A.Storm, superheld.


Verhaal door René van DensenDe seconden op zijn horloge tikten hard, maar verbeten zette hij voort. A.Storm, superheld zonder weerga, gaf zich niet zomaar gewonnen. Als hij nog even met al zijn macht zijn handen samenkneep, was de stalen ondersteuning herversterkt en kon de wolkenkrabber de naderende aardbeving weerstaan. Het metaal piepte en knarstte maar het lukte. Bij de eerste rilling van de aarde stond het megalomane bouwwerk stevig genoeg om er de komende vier decennia weer tegen te kunnen, en niemand in het hele pand wist dat A.Storm hen gered had. Daar was hij te bescheiden voor, A.Storm. Hij was al in razende vlucht onderweg naar de volgende noodtoestand. Joe, dacht hij bij zichzelf. Maar niet te lang, want het bezigen van hippe uitdrukkingen getuigt van een zwakke geest en dient derhalve enkel in ironische context plaats te vinden.

Amper ter plaatse zag A.Storm meteen al wat er aan de hand was. Dit snode plan kon enkel ontsproten zijn aan het brein van… jawel, daar zag hij het welbekende sylhouet van Doctor Drausenball. “Doctorr Drausenball !” riep A.Storm de psychopatische superschurk ten halt, met zijn signature imposante bulderende R. “A.Storm !!” piepte Drausenball schril. “Herr Doktorr, de schurk die zich het eeuwige leven bekwam door Hitler zijn linkerteelbal te doneren,” zei A.Storm, terwijl hij wijdbeens in het pad van Herr Doctor ging staan. Stom, die expositie, volledig onnodig, schoot het door zijn hoofd, maar het had effect: gevleid vergat de Doctor even zijn gruwelijke plannen. Exact lang genoeg voor A. Storm om de vijfvoudig gelaagde nucleaire bom te ontmantelen en de Doctor in de kraag te vatten.

A.Storm twijfelde even wat te doen. Hij had al menig schurk als de Doctor ingerekend, maar die achterlijke sterfelijke mensen lieten ze steeds ontsnappen. Het zou zo makkelijk zijn om hem eventjes, slechts eventjes, de ruimte in te slingeren. Gewoon, een seconde of twee. Net genoeg dat al de zuurstof in zijn hersenen… ach nee, dacht A.Storm. Zonder mensen als de Doctor zou zijn werk maar saai worden.

Of nu ja, saai… De dag was nog niet half om of hij had al achttien natuurrampen net op tijd gestopt, vier superschurken ingerekend, de liefde bedreven met achtendertig prachtige vrouwen, zijn dagelijkse topoverleg gepleegd met alle grote wereldleiders, en een wasje gedraaid. Zoveel superhelden-outfits had hij niet en ze wilden wel eens vies worden. Welgeteld had hij nooit rust. Laatst was hij een weekje op vakantie gegaan. Japan was de klap nog niet te boven.

Verdorie, schrok A.Storm terwijl hij op zijn horloge keek. Al zeven voor twaalf. Ik heb een deadline ! In een wervelende vaart verwisselde hij zijn superheldenkostuum voor een geruiten overhemd. Snel woelde hij zijn perfecte haar wat door de war, om nog hooguit een knullige gelijkenis te vertonen met zijn superalterego. In het dagelijks leven was A.Storm namelijk een schrijver en een recensent, om niet ontdekt te worden. Hij schreef onder het pseudoniem AHJ Storm. Via zijn zolderraam vloog hij zijn werkkamer in.

Ongeduldig rukte hij de envelop open die al drie dagen op zijn bureau lag. Natuurlijk lag die envelop er al drie dagen, hij had het druk gehad ! De wereld redde zichzelf niet, potverdorie. Deed ze het maar. Maar hij dwaalde af en de tijd drong. De kaft van het te recenseren boek zag er klinisch uit. Nee he, dacht hij, toch niet weer zo’n schrijver die zonodig de menselijke conditie, met al haar zwakheden, gaat lopen te verkennen. Bijna zeven miljard van die slappelingen op één aardkluit, en millennia aan beschaving, en nog bleven ze maar emmeren over hun kwaaltjes en hun verliesjes en hun verdrietjes. A.Storm had geen zwakheden. Hij snakte naar een boek over die Supermenschlige Kondition. Anderzijds maar gelukkig dat ze zwak waren, die stervelingen. Als ze daadwerkelijk konden reiken naar de hoogten waar hij routineus naar opsteeg, zou het er maar druk worden.

Met de snelheid van het geluid, wat voor A.Storm behoorlijk aandachtig was, bladerde hij door het boek. Jesses. Dialogen. En, zag hij al meteen, sléchte dialogen. Inderdaad, de menselijke conditie. Ziekenhuizen, verdoving, doktersconsulten, bla bla bla. Saaie gesprekken, die niemand mogelijk ook maar iets zouden kunnen interesseren. Hij zou dit varkentje wel vlot even wassen.

Met een perfecte boog smeet hij het boek in de papierbak en stelde zich in zijn bureaustoel. Met de snelheid van het licht brandde hij het boek af – hij was al klaar met tikken en de toetsen smeulden nog na, terwijl Word nog bezig was met de eerste paragraaf. Geduldig wachtte hij een seconde of dertig tot de trage software de weergaloze A.Storm had bijgehaald, en verzond de tekst naar zijn uitgever.

Tevreden leunde hij achterover en keek op zijn horloge. Drie voor twaalf. Hij kon nog nét een terroristencel in Afghanistan oprollen voor de lunch. Hij steeg van zijn stoel op en vloog zijn zolderraam uit met zo’n razende vaart dat hij bijna een vliegtuig raakte. Bijna, want A.Storm weet donders goed wat hij doet. Al vliegende bedacht hij zichzelf alvast wat hij zou nemen voor lunch. Spagetti met geraspte kaas, dat leek hem wel wat.

(Oorspronkelijk gepubliceerd op 10 mei 2011. Elke overeenkomst met bestaande personen is louter toeval.)

Assertiviteit


Verhaal door René van DensenMijn ogen staren naar het plafond. Er staart een drietal vliegen terug. Ik kan me amper bewegen. Alles schreeuwt dat ik nog niet klaar ben voor de dag. Maar ik moet. Met mijn stomme kop heb ik weer eens ergens ja op gezegd. Waardoor ik uiteindelijk maar een paar uurtjes slaap heb gehad. Ik ben nog niet genoeg terug in vorm om zomaar een korte nacht aan te kunnen. Waarom heb ik dan ook geen nee gezegd… Bepaalde manieren van vragen zijn uiterst effectief. Er is ‘de crisis’. Waar iemand diens probleem aan me voorlegt en inspeelt op mijn sympathie, of op mijn wanhopigheid een bepaalde baan te behouden. In essentie maakt zo iemand dan van diens probleem mijn probleem. Er is ook ‘ de overval’. Wanneer ik echt hard en geconcentreer werk, overval me dan met je vraag en ik zal, verward en ontspoord, waarschijnlijk wel ja antwoorden. En zo zijn er nog meer vraagmanieren waar mensen dankbaar gebruik van maken. Wie de knoppen kent, krijgt veel bij me gedaan.

Op aanraden van de psycholoog – want mensen vroegen op een bepaald moment zoveel aan mij dat ik een lange tijd serieuze klachten aan heb overgehouden aan het nakomen van alles – meldde ik me aan bij een assertiviteitstraining. Ik ben eerst het gebouw zes keer aarzelend voorbij gefietst. Ik wist niet zeker of ik die mensen wel moest storen. Het gebouw zag er belangrijk en industrieel uit. Uiteindelijk reed ik dan toch de parkeerplaats op. Ik stalde mijn fiets zoveel mogelijk uit andermans weg. In de wachtkamer liet ik iemand, die na me binnen was gekomen, voorgaan. Maar die had helaas niet veel vragen en was snel weg. In een smorsig lokaaltje volgde mijn intake. Een spervuur aan vragen wordt verschoten. Ik probeer zo schamper mogelijk over mijn situatie te doen, want stoer. Dan vraagt de intakepersoon welke dag me het beste schikt, of welke juist het slechtste. Voor de training. Ik zeg alles behalve donderdag.

Een paar weken later ontvang ik een brief. Ik ben ingedeeld bij de assertiviteitstraining op donderdag. Na anderhalve dag twijfelen, met de brief op tafel, bel ik ze op. Ik zeg, wat is dit nou. Ik zeg, jullie plannen me in op de enige dag die ik aangaf dat niet kon. Ik zeg, dan snap ik niet waarom ik dat moest invullen. Ik zeg, vraag me dan niks. Ik zeg, stelletje koekenbakkers. Ik zeg dit natuurlijk allemaal niet, alleen de eerste twee dingen. Ze beamen na wat papiergeritsel dat er een fout gemaakt is. Ze gaan me in de ‘maandaggroep’ plaatsen. Ik ontvang vanzelf bericht wanneer die training start

Dit gesprek vond bijna driekwart jaar geleden plaats. Ik durf er nog steeds niet achteraan te bellen wanneer we nou beginnen. Ondertussen moet ik me nu haasten naar het werk. Ik ben benieuwd wat voor stomme dingen ik zoal nog meer niet zal kunnen weigeren vandaag.

Badge


Verhaal door René van Densen“Ik heb nog iets voor je,” zegt de bewaker. Hij tovert uit zijn lade een toegangsbadge met mijn foto erop. En twee papiertjes. Hier en hier tekenen alstublieft. Opgewonden rolt mijn pen over het papier. Mijn eigen badge ! Terwijl ik ermee naar de kleedkamer loop, vraag ik me af hoeveel eigen badges ik eigenlijk gehad heb in mijn leven. Op die dozijnen aan plekken waar ik gewerkt heb. Nergens, in feite. Ja, wel ‘eigen’ badges, maar toch geen met eigen foto. Die ze dus niet terug in een lade kunnen gooien, later met één muisklik aan iemand anders kunnen toewijzen en die persoon twee krabbels voor kunnen laten zetten. Mijn eigen badge. Dat de foto niet mijn beste is – iemand kwam die ‘even snel’ maken middenin de werkzaamheden – zal vast pas later een ergernis worden.

Ik kan zomaar de herenkleedkamer binnen zonder een sleutel te hoeven lenen bij de bewaking. Ook zal ik ’s ochtends niet meer hoeven aan te bellen. Ik kan óveral waar ik moet zijn, gewoon binnen. Badge, piep, klik, open. Ik hoor er bij, nu. Dat gevoel overweldigt me. Ik hoor er nu helemaal bij. Ik ben onderdeel, nee, ik bén het bedrijf. Ik ben de winstcijfers, de omzet, de vertrekkende eenheden. Ik ben de balanskolom links en rechts. Ik ben de stock count en de veiligheidsvoorschriften. Mijn badge bungelt trots en opstandig aan mijn riem terwijl ik dit alles bedenk.

Van de weerslag ga ik mijn collega’s aansporen harder te werken. Hun prestaties beïnvloeden immers het bedrijf en dus ook mij. Ik jaag ze op. Hop, hop, roep ik, tempo collega tempo tempo ! Ik klap er bij, ritmisch en fel. Als het niet werkt, spring ik op de band en roep in het rond dat het veel sneller kan allemaal. Ik ben hier zeker een half uur mee bezig zonder productief te zijn, wanneer plots een veeltal handen mij vastgrijpt. Als ze me later vinden, is mijn badge ver en diep in mij verdwenen. Ik ben mijn badge geworden.

Droefkaas


Verhaal door René van DensenSlap en futloos, zo voelde hij zich. De droefkaas zag het allemaal niet meer zitten. Hoe hard hij ook geprobeerd had te bemiddelen, hij vormde hooguit een scheidingslijn tussen de twee boterhammen. En de boterhammen boterden niet met elkaar. Dan kon de broodzak wel heel graag willen dat er sprake was van één brood, maar de sneeën hadden daar heel andere ideeën over. Hoe strak het plastic ook rond de broodplakken samentrok, het minste geringste zorgde dat de boel weer uiteen viel.

En dus was het aan hem en andere onderhandelaars om te pogen de partijen dichter bij elkaar te brengen. Daarvoor werd een topoverleg belegd. Maar ze hadden wisselend succes. Natuurlijk, pindakaas haalde zijn resultaat altijd wel. Desnoods plakte hij de twee boterhammen tegen elkaar. Maar de boterbeleggen slaagden maar amper. Hagelslag slaagde er zelfs in om zelf helemaal uiteen te vallen. En het kokosbrood kon niet tegen de boter; volledig zompig werd hij ervan. Hoe meer de droefkaas om zich heen keek, hoe meer hij begon te twijfelen aan de totale missie. Misschien lag het ook wel aan de broodzak, die per se eenheid wou afdwingen. Aan de individuele boterhammen kon het immers niet liggen: als er geen geheel was, lag de fout natuurlijk niet bij de delen.

De droefkaas zuchtte. Was het nou zo moeilijk in te zien, bedacht hij zichzelf, dat we allemaal samen in dezelfde lunchtrommel zitten ?

Nee, nee


Verhaal door René van DensenZo stóm: ik heb de naam genoemd voor ik er erg in heb. De bekende naam. En zet me onmiddellijk schrap. Ik weet wat er nu komt. Het is altijd hetzelfde. “Hoé noem je hem ?” wordt er verbaasd geroepen. En meerdere leden van de groep schieten in discussiemodus. Opgewonden moeten en zullen ze mijn foute uitspraak corrigeren. Ik zit fout, dat staat voor hen natuurlijk boven kijf. Ik ben een cultuurbarbaar en weet weinig, dus kan het niet anders dan dat ik fout zit. Zij hebben het juist. Zij zijn correct. Ze zijn natuurlijk wel allemaal net even ánders correct, wat een tikkeltje verwarrend is.

“Je spreekt het uit als buukófskie, hoor.”
“Nee, bjoekófskie.”
“Ik dacht altijd dat je het moet uitspreken als boekófskie…”
“Nee, geloof me nou maar, het is buukófskie.”
“Hoe kom je erbij om het uit te spreken als bjoekouwskie ? Mafkees.”
“Ik spreek het toch echt altijd uit als bjoekófskie.”
“Wat doe je dan met lebofskie ? Spreek je dat soms ook uit als lebouwskie ?”
“Jamaar, die uitgeverij was toch vernoemd naar de bekende film, the big lebouwski ?”
“Nee, nee, jullie hebben het mis, je moet het uitspreken als boekófsjkie, geen bjoekófskie.”
“O ja, als dat vernoemd is naar die film, dan is het lebouwskie ja.”
“Het is bèhkofskie, hoor.”
“Maar toch zéker geen bjoekouwskie.”
“Nee, inderdaad, zo zeg je dat niet.”
“Ik noem het toch echt uitgeverij lebofskie hoor.”
“Ja, maar dan wel lebófskie.”
“Okee, okee, lebófskie, daar heb je gelijk in, sorry.”
“Nee, nee, nee, nee, nee, het is boékofskie.”
“Gaat er nog iemand nootjes halen ? Want ze zijn op.”

Niet over de man zelf. Niet over zijn werk. Het gaat nooit over zijn werk. Zijn werk, daar is altijd een deel van het gezelschap het over eens: dat is goed. Een ander deel van het gezelschap is het erover eens: het is volledig overschat. Daar stopt die discussie doorgaans. Maar die naam, dat is wel een dingetje. Ik heb het al lang geleden opgegeven als argument te gebruiken dat er beelden van de man zijn. En dat hij zichzelf in interviews zo noemde. Zijn naam op z’n Amerikaans uitgesproken. Dat interesseert ze natuurlijk niet. Hoe een man zichzélf noemde, dat is geen argument. Dat kon hij ook niet weten. Gelukkig dat zij er nu zijn. Dan kan dat achteraf allemaal gecorrigeerd worden.

Cursus


Verhaal door René van DensenIn het buurthuis wordt een cursus georganiseerd: “Eindigheid voor beginners”. De cursisten wordt geleerd om te gaan met hun uiteindelijk nietmeerzijn. Het vuistdikke cursusboek is alvast bijna dodelijk. Maar dat mag de pret niet drukken. De zaal zit vol met oudjes. Er is koffie en er zijn broodjes. Op de broodjes liggen enkel plakken dierenlijk. De cursusleider wil het broodbeleg gaan gebruiken als onderwerp. Dat het dode één een levend ander helpt, zoiets. Maar voor hij zijn naam op het schoolbord kan krijten, wordt de deur van het cursuslokaal ingetrapt.

Daar staat de Dood. Zijn schedelig aangelaat is uitdrukkingsloos. Iedereen staart hem geschrokken aan. Wat komt de Dood hier doen ? Dan kijken de cursisten naar de cursusleider. Of dit bij de les hoort. Wanneer ze zien dat hij lijkwit wegtrekt, slaat de onzekerheid toe in de groep. Alle ogen zwaaien terug naar de man met de zeis. Zijn zwart gewaad wappert wanneer hij door het klaslokaal beweegt. Iedereen is bang.  Voor wie is hij hier ? Misschien Theo, achterin de hoek, die ook na zijn derde hartoperatie zijn vijf hamburgers per dag blijft eten. Of Johanna, die twee pakjes per dag rookt. Is het Jan, die zich ook na zijn pensioen nog steeds zo druk maakt om zijn zaak ? Het zwarte textiel wappert terwijl iedereen zich afvraagt wanneer ze voor het laatst de belangrijke dingen gezegd hebben tegen hun geliefden.

Dan gaat de Dood aan een leeg burootje zitten. Hij pakt een pen en een schriftje uit zijn gewaad. Kalm staart hij naar de cursusleider. Die schraapt zijn keel. Het is zeer ongewoon, maar blijkbaar is de Dood hier om iets te leren. Over eindigheid. Het brein van de leerkracht werkt op volle toeren. Uiteraard wil de Dood daar iets over leren. Hij, júist hij, weet er niets van. Zelf. Logisch. Goed, denkt hij: dan gaan we ook lesgeven ook. Het is hoog tijd dat de Dood weet wat hij zoal teweegbrengt onder de mensen. De leraar slaat het cursusboek open. Dan steekt de Dood zijn benige vinger op. Hij vraagt of hij naar het toilet mag.

Pedofiel


Verhaal door René van DensenHet is hoog tijd om te bekennen: vroeger was ik pedofiel. Ik viel op jonge meisjes. Ik weet het nog goed. Ik was een jaar of acht. Schandelijk. Maar ja. Wie is er niet als pedo begonnen ? Dat vroeg ik dus hardop. In terrasgezelschap. Natuurlijk was er bier en zon. Dan krijg je dat soort onzin.

Sommigen lachten. Anderen erkenden dat zij ook pedo zijn geweest. Zo niet de schrijver Soul Food. Soul Food viel op zijn juf. Dat vertelde hij. Ik vroeg me af of daar een woord voor was. Als jongere op een volwassene verliefd worden. Dat woord is me alvast nooit geleerd. Soul Food beschreef de juf en droomde een beetje weg. Ze was blijkbaar zo’n typische twintigplusjuf. Met van die twintigplusborsten. Niet te groot, niet te klein, niet te kuis bedekt. Het bewonderen van de juf heeft zijn totale literaire oeuvre vooraf vastgelegd.

Zelf had ik vroeger een heel lelijke juf. Onvriendelijk was ze ook. Echt een bitch, zelfs. En zelfs in hartje zomer dikke, slobberige truien. Dus ik heb geen idee wat voor jufborsten daaraan zaten. Ik vind het niet heel gek dat ik een seksuele laatbloeier was. Alleen die meisjes in mijn klas he. Daar denk ik nog wel eens dromerig aan terug.

In de details (sprookje)


Verhaal door René van Densen

Gefrustreerd trilden de vingers van de Duivel boven het toetsenbord. Kom op, verman je. Die éne email moet nog even weg. Dan door naar het volgende punt op de to do lijst. Voetje voor voetje, stap voor stap. Niet denken aan de enorme bulk werk die iedere dag alleen maar leek te groeien en nooit af komt. Concentreer je. Geachte… wacht, geachte wie ook alweer ? Vertwijfeld greep de Duivel naar zijn horens.

Achterover leunend in zijn comfortabele bureaustoel staarde hij naar zijn computerscherm. Natuurlijk waren het geweldige jaren en kreeg hij dankzij de moderne technologie meer en meer kwaad de wereld in. Alles ging vlotter, eenvoudiger, efficiënter. Waarom had hij dan toch zo het gevoel minder gedaan te krijgen ?

Het installeren van dictators was nog nooit zo eenvoudig geweest. Vroeger moest hij weet hij veel wie weet hij veel wat influisteren, nu hoefde hij enkel een documentje te vervalsen en naar een juiste netwerkprinter te sluizen. Photoshop Elements en een beetje Duivel was wel weer klaar. Mailboxen volknallen met spam, al te positief ingestelde websites DDoS’en, het was eigenlijk te makkelijk. Alles en iedereen was global, woede was met een simpele tweet opgewekt. Het was poepsimpel maar zo veel werk. Heel de dag was hij bezig met dingen die hij maar half meer snapte.

Vroeger ging hij nog wel eens uitgebreid iemand bezeten maken. Dat waren mooie tijden. Ouderwets vakmanschap. Soms waren er dagen exorcitie nodig om hem er weer uit te krijgen. Hij kon er enorm van genieten. Het was tegenwoordig niet meer aan de orde. Enkel dat stomme computerscherm zag hij nog. Vierkante oogjes. En dat oeverloze gelul van al die individuutjes op al die sociale netwerken. Stiervervelend, hele dagen zat hij die brol te lezen en te bedenken waar hij invloed kon uitoefenen. Hoe makkelijk het ook allemaal was, hij vond er eigenlijk geen klap meer aan zo.

Hij staarde naar zijn vingers. Zijn linkerwijsvinger zat op de letter Q te rammen. Hij wist niet zeker hoe lang, maar plots had hij in zijn overpeinzingen het harde DTAM DTAM DTAM DTAM geluid gehoord. Hij staarde terug naar zijn beeldscherm. Geachte qqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqqq stond er. Met nog veel meer q’s erachter. Regel na regel na regel. Q, q, q. En zijn vinger tikte door, harder en harder. De Duivel had nooit geweten dat je frustratie en gebrek aan inspiratie met een Q schreef. Plots knapte de Q-knop en vloog door de lucht, om ergens onder te stuiteren.
De Duivel kon het niet echt schelen. Even maakte hij zich lichtjes zorgen over of hij de letter Q niet nodig had, maar zo vaak gebruikte hij die niet. Hij kon prima zonder. Een heerlijk gevoel, eigenlijk. Zo zonder die bijna volledig onnodige letter Q. Bevrijdend ! Al die toetsen ook, waarvan hij de meesten niet eens gebruikte. Zo zou hij zijn hele leven eigenlijk wel eens uit elkaar willen slopen. Alle onnodige troep eruit. Back to basics. Dat je enkel nog overhoudt wat je nodig hebt, al de rest eruit.

Zijn vinger begon op de letter W te tappen. DTAM DTAM DTAM DTAM.

De introverte cactus (sprookje)


Verhaal door René van DensenVoluptueus stond hij daar, de cactus. In de zon. Veel meer doen cactussen ogenschijnlijk doorgaans ook niet. Beetje staan, daar houdt het wel mee op. Soms wat bloeien of groeien. Er zijn heldere aanleidingen dat nog geen cactus het tot geloofwaardige actiefilmster heeft geschopt, wil ik maar zeggen. Enfin, ik zou graag nu beweren dat deze bewuste cactus een uitzondering op die regel was, maar helaas, uiterlijke inactie was ook bij hem van toepassing. Een bewuste cactus was het echter zeer zeker wel. Een ronduit introverte cactus zelfs, durf ik wel te stellen.

Introvert kon hij dan wel genoemd worden, de cactus, maar groen was hij allerminst. Ja, van buiten, maar wederom kon schijn lelijk bedriegen. De cactus had al heel wat gezien in zijn leven. Hij had de broeikassen gezien waar hij en zijn soortgenoten gekweekt waren tot huiskamervriendelijke succulenten. Naast de vetplanten, pff, sprak hem niet van de vetplanten. Over vetplanten hoefde je hem ook niets meer wijs te maken. Die vetplanten met hun gezapige bladeren. Hij moest er als cactus niets van hebben. En dan het transport. En de plantenwinkels. Waar hij met een schuin oog de rozen bewonderde. Met hun sierlijke doornen. Af en toe keek hij dan beteuterd op zijn miezerige stekeltjes en voelde hij zich wat nederig. Maar ook zijn stekeltjes mochten er zijn, uiteraard. Dat wist hij inmiddels al. Hij had talloze rozen zien verwelken. Niet bestand tegen het echte leven, die tere roosjes. Hopeloos.

Al met al mocht hij niet ontevreden zijn over hoe hij het inmiddels voor elkaar had in het leven. Je zou deze cactus niet snel horen klagen, in zijn trotse terrarium. Dat was niet echt een terrarium maar gewoon een glazen plantenbak, maar hij vond het zelf een terrarium. Het terrarium was misschien niet groot, maar hij was wel van hém. De ruitjes waren mooi gepoetst en hij had uitzicht in alle richtingen. Transparantie, dat beviel hem wel. Dat had de wereld hard nodig, meer transparantie. Via zijn ruitjes kon hij mooi de vetplanten in de gaten houden. Want die vetplanten voerden altijd iets in hun schild, zo kende hij ze wel. Hij kon nooit echt pinpointen wat ze nou in hun schild voerden, maar je zag het gewoon. Die vetplanten, met hun eeuwige strawatsen. Een vetplant is en blijft een vetplant. Geen cactus zoals hij, die tenminste eerlijk binnenvet. En van transparantie had de introverte cactus niets te vrezen, hij had immers niets te verbergen. Niets dat je zo kon zien, toch. Nee, hij had zijn zaakjes prima in orde.

Terwijl hij zo zijn morele superoriteit zat te overpeinzen, zakte onopgemerkt voor de cactus de stand van de prille maar felle lentezon onder een ongelukkige invalshoek op het glas. En een klein puntje gefocust licht begon op de stekelige huid in te branden. Eerst merkte de cactus er weinig van. Een kleine rooklucht, dat was alles wat hij waarnam. Maar waar het vandaan kwam, daar moest je hem niet op vastpinnen. Hij had een akelig vermoeden dat het wel weer de vetplanten zouden zijn, want vetplanten, daar komt enkel ellende van. Die hadden nul feeling met cactussen als hij. Nee, hij had weinig fiductie in de wondere wereld van vetplanten.

Na een tijdje begon hij een beetje te koken van binnen. Maar ja, je zou om minder ! Zie ze daar arrogant staan, die vieze vetplanten, in hun schaduwrijke kamerhoek. Nul transparantie, bij die vetplanten. Dat ze maar eens een les trokken uit goudeerlijke, échte cacti als hij. Aan transparantie bij hem geen gebrek, en waarvan akte verdomme. Zijn wereld was heerlijk en helder. Geen vuiltje aan de lucht. Maar die vetplanten die zich maar hulden in obscuriteit, met hun dikke bladeren en hun kromme takken. Het leek wel alsof zij helemaal geen behoefte koesterden aan transparantie. Alsof ze niet begrepen dat transparantie in iedereens belang was !

Zijn verontwaardiging bracht hem helemaal in vuur en vlam. Een vurig betoog op het heetst van de naald borrelde zich in hem op. Niet dat hij het uit zou gaan brullen. Daar was hij toch een te introverte cactus voor. Maar hij vond het wel lekker dat hij het allemaal kon vinden. Met name dat van die vetplanten. Die verdomde vetplanten die volstrekt weigerden enige openheid van zaken te geven.

Langzaam werd het hem rood voor de ogen. En ging hij, zonder het te in te zien, aan zijn gekoesterde transparantie ten onder.

Kiwi’s in de ballenbak (sprookje)


Verhaal door René van DensenVoorzichtig opende de kiwi zijn ogen en keek om hem heen. Felle neonkleuren omringden hem. Even dacht hij dat hij gestorven was, maar de bonte kleurenboel kwam hem weinig sacraal over. Ook de geuren die zijn snavel penetreerden kon hij moeilijk als verheven bestempelen. Maar zomaar iets bestempelen lag ook niet in zijn aard. Voor een kiwi, zelfs voor een kiwi, had hij een danig onderontwikkelde geldingsdrang in de realiteit. Men zou het met een beetje goede wil zelfs faalangst kunnen noemen. Als benoemen ook al niet iets was waar de kiwi liefst ver bij wegbleef. En zo wentelde hij zich nog even in zelfontwijkende faalangst en kleurige plastic ballen. Maar dat kon niet blijven duren natuurlijk. De realiteit zou zich ongetwijfeld weer komen opdringen. Hij kon het beter voorblijven, besloot hij. Halfslachtig. Want besluiten was ook zo zijn ding niet. Hij schudde zijn pluizige vacht behoedzaam en heropende zijn ogen.

Om nu direct te beweren dat de kiwi een onzeker karakter had, zou allerminst voorbarig of ver bezijdens de waarheid te zijn. Een spijker zou pijnlijk in ziijn rust verstoord over zijn kop wrijven bij een dergelijke bewering, zogezegd. Daarom werden daadwerkelijke stappen in de werkelijkheid nog even op de lange baan geschoven. Het was eerder nog even tijd voor daadonwerkelijkheid, dunkte het de kiwi. Een daadpotentie. Het ontkiemen van mogelijke daden en dan een zorgvuldige overweging tot welke daad al dan niet over te gaan, leek hem het beste. Als onderzoeksdaad – een kiwi moet toch wat – draaide hij een klein beetje met zijn hoofd, teneinde zijn directe omgeving beter in zich op te nemen. Felle kleuren in alle richtingen – boven, onder, links rechts voor achter. Een kakafonie van bonte kleurigheid. Het zou hem zorgen baren als zorgen niet onherroepelijk tot acties konden leiden.

Met een bonk botste er iets tegen zijn hoofd. Het was hard en stekelig en was met een vaart tegen hem opgebotst. Gëergerd draaide de kiwi zich om, maar voor hij goed en wel waar kon nemen wat hem zo geraakt had, werd hem een luide groet toegeroepen. “HOI ! Wie ben jij ?”
De onverwachtte vraag deed hem met de ogen knipperen. Hij had er eigenlijk nooit echt over nagedacht. Iemand zijn had nooit tot zijn verlangens behoord, als zodanig had het hem altijd vrij belachelijk geschenen een naam te dragen. Namen maken individueel, identificeerbaar; hij zag zichzelf liever simpelweg als een kiwi. “Ik ben een kiwi,” antwoordde de kiwi dan ook maar.

“WAT LEUK ! Ik ben ook een kiwi !” antwoordde zijn belager. “Maar wat zie jij er gek uit voor een kiwi !” De kiwi, voorzichtige vogel als hij was, kon makkelijk hetzelfde zeggen van de overenthousiaste belager. Voor een kiwi had die beduidend weinig snavel of looppoten. Hij leek meer op een rond stuk bruin harig fruit. Stugharig dan ook nog eens. Daar was niets pluizigs aan, aan die zelfbenaamde kiwi. Nu hij zijn kiwibroeder eens goed kon bekijken, kwam het hem danig voor dat deze kiwi zich geen kiwi mocht noemen. “Nee gij !” sputterde hij dapper en weerbarstig terug. “Alsof jij een kiwi bent !”

“Ik ben al heel mijn leven een kiwi !” lachtte de bruinfruitkiwi. Twijfel bekroop opnieuw onze kiwi – hij was nou ook weer niet zeker genoeg van zijn zaak om hetzelfde te kunnen beweren. Volgens zijn vroegste herinneringen was hij toen al een kiwi, maar hij leefde al voor die vroegste herinneringen, en het was maar de vraag of hij toen ook al een kiwi was. Bovendien was hem maar aangepraat dat hij een kiwi was – het was niet iets dat hij op enigerlei wijze proefondervindelijk had kunnen vaststellen. Deze en meer vragen rezen in hem op en het is veilig om te stellen dat de ontmoeting met de zelfverzekerde bruinfruitkiwi hem danig van zijn stuk bracht. Het liefst dook hij nu weer terug tussen de neonkleurtjes, snavel diep in de vacht gestoken. Maar de praatzieke bruinfruitkiwi ratelde lustig voort.

“Wat geweldig hier hè, in de ballenbak ? Al die kleurige ballen, al die hoeken, al die plekken om te verkennen ! Ik ben al de halve bak over geweest en heb vanalles gezien !” Aha, dacht de kiwi. Al die neonkleurtjes samen zijn blijkbaar een ballenbak. Met het groeiend realiteitsbesef over zijn huidige plaats in de wereld, overvielen hem tegelijkertijd gevoelens van weemoed en angst. Wat comfortabel was het feitelijk toch, om dingen niet te weten ! Onverdroten hakte bruinfruitkiwi door op het escapisme van onze realiteitsvrezige kiwi terwijl hij in uitvoerige details zijn belevenissen, al stuiterend door de veelzijdige ballenbak, beschreef. “Tsja,” mompelde de kiwi. “Ik was enkel hier. In mijn eigen veilige plekje. In het toen nog rotsvaste geloof dat ik een kiwi was.”

“Een kiwi die op zijn plaats blijft is een kiwi die rot !” riep de bruinfruitkiwi vastberaden uit. “En ik weiger te rotten ! Het leven dient geproeft te worden tot de laatste pit ! Geen haar op mijn hoofd die daar niet in gelooft !” De identiteitscrisiskiwi poogde een tegenwerping: “Ervaring is niets zonder reflectie en plaatsing. Zelfs duiding en hoor en wederhoor hebben hun plaatsje in de werkelijkheid. Bezinnen staat alfabetisch voor ervaren !” “Zonder de zinnen geen bezinnen !” riep de hedonistische bruinfruitkiwi terug.

“DE BOOM IN MET JULLIE INDIVIDUALISTISCHE DIALEKTIEK !” bulderde een mensenstem. Beide kiwi’s schrokken en zagen dat een grote, stevige man zich in hun gezelschap had gevoegd. Met een zwaar accent sprak hij beiden toe: “Ik hoorde jullie discussie en weet je, mates, met die zelfgerichtheid kom je nergens – de echte waarde ligt in het collectief, en hoe je daar met hard werk samen iets mee kunt opbouwen !” De kiwi’s keken elkaar verbaasd aan en vroegen zich beiden individueel af wat je in vredesnaam in een ballenbak zou kunnen opbouwen. De mag las hun blik en sprak: “Ik kom van Nieuw-Zeeland. Denk je dat je het daar redt in je eentje ? Geen mens is een eiland ! Enkel tezamen is dat land geworden wat het is. Schouders eronder en wérk verzetten ! Jezelf de genoegens van het leven ontzeggen tot het werk gedaan is, en niet teveel erbij nadenken verdomme !” Mopperend gaf de bruinfruitkiwi hem als repliek: “Wat is dat voor dogmatisch stoïcijnse nonsens ? Een beetje kiwi houdt zich wars van dergelijke middeleeuwse ideeën.” De man schudde zijn hoofd. “Navelstaren en hedonisme zijn listige verleiders, maar het echte leven vind je in werken voor en met elkander.” Schril schreeuwde de bruinfruitkiwi naar hem: “ER IS MEER IN HET LEVEN DAN WERK ALLEEN ! JE MOET GENOT OOK EEN PLAATS GEVEN ! IEDER HEEFT MAAR ÉËN LEVEN !”

Prompt greep de Nieuwzeelander de bruinfruitkiwi in zijn knuist en vrat ‘m op. Zonder er één woord en één gedachte aan vuil te maken.

De wervelstorm aan filosofische belachelijkheden deden de identiteitscrisiskiwi duizelen. Hij gilde het uit, rende weg, en verstopte zich tussen de kleurige ballen. Weg van die nonsens ! Die neorealistische malligheid kwam hem de snavelgaten uit ! In een hoek kroop hij weg tussen de veelkleurige ballen, stak zijn snavel in zijn vacht, en sloot zijn ogen. En de hele wereld verdween. Inclusief de verteller dezes.