De Tragicus


Verhaal door René van DensenDe zon schijnt, maar dat maakt het enkel erger voor de tragicus. Hij staart naar het biertje dat ik hem gaf, uit medelijden. De tragicus zucht. Hij klaagt dat het biertje lauw is, en dat dat weer typisch is. Dan staart hij met toegeknepen ogen naar de zon. Daar komt ongetwijfeld dit jaar nog huidkanker van, meent de tragicus. Het is althans wel de verwachting. Ik zeg niet veel. De tragicus doet zo goed zijn best, dat ik het niet wil verpesten door een beetje mee droevig lopen te doen. Je moet een vakman wel de eer van zijn beroep laten.

Ik vraag hoe het erbij staat in de wereld van tragici dezer dagen. Of ze een beetje rond kunnen komen. De tragicus schudt het hoofd. Er zit geen geld in tragiek, meent hij. Veel tragici haken daarom af, en worden dramaticus of humorist. Dat is zo makkelijk, verzucht de tragicus. Een echte tragicus verlaagt zich daar niet toe, meent hij. De afhakers zijn de nagels aan de doodskist van de tragiek. Alsof er nog niet genoeg nagels geslagen waren door het klootjesvolk. Dat meent maar dat tragiek zo simpel is. Het is een kunstvorm uit de Oudheid, verdomme, mompelt hij monotoon. De tragicus ziet de toekomst van de tragiek somber in.

Het ergste is, zegt de tragicus, dat je hier natuurlijk weer over gaat schrijven. Met je blog. Ik zeg niks, maar was het eigenlijk wel van plan. Nu twijfel ik een beetje. Zo’n beschuldiging komt aan, maar verder maak ik erg weinig mee. De tragicus drinkt zijn inmiddels warme biertje met een vies gezicht. En dan denken de mensen, zegt de tragicus, dat ik maar verzonnen ben. Of erger, dat ik gebaseerd ben op iemand die je kent. Maar jij kent de échte tragiek niet, gluiperd, zegt de tragicus. Ik knik lafjes. De tragicus staat op, ritst zijn broek open en plast op me. Ik voel het warme vocht in mijn kleren trekken. Of de tragicus misschien nog een biertje wil, vraag ik dan maar.

Bezoeker


Verhaal door René van DensenDat is even fors wakker schrikken. Een heuse bezoeker ! Met een blik die ergens tussen extremen van onverschilligheid, leegheid, ongeduld en onbegrip bungelt, schuifelt hij binnen. Kijkt rond. Ik knik. Goedendag, meneer, zeg ik zachtjes. Hij kijkt me aan met halfverbaasde krentige varkensoogjes en kijkt dan verder rond. Het is wel even wennen. Een bezoeker op mijn website. Ik heb me hier de afgelopen maanden prima in mijn eentje vermaakt. Ik tel snel de stapel boeken die ik hier in verrukkelijke rust heb gelezen. Negenentwintig. Ik had verdorie bijna mijn dertigste uit. Ach ja. Het is natuurlijk goed, dat er een bezoeker is. Daar is de website voor opgezet.

Hij schuifelt langs de verhaaltjes. Kijkt ernaar zoals een verveelde toerist in een museum koekeloert, of zoals mensen zonder geld op zak langs rommelmarktkraampjes kijken. Ik voel bloed in mijn hals naar mijn wangen kriebelen. Het is natuurlijk ook gewoon prutswerk, dat zie ik meteen aan zijn blik. Hij heeft vast gelijk. Zo stom. Bouw je zo’n site, en dan een beetje denken dat wat je erop zet, interessant is. Natuurlijk niet. Hij bromt iets onverstaanbaars en schuifelt voort. Blijft even bij mijn biografiepagina staan. Schuifelt voort. Ongeacht de lengte van de pagina loopt hij in dezelfde bored click shuffle door het blog heen.

En dan schuifelt hij de zaak uit. Geen blik over zijn schouder, geen poging tot een groet, niks. Alsof de site gewoon hetzelfde is als de digitale snelweg buiten. Ik kijk beteuterd rond. Tja. In feite is dat natuurlijk ook wel zo. Zou ik hier zo lang blijven plakken als het niet mijn eigen stekje was ? Waarschijnlijk niet. Maar dat is het wél, schiet het door mijn hoofd. Ik haal even diep adem en denk, inderdaad. Dit is mijn stekje. Ik maak een nieuwe koffie, leg mijn voeten op mijn bureau en open mijn boek. Waar was ik ook alweer ?

Star Fucker en de weg naar vergetelheid


Verhaal door René van DensenAllebei doen we maar wat, vandaag. We zijn wel op een festival afgekomen met de interne belofte dat er veel vrouwelijk schoon zou zijn, maar we zijn ook intrinsiek eerlijk naar onszelf. Enerzijds in de coupé zit daar de Starfucker. Anderzijds zit ik. Allebei mannen waar geen vrouw op zit te wachten, en we weten het zelf ook heus wel. Dat maakt ons beiden zo vrij en stiekem een beetje interessant. En toch ook niet.

En zo lopen we beiden over een festivalterrein vol vrouwen die we niet dorsten aan te spreken. De Starfucker maakt er een hele zaak van, waar ik iets laconieker rondloop. Hij bestempelt sommige vrouwen als volledig buiten zijn ‘league’, wat ik niet begrijp, omdat de Starfucker niks meer of minder heeft dan een andere man. Ja – haar, wellicht. Maar ook daarvoor zijn vrouwen genoeg te vinden die dat onweerstaanbaar vinden. Eigenlijk heeft de Starfucker niemand tegen zich behalve zichzelf.

En zo reizen we onverrichterzake samen terug. Niemand van ons beiden ook maar enige oogopslag geoogst. Hij wil daar iets over zeggen. Maar we zitten in de stiltecoupé dus een vrouw vraagt ons of we stil kunnen zijn. Wat ze niet weet is dat de Starfucker net zijn tweede grote boek heeft gepubliceerd. Ook blijkt het kutwijf niet eens haar kaartje ingechecked te hebben. De Starfucker en ik bijten op onze tong om stil te blijven, vooral niet in lachen uit te barsten. Het wijf zal snel vergeten zijn. Ik ook. Maar de Starfucker, die rest enkel een legendarische tocht richting de vergetelheid. Die hij, zwaaiend met een hoed en jiehaaaa roepend, tegemoet zal snellen. Hij hoopt vooral dat het stiltecoupéwijf hem niet wacht, aan die horizon.

Poster


Verhaal door René van DensenToen alles voor me veranderde, raadde een goede vriend me aan om een poster op te hangen. Een poster van de stad waar ik eigenlijk heen wil. Zodat ik die alle dagen zal zien, dat die me eraan zal herinneren, en dat ik toe zal werken naar dat doel. Dus dat deed ik, want de vriend in kwestie heeft soms best goed advies. Natuurlijk, sinds de poster er hangt, herinnert hij me er vooral aan dat ik steeds verder van die stad verwijderd raak, maar ja, dan moet ik maar geen poster aan mijn muur hangen in een van de lastigste werkzoekperiodes van de afgelopen decennia.

Zo’n poster een beetje logisch ophangen valt nog niet mee. Allereerst: vanaf welke plek ga je ‘m het vaakst zien ? Ik kan ‘m voor mijn raam hangen, maar dan krijg ik minder daglicht binnen en dat is zonde. Bovendien kijk ik, wanneer ik eens voor het raam zit, eigenlijk bar weinig naar het raam en beduidend meer naar een laptopscherm. Dat is dus zinloos. In de poster staat een standbeeld heel intenzief te wijzen. Pakweg in de richting van de fotograaf, maar veel hoger erboven. Je zou dus kunnen redeneren: laat dit beeld lekker in de richting van de stad zelf wijzen. Maar dan hangt de poster ergens waar ik echt nóóit kijk. Bovendien is mijn huis niet ideaal gepositioneerd daarvoor: als hij er volledig rechtstreeks naar moet wijzen, hangt hij ergens schuin verpletterd achter een paar kasten. Nee, dat is echt niet handig.

Nu hangt de poster dus ietsje meer in de richting van waar de stad zelf ligt. Alsof ik, weliswaar ietsje uit de richting, pal die stad in kijk. En daar een standbeeld naar mij reikt. Alleen hoger, boven mij. Het vaakst zie ik de poster als ik in bed lig. Dan denk ik, hallo standbeeld, ik lig hier hoor. Met je gereik. Joehoe. Standbeeldje. Je zit he-le-maal fout te zoeken, standbeeld. En dan besef ik me weer: dat beeld wijst helemaal niet naar mij. Zowel het standbeeld als de stad in kwestie hebben mij helemaal niet nodig. Sterker, waar het standbeeld wél heen wijst, dat is vanaf deze locatie wéér een andere muur. Maar die muur is veel te ver weg. Dus laat ik hem maar zo hangen.

Mannen


Verhaal door René van DensenIn het nieuws en op het internet lees ik een boel vrouwen die boos zijn dat ze niet als gelijkwaardig aan mannen gezien worden. Dat is, helaas voor hen, niks nieuws. Dit lees ik al heel lang in het nieuws en op het internet. Of dat boos zijn helpt, weet ik dus niet. Of het, ha ha, kwaad kan, weet ik eigenlijk ook niet. Ik wil het heel erg met de vrouwen eens zijn. Gelijke rechten enzovoorts. Uiteraard. Volledig mee eens. Dat is mij ook van jongs af aan aangeleerd. En tegelijkertijd dat gedoe met deuren openhouden en zo. Ik vond het wat verwarrend, maar als je jong bent, is je geest flexibel en neem je veel voor waar aan.

Maar waarom ze in vredesnaam gelijkwaardig aan mannen zouden willen zijn, ontgaat me. Als ik om me heen kijk, op willekeurig welke dag, zie ik vooral bamislierten van mannen. Slappe thee. Gesopte koffiekoek. Gekleed in kleuren waar geen sprankje hoop meer uit spreekt. Sloffend van grijs gebouw naar grauwe auto. Stiekem hun stropdas extra strak opgestropt. Hopen dat ze eerdaags genoeg lef hebben om de boel helemáál dicht te binden. Sleuren zich bepakt en moegezweept door de dag en de rest van hun levens. Koffers aan hun arm die elke dag zwaarder lijken te worden. Hun pleziertjes zijn dat ze af en toe mogen ontsnappen aan de sleet, wat ze dan op een voorspelbare en ook alweer sleurderige wijze doen. En dan nog de mannen die opkijken naar de opgestropten. Vanaf het terras, met morsige T-shirts aan en het eerste biertje van de dag op tafel. Dat vrouwen hier gelijkwaardig aan willen zijn, zie ik als een gebrek aan ambitie. Maar dat ben ik misschien.

Ik ben geen haar beter. Dat zie ik in de spiegel. Ik heb veel haar, dus ik ben heel véél niet beter. Met mijn vingers strijk ik over mijn wangen. Droge, vettige baardharen. De huid eronder begint weer moeilijk te doen. Eigenlijk moet ik me scheren. Ik vraag me af waarom ik me niet meer scheer. In mijn ogen zie ik dat ik geknakt ben. Dat is nieuw. Verwondering daarover borrelt evenwel niet in me op. Ik buig naar mijn spiegelbeeld toe en leun mijn voorhoofd tegen het zijne. Zo houden we elkaar nog net staande. Even. De spiegel is nog vies ook. Het interesseert niet. Of ik nog wel scheerzeep en mesjes in huis heb, geen benul. Zelfs geen idee hoe ik de komende vijf minuten verder moet in dit leven. Ik schijn een man te zijn. Echt, begrijpt u die vrouwen wellicht ?

Bril


Verhaal door René van DensenHet brilmeisje op TV kijkt er wat vies bij. Ze heeft een strenge knot en een hip dik montuur. Ze kijkt zuinig. Het onderwerp gaat blijkbaar over het fenomeen dat mensen waarmee je uit bent, tussendoor op hun telefoon kijken. Er zitten dan, volgens het zuinigkijkmeisje, ineens allemaal andere mensen in het gezelschap waarmee de ander zit te praten. En zij niet. Dat vindt ze duidelijk maar niks. Ze vraagt zich af hoe de ander het zou vinden als ze daar ter plekke een boek zou openslaan. ‘Even een alinea lezen.’ De presentator zegt dat dat een goede vergelijking is. Hij zegt dat het gesprek zo hier even op doorgaat, maar eerst kijkt hij even naar de meldingen van Twitter. Niemand lacht om de ironie.

Het brilmeisje komt ook niet meer aan het woord. Het gesprek wordt geforceerd in de richting van een nieuwerwetse projectiebril. Een trèntwatsjer, een kale man met extreem blauw brilmontuur en knalrood pak, toont de projectiebril. Als u dit leest rond de tijd dat ik het schrijf, dan kent u ‘m wel. Als u dit over een paar jaar leest, denkt u wellicht: ‘O god ja, dat ding.’ Het is wat, communiceren via tekst. Misschien klinkt dit wel heel rechtstreeks aan u gericht. Dat ik nu even uw volle aandacht hebt. U luistert. In werkelijkheid ben ik allang weer iets anders aan het doen. Als u hierop reageert, moet ik eerst terugzoeken waar het over ging. U ziet het ook weer door een andere bril dan ik.

Zowel de trèntwatsjer als het knottige brilmeisje lijken me geen leuk gezelschap. Mocht ik met hen tijd moeten doorbrengen, dan zou ik waarschijnlijk een internettelefoonding kopen. Gewoon om ze te kunnen negeren. Dat ze lekker kunnen snoeven. Want het is onbeleefd en heel erg slecht en de wereld gaat hieraan kapot. Misschien wordt het brilmeisje zo kwaad dat haar knot losschiet. Hoe dan ook hoop ik dat die blauwwitte trèntwatsjer er sowieso verder niet bij is. Met zijn bril.

Schaamplek


Verhaal door René van DensenBuiten gebeurt vast vanalles, te horen aan bedrijvige autowielen en af- en aanwaaiende basdreunen in de verschillende vertes. Ik zit binnen prima. Dit is een goede schaamplek. Even in mijn eigen hoekje wegkruipen, omdat ik weer van alles een puinhoop gemaakt heb. De schade beperken is binnenblijven. Dan kan er niet veel misgaan. En gaat er iets mis, is enkel de kat er ooggetuige van. Zij ligt voor op mij: het aantal onhandige net-niet sprongen dat ik haar heb zien maken – en waarna ze, kat eigen, zichzelf zo nonchalant mogelijk likt alvorens een geslaagde tweede sprong te wagen – is groter dan de missers waar zij toeschouwer van was. Bovendien snapt ze van de helft van mijn fouten niet dat het fouten zijn. En zelfs bij bijvoorbeeld een struikel over mijn eigen voeten, gaat ze niet staan lachen. Nee, dan slaat ze eerst een stuk op de vlucht, om van een veilige afstand geschrokken te kijken wat er in vredesnaam gebeurde. Ze is mijn ideale gezelschap.

Die verloren dag, dat vond ze ook prima. Papa was thuis en zijn schoot was warm. Bijna de hele dag lag ze tegen me aan. Ondertussen lag haar Papa te balen, achteraf om niks. Hij was zo zeker dat zijn fiets gestolen was. Uiteraard stond die gewoon nog op slot op een terras. Je hebt mensen die met stijl en klasse door hun leven kunnen navigeren. En je hebt idioten die dronken hun fiets op het terras achterlaten. Een fiets die ze enkel moesten nemen omdat ze niet bijtijds thuis vertrokken en zich vervolgens moesten haasten. En die een engeltje op hun schouder hebben, dat het ding er zesendertig uur later nog blijkt te staan. Dat dan weer wel. Zonder één krasje. Althans, geen nieuw krasje. Inmiddels alweer in de achtertuin geparkeerd. De achtertuin van mijn schaamplek. Met een onbekommerde poes.

Maar is het een schaamplek of een schuilplek ? Is het een plek om te bezinnen hoe lomp je met je leven bezig bent, of een plek om vooral niet aan het leven te hoeven deelnemen ? Wat is het toch met die muren ? Poes boeit het niet. Poes heeft eten, drinken, vlindertjes om op te jagen. Een warme schoot. Voor haar is het schaam- noch schuilplek. Slaapplek. Etensbak. Ze heeft niet zo’n last van zichzelf vergelijken met haar soortgenoten. Ze ligt zich niet te schamen om hoe ze bezig is, of hoe alles anders en beter zou kunnen. Hoe ze minder lomp zou kunnen zijn. Het maakt haar niet uit. Traag likt ze haar achterpoot. Met tevreden toegeknepen ogen zucht ze even.

Uitgekreukeld


Verhaal door René van DensenNog altijd kreukel ik te makkelijk. Een gestolen fiets, notabene, en ik ben een dag uit de running. De hele dag lag ik gisteren op de bank en kon de wereld de pot op. Ik was er dan ook weer te gehecht aan geraakt. Altijd als ik écht dol ben op een fiets, wordt die gestolen. Dat mag dus blijkbaar niet, dat ik een vervoersmiddel heb waar ik blij mee ben. En ditmaal is hij zelfs uit een bewaakte stalling gestolen. Onbegrijpelijk, maar dat kan dus blijkbaar ook. Ik ben er eigenlijk nog steeds niet goed van, maar dat verandert er verder niks aan. Wat wel blijkt, is dat gekreukel.

De vouwen en kreuken worden dieper wanneer mensen, heel lief, met andere fietsen komen aanzetten. Ik wil antwoorden dat dit niet zomaar een fiets was, maar dat daar tijd, nieuwe onderdelen, liefde, poetswerk, trots in geïnvesteerd was. Dat je zo’n fiets niet zomaar vervangt. Dat hij bovendien bijna klaar was voor een echt lange tocht. En dan liefst een lange tocht naar mijn favoriete stad. En nu is alles weg. Zo’n andere fiets is lief aangeboden, maar dit was mijn fiets. Het is bijna zoiets als dat je vriendin je verlaat en vrienden dan maar met een willekeurige andere vrouw aan komen zetten. Je snapt de bedoeling, maar het is niet hetzelfde. Wat weg is, is onvervangbaar.

En zo bal ik mezelf een dag in mijn kreukels. Het wordt steeds moeilijker de wereld in te kijken. Het zouden ook zomaar twee dagen kunnen worden. Wat maakt het uit. Niks komt meer goed en alles dat me afgepakt kan worden, wordt afgepakt. Je moet ook nergens om geven. Dat je die les nu nog niet geleerd hebt. Met je domme, domme kreukels. Het ligt aan jou, niet aan hen. Wees onderhand maar eens uitgekreukeld.

Bijna


Verhaal door René van DensenHet duurt nog maar een paar uur. Dan is het eindelijk zo ver. Ik staar uit het raam. Het voelt alsof ik elke wolk al talloze keren eerder heb gezien. De wijzers van de klok gaan al bijna achteruit. Schiet op, tijd ! Ik loop wat heen en weer door het huis. Daar win ik een minuut mee. Het is verschrikkelijk. De zenuwen, vooral. Wat als hij tegenvalt ? Dat kun je natuurlijk nooit zeker weten. Kan best. Zeker als je er al zo lang op wacht. Ik kijk uit het woonkamerraam. Het is net of ik alle voorbijgangers al talloze keren eerder heb gezien.

Ik maak koffie en wat eten. Geen pieppiepmaaltijd: ik doe mijn best om écht iets te koken. Misschien dat dat ook nog wat tijd kan helpen overbruggen. Het helpt niet dat ik een kater heb. De hele wereld kruipt stroperig. Ik heb onvoldoende ingrediënten in mijn koelkast voor bijna alles dat ik me kan bedenken. Even denk ik na, met de deur open. Ik kán natuurlijk even boodschappen doen. Is ook tijdrovend. Maar zo ver wil ik ook weer niet gaan. Niet op een lege maag. Het wordt een ei. Op brood. Dat ligt in de vriezer. Ei met kaas. Man, wat heb ik daar ineens ook een zin in.

Ik smul. Het ei ligt tussen twee boterhammen op mijn bord en dampt. Het smaakt goed. Ik kan dit wel. Dit wel. Kauwend op het laatste beetje van deze lunch strek ik me uit op de bank. Ik kijk naar het plafond. Het is net of ik dit plafond al talloze keren eerder heb gezien. Hoe lang wacht ik nu al ? Ongeveer zo lang als een gemiddelde zwangerschap, reken ik uit. Lang. Om te wachten. Op een film. Maar vandaag ga ik ‘m zien. Met mijn goede vriend, de Opperpater. In de bioscoop. Bijna zover. Enorm veel zin in. Ik boer een eiergeur. Hola, denk ik, terwijl ik op de klok kijk. De tijd vliegt ineens. Als ik niet uitkijk, moet ik me zo nog haasten ook. Die eeuwige haast ook altijd. Bijna wil ik niet eens meer naar de film. Als het zo moet. Laat maar: ik denk het wellicht te snel en te vaak.

Rusland boycot Nederlandse komkommertijd


Verhaal door René van DensenMOSKOU – de situatie tussen Rusland en het Westen wordt steeds meer gespannen. In het verlengde van hun boycot op groenten en fruit gaat Rusland nu ook de komkommertijd op de Nederlandse media boycotten. Op massale schaal wordt er nieuws geproduceerd en volgen de belangrijke gebeurtenissen zich op. “Moeder Russia laat hiermee haar belang merken,” aldus Poetin. “Als eerste gaan alle human interest verhalen eruit. Wij Russen doen niet aan human interest. Dat is een Kapitalistische term. Waar wij ons enorm tegen verzetten.”

Ook het programma Zomergasten moet op de schop. “Jammer van de kijkcijfers, maar je zit dus uren te kijken naar twee mensen die praten. En dan TV fragmenten tonen. En vervolgens gaat heel Nederland er de volgende dag ook weer over praten. Dat is ons veel te veel gepraat. Dus gaan we het Russische topprogramma Vechten Met Beren uitzenden. Tijd voor actie. Alle gevechten vinden plaats tussen Russische inwoners en beren en worden live uitgezonden. Zodat het nieuws is.”

Als gevraagd wordt hoe lang de komkommertijd zal verdwijnen, fronst de Russische leider. “Tot in de pruimentijd,” bromt hij.