Kerstboom


Verhaal door René van Densen“Ik weet wel wat,” fluisterde de stem. “Kom mee.”

Ik heb helemaal geen zin om mee te komen. Uiterst functioneel zit ik te kniezen. Dat maar een handvol mensen mijn teksten leest. En waar ik het dus allemaal voor doe. Het heeft me alle zin ontnomen – vandaag, maak u niet ongerust – om te schrijven. Buiten schijnt er immers weer. En er zijn beelden op televisie. En naast schrijven staan er ook andere dingen op het programma. Schrijven is sowieso stom. Zit je daar. Tikkerdetik. Pauzemomentje. Staren in de verte. Hoofd terug. Tikkerdetik. Het is stierlijk vervelend om naar te kijken, en stierlijk vervelend om te doen. Dus nu even helemaal geen zin.

“Ik weet wel wat voor je om over te schrijven,” zegt de stem. “Ik heb wel een leuk ideetje voor je.” Ik zucht. “Je mag het idee zomaar gratis en voor niets hebben, echt waar,” zegt de stem. “Mijn neef schrijft trouwens ook, ken je hem toevallig ?” In de hoop snel van het gesprek af te zijn, volg ik de stem. Hij leidt me de straat uit en het hoekje om. Afvalcontainers van de flat. Ja, én, vraag ik. “Kijk dan,” zegt de stem. Ik kijken. Kerstboom. Naast de andere troep. Goh. “Een kerstboom !” Ja, dat zie ik. “Jamaar… een kérstboom !” Nogmaals, dat zie ik. “Vers weggegooid !” Dat zal dan wel. “In eind méi !” Okee, het is misschien een wat gekke timing, maar dan ?

“EEN KERSTBOOM !” Je hoeft echt niet te schreeuwen hoor. Wat moet ik hiermee ? “Waarom zou iemand nú een kerstboom wegsmijten ?” Weet ik veel. “Heeft die een half jaar in de woonkamer gestaan ?” Wie weet. “Of stond deze in een berging en heeft de eigenaar een nieuwe geliefde die per se de boom weg wou hebben ?” Kan. “Misschien heeft de eigenaar een nieuwe gekocht – nogmaals, in eind méi. Nu zijn ze wel héél erg in de aanbieding waarschijnlijk.” Was dit het ? “Was wat het ?” Was dit nou het wat dat je voor me had ? “Ja – is dit niet goud, dan ?” Nou nee. Het is gewoon een kerstboom. “Jamaar… in méi !” Ik ga weer naar binnen hoor. “Een kerstboom !!!” Dit is de laatste keer dat ik naar jou luister.

Boeven


Verhaal door René van DensenEr is een boel stennis in  Sint Isidorushoeve. In de hoeve van boer Doeve hebben boeven toegeslagen. Ze stalen zijn computer, zijn collectie antieke schroeven, en zijn wagen. Dergelijks verwacht je eerder in Schagen, maar daar doet men nu blaasproeven en boeven laten zich niet belagen. Vette pech voor boer Doeve, die bedroefde groeven in zijn gelaat toelaat. Waar de boeven nu vertoeven is een raadsel, want de boeven zijn foetsie. De boeven deden poef en waren feitelijk aan het poeven. Ze lichtten vluchtig de hoeven. Met nauwkeurig sporenonderzoek en DNA-proeven poogt de politie de boeven nu achterna te zoeven.

Een beetje boef blijft behoorlijk bezig met bewegen. In scherp contrast met de straatagenten die snoeven van het idee fysiek achter boeven te moeten jagen. We hebben daarvoor een wagen, zeggen ze stroef, om vooral maar niet te hoeven oefenen. En zo vertoeven ze hun dagen in de patrouillewagen en slagen er niet in de boeven af te troeven. De politiek pruttelt tegen deze polemische plichtontduiking van de politie en presseert prangende prestatieveranderingen. Maar ondertussen zijn de boeven er van tussen.

In Doel, waar je de kern nog kunt proeven, schuilen de boeven en bestuderen de schroeven. Ze bezitten beduidend weinig benul van de waarde van de wentelnagels en werpen de waardevolle verzameling weg. De vervaltijd van de vreemde voorwerpen is verwaarloosbaar waardoor boer Doeve waarschijnlijk voorgoed verstoken blijft van zijn verzameling schroeven. Het is bedroevend, meneer, en dat mag u best weten.

Standpunten


Verhaal door René van DensenAls ik ’s ochtends even mijn ziel uitlaat, staat de straat er vol van. Overal. Ze staan maar wat te staan. Mannen in pakken. Sommige mannen dragen maar een half pak – een keurig colbert met hemd en stropdas boven, maar een spijkerbroek onder. Anderen in vol ornaat. Strijkvouw in de pantalon. Sommige hebben krijtstreepjes. Niet van die lijnen die de forensische dienst trekt rond een lijk. Ik bedoel van die witlijntjes in de stof van hun pak. Die de bedoeling zijn. Zeg maar. Het staat duur en statusrijk, naar het schijnt. Van die poehpoehstreepjes. Die een bepaalde mate van autoriteit uit moeten stralen. De drager dezes weet wat hij zegt, want hij heeft witte lijntjes op zijn pak. Allen staan ze stram en officieel.

Bij nadere inspectie staan ze allemaal op speciaal aangegeven cirkels. De cirkels zijn op de grond getrokken. Ze zijn over de hele straat verspreid. Nogal willekeurig. Dan valt het kwartje. Ach, natuurlijk, denk ik. Het zijn standpunten. Hier een standpunt, daar een standpunt. Toe maar. Het wemelt ervan, zo op één oogopslag. Even bewonder ik het uitzicht. Het gebeurt niet elke dag, dat je zoveel standpunten ziet. Het merendeel van de tijd is het behoorlijk standpuntloos in ons landje. Maar vandaag zijn ze er, en ik kan dat niet ontkennen. Ik vraag wat de mannen hier zoal komen zoeken. We zoeken niet, zegt er eentje. We vínden. De rest knikt instemmend.

Zo staat er dus een colonne mannen erop los te vinden. Ik zoek er verder maar niks achter. Morgen is alles weer normaal, denk ik. Ik vraag of ik een foto mag nemen met één van hen. Dat is niet zeker, zeggen ze voorzichtig. Wij vinden – jahaaa, wij vínden – het zelf heel leuk als u het doet, maar anderen vinden het onkies. Het is een moeilijke kwestie om een standpunt over in te nemen. We weten vrij zeker dat er wel een standpunt over bestaat, maar we hebben het nog niet gezien, meneer. Natuurlijk hebben we ook helemaal geen gelegeheid om te zoeken. We kunnen immers niet van ons eigen standpunt af. Dus als u voor ons een oogje open kunt houden of daar nog een mooi standpunt over beschikbaar is, ergens, dan vinden wij dat toppie. Goedendag, meneer.

Brokken


Verhaal door René van DensenOp het hele huishouden moet worden bezuinigd. Ook bij jou, poes, zeg ik tegen mijn poes. Dus begin ik een experimentje met goedkopere brokken. Natuurlijk lust ze ze niet. Ze wordt magerder. Twee keer per week krijgt ze een traktatie, en ze wacht liever tot die snack dan dat ze deze meuk eet. Om haar toch niet te doen verhongeren, gooi ik wat van haar lievelingsvoer bij de goedkope brokken en hussel het door elkaar. Maar daar trapt ze mooi niet in. Ze ruikt het direct. En dan schept ze haar bekje vol, dumpt de brokken naast haar bakje, en sorteert de lekkere brokken eruit. De rest laat ze liggen. Zo spreidt zich al snel een flinke hoeveelheid ‘moet ik niet’ brokken uit.

In het begin stofzuig ik die op. Tot ik besef hoe idioot dat is. In feite is mijn stofzuigerzak op den duur gewoon weer een zak van dat goedkope kattevoer. In een luie bui laat ik het een paar dagen voor wat het is. De brokken spreiden over de hele vloer. Al snel is de vloer onzichtbaar. Overal liggen moetiknietbrokken. Een flinke laag. Het is even wennen, maar ik vind het wel mooi. Het knespert lekker onder je voeten. Ook isoleert het verrassend goed, en het dempt je stappen. Wel knespers, maar geen stompstomp meer. Omdat het los ligt, kun je er met een stokje ook patronen in vormen. Ik maak allemaal kringeltekeningen en Oosterse patronen. Als je je ogen dichtknijpt, lijkt het net een echt tapijt.

Ondertussen filtert de kat maar door. De laag van moetiknietbrokken groeit gestaag. Dan verdwijnt langzaam maar zeker het TV-meubel. De banken. Het keukenblok. Mijn hele huishouden dompelt onder. Ik kan het huis niet meer uit. Tevreden zit ik op de groeiende laag en kijk rond. Er is geen sprake meer van een huishouden. Mijn kat heeft goed begrepen wat ik haar gezegd heb. In feite had ik jaren geleden aan die brokken moeten beginnen. Met een stokje roer ik in de brokken en bereken wat ik vandaag zoal bespaard heb.

Stadsstrand


Verhaal door René van DensenNabij mijn huis wordt een stadsstrand aangelegd. Zand. Dat is natuurlijk het eerste waar u aan denkt. Ik ook. De mensen van het standsstrand pakken het echter helemaal anders aan. Eerst komen de strandhuisjes. En de stoelen. En de entree. Palmboompjes. Desgevraagd zeggen ze dat het zand het laatst erin komt. “Het is rond die tijd in de aanbieding,” zeggen ze. Ook zijn ze niet overtuigd van de noodzaak van zand. “Andere stranden hoeven ook niet speciaal zand neer te leggen, dat is er gewoon al.”

Uiteindelijk blijkt het zand niet in de aanbieding te komen en staan ze voor een dilemma. Ze besluiten zonder zand door te gaan. Het stadsstrand wordt een schitterende locatie waar mensen op stoeltjes bivakkeren in het gras. “Veel makkelijker in onderhoud,” roepen de organisatoren. Dat het publiek hierdoor niet laaiend enthousiast toestroomt, vinden ze niet erg. “Zo blijft dit mooie plekje lekker exclusief,” stellen ze. Daar hebben ze in zeker opzicht ook weer gelijk in, natuurlijk.

Wat stoort, is hoeveel mensen hun honden nog steeds uitlaten op het stadsstrand van gras. De honden piesen tegen de strandstoelen en palmbomen en schijten in de strandhuisjes. Al snel wordt de stank te erg en gaan de palmbomen, strandstoelen en strandhuisjes weg. Nu is het een leeg stadsstrand met gras. De organisatoren zijn niet uit het veld geslagen. “Beton, dat heeft de toekomst,” zeggen ze. Het plan is een groot stadsstrand aan te leggen van beton. “Dat heeft als voordeel dat we het ook overdekt kunnen maken. We kunnen zelfs denken aan meerdere verdiepingen. Een betonnen stadsstrand van 48 verdiepingen lijkt me wel wat. Met grote glazen ramen.”

Boze zon


Verhaal door René van DensenEen beetje tureluurs wordt hij wel van ons, die zon. Dan staan we weer dichtbij, dan draaien we weer verder weg. En constant maar rondjes draaien. Laat staan al die satellieten en wolken die we constant tussen ons en hem in schuiven. Hij is het eigenlijk wel een beetje beu, die afstandelijkheid van dat rotplaneetje. Dus hij is zijn koffer aan het inpakken. Hij zegt toedeloe. Zoek maar een andere idioot om een beetje de zon uit te hangen, zegt hij. Ik heb er genoeg van. Voor niks doe ik dit. Jullie hebben er zelfs een gezegde over. En maar stroom leveren aan die lelijke panelen. En maar toerisme ondersteunen. Nee, ik heb er genoeg van. Ik krijg er niks, echt niks, voor terug.

In blinde paniek wordt er gezocht naar een nieuwe kandidaat. ZON GEZOCHT, staat er op alle ramen van de uitzendbureaus. Maar de minimumvereisten zijn te hoog voor de meeste werkzoekenden. Die hebben het zonzijn niet in zich. Je kunt er ook geen opleiding voor volgen, natuurlijk. Dat vindt men oneerlijk. Als je zoiets de arbeidsmarkt op kegelt, moeten mensen wel een eerlijke kans maken, uiteraard. De mensen zijn boos. Ze willen best de hele dag zon zijn. Het is natuurlijk een unieke, en zeer belangrijke positie. En niemand staat boven de zon. De zon is wel een beetje het hoogste dat je kunt bereiken. Nu de functie toch vrij is, wil iedereen wel zon worden. Maar de mensen zoeken wel echt een waardige vervanger. Je moet niet willen dat er een zon komt die niet een beetje kan stralen. Dat is maar een halfbakken zon. Nee, dan nog beter geen zon dan zo’n zon.

Uiteindelijk wordt er een geschikte vervanger gevonden. Een echte superster. Direct nadat hij zijn rol invult, wordt het zomer. Iedereen geniet. Maar toch is het anders. Men kijkt naar de zon, en voelt het. Dit is een andere zon. Hij is boos. Het is een boze zon. Hij kijkt niet noodzakelijk boos, maar wat een sjacherijn.  Je vóelt het gewoon. De vorige zon was veel vrolijker, zegt men. En de handdoeken worden weer opgerold. Iedereen gaat in hun tuin miezeren. Niets wordt zoals het vroeger was.

Nieuw fruit


Verhaal door René van DensenEr ligt nieuw fruit in de schaal. Ik weet niet wat het is. Mijn gebruikelijke fruit was er niet. Daar sta je dan, met je lijstje. En dan grabbel je iets wat op het beste alternatief lijkt. Om dan bij de kassa ineens te zien dat het iets heel anders is. En dat je geen idee hebt wat het is. Maar ik ben dan weer zo’n slappe lul die dat niet durft terug te leggen. Overmoedig denk ik dan bij mezelf, och, eens iets nieuws proberen. Ik ben benieuwd, houd ik mezelf voor. Om mezelf nog extra voor de gek te proberen te houden, neurie ik zacht een liedje. De kassamevrouw kijkt me geïrriteerd aan en ik geef haar een brede glimlach. Terwijl ze het nieuwe fruit over de pieppiep haalt.

En nu ligt het daar. Ik ben helemaal niet benieuwd. Ik wil het eigenlijk helemaal niet proberen. Ik ken dit niet. Het is waarschijnlijk vies. Ik ben een boer. En wat die niet kent, u weet de rest wel. Ik laat de kat aan het fruit ruiken. Die trekt een vies gezicht, snorharen vooruit. Zie je wel, denk ik. De kat moet het ook al niet. Dat de kat mijn gebruikelijke fruit ook niet moet, laten we even buiten deze bewijsvoering. Ik prik in het fruit. Het is keihard. Ik laat één exemplaar van het fruit vallen. Kijken of het stuitert. Het fruit slaat een gat in mijn vloer. Daar had ik niet op gerekend.

Ik kijk in het gat. Het gaat eindeloos door. Ik kan de bodem niet zien. Zie je, denk ik. Dat krijg je dus met dat rare fruit. En nu mag ik de reparatie van die vloer weer betalen, zeker. Ik ben half-half van mening dat dit mijn schuld niet is. Ik kon dit niet weten. Ik heb immers nog nooit eerder met dit fruit gewerkt en kende het niet. Het is de schuld van dat rare fruit. Als ik val, sla ik geen gat in mijn vloer. Ik weet dat heel zeker. Ervaring mee. Het is beslist het fruit z’n schuld. En de mensen maar beweren dat het gezond is, denk ik bij mezelf, fruit. Ik hmpf. De andere exemplaren in de schaal staren me expressieloos aan. Het zijn er nog zes. Ik wil ze wel weggooien, maar twijfel aan de gevolgen. De bodem van onze vuilcontainer is niet zo stevig. Daar zit ik dus mooi weer mee. Ik zal nog eens fruit kopen.

Bal


Verhaal door René van DensenDe kinderen die op straat spelen, schoppen per ongeluk hun bal mijn website in. Ze bellen aan. Of ze in mijn website hun bal terug mogen pakken. Ja dag, zeg ik. Ik ga jullie niet in mijn website binnenlaten. Wacht hier, zeg ik, dan ga ik zelf wel zoeken. Hoe ziet hij eruit ? Rond, antwoorden ze. Daar vroeg ik ook wel een beetje om, natuurlijk.

Waar ik ook kijk echter, ik kan de bal niet vinden. Niet op mijn contactpagina, niet tussen de nieuwtjes, niet naast mijn boeken. Ik ben mijn hele biografie nog even nagelopen, maar geen bal. Uiteindelijk vraag ik de schrijvers op mijn smoelenpagina of ze de bal hebben gezien. Er klinken een heleboel nees en één ja. Wie riep daar ja, vraag ik. Ik, klinkt het ergens. Ja, dat schiet niet op, zeg ik, jullie zijn inmiddels al met z’n zeventigen. Joehoe, klinkt het.

Temidden van alle schrijvers blijkt ineens een voetballer te zitten. Hij heeft de bal. Ik kijk verbaasd naar de voetballer en heb geen idee wat hij hier doet. Dan zie ik ineens BN’ers en BV’s links en rechts. Hoe meer ik kijk, hoe meer nietschrijvers er tussen de schrijvers blijken te zitten. Potverdorie, denk ik, het overzicht wordt me te realistisch. Dat moeten we niet willen, teveel realisme op mijn website. Ik verwijder de voetballer uit het overzicht en loop terug naar de jongens. Ik heb de bal niet kunnen vinden, lieg ik.

Ik bubbel jou


I Bubble You - the orign
Revolutionair. Anders valt mijn concept niet te beschrijven. Alles wat u koestert. In een bubbel.
Fragiel maar beschermend. U weet meteen wat ik bedoel. Hoe het begon, dat is een ander verhaal. Want het begon met bubbeltjesappelsap waarbij iedereen ongedurig kéék. De directeur had een plan. We moesten allemaal samenkomen. Ja, typisch. Terwijl hij zich in een hoogwerker hees. Met zijn iPhone. Wij moesten bijeen. Voor het plastic zeil. De hal naast het bedrijf ging open. Anderhalf jaar gedoe. Maar nu toch de officiële opening. Iedereen verplicht aanwezig. Klik. Klikkerdeklik.  Voor het nageslacht. Hal drie. Joepiedepoepie, rakkers. Een kleurloze hal met TL-buizen en industriële rekken. Maar wel een aanwinst. Voor het bedrijf. Natuurlijk wisten we dat het meer werk voor minder mensen betekende. Maar hee, bubbeltjesappelsap. In champagneglazen. Dus iedereen eentje.

Na de onthulling kwam de ontknoping. Natuurlijk was de opening duur geweest. Een investering. En dus moesten er mensen uit. De rest moest anderhalf keer zo hard werken, minstens. Uiteraard méér, maar niemand kon rekenenen. Bubbeltjesappelsap doet dat met de mens. En een feestmuziekje. Wij het glas heffen. Klikkerdeklik. Voor het bedrijfsblaadje. Vervolgens allemaal naar het begin van de dag plekje. Alleen stond daar ineens de bewaking. Met blaasapparaten. Iedereen blazen. Alcoholmeters. Geen afstanden, wel afvallers. Het bleek een sluw plot. Van de zeven flessen was er één met alcohol. De willekeurige medewerkers die zo’n glas gedronken hadden, mochten voor de CAO niet meer in het bedrijf blijven. Spullen pakken. Tabee. Fijn weekend. Bezuiginingen. Dure hal, immers. Doei doei.

Ik fietste naar huis. Ondanks dat ik niet één van die glazen op had, had ik sowieso alcohol op de adem. Ik drink in mijn eigen tijd. Het gebeurt, en houdt het leven houdbaar. Op sterk water, zeg ik altijd. Maar wat een herinnering. Dat moment, met appeltjesbubbels. Ik bedenk me plots wat een mooie wens dat is: Ik bubbel jou. Ja, ik bubbel jou. Ik plaats jou in een bubbel. Jij bent zo belangrijk dat ik jou koester, als een fragiele bubbel. En tegelijkertijd bewaar je. Blijf je. In mijn bubbel. Ik bubbel jou. Voor ik het doorhad, had ik een Valentijnskaart ontworpen. En een zwikje e-Cards. En toen werd het een hit. Iedereen bubbelde iedereen. Het was veilig, en toch teder. Het was speels en liefdevol. De hele wereld bubbelde ineens de hele wereld. Iedereen in zacht glanzend, regenboogkleurig glas. Ik bubbel jou. Ik bubbel jou, lezer. Bubbel jij mij ook ?

Heen-en-weer


Verhaal door René van DensenHet was geen klein verlangen. De jongeman zuchtte. Zijn zicht duwde zijn pupillen zo ver mogelijk vooruit. Maar met al dat kijken en verlangen kwam hij geen millimeter nader. En het gras was er nochtans zo groen. Hij snakte. Zeg maar gerust dat zijn verlangen brobdingnagische omvangen bereikte. Toen hield hij het niet meer. Hij sprong uit zijn raam. In zijn boot. En vaarde naar de overkant.

Eindelijk ! Hier was het dan. Die vrijheid. Dat geluk. Die schoonheid. Of hee. Misschien toch niet. Onwennige stappen. Hm. Nee. Niet wat hij verwacht had. Hij keek rond. Gek. Het leek toch hier. Hij keek om. Ja, heb ik dat, denkt hij. Nu is het weer dáár. Hét, het zat in zijn venster en lachte hem toe. Heel dat eind voor niks gevaren. Hij sprong in de boot en vaarde terug. Zo. Nu zou het hem niet meer ontsnappen. Dacht hij. Tot hij het roepen van de overkant hoorde. Joehoe, riep het. Joehoe, ik ben hier. De jongeman knarsetandde. Boot terug te water. Zenuwachtige kabbeltjes achter hem aan. Haastig roeien. Hét, het was glibberig en snel. Zo had je hét, zo was hét weer elders. Voet. Wal. Niks hoor. Joehoe, klonk het alweer over het water. Zucht. Boot terug. Kabbeltjes.

Heen en weer, zo bleef het gaan met de jeugdige geest. Dagenlang. Wekenlang. Honger noch weergoden kregen grip op de volharding. Hij zou hét pakken. Hét hoorde bij hém. Roeiend werd hij oud. Behalve van binnen. Binnenin zijn borst kreeg hij vooral het heen-en-weer. Maar gelukkig de jeugdige heen-en-weer. Daar is geen remedie tegen nodig.