Feest


Verhaal door René van DensenHet nieuwe visvoer lijkt op vijverconfetti. Het heeft allemaal vrolijke kleurtjes. Ik strooi het om te vieren dat de vis in de vijver zich vaker laat zien. Het water ziet er feestelijk uit. Waarschijnlijk is het meuk dat bol staat van de kunstmatige kleurstoffen, maar het oogt opwekkend. Nu hopen dat de vis het vreet.

De waterslakken lusten het alvast wel. Het zijn er veel. Gisteren zag ik er nog maar eentje. Nu zijn er een boel kleintjes bij. Gaat hard. Ze klampen zich aan het voer. Ondersteboven bungelend in het wateroppervlak zijn ze de groenige feestmutsjes van de confetti. Man man, wat een feest in het vijvertje.

Al snel komen er vogeltjes met trombones. Kikkers hoppen in de polonaise rond. Krekels zorgen voor het carnavalsritme. Iedereen is verkleed. Daar loopt een mus die zich als kat heeft vermomd. Nee, wacht, het is echt mijn kat. Ineens is het feest voorbij en vluchten de beesten. Mijn kat miauwt naar mij en ik ben blij met haar. Carnaval is zo’n heisa.

Tussen twee regels

Verhaal door René van DensenHij is tussen twee regels blijven steken, mijn romanpersonage. Een geschreven regel en een ongeschreven regel. En nu reikt hij weifelend naar het rolletje toiletpapier. Het is nog maar een dun rolletje en de dag ervoor kenmerkte zich met afwisseling van koffie en bier. Een dieet dat zich zojuist danig heeft laten gelden. Het papier gaat niet voldoende zijn, vreest hij. Hij kijkt rond in het toilet maar dit blijkt ook de laatste rol. Met een zucht doet hij zijn best met wat hij voorhanden heeft. Continue reading “Tussen twee regels”

Schandvlek

De godganse dag lig ik op de bank mijn eigen schandvlek op de maatschappij te zijn. Dat vergt inspanning. Zowel dat vlek zijn als het liggen. Liggen is verdomd lastiger dan het klinkt, de hele dag. Zo moet je echt bijtijds verliggen in een andere houding. Anders gaat alles pijn doen. Nooit doorliggen. Ook probeert de natuur van tijd tot tijd je tot opstaan te manen. Niet naar luisteren. Je kunt het best nog een tijdje ophouden. Als je écht niet wil, kun je heel lang een pijnlijke blaas tolereren.

Continue reading “Schandvlek”

HET HOOGSTE WOORD

Stil was hij. Het Hoogste Woord.
Daar stond hij, in de wachtkamer.
Hij roerde zich nog even niet.

Het Hoge Woord staarde uit het raam en vroeg zich zwijgend af
hoe het zover had kunnen komen.
Natuurlijk, het had veel te maken gehad met Het Laatste Woord.
Als Het Laatste Woord niet zo’n stampij had lopen maken,
waren er niet zoveel woorden gevallen.
Continue reading “HET HOOGSTE WOORD”

Scène in Drongen.



Verhaal door René van DensenMet toegegeven schroom stond ik achteraan in de rij ouders-met-kindjes die op de digitale kiek gingen met de geschminckte pensionaris die zojuist twee uur entertainment ten berde had gegeven. In een klein parochiaal zaaltje in een slapende deelgemeente van Gent. Een tristesse die ik me zeer heb laten smaken, temeer de show eigenlijk best ok was. Ik heb me toch zeker vermaakt en me hier en daar betrapt op een lach. Allemaal dingen die ik sans gêne toegeef.

Als eennalaatste stond ik daar dan in de rij om op de foto te gaan met clown Bassie. Na mij zou nog een reusachtige vlaming in een witte cowboy-outfit met reusachtige texaanse hoed volgen. Bassie vraagt wie er volgt. Ik vraag maar semi schuchter of ik nog ‘mag’. De dan nog olijke man zwaait uitnodigend met een lichte garnering van “let’s get this over with”. Even weet ik niet wat te doen aangezien hij pal naast me komt staan en zijn schouder amper tot mijn oksel reikt – wat geenszins een cynische sneer is, bijna iedereen van zijn generatie komt hooguit tot mijn oksel, een simpel gegeven bij een volk dat in drie generaties qua gemiddelde lengte fors de lucht in geschoten is. Overmoedig-onwennig maak ik een ‘arm om schouder’ gebaar, maar dan wordt de man plots heel streng. “Geen arm om de nek, dat wil ik niet.” Ik verontschuldig me direct, was geenszins van plan de man te schofferen. Zonovergoten poseren we lachend voor de camera en klik. Meteen erna weidt hij over de schijnbaar verse voorkeur uit, zowel tegen mij als tegen de vlaamse texaan. “Ik heb het helemaal gehad met optredens in Holland,” zo verkondigt hij. “Nederland verhuftert, zoals dat heet, en je hebt altijd van die geinponems die dan hun arm om je schouder slaan en twee vingers achter je hoofd opsteken en de foto op internet zetten. Zo van ha ha, hebben we hem even voor lul gezet. En ik wil gewoon niet voor lul gezet worden.”

Weglopend achteraf overpeinsde ik dit. En vond het eigenlijk heel mooi. Een man die ver voorbij pensioensleeftijd nog langs piepkleine zalen tourt (waar hij enkel qua reistijd toch al wel een goede werkdag aan kwijt zal zijn) en fors zijn best nog doet voor willekeurig welke omvang qua publiek (‘the show must go on’), die notabene op podium zingt dat hij het fijn vindt dat mensen hem niet serieus nemen, wil wel niet voor lul gezet worden. En terecht. Er is een groot verschil tussen niet serieus genomen willen worden en zelfrespect verliezen. Deze man snapt beter dan menig BN’er, BV’er, politicus of politiek blogger waar die scherpe scheidslijn ligt. En glimlachend in de zon heb ik even heel, heel veel bewondering voor clown Bassie.

René van Densen ontmoet Clown Bassie

Eskimojas


Verhaal door René van DensenDe frivole jazzmuziek uit de speakers kietelt mijn oren en mijn ziel. Ik ruik even tevreden aan de Glenfiddich. Zet het glas terug op de toog. Kijk er eens naar. Whisky is een genot om naar te kijken – de kleur alleen al.
Ik zit in een jazzcafé whisky te drinken en Bukowski te lezen en ik geniet van het cliché.
De barvrouwe – een knappe maar duidelijk van het lieve type, geen barcandy per se zullen we maar zeggen – verzucht dat ze woensdag eindelijk vrij zal hebben en de hele dag zich met haar neus in een dik leesboek gaat verstoppen van alles en iedereen. Even benijd ik haar, dan bedenk ik me dat ik zit te lezen aan de bar en gewoon een weekenddag heb.
Bukowski vertelt over een poeet die veel zuipt en, ondanks alles, pal het succes in faalt.
Boven mijn hoofd draaien heerlijke oude houten ventilatoren, rondgetrokken door een mini-ventilatortje op één van de wieken. Een krachtig beeld. Overal om me heen dwarrelen rookpluimen omhoog.
Bukowski vertelt over optredens voor mensen die hij haat, terwijl hij het weer eens bij zijn lief verbruit en dan maar een bar opzoekt, TV-cameraploeg in zijn kielzog.
De Glenfiddich kost zes euro. Ik bestel er uiteindelijk zes. Alle zes keer geef ik een kleine fooi. Ik ben de enige. Niet goed geïntegreerd.
Bukowski vertelt van de duivel, die zijn bed en zijn vrouw inpikt en een vrij irritante klootzak blijkt te zijn.
Terwijl ik geniet, stapt een meisje de bar binnen, haar hoofd en lijft ingesnoerd in een soort eskimojas, en ik denk aanstelster. Het is buiten iets tussen vijf en tien graden, in December godbeterd. Ze wrijft haar handschoenen. Aanstelster. Dan staat ze naast me aan de bar, geluiden te maken alsof ze het koud heeft, en ze bestelt een warme chocomel. Aanstelster.

Het keiharde stoomgesis van de choco blaast me helemaal uit mijn roes. Als het bedaart, zitten de mensen naast mij over nieuwe winterbanden op hun auto te praten, en over Facebook. Chagrijnig klok ik de verder uitmuntende Glenfiddich weg en loop de bar uit.

Buiten is het 2010. En alles is van plastic.