Heen-en-weer


Verhaal door René van DensenHet was geen klein verlangen. De jongeman zuchtte. Zijn zicht duwde zijn pupillen zo ver mogelijk vooruit. Maar met al dat kijken en verlangen kwam hij geen millimeter nader. En het gras was er nochtans zo groen. Hij snakte. Zeg maar gerust dat zijn verlangen brobdingnagische omvangen bereikte. Toen hield hij het niet meer. Hij sprong uit zijn raam. In zijn boot. En vaarde naar de overkant.

Eindelijk ! Hier was het dan. Die vrijheid. Dat geluk. Die schoonheid. Of hee. Misschien toch niet. Onwennige stappen. Hm. Nee. Niet wat hij verwacht had. Hij keek rond. Gek. Het leek toch hier. Hij keek om. Ja, heb ik dat, denkt hij. Nu is het weer dáár. Hét, het zat in zijn venster en lachte hem toe. Heel dat eind voor niks gevaren. Hij sprong in de boot en vaarde terug. Zo. Nu zou het hem niet meer ontsnappen. Dacht hij. Tot hij het roepen van de overkant hoorde. Joehoe, riep het. Joehoe, ik ben hier. De jongeman knarsetandde. Boot terug te water. Zenuwachtige kabbeltjes achter hem aan. Haastig roeien. Hét, het was glibberig en snel. Zo had je hét, zo was hét weer elders. Voet. Wal. Niks hoor. Joehoe, klonk het alweer over het water. Zucht. Boot terug. Kabbeltjes.

Heen en weer, zo bleef het gaan met de jeugdige geest. Dagenlang. Wekenlang. Honger noch weergoden kregen grip op de volharding. Hij zou hét pakken. Hét hoorde bij hém. Roeiend werd hij oud. Behalve van binnen. Binnenin zijn borst kreeg hij vooral het heen-en-weer. Maar gelukkig de jeugdige heen-en-weer. Daar is geen remedie tegen nodig.

Deeveedees


Verhaal door René van DensenRillend sta ik voor zijn deur. Het licht in de gang gaat aan. Voor het raampje verschijnt het hoofd van mijn vriend. Een vermoeide blik, wanneer hij ziet dat ik het ben. Beschaamd en bedruimeld sta ik in de stromende regen. De sloten klakken. Ik ben zwaar verslaafd en ik weet het. Deur op een kier. Ik vraag bedremmeld of ik ‘m even mag zien. De deur zwaait verder open en ik haast mij de gang in. Achter mij sluit mijn vriend zuchtend de deur. Als hij geweten had dat ik zo vaak langs zou komen, was hij nooit akkoord gegaan.

Voorzichtig strelen mijn vingers de hoes. Natuurlijk moet ik van ze af. Het licht golvende plastic. Mijn collectie was onhoudbaar groot geworden. Ik staar naar de coverillustratie. Een handjevol, meer mag ik er niet van overhouden. Ze nemen veel te veel plek in, mijn deeveedees. Meer dan duizend had ik er. Ik heb geen kind, geen auto, geen hypotheek en zeeën van vrije tijd. Dan krijg je zo’n exces. Maar ik moet mijn inboedel zoveel mogelijk minimaliseren. Bijna alles heb ik er al uitgegooid, maar met de deeveedees heb ik moeite. Dus gooi ik ze op veilingwebsites, tegen veel te hoge vraagprijs. Ik maak mezelf wijs dat ik er zo alles aan doe om van ze af te komen. Het geld kan ik dan weer wel goed gebruiken, mag ik toegeven.

En een groot deel heb ik weggegeven. In de kroeg, aan vrienden. Aan wie die film maar wou. Zo kwamen ze toch nog goed terecht, hield ik mezelf voor. Maar natuurlijk zat daar achter dat ik dan wist waar ze waren. Mijn vriend maakt een kop thee voor zichzelf terwijl ik het deeveedeedoosje knuffel. Wat heb ik je gemist, deeveedee, fluister ik stilletjes. Met mijn neus snuif ik die heerlijke deeveedeehoesgeur op. Ik moet nog zevenhonderdvijftig deeveedees kwijt. In feite kan ik wel janken.

Kom je weer naar Club P.


Verhaal door René van DensenOf ik binnenkort weer eens naar de Opperpater kom, vraagt de striptekenaar. De striptekenaar zit in de kroeg. Ik ook. Ik wist dat vroeg of laat iemand het zou vragen. Het was vooral afhankelijk welke van de andere gasten van Club P. ik het eerst tegen zou komen. Club P. is de woonkamer van de Opperpater, waar twee keer per week een kleine groep mensen welkom is om film te kijken en bier te drinken. Ik antwoord, naar waarheid, dat mijn huidige werk in de weg zit. Ik werk tot laat en heb dan te weinig puf om nog film te gaan kijken bij de Opperpater. Liever til ik mijn pijnlijke voeten op de rand van de bank en blijf zo een paar uur liggen. Kat op schoot. Bijkomen.

De striptekenaar begrijpt dat wel. Hij zegt dat hij blij is om te horen dat dat de reden was. Zowel hij als de Opperpater vreesden dat ik nog boos was om de Golden Mile. Dat de Opperpater toen afgezegd heeft met een smoesje, en de hele onderneming samenvatte met ‘maar het is toch maar enkel bier zuipen’. Dat schoot toen inderdaad in het verkeerde keelgat. De Opperpater doet niet anders dan bier zuipen. Als hij naar het toilet gaat, is hij nog bier aan het zuipen. Volgens mij zuipt hij nog door wanneer hij slaapt. Per avond drinkt hij nu eenentwintig flesjes bier. Alleen als hij Facebookspelletjes speelt, dan gaat de fles tijdelijk aan de kant. Die mag niet over de laptop heen.

Ik erken dat het verraad bij de Golden Mile gestoken heeft en meeweegt in mijn wegblijven bij Club P. Ik weet dat de striptekenaar dit zo tegen de Opperpater gaat vertellen en dat mag hij best weten. Ik voeg er aan toe: “Het is daar toch maar enkel bier zuipen.”

Een op de drie


Verhaal door René van DensenHet is een bizar goedkoop geschoren poedel. Onwillig wordt hij door de man meegesleept. De man heeft die typische zaterdagmiddagblik die alleen winkelende mannen van middelbare leeftijd met een boodschappenlijstje in andermans handschrift op zak kunnen hebben. Hij slaat aanvankelijk amper acht op de hond aan zijn zij. De hond ook amper op hem. De man wil afrekenen en weg. Goddank dat er nog altijd mannen met winkelvrees zijn. De poedel met de slechte coupe is jong. Al het voer in de dierenwinkel is luchtdicht verpakt, dus begrijpt ook hij niet wat ze daar doen.

Bij de uitgang staat een schaaltje hondensnacks op de grond. De man bukt. Dit is de eerste actieve handeling die ik hem heb zien uitvoeren. Hij pakt een hondensnoepje. Hij laat de hond ruiken. De hond is geen fan. Met een ‘meen je dit nu echt’ blik kijkt hij de man aan. De man haalt zijn schouders op, en met het snoepje nog in de hand loopt hij de zaak uit. Buiten gooit hij het op de parkeerplaats. De hond slentert mee. Hij kijkt zelfs niet op of om naar de twee honden die nu met hun baasjes naar binnen gaan. “Mogen hier wel honden binnen ?” vraagt de oudere man. De jongere vrouw met haar tekkel lacht schamper en loopt door de deur. Ze heeft een pony en een paardestaart. Ik vraag me even af waarom we een paardestaart niet gewoon een ponystaart noemen. Zelden vraag ik me dat soort dingen lang af. Alle mensen doen immers maar wat.

Ik kan niet blijven kijken. De regen buiten prikkelt mijn blaas. Ik haast mij naar een café nabij. Er is niemand in de zaak, behalve één oud baasje, witte snor, dat kromgebogen aan de bar TV zit te kijken. Wielersport. Alcoholvrij biertje naast hem. Ik vraag of ik het toilet mag gebruiken, zonder enige notie of hij kastelein of klandizie is. Hij wijst vrolijk naar de hoek die ik om moet. Na mijn toiletbezoek – propere pispot, blinkend schoon wastafeltje – kijk ik hem vragend aan. Wij kroegmensen verstaan elkaar meteen. Hij schudt zijn hoofd en zwaait. Geen betaling of consumptie nodig. Ik knik en verlaat de zaak.

De man en vrouw verlaten net de dierenwinkel. De tekkel moet ook de snoepjes niet. De hond van de oudere man duwt zijn snuit enthousiast in de bak en schranst. De riem moet hem de zaak uitsleuren, kauwend en trekkend. Één op de drie, denk ik. Maar bij drie dan ook een daverend succes.

Bastion


Verhaal door René van DensenAls ik wakker word, blijkt de buitenwereld mijn hoofd te belegeren. Een reusachtige hoeveelheid buitenwereld valt me aan. Maar dan hebben ze buiten mijn kop gerekend. Daar komt een buitenwereld niet zomaar in. Zelfs niet met alle geweld van de wereld. Mijn hoofd onderhoudt een gezonde handelsrelatie met de buitenwereld, maar daar blijft het bij. De volle verdediging wordt nu dan ook ingezet.

Onmiddellijk worden de oogleden half gesloten en wordt er een grote hoeveelheid oogkroet aangebracht. Die krijgt de buitenwereld niet zomaar meer open. Alle breinactiviteit wordt teruggeschroefd tot de meest basale functies. En defensief steekt mijn haar alle kanten op. Ik ben een bastion van mijn eigen leefwereld. Buitenwereld, pas maar op.

In het midden van mijn hoofd zit een minstreel op een pleintje te tokkelen. Hij zingt, ter herinnering van allen, het lied van het plaatsje Wakker. Wakker is beroemd om de vergissing de buitenwereld binnen te laten. En we weten allemaal hoe dat afliep. Een gewaarschuwd hoofd telt voor twee.

Smerig


Verhaal door René van DensenDe schoonmakers van de treinen staken. Al een tijdje. Dat zegt de krant. De krant zegt ook dat het nu enorm smerig is in de treinen. Ik ben eigenlijk wel benieuwd. Gewoon omdat het kan stap ik dus in de trein. Ik heb zo’n privacybeschadigende treinkaart niet voor niets. Kom maar op, denk ik. Ik wil die smeerboel wel eens zien. De postapocalyptische toestanden wanneer er achter de moderne mens niet opgeruimd wordt. Ik heb een nieuwsgierig en licht masochistisch karakter.

Hoge verwachtingen worden er gekoesterd. Kniehoog in smurrie. Rottend tuinafval, radioactieve vaten, en vergane lijken. Bij elk station moet de coupé klotsen om aan mijn beeld te voldoen. Maar bij het instappen zie ik enkel twee flardjes toiletpapier in de gang. Naast mijn treinzetel een McDonaldsbeker die lichtgevuld achtergelaten is. Rechts van mij wat kruimels.

In feite is het nog minder smerig dan wanneer er wél opgeruimd wordt. Opvallend, denk ik. Ik vraag me onwillekeurig af hoeveel van de prijs van een treinkaartje besteed wordt aan de schoonmaak van de treinen. Blijkt dus helemaal niet nodig. Ik zwijg erover want ik wil niet stoken. In de coupé zijn wel veel grauwe, vertrokken gezichten. Wellicht dat enkel de humeurs voorheen opgeruimd werden. De mensen kijken smerig. En ook als ik buiten het raam kijk. is het één tyfuszooi. Maar de coupé, nee. Die is zeker niet smerig. Zonde van mijn treinkaartje.

Om de volgende ramptoerist tevreden te stellen, laat ik zo onopvallend mogelijk mijn broek zakken. Ik hurk en pers. Warme damp kriebelt mijn billen. Ziezo. Als nu de volgende treinreiziger niks te instagrammen heeft, dan weet ik het ook niet meer.

Sponsorpoging


No Guts No Glory

U heeft allemaal geld. U bulkt ervan. Ik weet het zeker. Ik hoor u hier bulken. Daarom vandaag: een sponsorpoging. Ik schrijf deze tekst, en per woord doneert u een cent aan Stichting No Guts No Glory. Zie de link. Een cent; wat is nou een cent ? Niet veel, maar we zijn nu al de vijftig cent voorbij. Jahaa, dat gaat snel. Voor je het doorhebt, zitten we zometeen al aan de euro. Maal tweehonderdnegenenzestig lezers, dat is een mooi begin. Nu nog niet hoor. Bijna. We zitten bijna aan de eerste hele euro. Nog eventjes… Ja, nu ! Één euro.

Potver, denkt u. Wat heb ik nou weer toegezegd. Die René kan moeiteloos alinea na alinea vol lullen en daar gaan mijn zuurverdiende centen. Nou… moeiteloos is een groot woord hoor, mensen. Tien letters. Geen kattepis. Acht letters. Het valt reuze mee, met dat moeiteloos. Ik zit me ook door dit tekstje heen te sleuren momenteel. Maar het is voor het goede doel. Wees blij dat ik vraag me per woord te sponsoren. Niet per letter. Dan zou zo’n woord als moeiteloos ineens erg hard gaan. Nu valt het nog mee. Je krijgt tenminste wat te lezen voor je euro.

Kijk, het is ook niet alsof ik nu even honderden alinea’s ga schrijven. Ik moet ook zelf nog wat andere dingen doen vandaag. Kom nou. Ik kan wel schrijven en schrijven, zelfs al is het voor het goede doel, maar het houdt ergens op hoor. Sowieso leest niemand het meer als ik dit stuk veel te lang maak. Dat is nu eenmaal een internetwaarheid. Maar erger nog, het toch al magere tekstje zou er danig onder lijden. Dan krijg je dat ik maar idiote woorden blijf toevoegen, gewoon om de teller op te krikken. Alleen maar voor uw broodnodige geld.

Maar ja, anderzijds wil je wel iets kunnen doen voor mensen met kanker. Die de ballen hebben om een niet vergoede behandeling in het buitenland te ondernemen. Dus je moet wat, als schrijver. Er lopen mensen voor deze stichting de marathon, of naar Rome, gesponsord. Er is gesponsord bier gezopen. Oke, toegegeven: daar heb ik ook meters gemaakt. Maar je wil dus iéts doen. Het eindbedrag van deze tekst maak ik uiteraard zelf ook over. Dus dat is al één. Ik heb er dus ook mezelf mee, met al die ingetypte woorden. En geef en passant zelf het goede voorbeeld.

We gaan vandaag gewoon voor vijf euro. Afhankelijk van waar u woont en uitgaat, amper drie bier of op sommige plekken zelfs maar één bier. Natuurlijk is het niet niéts; anders schreef ik dit voor niets. Dat doe ik al élke dag. Vandaag doen we het verdomme gewoon even anders. Als deze alinea af is, zitten we aan de vijfhonderd woorden. Tegen dat u de tekst uitgelezen heeft, heb ik de vijf euro al gestort. Wat houdt u nog tegen ? U weet wat de muggen zeggen, immers: Alle beetjes helpen. En heel veel beetjes zijn een forse zak met geld.

Overdadigesmolten


Verhaal door René van Densen“Mijn ei smaakt ronduit smerig.”
“Hoe komt dat ?”
“Het is slecht gebakken.”
“Hoe kun je nou een ei slecht bakken, man. Iedereen kan een ei bakken.”
“Er zit overdadigesmolten kaas op.”
“Overdadig gesmolten kaas, of overdadige gesmolten kaas ?”
“Nee, overdadigesmolten. Overdadigesmolten kaas.”
“Ik volg je niet.”

“Vandaag zag ik een vrouw een krant lezen.”
“Ja, dat doen ze wel eens.”
“Overdag, staand, in de brandende zon.”
“Ook dat gebeurt.”
“Precies in het midden van een speeltuin.”
“Vooruit, dat is al iets gekker.”

“Er waren nergens kinderen.”
“Dus een verlaten speeltuin, met pal in het midden, in de zon, een vrouw die staand een krant las ?”
“Exact. Ik heb geen idee of ze oorspronkelijk kinderen bij zich had.”
“Er waren ook geen kinderen in de buurt ?”
“Nergens kinderen. En de vrouw was enorm in haar krant verzonken.”
“Je denkt dat haar kinderen, buiten haar weten om, ontvoerd zijn ?”
“Ik weet niet of ze kinderen had. Enkel een krant.”
“En de zon.”
“En een speeltuin.”

“Kon ze er wel zitten ?”
“Makkelijk. Op allerlei toestellen. Maar ze stónd, snap je. Precies in het midden.”
“Dat is wel een dwaas plaatje.”
“En nergens kinderen. Je hoorde ze zelfs niet.”
“Krant helemaal opengevouwen ?”
“En hoofd gebogen. Onder die bakkende zon.”
“Jij maakt wat mee in je leven.”
“Ja. Maar dus ook ei met overdadigesmolten kaas.”

Het bolle meisje met de kop


Verhaal door René van DensenOp de middelbare school had ik een tijdje een crush op het bolle meisje met de kop. Ik had heel vaak crushes. Altijd heimelijk. Er iets aan doen leek me zo’n gedoe. Beetje mensen lastig vallen met dat ik ze leuk vind. Dus ook het bolle meisje met de kop zei ik niks. Het ergste is, dat ze zelf daarna een bescheiden hoeveelheid initiatief nam. Maar wel tot vriendschap. Ik had nog de leeftijd dat ik dat het ergste vond dat me kon overkomen. Ik was zo lief.

Het bolle meisje met de kop had heel veel meninkjes. Over muziek en over de wereld. Over politiek. Over schrijvers, denkers en religies. Over het hiernamaals. Ze wist van alles stellig zeker. Ik wist vanalles schouderophalend onzeker. Eigenlijk paste dat best goed bij elkaar. Ik liet haar de godganse dag meninkjes hebben en zij vond het heerlijk om die meninkjes te hebben. Op haar beurt drong zij mij die meninkjes niet op. Dat pleitte in het voordeel van het bolle meisje met de kop.

Vanochtend moest ik even denken aan het bolle meisje met de kop. Ze is, meen ik, in de nabije toekomst een keer jarig. Waarschijnlijk is het bolle meisje met de kop inmiddels getrouwd met een ambitieuze man en leert ze hun kindjes stellig wat goed en fout is in het leven en de wereld. Misschien is ze allang geen bol meisje meer. Laat staan dat ze een kop heeft. Je weet die dingen uiteindelijk niet.

Kraaien


Verhaal door René van DensenZelf eet ik geen vetbollen. Ik heb dat voer niet voor niks gekocht, brom ik. Dus hang ik, winter of geen winter, de vetbollen aan het vogelhuisje in de tuin. Op een ochtend sta ik daardoor bij mijn keukenraam oog in oog met een reusachtige kraai. Hij kijkt me betrapt aan terwijl hij aan het vogelhuisje bungelt. Een netje pinda’s aan zijn snavel.

Het worden er al snel meer. Een dagelijks groeiende zwerm kraaien plundert het huisje. Met veel tumult en kabaal. Het is een bescheiden vogelhuisje, dus sommige dagen tref ik het omgegooid aan. Sowieso leg ik elke dag met een zucht de netjes vogelvoer terug in het huisje. Ze liggen uitgestrooid over de tuin.

De kraaien zijn heel vernuftig. Ik heb al met metaaldraadjes knopen gelegd in de netjes om ze steviger te bevestigen, maar dat krijgen ze toch ook los. En ineens kreeg er ééntje door dat de voorraad voer binnenshuis ligt. Zo zat er één, vervolgens vijf, vervolgens twintig bij mijn achterdeur. En als ik thuiskom, fladderen ze plots allemaal weg en tref ik krassen aan op mijn achterdeurslot.

Ik had ook rekening moeten houden met de volharding van kraaien. Vanochtend scheen de zon in mijn ogen. Sjacherijnig vroeg ik me af waarom ik de gordijnen niet gesloten had. En toen zag ik het. Het huis lag een stukje verderop. Op zijn zijkant. Overal lagen zwarte veren. En het hoekje met het vogelvoer was helemaal geplunderd. Komend najaar, winter of geen winter, krijgen die rotvogels helemaal niks meer.