Ik kijk om me heen. Ik voel de airco. Alles en iedereen is stom. Ze krioelen door elkaar in het station en lopen voor mijn voeten op de stoep. De mensen lachen niet. Iedereen heeft een doel dat ze liever niet nastreven voor ogen. Alsof ze grimmig het ravijn in razen, willens en wetens. Ik vind er geen fuk aan zo.
Heden ben ik nuchter.

