind van de dag je verbaasd afvraagt wat je gedaan hebt, met je dag. Ja, niks dus. Althans, veel meer dan je denkt, maar je herinnert je er niks van. Dat je alle routinetaken die gedaan moesten worden, af hebt, dat dringt niet door. Dat je rust in je kop hebt genomen zodat er weer een volle storm in kan woeden, dat besef je niet. Het viel allemaal in het zwarte gat van de niksdag.

En nu je er plots wél aan denkt, is het best bijzonder eigenlijk, zo’n niksdag. Eigenlijk is het een Niksdag. Met een grote letter èN. Fijn dat hij er is, die Niksdag. Voor alles dat je eigenlijk maar Niks vindt. Het wordt de hele dag een Niksfeestje. Je hoeft er niet speciaal bij stil te staan met cadeautjes of zoenen op de wang, nee, Niks hoor. Je kunt het vieren door te Niksen. Of om Niks bijzonders te doen. Je moet oppassen dat het geen reusachtige feestdag wordt. Met allemaal commerciële vondsten die al snel verplichtingen worden. Dat mensen je een Fijne Nixdag wensen. Ja kijk, nu heeft het al een speciale letter x waar die niet hoeft. Daar ga je al. Je hebt het verpest. Reddeloos en treurig glipt de Nix, de Niks, de niksdag door je vingers. Het is een suffe ietsdag geworden. Nu moet je er wat mee. Nu moet je iéts. Dommerd. Het had zo’n mooie niksdag kunnen worden.

Zal ik anders een gedicht toevoegen ?

  • Ja, anders is het maar niks. (67%, 2 Votes)
  • Nee, gedichten vind ik niks. (33%, 1 Votes)

Total Voters: 3

Laden ... Laden ...

Tachtig


Verhaal door René van DensenTachtig werd hij. En het volk stroomde toe. Ik stond erbij terwijl een keur aan artiesten én publiek luidkeels zijn liedjes zong. De liedjes van de man, de legende, de vader van de Feesten. Het zijn de vijvenveertigste Feesten en waarschijnlijk zijn laatste. Althans, iedereen die ik ken die aan komt waaien, zegt dat. Zo gaat dat op de Feesten: je komt overal bekenden tegen, even, en dan zijn ze weer in een nieuwe richting voort. En je praat kort en vrolijk en oppervlakkig met elkaar. Maar één ding klinkt unaniem uit hun kelen: Het zijn de laatste Feesten voor Walter.

Het is écht gedaan, fluisteren ze geheimzinnig, alsof ze contacten met hem en zijn familie hebben die de pers niet heeft. Een samenzweerderige buig naar me toe wanneer ze dit zeggen. En nog frappanter: zeker zes mannen, die elkaar allen niet kennen, melden mij, al aanwaaiend en daarna weer doorwaaiend: “Ik heb nog met zijn dochter gefoefeld.” Even vraag ik me af of dat allemaal om dezelfde dochter gaat. Mijn langst plakkende gezelschap lacht: “Nee nee, pas op, hij heeft er drie hè.”

Walter doet ondertussen zijn best om mee te zingen. Ik schiet een ietwat vol als ik op het groot scherm een close-up zie van iemand die worstelt met zijn eigen liedjes. Of dat de emotie is of de ziekte, is me niet duidelijk. Maar het hele plein, en de tientallen artiesten op het podium, brengen de liedjes met des te meer verve en volume. Je zult tachtig worden en zo’n verjaardag mogen vieren. Nee, je zult tachtig worden en zo’n afscheid krijgen. Uiteraard hoop ik niet dat dit het eind is, dat er een wonder gebeurt en dat hij de zesenveertigste, vijftigste, honderdste Feesten mag meemaken. Maar, en nu buig ik even samenzweerderig naar u toe, ik heb uit veel bronnen gehoord: het is écht voorbij. Laat ons dus nog eentje drinken. Op Walter. De man die nooit zal sterven.

Je bedoelt Walter de Buck !

  • Ik heb nog met zijn dochter gefoefeld. (71%, 5 Votes)
  • Nee maar echt, Walter de Buck is een held. (29%, 2 Votes)
  • Dat is een held. (0%, 0 Votes)
  • Dat is verdomme een held. (0%, 0 Votes)

Total Voters: 7

Laden ... Laden ...

Verslagenheid

Weer niks


Er hangt verslagenheid over de straten als ik naar het centrum loop. Verslagenheid en mist. Het is stil. Af en toe wordt de stilte doorbroken door dronken mensen met neerslachtige buien. Ze hebben vriendinnen, die minder gedronken hebben en hen naar huis loodsen. “We moeten hier oversteken,” zeggen ze. Her en der liggen prullaria die eerder deze avond pronkstukken waren, rondgestrooid langs de weg. Afgedankt. Opgegeven. Onnodig. Woedend terzijde gesmeten. Ze zijn goedkoop gemaakt, goedkoop gekocht, gekoesterd gedragen. Niet eens meer de rommelmarkt waardig, nu. Ik loop kalm. Ik weet niet wat ik moet verwachten. Een paar dagen geleden was ik in een ander land dat eenzelfde teleurstelling voor de kiezen kreeg. Die vierden hun nederlaag. “We zijn toch maar zo vér gekomen,” was het blondklaterend devies. Maar dat is niet het devies van het land waar ik nu loop.

Verveeld lopen politiepaarden, hun berijders hoog boven het ontgoocheld publiek tillend, door de met plastic afval bezaaide centrumstraten. Er is nog volk, maar geen feestsfeer. Er klatert geen tochmaarmooi-blond. Sommige mensen lallen nog onverstaanbare supportkreten terwijl ze in hun vlagkostuum over de weg zwalken. De afzethekken op de ringweg worden weggehaald: het is niet nodig het verkeer nog langer te hinderen. Het leven gaat door. Ik kom, met wat moeite, een nog goedgevuld café binnen. Aan de bar zit een vriend. Hij is kapót. Maar hij wil niet naar huis. Liever wil hij nog een vol glas. Als hij naar huis gaat is het echt.

Een paar goedgemutste halfslachtigen – het slag dat bij de overwinning om het hardst trots meegebruld zou hebben – tappen de enige na de andere sterke mop over de wedstrijd. Ik grinnik wat. Ik ben een van hen. Ik zou echter niet meegejuicht hebben, want mijn wedstrijdkater is al een halve week geleden. Ik ben een volledige landverrader geworden. Daar schaam ik me ook niet voor. In dit land wordt niet gevierd hoe ver men toch maar. Hier drinkt men met zure gelaatsuitdrukking. Een vrouw zit ingestort naast mijn vriend. Ze had voor het hele toernooi vrij genomen. Nu heeft ze dagen over. Nieuwe invulling voor vinden. Ik word benaderd door een schuchtere jongen. Op de promotionele hoodie die ik draag, prijkt een bedrijfsnaam die overeenstemt met zijn achternaam. Hij wil die graag hebben. Toch nog een positieve trofee aan de avond. Hij draagt een van bier en droefheid doordrenkt supportersshirt. Uiteraard mag hij zó mijn shirt hebben. Hij knuffelt me even. Ik hoor een onderdrukte snik. Of die voor de trofee of de wedstrijd was, dat weet ik niet. Sommige dingen vraag je niet.

Verschrikkelijk toch ?

  • Nee, kunnen we het eindelijk over wielrennen hebben. (80%, 4 Votes)
  • Ja, ik ben er nog kapot van, de drankrekening aan het eind van de avond. (20%, 1 Votes)

Total Voters: 5

Laden ... Laden ...

Een zak chipkaarten

Treinkaartjes

Het is wat gepruts, maar ik word er bij elke automaat handiger in. En hoppa, weer een stapel voor in de zak. Ik heb al een flink volle zak chipkaarten. Ze gaan heel veel waard worden. Per morgen zijn ze afgeschaft. Waardevolle verzamelobjecten. En nog helemaal ongebruikt. Ik ga er flink aan verdienen. Wie wat afschaft, heeft wat. Geef het een jaartje en de echte verzamelaars zullen gaan opbieden voor de laatste exemplaren. Ik heb ook nog echte guldens. En de vroegere treinkaartjes. Ik weet nog hoe die afgeschaft werden. Meteen toegeslagen. Er zijn idiote verzamelaars genoeg die veel geld bieden voor vanalles wat uit omloop is.

Goed dat ik aan mijn mondkapje heb gedacht. Ik probeer zoveel mogelijk van de scanner af te ademen. Geen liefhebber, trouwens, van het nieuwe systeem. Ja, natuurlijk valt het bijna niet te vervalsen. Iedereens adem is uniek. Maar ik vind het toch nog steeds een beetje vies. Op zo’n plaatje ademen. Waar talloze anderen op ademen, de hele dag door. Mensen met verkoudheden, mensen met een speekseloverschot, mensen die net lam met knoflook hebben gegeten. Het zal wel wennen, natuurlijk. Maar het idiootst vind ik nog de omroepers. “Is dit uw eindbestemming, vergeet dan niet uit te ademen.”

Misschien wordt de adem ook nog wel afgeschaft, ooit. Geen adem in, adem uit meer. Ook dan zal ik er als de kippen bij zijn. Flink wat adem inslaan. Maar voorlopig is dit het gangbare systeem. Ik voel even hoe zwaar de zak is. Flink wat. Ik til de zak chipkaarten op en loop er stilletjes vandoor. De nacht in. Althans, het zou de nacht zijn. Als die niet ook al drie jaar geleden afgeschaft was.

Erg he, al dat afschaffen ?

  • Ja, ze zouden dat afschaffen direct moeten afschaffen ! (50%, 1 Votes)
  • Nee, ik ben voor behoud van het afschaffen ! (50%, 1 Votes)

Total Voters: 2

Laden ... Laden ...

“Fuck the system !”


“Fuck the system !” Sinds die uitspraak kon hij al niet meer kapot. Het volkje waar hij dagelijks bij aan tafel mag schuiven, is de directe taal niet gewend. Dus leeft hij zich uit op zijn botte, harde uitspraken. Lekker erop los klagen. Verrukkelijke sound bites waar de kranten de volgende dag van smullen. Hij is in vorm. Zonder schroom noemt hij hun koningin een ‘wilde meid’, knalt hij erin dat hij ‘een Anderlecht icoon’ is, en wat al niet meer. ’s Avonds in het hotel kijkt hij uiteraard terug wat hij allemaal eruit geflapt heeft, en valt dan grinnikend in slaap. Ze lopen met hem weg. Als de opa op het barbecue-feest die net lollig genoeg moppert dat iedereen moet lachen. En, aangemoedigd door het gelach, moppert hij nog harder en enthousiaster. Want alles is kút en hij mag het roepen. Ja, hij zit lekker op zijn plek.

Maar dit had hij toch niet verwacht. Klop op de deur. Woest aantrekkelijk meisje in provocatieve kleding. Ondeugende oogopslag. Ze knipoogt en stelt zich voor. “Hallo – ik ben the system.” Ze giechelt. Hij nodigt haar binnen uit, want het schroomloze bloed stroomt nog lustig. Paar relativerende grapjes, alsof er ijs gebroken moet worden. En toch knaagt er iets in zijn kop. Hij had nog ooit een bijrol in een filmpje, met zo’n zelfde soort situatie. Toen moest hij spelen dat het hem toch niet lekker zat. Tegenover een betoverende tegenspeelster. Die leeftijd, de in zijn ogen misplaatste aanbidding. En nu zit hij hier potverdorie in het echie in dezelfde situatie. Paar glaasjes inschenken dan maar. Even uitstellen wat er staat te gebeuren zodat hij het kan beschouwen.

Want tja, is hij nog wel fit genoeg ? En dit is dan wel geen loopspelletje, maar vaart zal er toch wel in moeten zitten. Misschien zelfs enig balbezit. Uiteraard ook gevoel, passie. Een kwinkslag over een enthousiaste vorstin, dat is speels, uitdagend, plagend. Maar dan zit je plots in deze situatie. Hoe oud zou ze zijn ? Frisse huid, jonge ogen. Dit zijn van die dingen die je met rode oogjes in een vunzig boek leest, maar nu zit je er maar mooi mee. En er wordt natuurlijk wat verwacht. Daarnaast: morgen moet hij weer scherp zijn. Nee, dit is echt allemaal niet zo handig. Voor hij het weet, zit hij na te denken over de basisopstelling en zijn reserves. Hij neemt nog eens een slok. Was hij maar een Anderlecht icoon. Iconen hebben het zo makkelijk: die hoeven niks met de werkelijkheid.

The system kust hem. Gatverdarrie, ook dat nog. Wat doe je dan, tja, dan kus je maar terug. Met je barstige lippen en je stramme lijf. Je voelt je jaren opeens en wenste dat je een soepeler lichaam had. Haar lippen persen op de zijne en grappen maken is er nu niet bij. Zijn rimpelige vingertoppen strelen, maar ook dat voelt raar, verkeerd. Ze had zijn kleindochter kunnen zijn. Of zijn achterkleindochter. Ze kunnen wonderlijke dingen op medisch gebied, tegenwoordig. Verdomme, had hij nu maar een goeie coach achter zich. Die iets in zijn oortje zei.

Moedig over

Er galmt een voice-over. Een vermoeide vrouwenstem kondigt aan dat de volgende halte, tevens het eindstation. Bagage en uitchecken. Al de gebruikelijke shit. Dan vervolgt ze: “Ook wensen wij u veel kijkplezier bij de wedstrijd vanavond en toi toi toi, dat we winnen mogen.” Passagiers lachen. De vrouwenstem klonk bij deze woorden nog net zo vermoeid. Ik heb medelijden. Maar mijn biertje is leeg en eigenlijk moet ik er hier ook uit. Bagage, uitchecken, al de gebruikelijke shit. Wanneer ik het blikje wil weggooien, zie ik het pas. Een flesje dat uit de treinvuilnisbak steekt. Ik zit er al minimaal veertig minuten naast en nu zie ik het pas.

Het flesje is niet leeg. Ik herken het goedje direct. Wodka. Schichtige blik om me heen: niemand in de coupé. Ik ruik onder de dop. Goed spul, wel. Stevige slok. En ineens besluit ik tegen bagage, uitchecken, al de gebruikelijke shit. Even rommel ik voor de zekerheid in mijn tas. Ja, ik heb het arsenaal in mijn tas. Sinds ik onregelmatig Poëzie Met De Hoed organiseer, heb ik altijd onvoorgedragen gedichten in mijn tas. Ik neem nog een grote slok. Goed dat iemand wat moed over heeft gelaten.

De trein staat op het punt van vertrekken op de terugreis. Goed vol. Ik wacht tot de conductrice weer vermoeid iets omroept. Dan loop ik naar haar toe. Ik vraag haar of ik anders gedichten mag voordragen over de intercom. Ik ben niet vermoeid. Ze is blij met me en ik krijg een kus op allebei de wangen. Dan lees ik mijn gedichten voor. Later zou de NS-woordvoerder vaststellen dat het een unicum is: in de totale geschiedenis van het treinverkeer is het nooit voorgekomen dat passagiers voor hun eigen trein sprongen.