Alsof het bestaat, een typische ochtend, zo typisch gedroeg deze zich. Natuurlijk werd cliché na cliché afgevinkt. Half net-wel-net-niet verslapen. In ondergoed, met één sok aan en een klotsende mok koffie, door het huis hoppen. Een minimum van één kat die halverwege de trap plots stilstaat, de trede over de lengte blokkeert en mij, al struikelend, verwachtingsvol en half bedelend aankijkt om wat aandacht. Het viel me nog reuze mee dat ik geen lekke band had.
Rennen door de regen met gevaarlijke glibbergang. Net op het fluitsignaal tussen treindeuren doorglippen. Tegenover een knul zitten met een hoog voorhoofd, omlijstende wenkbrauwen en witte draadjes naar zijn oren, die naar buiten kijkt alsof hij meer geleden heeft dan Jezus. Een jengelend kind dat haar poppetje wil – bijzonder: het poppetje heeft bruin haar. En natuurlijk minimaal één persoon die geïrriteerd kijkt omdat mijn vingers zo luidruchtig op het toetsenbord ratelen.
Ik heb geen koffie op mezelf gemorst. Dat mag ik zien als atypisch. Ik ben niet omgereden door een even haastige automobilist. Ik ben wél tussen de sluitende treindeuren door geglipt. Er stonden geen beppende Beppen het stoplicht te blokkeren. Ik werd ook alleen wakker, dus hoefde me geen zorgen te maken of ik wel gastvrij genoeg was naar iemand die mee tussen mijn lakens was beland. En geen van de dingen die mijn lezers mij toewensen – geef het maar toe – kwam uit. Maar het allerbelangrijkste: ik heb geen koffie op mezelf gemorst. Het is dus toch geen typische ochtend. Maar het kan nog. Alles kan nog.

