Uit het niets staat hij voor mijn deur wanneer ik opendoe. Ik weet niet goed meer waarom ik de deur open. De bel had, dacht ik, niet gerinkeld. Daar staat hij, en hij kijkt me strak aan. Meteen begint hij al: “U ziet er niet bijster wakker uit, meneer.”
Ik denk nog even dat de man een verkooppraatje komt houden. Daar houd ik van, dus open ik de deur iets wijder. Hij glipt direct naar binnen. “Uw gang kan wel een extra laagje witte verf gebruiken,” klinkt het achter me terwijl de man hoorbaar doorloopt naar de woonkamer. Alsof hij hier al jaren woont.
De man komt hier het een en ander vinden, meldt hij me wanneer ik hem zijn koffie aanreik. De koffie is trouwens erg warm en had in een appetijtelijkere mok gemogen. Aldus de Dingenvinder. Ik vraag hem verbaasd of daar geld in te verdienen is. Bij mensen als u niet, kijkt hij met een zuinig mondje in het rond. Ik voel me direct schuldig over mijn schampere inkomen.
De man zegt dat hij erg weinig tijd heeft. Hij moet de hele straat nog afvinden. Ik zeg dat dat niet geeft, dat hij alle tijd van de wereld mag nemen. Hij kijkt nog één keer rond: “Ik vind dat u wel eens mag schoonmaken.”
Ik schud de Dingenvinder z’n hand. Hij schudt hem schuchter terug. Dan drebbelt hij mijn straat af, naar de volgende deur. Voor hij aanbelt, kijkt hij vijftien seconden naar de deurbel en het naambordje van de buren. Volgens mij vindt hij nu al iets.

