Ik ben een van de laatsten, en voor een keer niet uit koppigheid. Of uit mijn eeuwige plakgedrag. Ik heb gewoon nergens anders waar ik heen kan. De overige bewoners in de wijk wel. Hun taak zit erop. Ze hebben de wijk van stom naar leuk veranderd. En nu moeten ze weg, want nu willen stomme mensen in de leuke wijk wonen. En de leuke mensen trekken weer door naar een plek waar de woningen goedkoop zijn. Waarschijnlijk weer een stomme wijk. Die ze dan ook weer voor zichzelf gaan verpesten.
Avond na avond spook ik door de straten en de verlaten huizen. De meeste bewoners hebben hun achterdeuren open gelaten. Er staan nog wat spullen binnen. Alles wordt gesloopt. Het idee is: pak van deze spullen wat je wil of nodig hebt, want we nemen het zelf niet mee. In de ene woning staat nog een ingestorte zitbank. In het andere huis een zwartgeblakerde waterkoker. Iedereen heeft hun lampen laten hangen. Gloeilampen. Overal gloeilampen.
Ik loop de woningen en flatappartementen in. Als een huisspook. Nee, de bewoners zijn de spoken. Alles ruikt nog naar hen. Hier hebben ze geleefd. Sommigen wel decennia lang. De geuren van alles wat ze gedaan hebben, kleeft aan de muren. Geuren van wanhoop en verdriet, van vreugde en ongebreidelde seks. Van eindeloze avonden met schraal bier en dromen over hoe de wereld verbeterd kan worden.
Er staan inkepingen in de deurposten. Kindjes. Gegroeid. Elk jaar weer een flink stuk. Daar zijn kilo’s haar van geoogst door de kapper. Misschien wel aan hun keukentafel. Een nichtje of tante die het nog aan het leren is. Er staan kunstwerken bij de afvalcontainers. Niet meer de moeite om mee te slepen. Prachtige, kleurrijke, erotische of tot stilte manende kunstwerken. Allemaal grofvuil nu. Daar goot ooit iemand zijn ziel in. Morgen wordt het opgehaald.
Ik ga op de koude betonnen vloer liggen in een van de flats. De straatverlichting werpt grillige lijnen langs de muren en over het plafond. Ik weet niet hoeveel levende, gevoelige, kwetsbare wezens er over deze vloer hebben gelopen. Er steken twee draadjes uit het plafond. Ik weet niet wat voor lamp er heeft gehangen. Er is enkel nog de geur. En ik. En mijn verbeelding.
Mijn keel is droog. Maar ik durf niet te kuchen. Ik wil de spoken niet verstoren.

